Bouwman, H. (1934)

Gereformeerd Kerkrecht II
Het recht der kerken in de practijk
Kampen
J.H. Kok N.V.
1934

Bouwman, H. (1934) Wv

 

 

L.S.

De schrijver van dit werk, Prof. Dr H. Bouwman, is het vorige jaar in de maand Februari afgeroepen van zijn post hier op aarde, en bevorderd tot het hemelleven, dat veel beter is dan het leven op deze aarde.

Hij had hier echter nog willen blijven ter wille van zijn werk. Zijn Kerkrecht zou hij gaarne nog uitgegeven zien en het was zijn uitgesproken bedoeling dit dan op te dragen aan de Hoogeschool te Papa (Hongarije), welke hem haar eere-doctoraat had verleend. De Heere heeft het echter anders beschikt, en de pen aan zijn hand ontnomen.

Na het overlijden van Prof. Bouwman heeft Mevrouw Bouwman mij gevraagd het tweede Deel van het Gereformeerd Kerkrecht te willen nazien. Ik heb dit met genoegen gedaan, vooral, omdat heel de kopie klaar lag. Alleen één stuk ontbrak: n.l. over de verhouding van Kerk en Overheid. Voorzoover mij bekend is, heeft Prof. Bouwman hierover nooit college gegeven, zoodat we deze lacune niet konden aanvullen. Maar behalve de §§ over de verhouding van Overheid en Kerk staat in dit tweede (en laatste) Deel alles wat Prof. Bouwman er in heeft willen hebben.

Dit werk is voor onze kerkeraden een werk van beteekenis en vooral geschikt om bestudeerd te worden door de ouderlingen en dienaren des Woords. Prof. Bouwman heeft verschillende vragen bezien in historisch licht, gaat na hoe de toestanden op een bepaald punt waren in de 16e en de 17e eeuw, vraagt wat Voetius zei, en wat Rutgers’ opinie was, en heeft ons zoo een Kerkrecht gegeven dat verschillende practische vragen beantwoordt in het licht van de historie.

Dit geeft aan dit boek een betrekkelijk objectief karakter.

Met bizondere waardeering maak ik melding van hetgeen Ds O. Bouwman van Zaltbommel voor de uitgave heeft gedaan. Hij heeft ook de drie uitvoerige Registers saamgesteld.

Moge Gods zegen op dit werk in ruime mate rusten.

 

T. Hoekstra.

Kampen,
Op den dag, voorafgaande
aan het Eeuwgetijde der
Afscheiding — 13 Oct. 1934.

Bouwman, H. (1934) § 58

|1|

Tweede Boek.

Het recht der kerk, zooals het naar Gods Woord moet zijn en in de praktijk wordt geoefend.

 

 

Tweede Afdeeling: De Kerk en hare Regeering.

Hoofdstuk I. De kerkelijke samenkomsten in het algemeen. Het kerkverband.

 

§ 58. De organisatie der kerken is gegroeid.

De kerk heeft behoefte aan leiding en verzorging. Daartoe is vereischt niet alleen de bediening des Woords en der sacramenten, maar zijn ook noodig organen, die in Christus’ naam waken voor de handhaving van orde en tucht. Naar de ordeningen, door de apostelen in ’s Heeren naam gegeven, moeten in elke kerk mannen als opzieners worden gesteld, wier taak het is geestelijk opzicht te houden over de gemeente en haar opbouw te bevorderen. Maar omdat de kerken één zijn in Christus, is het bovendien een levensbelang der kerken, dat een onderling verband wordt onderhouden, opdat de eenheid en de zuiverheid der leer, en het bewaren van de ordeningen des Heeren verzekerd zij. Vooral de Gereformeerden, die voor het kerkelijk leven niet steunen op aardsche machten, maar hunne sterkte zoeken in Christus, hun verhoogden Koning, hebben de behoefte aan een krachtige organisatie recht verstaan, waarbij de vrijheid van den Christenmensch, de zelfstandigheid der plaatselijke kerken en de saamhoorigheid en de samenwerking der kerken onderling tot openbaring komt.

Reeds vóór Calvijn hadden Oecolampadius, Capito e.a. de noodzakelijkheid geleerd van een gemeenteorgaan tot het handhaven van orde

|2|

en tucht in de gemeente, maar hunne pogingen om tot een zuivere kerkinrichting te komen waren niet verwezenlijkt. Zwingli had voor zijne kerken de organisatie voltooid door het invoeren van een synode, samengesteld uit al de predikanten en vertegenwoordigers der regeering, waar ook de leden der gemeente hun bezwaren konden inbrengen. Doch Calvijn is de eerste geweest, die, wat de Schrift leert aangaande kerk, ambt en regeering der kerk, recht heeft ingedacht en in schets gebracht, en aanvankelijk naar dat de gelegenheid des tijds het veroorloofde zijn gedachte heeft gerealiseerd. Hij oordeelde dat volgens de H. Schrift de kerkelijke macht berust bij de kerk zelve, d.w.z. bij de geloovigen, die haar samenstellen. Maar de macht wordt niet uitgeoefend door de gezamenlijke leden der gemeente, maar door de opzieners der gemeente, die in den naam en naar de opdracht van Christus handelen. Calvijn wilde voor het geestelijk opzicht over de gemeente niet alleen predikanten, die voor hun leven dienen, maar ook opzieners, die, uit de leden der gemeente genomen, tijdelijk dienen en met de herders en leeraars waken voor het geestelijk welzijn der gemeente, opzicht en tucht over haar houdende. Zoo kwam te Genève de kerkeraad tot stand. Naast de vergaderingen des kerkeraads werd wel een predikantenvergadering gehouden, maar geen classis of synode. Daarvoor was Genève wel wat klein. Doch wekelijks kwam in Genève een vergadering samen, om, met het oog op de zuiverheid en de eenstemmigheid in de leer, de H. Schrift uit te leggen. In navolging hiervan werd in Emden een coetus georganiseerd, een vergadering van predikanten, die onderzoek moest doen naar het leven van de dienaren des Woords en naar den toestand in de gemeente, terwijl op deze vergadering ook candidaten voor den dienst des Woords werden onderzocht, disputen werden gehouden en besluiten werden genomen over ingebrachte vragen en bezwaren. In de vluchtelingengemeente te Londen werden eveneens sedert 1550 maandelijksche bijeenkomsten der leeraren gehouden, welke coetus in 1570 overging in een maandelijksche vergadering van de predikanten en ouderlingen der Nederlandsche, Fransche en Italiaansche gemeenten, die de beslissing had over zaken, die in een derzelve niet had kunnen worden afgehandeld 1).

In Frankrijk, waar de reformatie zich kon ontwikkelen buiten den belemmerenden invloed der overheid, had men reeds vroeg samenkomsten van predikanten der genabuurde kerken, welke, hoewel zonder afvaardiging, de belangen der kerken behartigden. Spoedig werd echter, door de groote uitbreiding van het kerkelijk leven, behoefte gevoeld aan


1) Werken der Marnix Vereen. I. 105, 127, 132, 135, 184; Von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht, S. 64, 126.

|3|

een synodaal verband. Er waren in 1561, volgens een statistiek, opgemaakt op de vergadering der Gereformeerden te Poissy, niet minder dan 2150 gemeenten, voor welker welzijn een synodale organisatie beslist noodig was. Beza verhaalt hiervan 1), dat in 1558 Antoine de Chandieu door de gemeente van Parijs naar de kerk van Poitiers gezonden werd voor een bijzondere aangelegenheid. Hij woonde daar de viering van het avondmaal bij, hetwelk juist in dezen tijd gehouden werd, waaraan niet alleen de gemeente deelnam, maar ook onderscheidene naburige predikanten die zich daar bevonden. Toen na het avondmaal de predikanten vergaderd waren, en met elkander handelden over onderwerpen van leer, tucht en orde, kwam de gedachte op, welk een zegen het zou zijn, wanneer alle Fransche kerken eendrachtig een geloofsbelijdenis en een kerkenorde opstelden, en welk een groot kwaad het voor de kerk zou zijn, en hoeveel verdeeldheid en moeite zou ontstaan, wanneer de kerken niet eendrachtig overeenstemden in een gemeenschappelijke belijdenis en kerkenorde. Deze kleine predikantenconferentie gaf aan Chandieu opdracht, om de kerk van Parijs te verzoeken maatregelen te nemen tot het samenroepen van een synode. In gevolge hiervan zond de gemeente van Parijs een schrijven aan de kerken in Frankrijk om goedkeuring van het plan en om afgevaardigden naar Parijs te zenden. En zoo kwamen temidden van de felle vervolging de afgevaardigden der kerken 26 Mei 1559 samen in Frankrijks hoofdstad, in de voorstad St. Germain, om daar de zaken der Fransche kerken te regelen, en een belijdenis en kerkenorde op te stellen. In de Discipline Ecclesiastique werd de zelfstandigheid der plaatselijke kerk vooropgesteld, terwijl daarna gehandeld wordt over de synodale vergaderingen, in welke de afgevaardigden der plaatselijke kerken bijeenkomen, om het welzijn der gezamenlijke kerken te behartigen. Op deze wijze kon het Independentisme worden voorkomen, en de eenheid der kerken gehandhaafd, zonder in de hiërarchie te vervallen. De Provinciale en de Nationale synoden werden tegelijk ingevoerd, doch de classisregeling kwam eerst tot stand op de synode van Nimes (1572, Art. 11), nadat deze reeds in 1571 door de Nederlandsche kerken op de synode van Emden was vastgesteld.

In de Nederlandsche kerken werd ook van den beginne de behoefte aan de organisatie der kerken verstaan. De gemeenten onder het kruis in de Zuidelijke Nederlanden kwamen van 1563 af herhaaldelijk samen. Zij ontleenden de leidende gedachte aan de kerkelijke ordeningen van Genève en Frankrijk. Nadere uitbreiding kreeg de organisatie in de vluchtelingenkerken in Engeland en in Duitschland, terwijl op het convent van Wezel algemeene regelen voor het kerkelijke leven werden


1) Beza, Histoire Ecclésiastique des églises réformées, Anvers, 1580, I. 49.

|4|

ontworpen. Te Emden (1571) werd echter het kerkverband nader geregeld. Als voornaamste beweegreden voor het houden der synode was in den oproepingsbrief van Marnix aangevoerd, dat de kerkelijke eenheid strekken zou ter eeren Godes almachtich en tot opbouwinge Syner lieve Gemeijnte. In overeenstemming met den oproepingsbrief en de afvaardiging hadden de kerken reeds te voren haar toestemming gegeven tot het vormen van een eenheidsband, en omdat zij hare afgevaardigden hadden gezonden om in overeenstemming met de bedoeling in den oproepingsbrief aangegeven te handelen, waren zij als het ware zelve te Emden bijeen. In verband met deze regeling werden de rechten der plaatselijke kerken met betrekking tot de regeer ing en tucht eenigszins beperkt, en werden maatregelen getroffen, dat de vrijheid van de leden der kerk werd verzekerd, de willekeur besnoeid, de gemeenschap der kerken door het onderzoek der candidaten, door de goedkeuring van de handelingen des kerkeraads in zake de beroeping van en de censuur over de dienaren des Woords werd gewaarborgd, en de belijdenis en de orde der kerken werden gehandhaafd. Deze organisatie werd door de synode van Emden niet opgelegd aan de kerken, maar door de kerken met gemeen accoord goedgevonden. Immers de Gereformeerden waren één in belijdenis, hun eenheid rustte daarop, en al wat op het stuk van de kerkregeering uit Gods Woord was afgeleid was reeds aanvaard. Men was het eens over deze beginselen: Alle macht berust bij de kerken zelve, onder Christus het eenige Hoofd, en wordt uitgeoefend door den kerkeraad. Alle kerken en ook alle dienaren staan gelijk in macht en gezag, en hebben te handelen naar het koningsrecht van den Heere der gemeente. Elke plaatselijke kerk is zelfstandig binnen de grenzen harer bevoegdheid en heeft het recht orde en regel te stellen voor eigen gemeente. Maar omdat de kerken één zijn in Christus, één in belijdenis, en zij geroepen zijn die eenheid naar buiten zooveel mogelijk in praktijk te brengen, hebben zij samen ook de bevoegdheid ordeningen te maken, die, in onderwerping aan Gods Woord en de gemeenschappelijke belijdenis, als regel gelden voor het leven en het welzijn der gezamenlijke kerken. En om die reden had de synode van Emden de bevoegdheid tot het maken van eene algemeene kerkenordening voor de Nederlandsche Gereformeerde kerken, omdat alle kerken aldaar haar macht met het oog op de organische samenwerking hadden samengebracht. En de kerken waren gehouden, omdat zij haar voor zich zelve gemaakt hadden, getrouw naar de eenmaal gestelde orde te leven. En wijl — zooals door Dr F.L. Rutgers 1) terecht is aangetoond — de latere kerkenordeningen in substantie dezelfde zijn als die van Emden, en wij dus nog dezelfde


1) Dr Rutgers, De geldigheid van de oude Kerkenordeningen, blz. 17 v.v.

|5|

kerkenordening, doch naar de behoeften van latere tijden met gemeen goedvinden gewijzigd, bezitten, bindt de vigeerende kerkenordening alle kerken, die haar hebben aanvaard. Dit viel de Gereformeerden daarom gemakkelijk, omdat deze regeling van dien aard was, dat zij, naar de overtuiging van allen, die haar opstelden, was naar eisch van Gods Woord en de Belijdenis, en dienstig tot bevordering van het welzijn van de kerken en van hare leden.

Bouwman, H. (1934) § 59

§ 59. De organisatie der kerken is noodzakelijk.

De organisatie der kerken is dus gegroeid. Dit is geheel in overeenstemming met het wezen der kerk. Zij is een heilige vergadering der ware Christgeloovigen. Zij bestaat uit menschen, vergaderd en toegebracht door Christus, door zijn Woord en door zijn Geest. Christus zelf bouwt de gemeente op het fundament der apostelen en profeten (Matth. 16: 19; 1 Cor. 3: 11; Ef. 2: 20). Christus is het Hoofd, en de gemeente is zijn lichaam, dat uit Hem leeft, en door Hem te zamen gevoegd wordt en zijn wasdom bekomt (Ef. 4: 16; Col. 2: 19). Elke plaatselijke kerk is wel een zelfstandige, complete kerk, maar is uit kracht van hare geboorte uit Christus niet de kerk, maar slechts een openbaring van Christus' kerk op een enkele plaats. Zij is daarom geestelijk gedacht één met de gansche kerk over de geheele aarde, gelijk de Nederlandsche Geloofsbelijdenis getuigt: „Ook mede is deze heilige kerk niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; nochtans te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in éénen zelfden Geest, door de kracht des geloofs” (Art. 27).

Deze verplichting klemt dan in het bijzonder wanneer ook in andere plaatsen de kerk tot zoodanige openbaring gekomen is, dat zij als kerk van Christus herkenbaar is en belijdenis doet van hetzelfde geloof. Eenheid van belijdenis is dus de noodzakelijke grondslag, op welken de kerkelijke gemeenschap, en alle kerkelijke correspondentie moet staan. Waar die eenheid gevonden wordt, behoort de kerkelijke correspondentie zich zoo breed mogelijk uit te strekken. Practisch echter kunnen alle kerken in de geheele wereld niet met elkander in een nauw verband samenleven, omdat de omstandigheden, waarin zij verkeeren, de groote afstand, waarin zij van elkander verwijderd leven en het onderscheid in taal dit niet altoos toelaat. Echter is correspondentie van kerken, die leven uit dezelfde belijdenis, wel mogelijk. Bij kerken van dezelfde belijdenis in één land, of in elkanders nabijheid is samenwerking mogelijk door een classicaal en synodaal verband, doch bij verwijderde kerken

|6|

is correspondentie alleen mogelijk door onderlinge overeenkomst in gewichtige stukken, door schriftelijke gedachtenwisseling, het zenden van afgevaardigden, enz. Kerkelijke correspondentie in het algemeen wil zeggen, dat de verschillende kerken elkander van de gewichtigste zaken op de hoogte houden, zoo nu en dan verschillende belangen met elkander bespreken, elkanders oordeel inwinnen over gewichtige punten van leer en leven, en daartoe over en weer afgevaardigden zenden. Bij kerken van dezelfde taal, die dicht bij elkander wonen, is evenwel nauwer verband mogelijk.

De Gereformeerden hebben de noodzakelijkheid van het kerkverband in het bijzonder verdedigd tegenover de Roomsche kerk en de Independenten. De Roomsche kerk vat de kerk op als heilsinrichting, waardoor Christus zijne genade mededeelt aan de wereld. Het instituut der kerk is er vóór het organisme en staat hoog boven het volk, dat daarvan voor de zaligheid geheel afhankelijk is. Dat zichtbare kerkinstituut met de priesterlijke hiërarchie vormt de mystieke tusschenschakel voor den mensch, om in gemeenschap met God te treden. Heel de priesterkerk is één. Waar de paus is, daar is de kerk, en de geestelijken zijn de representanten op elke plaats van de groote eenheid, door paus en bisschoppen gevormd. De Roomsche kerk leert, dat de paus is „de opvolger van den apostelvorst Petrus en de ware stedehouder van Christus, het hoofd der gansche kerk en aller christenen vader en leeraar, en dat hem in den H. Petrus de volle macht, om de geheele kerk te weiden, te leiden en te regeeren, door onzen Heere Jezus Christus overgedragen is” 1). „Volgens de verordening des Heeren bezit derhalve de Roomsche kerk boven alle anderen den voorrang der gewone ambtsmacht (ordinaria potestas); deze waarachtig bisschoppelijke jurisdictie van den Roomschen paus is een onmiddellijke, tegenover wien de herders en de geloovigen van elke orde en rang, zoowel ieder afzonderlijk voor zich als allen tezamen de plicht der hiërarchische onderdanigheid (subordinatio) en der ware gehoorzaamheid hebben, niet alleen in zaken van geloof en zeden, maar ook in zaken van tucht en regeering van de over de geheele aarde verbreide kerk, zoodat, terwijl de eenheid der gemeenschap en der geloofsbelijdenis bewaard blijft, de kerk van Christus is ééne kudde onder éénen herder” 2). Door de apostolische successie vernieuwt het episcopaat zich bestendig, en door de ordening worden aan de priesters de apostolische krachten medegedeeld. En de conciliën of algemeene kerkvergaderingen ontleenen hare bevoegdheid aan de bisschoppen, die er samenkomen, terwijl de leiding der conciliën en ook


1) Conc. Vatic. Const. Pastor aeternus, c. 3.
2) L.c.

|7|

het eindoordeel over deze besluiten van een concilie berust bij den paus 1).

Tegenover deze opvatting, die het wezen der kerk stelt in het priesterinstituut, hebben de Reformatoren geleerd, dat het wezen der kerk voor het zichtbare ligt in de geloovigen, de leden van het lichaam van Christus. Christus is het Hoofd des lichaams, uit wien het geheel des lichaams zijn wasdom bekomt. Christus regeert zijn volk door zijn Woord en Geest, en hij heeft aan zijne gemeente gegeven ambten en bedieningen, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus, zoodat de gemeente organisch samengevoegd en geleid, leeft naar het recht van haar Koning, die in de hemelen is. Van een hiërarchische macht van den paus, en van een overdracht van het gezag door Petrus aan de bisschoppen, en van de bisschoppen op de conciliën weet de H. Schrift niets 2). De legende, dat Petrus 25 jaren bisschop van Rome geweest is, zelf zijn opvolger zou hebben aangewezen en op dezen zijn macht heeft overgedragen, is niets anders dan een legende, eerst later ontstaan om aan de pauselijke macht een rechtstitel te verleenen 3). In den apostolischen tijd is er van zulke bisschoppen volstrekt geen sprake. Wel hebben de apostelen in elke gemeente ouderlingen aangesteld (Hand. 14: 23), die nu eens met de namen presbyters en dan weer met den naam episcopen worden aangeduid, maar deze episcopen waren geen bisschoppen in Roomschen zin, met een algemeene regeermacht over alle kerken, doch leidslieden der gemeente, die in den naam van Christus, en naar zijn Woord de zielen hebben te verzorgen, de leden der gemeente te onderwijzen, te vermanen en te vertroosten en zorg te dragen voor de cultus, de leer en het leven der gemeente. Bovendien waren de functies van de presbyters en de episcopen overal dezelfde (Hand. 20: 28; Tit. 1: 7; 1 Tim. 3: 1, 2; 4: 14; 5: 17—19) 4).

Tegenover Rome en later ook tegen de Collegialisten handhaafden de Gereformeerden dat de kerk niet alleen haar bestaan heeft als lid of deel van het groote geheel, maar dat elke plaatselijke kerk zelfstandig is, vrij hare dienaren kiest en roept, en, staande in het kerkverband ook haar wezenlijke vrijheid behoudt en volkomen gelijk staat met de andere kerken. Het collegialistisch systeem is met dit beginsel in strijd. Volgens het collegialisme is de landskerk een groote vereeniging, met plaatselijke, classicale en provinciale onderaf deelingen. Aan het hoofd


1) Hinschius, Kirchenrecht III, S. 333—482; 603—654; Dr Fr. Heiner, Kathol. Kirchenrecht, 1912, I. 374.
2) Zie Deel I van dit werk, bl. 336 v.v.
3) Dr H. Bavinck, Ger. Dogmatiek2, IV. 396; Sehling, R.E.3 Art. Papst, en de daar aangehaalde litteratuur.
4) Zie Deel I van dit werk, bl. 99 v.

|8|

van het genootschap staat een synode, die regeert volgens den wil van de meerderheid der leden, die ook bij wijze van een verdrag een deel harer rechten aan de landsregeering kunnen overdragen. Dit stelsel, dat de leer van de volkssouvereiniteit toepast op de kerk, is in lijnrechten strijd met het schriftmatig karakter van kerk en ambt. En de Gereformeerden waren van den beginne zoo beducht voor het gevaar van de heerschappij van menschen in de kerk, dat zij reeds op de synode van Emden (1571, art. 1) uitspraken: „Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken sal d'een over d’ander heerschappie voeren, maar een yegelijck sal hen voor alle suspicien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten”.

Doch deze zelfstandigheid der plaatselijke kerken mag niet opgevat worden in den zin der Independenten, die elke groep van geloovigen houden voor independent of onafhankelijk, en elke bindende autoriteit van een synodaal verband verwerpen. Zij erkennen in hun Savoy declaration 1) wel, dat de plaatselijke congregaties in conferenties of synoden kunnen samenkomen, „ingeval er moeilijkheden of verschillen waren, hetzij ten opzichte van de leer of kerkregeering, waarin de kerken in ’t gemeen betrokken waren, of als het ging om den vrede, eenheid en stichting van één kerk, of wanneer een lid of leden eener kerk ongelijk was aangedaan door onordelijke censuur, en dat de afgevaardigden ter synode dan hun advies over dit geschil mochten geven, om aan al de betrokken kerken meegedeeld te worden, maar dat deze synoden niet bezaten een kerkelijke macht in eigenlijken zin, of eenige jurisdictie om eenige censuur uit te oefenen over eenige kerk of personen, of haar beslissingen op te leggen aan kerken of ambtsdragers”. De Independenten waren het wel met de Westminster Confessie als geheel eens, maar hadden een afwijkend gevoelen met betrekking tot de kerkregeering, en wilden van een bindend gezag der meerdere vergaderingen niets weten.

De Gereformeerden evenwel brachten hiertegen in, dat volgens het Nieuwe Testament alle plaatselijke kerken wel de kenmerken bezitten van een zelfstandige en complete kerk te zijn, met eigen bediening des Woords, der sacramenten en der tucht, dat ook alle leden der kerk op eene plaats zoo mogelijk in ééne kerk behooren vereenigd te zijn, en dat het ontbreken van de plaatselijke eenheid de goede orde, de eendracht en de goede werking der tucht in den weg staat, maar dat toch ook, zooals Voetius 2) zegt: „de confoederatie, en wel meer of minder volledig, wat het wezen en de zaak op zichzelve beschouwd betreft, bij


1) Schaff, Creeds of Christendom III, p. 728.
2) Pol. Eccl. I. 61.

|9|

goed georganiseerde kerken op zich zelf niet mag ontbreken”. In zeer bijzondere gevallen is het kerkverband niet mogelijk, wanneer slechts een enkele kerk in een bepaald land bestaat, wanneer de kerk op een afgelegen eiland gevestigd is of omstandigheden van grooten nood of vervolging de confoederatie verhinderen. Maar wanneer geen overwegende moeilijkheden in den weg staan, is het naar de goddelijke orde, dat de plaatselijke kerken zich in classicaal en synodaal verband vereenigen. Deze vereeniging maakt haar niet tot een kerk, maar is voor haar blijvend bestaan en welstand noodig. Ook afgezien van de kerkelijke gemeenschap is de vergadering der geloovigen aan eene plaats een ware en complete kerk. Want het kerkverband behoort niet tot het wezen, maar tot het welwezen der kerk. Wanneer dan ook eene kerk verre verwijderd is van andere kerken en door vervolging of overheidsdwang buiten de mogelijkheid in kerkelijk verband met haar te treden, dan zou deze kerk het volste recht hebben de ambten in te stellen, de bediening van Woord en sacramenten en de oefening der tucht te doen plaats hebben, zonder hulp en toestemming van andere kerken, en zonder dat daartegen eenig wettig bezwaar zou kunnen worden ingebracht. Want naar het woord van Voetius 1) is de plaatselijke kerk wezenlijk en volledig een ware kerk zonder die correspondentie. Zelfs zou zij nog meer kunnen bloeien wanneer zij op zich zelf stond, dan in een verband, dat haar leven hinderde. Maar wanneer geen overwegende moeilijkheden in den weg staan, is het naar de goddelijke orde, dat de kerken zich in classicaal en synodaal verband vereenigen.

De grond voor het verband was dus, zooals Voetius 2) terecht zegt, 1° het in de Schrift geopenbaard goddelijk recht en 2° de toestemming der plaatselijke kerk. Zelfs ten opzichte van eene kerk, die door andere synodaal verbonden kerken gesticht was, geldt dit. Want van het oogenblik, dat een groep van geloovigen met behulp en onder de leiding van het kerkverband georganiseerd is, en de ambten zijn ingesteld, is zij een zelfstandige en complete kerk. Zonder de vrijwillige toetreding der geloovigen is institueering eener kerk niet mogelijk, en evenmin is een kerkverband mogelijk zonder vrijwillige aansluiting. Dit moet niet worden misverstaan. Het intreden in het kerkverband is vrijwillig in dien zin dat niemand, geen kerk of staatsmacht, haar kan dwingen in een bepaald kerkverband te treden, aangezien de kerk zelve naar Gods Woord heeft te beoordeelen of zij in dat verband behoort en of dit haar zal kunnen schaden of haar voordeelig zal zijn. Maar deze vrijheid is geen willekeur. Er moeten al zeer gewichtige oorzaken zijn, die de vrijheid wettigen om op zich zelve te blijven staan, zoodat terecht


1) Pol. Eccl. IV. 127.
2) Pol. Eccl. IV. 119, 169.

|10|

gezegd is, „dat eene op zich zelf staande kerk een abnormaal verschijnsel is” 1). De Gereformeerden leidden het kerkverband niet af uit de vrijheid van den mensch, maar beschouwden integendeel dit verband noodzakelijk vanwege de eenheid in Christus. Geen enkele kerk en geen enkel lidmaat dankt zijn ontstaan en zijn bestaan aan eigen wil of het werk van menschen, maar enkel en alleen aan het werk van Christus, die door zijn Woord en Geest roept tot bekeering en leven, die zelf den drang naar de gemeenschap der heiligen heeft ingeplant, en zelf den regel des levens heeft voorgeschreven. Daarom mag ook eene kerk niet willekeurig op zichzelve blijven staan, maar moet de gemeenschap zoeken tot steun, verrijking en opbouw van eigen kerk en ook van het geheel der kerken. En evenals de geloovigen, eenmaal in de gemeenschap der kerk ingelijfd, dien band niet willekeurig mogen verbreken, zoo ook mag de kerkgemeenschap niet anders dan in geval van noodzakelijkheid worden verbroken 2).

De Remonstranten wilden in navolging van Gwalter en Erastus van een kerkverband in eigenlijken zin niets weten. Zij achtten het wel goed dat de predikanten samenkwamen om over kerkelijke zaken te spreken, maar zij keurden een kerkelijke vergadering, die bindende besluiten kon nemen, af. Zij kenden de kerkelijke macht toe aan de overheid, en leidden daaruit af, dat de synoden wel geoorloofd waren, maar niet geboden en voor het zijn of het welzijn der kerken niet noodig. Wanneer een synode moet samenkomen, komt aan de overheid het recht van samenroeping en leiding toe. En indien de synode geroepen werd te handelen over een leergeschil, moest zij, met betrachting van de waarheid en de liefde, degenen die van een ander gevoelen zijn, of die deze waarheid nog niet kennen noch begrijpen, volstrekt geen geweld aandoen, of in gevaar brengen 3).

De Gereformeerden hebben daartegenover de noodzakelijkheid van het kerkverband verdedigd op de volgende gronden:

a.  De innerlijke eenheid der Kerk van Christus. Er is maar ééne kerk, het mystieke lichaam van Christus, waarvan alle geloovigen, waar zij zich ook bevinden, leden zijn. Zij gingen bij de beschrijving van het wezen der kerk uit van de ééne algemeene christelijke kerk, en daalden zoo af tot de plaatselijke kerken 4). De plaatselijke kerken zijn plaatselijke openbaringen van het ééne mystieke lichaam van Christus. Ruardus


1) Dr H.G. Kleyn, Alg. kerk en plaatsel. gem., bl. 19.
2) Voetius, Pol. Eccl. IV. 128, 168.
3) Trigland, Kerck. Gesch. 173 v.; Rogge, Coolhaes I. 80; Wtenbogaert, Tractaet van ’t Ampt ende Authoriteyt eener H. Christ. Overheydt in Kerckelicke Saeken. ’s Grav. 1610.
4) Ned. Geloofsbelijdenis, Art. 27—32.

|11|

Acronius zegt in zijn wederlegging van de Remonstranten: „De deelen van de onzienlijke gemeente zijn particuliere onzienlijke kerken, maar de deelen van de zienlijke kerk zijn particuliere zienlijke gemeenten” 1). Gelijk het God is, die de tijden verandert, en de woonplaats der menschen bepaalt, zoo is het ook Christus, die de geloovigen, wonende in een bepaald land of plaats, roept tot zijn gemeenschap, en in hen den drang legt om zich als kerk te openbaren. Geestelijk gedacht is de eenheid er eerst, daarna de veelheid. Dr H. Bavinck 2) zegt terecht: „Wijl de gemeente een organisme is, gaat het hoofd aan de leden vooraf. De kerk in haar geheel komt niet tot stand door de atomistische samenvoeging van verschillende deelen. Geen enkele plaatselijke kerk komt autochthonisch uit het onbewuste op, maar wordt geplant door het zaad des Woords, dat een kerk daar ter plaatse strooien deed. Elke plaatselijke kerk is daarom tegelijkertijd een zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus en een deel van het groote geheel”.

b. De H. Schrift leert dat de onderscheidene kerken elkander moeten helpen en dienen, en dat zij op hare vergaderingen besluiten nemen, die ook door de kerken, die zij vertegenwoordigen, worden opgevolgd. Er was in de dagen des N. Testaments nog wel geen classicaal en synodaal verband, omdat er toen nog geen behoefte aan bestond, wijl de apostelen toen nog leefden, die zelf aan de gemeenten voorschriften gaven, en door hunne afgevaardigden de kerken met hun raad dienden. Maar toch werden er vergaderingen gehouden, o.a. het convent te Jeruzalem (Hand. 15), waar de Geest leidsman was, en dat — zooals Calvijn zegt — een levend beeld was van een wettige synode, waar alleen de waarheid Gods een einde maakte aan allen tegenspraak, en diende tot de verwijdering van alle twisten. Paulus verwijst de twistende broeders naar de eenheid van gevoelen, die in andere kerken heerscht (1 Cor. 11: 16). Er is een samenwerking van kerken in een bepaald land tot wederzijdsche hulp (1 Cor. 12: 26; 2 Cor. 8: 1), voor de verzorging van de armen te Jeruzalem, en ook ten behoeve der zending. En dit was niet anders mogelijk dan dat de kerken de eenheid in Christus en de roeping tot samenbinding en samenwerking verstonden, en zich geroepen wisten tot de eenheid in leer, tucht en cultus. Paulus spreekt van het onderling geloof der gemeente, van de roeping om elkander te vermanen en te steunen (Rom. 1: 8, 11, 12; 15: 14; Hebr. 3: 14; 1 Thess. 5: 11; Phil. 1: 27). Dit geldt niet alleen van de afzonderlijke geloovigen, maar ook van de kerken. Een plaatselijke kerk heeft voor hare instandhouding, uitbreiding en zuiverheid in leer en wandel de genabuurde kerken noodig. De geschiedenis leert, dat een op zich zelf


1) Nootwendich Vertooch, bl. 2.
2) Ger. Dogmatiek2 IV, bl. 114.

|12|

staande kerk wel voor een tijd kan bloeien, als er een dienaar des Woords is, met rijke gaven versierd, maar dat, als de bijzondere omstandigheden ophielden, zulk een kerk wegzonk en zich in allerlei ketterijen en secten oploste. De eenheid in leer, tucht en cultus, die de gemeente moet oefenen; de liefde en de vrede, die zij moet bewaren; de gemeenschappelijke belangen der kerken in betrekking tot de zending, de opleiding tot den heiligen dienst, de roeping en de zending der dienaren eischen het kerkverband.

c. Het kerkverband is noodig om de vrijheid van de gemeente en hare leden te waarborgen tegenover de heerschzucht en de willekeur der ambtsdragers. Door het recht van beroep op meerdere vergaderingen kunnen de enkele leden hunne bezwaren aan het oordeel van bevoegde en onpartijdige broeders voorleggen, om recht te verkrijgen of onderwezen en vermaand te worden in geval van hun onrecht. Door de samenwerking met andere kerken kunnen ook de voorgangers eener plaatselijke kerk gesteund en onderricht worden in het recht volbrengen van hun ambt. In bepaalde gevallen, wanneer zich moeilijkheden voordoen, die plaatselijk niet opgelost kunnen worden, kunnen meerdere vergaderingen meer onpartijdig en met meer licht dan de ambtsdragers eener plaatselijke kerk beoordeelen wat gedaan moet worden. Wanneer de classes en de synoden beantwoorden aan het doel en handelen naar de H. Schrift, zijn zij kostelijke hulpmiddelen tot de volmaking der heiligen en den opbouw van het lichaam van Christus.

Al moeten wij dus onverzwakt handhaven, dat elke plaatselijke kerk is een wezenlijke, zelfstandige en complete kerk naar Goddelijke instelling en dat zij, ook wanneer een classicaal of synodaal verband is tot stand gekomen, in het bezit blijft van al datgene wat voor de uitoefening harer roeping noodig is en dat zij de eenige bezitster van haar kerkegoed is, dit neemt niet weg, dat alle plaatselijke kerken geroepen zijn de eenheid en de samenwerking met andere kerken te zoeken, opdat in het kerkverband de kerken elkander zouden steunen, wederkeerig toezicht zouden oefenen, en alles zouden doen wat tot de rechte institutie der kerken, voor de vrijheid der gemeente, voor de handhaving van de belijdenis, orde en tucht in de kerken noodig is.

Bouwman, H. (1934) § 60

§ 60. De aard van het kerkverband.

Het kerkverband berust principieel op de eenheid der kerken in Christus, en daar de kerk een historie heeft en zich in de onderscheidene landen der wereld op verschillende wijze heeft geopenbaard, heeft deze historische openbaring, en met name haar

|13|

belijdenis, op den aard van het kerkverband invloed geoefend, zoodat practisch de eenheid alleen mogelijk is bij kerken van gemeenschappelijke belijdenis. Zij is, gelijk reeds Art. 2 van de Emder kerkvergadering voor de Nederlandsche kerken verklaart, de betuiging van de onderlinge verbintenis en van de eenheid der kerken. Instemming met haar was voorwaarde voor het aangaan en de handhaving van dat verband. De belijdenis was toch gegrond op Gods Woord, vertolkte de waarheid in Gods Woord geleerd, gaf duidelijk aan de kenmerken van de ware en de valsche kerk, en bond alle kerken aan Gods Woord 1). De Gereformeerde kerken hier te lande hebben van den aanvang af zoo gesproken, — zoo zegt Rutgers terecht 2) — dat gemeenschappelijke onderwerping aan de belijdenis voor het geheele kerkverband „het ééne onmisbare” is; „de eenheid van kerkelijke vormen is dan wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt. Niemand werd tot eenige bediening toegelaten, zonder dat men zich verzekerd had, dat hij in overeenstemming met die belijdenis de bediening zou uitoefenen. Geen enkele meerdere vergadering werd gehouden, waar niet eerst van hare leden instemming met die belijdenis gevraagd werd. De dienaren des Woords zijn verplicht de belijdenis te onderteekenen en die zulks weigeren, of die in geval van bezwaar zich niet aan de beslissing der meerdere vergadering onderwerpen, zijn de facto in hun dienst geschorst. De leden der kerk konden niet tot het Avondmaal worden toegelaten dan nadat zij belijdenis der Gereformeerde religie hadden gedaan, of bij verhuizing een attestatie aangaande leer en leven hadden ontvangen, voldoende om hen ook in andere kerken als leden te doen aanvaarden 3). De eenheid in belijdenis was dus accoord van de kerkelijke gemeenschap.

Hoe komt het kerkverband tot stand? Gaat de plaatselijke kerk als eerst ontstaan en geconstitueerd zijnde en als voortbrengende kracht aan het verband der kerken in classes en synoden vooraf? Deze vragen kunnen in het algemeen bevestigend beantwoord worden, gelijk ook Voetius zegt 4) dat, evenals het absolute het relatieve en een deel aan het geheel voorafgaat, zoo ook eerst eene kerk moet bestaan en haar geordend leven, voor zij door een innerlijk verband tot de gemeenschap met anderen kan toetreden. Er moet toch eerst een kerk zijn vóórdat zij tot andere kerken in betrekking kan treden. Maar ook als ergens op eene plaats met behulp van eene kerk of kerkengroep een kerk


1) Conf. Belgica, Art. 5, 7, 8, 29, 30; cf. Conf. Gallica, Art. 25, 29; Conf. Scoticana, Art. 18.
2) F.L. Rutgers, Het kerkverband, bl. 55.
3) Acta Middelburg 1581, Art. 43; Dordrecht 1619, Art. 61; Lohman en Rutgers, De Rechtsbevoegdheid, 1887, bl. 27, 41.
4) Pol. Eccl. IV. 166.

|14|

geformeerd wordt, dan is deze geformeerde kerk even zelfstandig als de kerken, die haar tot de formatie hielpen. Want zij ontleent het recht en de macht van bediening des Woords en der sacramenten en de oefening der tucht niet aan het kerkverband, maar aan Christus, het hoofd der kerk. Door het aangaan van het kerkverband mag evenwel de vrijheid en de zelfstandigheid eener kerk niet worden aangetast. Immers door het verband ontstaat er geen nieuwe kerk. De verschillende plaatselijke kerken worden niet opgelost en omgesmolten tot eene classicale kerk. De plaatselijke kerken zijn geen onderaf deelingen van de ééne groote kerk, zoodat hare vrijheid en zelfstandigheid zou zijn opgeheven. Dit is werkelijk het geval volgens het collegialistisch kerkrecht, zooals dat ook in de Nederlandsch-Hervormde kerk in 1816 is ingevoerd. Daar is elke plaatselijke kerk een onderaf deeling van het eene groote geheel der kerk. De Synodale organisatie heeft zich een bestuursmacht toegeëigend over de kerken, waardoor de zelfstandigheid der plaatselijke kerken is aangetast. Bovendien eischt zij van de ambtsdragers de belofte, dat zij alle bepalingen der reglementen zullen nakomen, zonder een beroep op Gods Woord open te laten, en vraagt dus een absolute onderwerping onder de kerkelijke bepalingen 1). Dit is in strijd met het recht der kerk naar Gods Woord. Het kerkverband moet juist dienen tot bevordering en bewaring van de vrijheid en de zelfstandigheid der kerk. De kerkelijke macht, die aan de enkele kerken toekomt, namelijk de bediening van Woord, sacramenten en tucht, het beheeren van eigen huishoudelijke en financiëele aangelegenheden, mag niet aan haar worden onttrokken en aan de algemeene kerk gegeven worden. Er mag geen bestuursmacht insluipen, waaraan de plaatselijke kerk zou onderworpen zijn. Slechts in de plaatselijke kerken komt het begrip, de beteekenis en de taak der kerk tot haar volle recht. Zij alleen kan in den vollen zin gemeenschap der heiligen oefenen, het Woord en de sacramenten bedienen. Zij alleen heeft predikanten, ouderlingen en diakenen.

Maar toch de vrijheid en de zelfstandigheid der plaatselijke kerken mag niet aldus opgevat worden, alsof zij zich niet had te storen aan de zusterkerken en aan de uitspraak der meerdere vergaderingen. Integendeel, er zijn allerlei zaken, die de plaatselijke kerken niet alleen mogen afdoen, die betrekking hebben op het gemeenschapsleven der kerken onderling, die de vaststelling van de algemeene regelen van leer, orde en tucht raken, en de beslissing over gevallen van tucht over de dienaren des Woords. Voorts hebben de meerdere vergaderingen te waken voor de rechten en de vrijheid van den christenmensch en een


1) Reglement op het examen, art. 27.

|15|

perk te zetten aan willekeur en overheersching der ambtsdragers. Daartoe is het recht van beroep op de meerdere vergaderingen gegeven, opdat elk lid langs wettigen weg zijn bezwaar aan de meerdere vergaderingen kan kenbaar maken, en recht kan verkrijgen. Wanneer de kerken eenmaal samengekomen zijn, hebben zij zich ook naar de kerkenorde verbonden tot een opvolgen van de besluiten der meerdere vergadering, zooals Art. 31 der Kerkenorde regelt, tenzij het mocht blijken dat deze besluiten in strijd zijn met Gods Woord en de aangenomen orde. De vrijheid en de gebondenheid kunnen in dezen niet strijden, omdat Gods Woord de eenige regel van geloof en leven is, die zoowel de enkele leden der kerk, als de plaatselijke kerk en de meerdere vergaderingen bindt. Alle kerken staan gelijk, omdat zij allen Christus als Koning erkennen, door de werking des Geestes zijn vergaderd en allen rechtstreeks en volstrekt van Christus afhankelijk en aan Zijn Woord gebonden zijn. Maar de theorie van de absolute souvereiniteit der afzonderlijke kerken is door de Gereformeerden altoos bestreden. De Fransche Kerkenorde stelde dezen regel (ch. VI, art. 2): „Geen kerk zal iets kunnen doen van groot gewicht, waarmede zou kunnen samenhangen het welzijn of de schade van andere kerken, zonder het advies van de Provinciale Synode, indien het mogelijk is haar samen te roepen. En indien de zaak dringend is, zal zij er mededeeling van doen aan de andere kerken der provincie, en zij zal haar raad inwinnen per brief”. En de synode van Westminster 1) legt er nadruk op „dat de dienaars van een particuliere kerk deze macht niet onafhankelijk mogen uitoefenen, maar met subordinatie aan de grootere presbyteriën en synoden, die, daar zij representeeren de particuliere kerken, hun macht samenbrengen”. Om die reden is het niet gewenscht te spreken van souvereiniteit of autonomie der plaatselijke kerk, „daar de Heere zelf de eigen wetgever is, en de kerk nooit wetten maakt, maar uit Gods Woord verklaart, wat in zake de kerkregeering des Heeren wet is” 2).

De Gereformeerde kerken in Nederland vormden een bond van kerken, die elk voor zich zelve in eigen kring zelfstandig waren, maar die, eenmaal in het kerkverband opgenomen, krachtens de eenheid in Christus en krachtens de eenheid in historie, belijdenis en kerkinrichting ook met den naam Gereformeerde kerk in Nederland werd genoemd. Niet alleen de dogmatici spraken van het bestuur, de leer en de tucht der kerk, maar ook werd gesproken van de kerk als eenheid in kerkrechtelijken zin. Trigland 3) sprak van „het goddelijk recht, dat de kerke Gods toekomt”, van „het oordeel" en „het geloof der kerk”. Bogerman


1) Acts of the Gen. Assembly of the Church of Scotland 1638—1842, p. 51.
2) Dr F.L. Rutgers, Adviezen I. 263.
3) Kerckel. Gesch. 1650, bl. 1001, 02.

|16|

sprak in de 154ste zitting der Dordtsche Synode van „de Nederlandsche kerk”, die „geen slecht lid der Gereformeerde kerk, zoo gevaarlijk krank”, door de hulp van buitenlandsche vorsten en kerken in haar „vorige gezondheid hersteld” was. Dit is ook naar het spraakgebruik des N. Testaments, dat het woord ecclesia in het enkelvoud gebruikt om aan te duiden de eene algemeene kerk, vertegenwoordigd in de plaatselijke kerk (1 Cor. 10: 32; 11: 22; 12: 28; Hand. 20: 28; 1 Tim. 3: 5, 15), de eene algemeene Christelijke kerk (Ef. 1: 22; 3: 10, 21; 5: 22-32; Col. 1: 18, 21), de kerk van Jeruzalem en Judea, toen er nog geen andere kerk was (Hand. 5: 11; 8: 1, 3; Gal. 1: 13; 1 Cor. 15: 9; Phil. 3: 16), terwijl als naar de lezing van Tischendorf, Westcott en Hort, Tregelles, Nestle moet gelezen worden in Hand. 9: 31: „de kerk (ecclesia) dan door geheel Judea en Galilea en Samaria had vrede”, daaruit blijkt dat in het N. Testament het woord kerk in het enkelvoud gebruikt wordt voor de geheele kerk in een land.

Ook kunnen de classicale en de synodale vergaderingen een kerk genoemd worden 1), echter niet, zooals Voetius 2) opmerkt, in eigenlijken zin, „maar tropisch, omdat zij de kerken vertegenwoordigen en vergaderd zijn en handelen in die vergadering als een enkele kerk”. In letterlijken zin zouden de kerken als een eenheid tegenwoordig zijn op de synode, wanneer al de leden van al de kerken ter vergadering samenkwamen. Doch dit is practisch onmogelijk. Zelfs zou het in een eenigszins breed kerkelijk leven niet wel mogelijk zijn, wanneer al de ouderlingen der plaatselijke kerken in algemeene synode samenkwamen, wijl ook zulk een vergadering te talrijk zou zijn voor het afdoen van de zaken. Juist daarom is aanvaard een vertegenwoordiging van al de kerken door een of twee afgevaardigden, zooals dit bij de Gereformeerde kerken in Zuid-Afrika het geval is, of ook een trapsgewijze vertegenwoordiging, hetzij dan dat, zooals in Schotland en in sommige Amerikaansche kerken, de verschillende presbyteries of classes hare afgevaardigden zenden, hetzij dan dat, zooals in de Nederlandsche Gereformeerde kerken, niet de classes, maar alleen de particuliere synoden afgevaardigden ter Generale synode zenden, die daar al de kerken vertegenwoordigen. Deze afgevaardigden handelen daar niet volgens eigen recht, of krachtens de gewoonte der ouden, of krachtens de opdracht der overheid, maar alleen volgens den regel van het kerkverband, hetwelk wortelt in het gebod Gods. Niet dat de wijze der werking van het kerkverband rechtstreeks in Gods Woord is voorgeschreven, maar in dien zin, a. dat de kerk als lichaam van Christus een eenheid zijnde ook in de praktijk


1) Synopsis Pur. Theol. Disp. XL, Th. 33.
2) Pol. Eccl. IV, 167, 168.

|17|

die eenheid zooveel mogelijk heeft te vertoonen, en b. dat de kerken vrijwillig samengekomen op grond van de gemeenschappelijke belijdenis en kerkenordening, ook getrouw naar eisch van Gods Woord de eenheid en de orde der kerken hebben te handhaven.

Dit representatieve stelsel is in overeenstemming met wat in het gewone leven plaats grijpt, dat namelijk een regeering gezanten zendt in haar plaats, of ook allerlei colleges en personen bij bijzondere gelegenheden hunne vertegenwoordigers zenden. Zoo zond ook de gemeente van Antiochië (Hand. 15) Paulus en Barnabas en eenige anderen om met de Apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem te spreken over de christelijke vrijheid. Al lezen wij hier niet van lastbrieven, maar alleen van een mondelinge opdracht, in dit voorbeeld is het recht van het representatieve stelsel in het kerkelijke duidelijk gegrond.

Uit deze afvaardiging vloeit voort de bevoegdheid der meerdere vergaderingen. Aan den lastbrief hun meegegeven ontleenen zij hun macht. Aan de opdracht hun gegeven zijn zij gebonden. De lastbrieven zijn de officiëele bewijzen van wettige afvaardiging der kerken, die ten principale de eigenlijke bezitters zijn der kerkelijke macht, en die door hare afgevaardigden de macht, die zij zelve bezitten, voor bepaalde zaken en in bijzondere gevallen samenbrengen.

Bouwman, H. (1934) § 61

§ 61. De bevoegdheid der meerdere vergaderingen.

Wat moeten wij onder meerdere vergaderingen verstaan? De meer­dere vergaderingen zijn samenkomsten van meerdere kerken. Elke kerk heeft haar eigen kerkeraad, die haar representeert, en die doorgaans op vaste tijden samenkomt. De kerkeraad is de eenige kerkelijke vergadering, die, door de gemeente gekozen, haar ver­tegenwoordigt, en naar de opdracht van Christus opzicht en tucht over haar oefent, en als een permanent college (ook al wisselen de leden des kerkeraads) het gezag van Christus over de gemeente handhaaft. De classes en de synoden evenwel vormen niet een vast college, maar hebben een afgeleide macht. Zij worden op bepaalde tijden of voor be­paalde gevallen samengeroepen, en worden samengesteld uit afgevaar­digden van plaatselijke kerken, die, met een lastbrief van de hen deputeerende kerken voorzien, ter meerdere vergadering verschijnen, en daardoor recht van zitting hebben. De kerkeraad vergadert zoo vaak hij wil, maar de meerdere vergaderingen komen slechts een enkele maal samen. De kerkeraad behandelt alle voorkomende zaken, die voor het welzijn der gemeente noodig gekeurd worden, de meerdere vergadering behandelt slechts die zaken, die naar de vastgestelde orde daar gebracht

|18|

worden. De kerkeraad heeft eigen macht, de meerdere vergadering af­geleide macht. De kerkeraad kan wel bestaan zonder de meerdere ver­gadering, doch de meerdere vergaderingen niet zonder den kerkeraad. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de eenheid der kerken tot stand komt door de meerdere vergaderingen. Deze eenheid bestaat, ook al wordt er geen classis of synode gehouden, omdat de kerken in Christus één zijn, en één in de gemeenschappelijke belijdenis.

De woorden ter aanduiding van de meerdere vergaderingen zijn ver­schillend en wisselen af. De Nationale Synode van 1578, art. 18, sprak van grootere en mindere „versamelinghen”, doch in art. 19 van „meer­der en minder versamelinghe”. De Nationale Synode van 1581 bepaalde in art. 22: „In meerdere vergaderinghen (majoribus conventibus) sal men niet handelen dan hetgene in minderen (minoribus) niet heeft connen afgehandelt werden,” en in art. 23: „Soo yemandt hem beclaecht door de vvtspraecke der minder vergaderinghe (minoris conventus) ver­ongelijkt te zijn, deselue sal hem tot een meerdere (ad superiorem) beroepen moghen.” Het woord major (grooter of meerder) wijst op het grooter aantal leden der kerkelijke vergadering en tevens ook op het meerdere gezag, omdat meerdere kerken, door hare afgevaardigden vertegenwoordigd, haar gezag, om in een bepaald punt een beslissing te nemen, samenbrengen. Het woord superior (hooger) bedoelt niet dat een meerdere vergadering een hooger bestuur is, waardoor de minderen geregeerd worden, maar dat zij als een samenkomst van meerdere kerken een beslissing geeft in hooger instantie, zooals ook blijkt in Art. 31 der kerkenordening uit de nadere toevoeging, dat „hetgeen door de meeste stemmen goedgevonden is, voor vast en bondig zal gehouden worden, tenzij het bewezen worde te strijden tegen Gods Woord of de artikelen in deze Generale Synode besloten”. De uitdrukking „meerdere vergadering” beteekent dus, dat in zulk eene samenkomst meer kerken in aantal bijeenkomen dan in eene mindere vergadering. De plaatselijke kerkeraden zijn mindere vergaderingen in verhouding tot de classen, en de classen weer mindere vergaderingen in verhouding tot de parti­culiere synoden, en deze particuliere synoden vertegenwoordigen minder kerken dan de generale synode. In een meerdere vergadering zijn dus meer kerken vertegenwoordigd dan in een mindere.

De meerdere vergaderingen hebben geen hooger gezag of bestuurs­macht, zooals in het burgerlijke leven het lagere bestuur aan het hoogere is onderworpen. Ook tijdens de zitting van een classis of eene synode blijft de macht van de kerken dezelfde. Maar voor de gevallen, die naar de orde der kerken ter meerdere vergadering behooren of daar gebracht zijn, laten de mindere vergaderingen de beoordeeling en beslissing over aan de meerdere vergaderingen, in welke zij zelve door hare afgevaardigden

|19|

vertegenwoordigd zijn. In de meerdere vergaderingen brengen de kerken door hare afgevaardigden hare macht samen, en kan men dus spreken van een macht in hoogeren graad, want in en door de uitspraak van zulk een meerdere vergadering spreken alle kerken daar vergaderd haar oordeel uit.

De meerdere vergaderingen ontleenen hare macht en bevoegdheid om te handelen en beslissingen te nemen aan de kerken, die haar door hare afgevaardigden samenstellen, en de roeping en het recht om in meerdere vergaderingen samen te komen ontleenen zij aan het Woord van God (Matth. 18: 15—17; Hand. 15; 2 Cor. 8: 1, 4, 19; Rom. 15: 26). Komen nu de kerken door hare afgevaardigden samen, dan brengen zij ter behandeling van de haar toevertrouwde zaken het gezag van de afzonderlijke kerken samen. „En deze macht,” zegt Voetius, „welke naar de orde aan elke plaatselijke kerk moet worden toegekend is niet beroovend (privative) maar ophoopend (cumulative), niet anders dan de macht van alle apostelen vergeleken met de macht van elk afzonderlijk apostel, en de macht van de dienaren in één kerkeraad vergeleken met de macht van een afzonderlijk dienaar, en de macht van de leden in één kerkelijk lichaam vergeleken met de macht van en de vrijheid van ieder lid op zich zelf, en de kracht van tien menschen samen vergeleken met de macht van elk der tien op zich zelf. Vandaar dan ook, dat zij ge­woonlijk de kerkelijke macht niet uitoefenen boven en buiten de plaatse­lijke kerk om, en dat zij niets in en omtrent haar met autoriteit uit­oefenen, dan in zaken en aangelegenheden, die zij gemeenschappelijk hebben, of in een geval van hooger beroep en van te verwachten of feitelijk reeds aanwezig wanbestuur” 1). De macht van de synode, in wettige vergadering bijeengekomen, is in bepaalde gevallen ook grooter dan die van een enkele kerk. Zelfs kan — zooals Voetius verklaart 2) — in geval een plaatselijke kerk en haar kerkeraad slecht bestuurd wordt of in geval van hooger beroep op de synode, of in geval die zaak op de classis of de synode overgebracht wordt de excommunicatie toekomen aan de classis of de synode. Zij kan in een bepaald geval, wanneer aan haar langs organischen weg de beslissing is overgegeven, de uitvoering van het besluit overlaten aan de plaatselijke of aan de mindere ver­gadering, of ook, zoo dit niet mogelijk of niet wenschelijk is, zelve tot de uitvoering van haar vonnis overgaan. Evenals Paulus besloten had (1 Cor. 5: 3—5, 13) den hoereerder in den naam van Jezus Christus den satan over te geven, en aan de gemeente van Corinthe opdroeg den booze uit haar midden weg te doen, zoo ook kunnen de kerken, in synode


1) Pol. Eccl. I. 226.
2) Pol. Eccl. I. 227, 228; IV. 891.

|20|

vergaderd, tot de excommunicatie besluiten, en òf zelve tot de uitvoering overgaan, wanneer het te voorzien is, dat door verkeerde houding en ongereformeerde of revolutionaire woelingen het besluit niet naar behooren zou worden uitgevoerd, òf ook in een gunstiger geval de uit­voering aan een mindere vergadering overlaten.

Dat de meerdere vergaderingen deze bevoegdheid bezitten, volgt duidelijk uit de H. Schrift. Op het Apostelconvent werd na langdurige deliberatie een besluit genomen, dat bindende kracht bezat niet alleen voor Antiochië, maar ook voor alle gemeenten in Syrië en Cilicië (Hand. 15: 28; 16: 4).

De vergadering te Jeruzalem is zelve overtuigd, dat haar besluit in overeenstemming met den wil des H. Geestes is. Dit apostolische voor­beeld geeft richting aan voor wat de kerk in hare vergaderingen heeft te doen. „Waar een vaste regel van combinatie en eenheid der kerken is, dus een geregeld kerkverband, daar is een aan die eenheid evenredige kerkelijke macht. En waar macht is, daar is deze noodzakelijkerwijze be­slissend, anders zou er geen macht, geen orde en geen eenheid zijn.” „Aan de plaatselijke kerken, elk op zichzelf handelende, komt beslissende macht toe (Matth. 18: 17, 18; 1 Cor. 5: 3, 4, 5, 13), derhalve blijft de macht aan elk van haar ook als ze zich vereenigen en met elkaar handelen; ja, wat meer zegt, als men het goede aan het goede toevoegt, wordt het een grooter goed” 1).

Het wordt dan ook algemeen door de Gereformeerden toegestemd, en is in Art. 31 der Nederl. Gereformeerde Kerkorde opgenomen, dat wat in de meerdere vergaderingen besloten is, voor vast en bondig zal gehouden worden, tenzij het bewezen worde te strijden met Gods Woord. De meening der Independenten dat de classen en de synoden geen kerkelijke macht hebben, dat zij daarom alleen adviezen kunnen geven, en dat de kerken vrij zijn die adviezen op te volgen of te verwerpen, wordt door onze kerkenorde beslist verworpen. Een geordend kerkelijk leven zou ook niet mogelijk zijn, wanneer de vrijheid en de zelfstandig­heid der plaatselijke kerken zóó werd opgevat. Art. 36 der kerkenordening zegt, dat de classis over den kerkeraad hetzelfde zeggenschap heeft, als de Particuliere Synode over de classis en de Generale Synode over de Particuliere. Dat zeggenschap berust niet op een zelfstandige macht, die in deze vergadering kleeft, of rechtstreeks haar door God geschonken is, maar daarop, dat de kerken met elkander vrijwillig een kerkverband hebben aangegaan, en daarbij bepaald, dat zij de besluiten der meerdere vergaderingen zullen uitvoeren. Zij hebben echter die onderwerping gebonden aan het Woord Gods. Als een besluit in strijd


1) Voetius, Pol. Eccl. IV. 179.

|21|

komt met Gods Woord, mogen de kerken niet gehoorzamen. Want Gods Woord is de hoogste wet voor de kerk, en staat hoog boven alle be­palingen en besluiten van eene kerkelijke vergadering. Maar wanneer een zaak langs organischen weg ter synode gebracht is, en naar behooren is behandeld, dan moeten de kerken, omdat zij zelve daar ver­gaderd waren, ook de besluiten der synode aanvaarden en uitvoeren. Dit is eisch van het kerkverband.

De meerdere vergaderingen hebben dus niet een zelfstandige, eigen kerkelijke macht. Alle kerkelijke macht, door Christus aan zijne kerk gegeven, schuilt in de plaatselijke kerk. De sleutelen des hemelrijks, door Christus aan de Apostelen gegeven, en in hen aan de gemeente, werden, toen de Apostelen terugtraden, uitgeoefend door de ambtsdragers, die onder hunne leiding in de plaatselijke gemeente werden gekozen. Deze kerkelijke macht bestaat in drie dingen: de macht om het Woord en de Sacramenten te bedienen, de macht om kerkelijke ambtsdragers te kiezen en de macht om de kerkelijke tucht te oefenen. Een andere macht is er in het kerkelijke leven niet. En deze drieërlei macht komt niet toe aan de meerdere vergadering, maar aan de ambtsdragers der plaat­selijke kerk.

Dat wil niet zeggen, dat de meerdere vergaderingen geen macht zouden hebben om besluiten te nemen, maar deze macht ligt niet in de ambtsdragers zelve, die daar vergaderen, maar daarin dat deze ambtsdragers wettig door de kerken zijn afgevaardigd en met macht zijn bekleed om namens de deputeerende kerken te handelen. Vol­gens Rome schuilt de macht primair bij de ambtsdragers, de bis­schoppen, die krachtens hunne ordening met macht over de kerk bekleed zijn. Maar naar Gereformeerd belijden zjjn alle ambtsdragers dienaars eener plaatselijke kerk, en hebben buiten de kerk, die zij dienen, geen de minste macht. En deze macht ontleenen zjj aan Jezus Christus, den eenigen algemeenen bisschop en het eenige Hoofd der kerk 1).

Zij komen ook niet in een kerkelijke vergadering, in classis of synode, met een eigen inklevend gezag, maar als gemachtigd door de kerk, die zij dienen. Een meerdere vergadering is dan ook niet zoozeer een ver­gadering van ambtsdragers, maar van kerken. Om die reden, al is het wel de regel dat ambtsdragers verkozen worden om de kerken te vertegen­woordigen, wegens hun ervaring in kerkelijke zaken, is dit toch niet absoluut noodig. In bijzondere gevallen zijn ook wel niet-ambtsdragers ter synode gedeputeerd. De provincie Overijsel vaardigde naar de synode van Dordrecht, 1618/19, omdat het Latijn daar de officiëele taal der


1) Confessio Gallicana, Art. 30; Conf. Belg., Art. 31; Tweede Helvet. Conf. c. XVII, 5, 6; Conf. Westminst. XXV. 6; XXX. 1; Col. 1: 18; Ef. 5: 23; 1: 22, 23; 4: 15,16).

|22|

synode zou zijn, naast vier predikanten af „twee ghequalificeerde per­sonen, doende professie van de religie, joncheer Willem van Brouckhuysen ende d’ achtbaere heere Jan van der Lauwic, burgemeester tot Campen” 1). En al moet dit een uitzondering blijven, uit dit voorbeeld blijkt dat het recht om zitting te nemen in eene synode niet gelegen is in het ambt, maar in de kerkelijke afvaardiging 2).

Er is dus een principieel verschil tusschen de macht van den kerkeraad en die van de meerdere vergaderingen: 1. in oorsprong, omdat de sy­noden en de classen geen macht bezitten, dan die door de plaatselijke kerken naar de vastgestelde orde aan haar is overgedragen; 2. in wezen, omdat de plaatselijke kerk eigen en wezenlijke macht bezit, en de classen en synoden ontleende en accidenteele macht bezitten; 3. in duur, omdat de kerkeraad permanent is en blijft bestaan tijdens en na de samen­komsten der meerdere vergaderingen, terwijl de classes en de synoden slechts tijdelijk vergaderen, en daarna ophouden te bestaan; 4. in doel, omdat de kerkeraad tot taak heeft de voortdurende leiding der plaatse­lijke kerk, en dus niet bestaat terwille van de meerdere vergaderingen, maar de meerdere vergaderingen bestaan terwille van het welzijn der kerken, om deze met raad en leiding te dienen 3).

Hiermee hangt ten nauwste samen, dat de macht der meerdere ver­gaderingen beperkt is. De macht van een classis of van een synode is niet meerder of uitgebreider dan die van de plaatselijke kerk, maar geringer en beperkter, niet alleen wat haar aard, maar ook wat haar omvang aangaat. De macht eener plaatselijke kerk, door Christus haar gegeven, kan in den vollen omvang nooit op een classis of op een synode worden overgebracht. Het is waar, dat de meerdere vergaderingen zijn vergaderingen van kerken, maar deze zijn op de classes en de synoden vertegenwoordigd door hare afgevaardigden, die tot taak hebben niet al datgene te doen wat tot het gebied van de plaatselijke kerken behoort, maar alleen datgene wat naar de orde der kerken haar is opgedragen, namelijk, datgene wat in mindere vergaderingen niet kon worden afge­handeld, of wat tot de meerdere vergaderingen in het algemeen behoort. Slechts een klein deel van de kerkelijke macht kan op de meerdere ver­gaderingen worden overgedragen.

Christus schonk aan de plaatselijke kerk de volledige kerkelijke macht, namelijk de bediening des Woords en der Sacramenten, de regeermacht en de oefening der kerkelijke tucht. Het eerste stuk, de bediening des Woords en der Sacramenten kan niet worden overgedragen op de classes en synoden. Wel was men in den eersten tijd na de Reformatie gewoon,


1) Reitsma en Van Veen, Acta V. 310.
2) Beza, Bekentenisse des Christ. Gheloofs, c. 5, 14.
3) Voetius, Pol. Eccl. I. 122; IV. 166, 226.

|23|

dat op de classis een korte predikatie gehouden werd, doch dit was niet eene gewone bediening des Woords, maar om toezicht te houden op de predikanten en om ongeoefende predikers gelegenheid te geven zich te oefenen. Ook bepaalde de synode van Emden 1), dat aan het einde der synode de leden der synode het heilig avondmaal zouden ge­bruiken, maar niet in de samenkomst der synode, doch in de samen­komst der gemeente, waar de synode vergaderde. Deze gewoonte is ook later, ook door de synode van Dordrecht, 1618/19, gevolgd, maar nimmer anders dan in eene gemeentevergadering. Zoo is het nog in ge­bruik in de Gereformeerde kerken van Zuid-Afrika, waar de synoden op Zaterdagavond worden geopend en de afgevaardigden den daaropvolgenden Zondag met de gemeente aanzitten aan den Avondmaalsdisch.

Ook de regeermacht kan niet in haar volheid worden overgedragen. De leiding der plaatselijke kerk en de verzorging der leden blijft altoos in handen des kerkeraads. De verkiezing van ambtsdragers is het onver­vreemdbaar bezit der plaatselijke gemeente. Wel hebben de kerken, met elkander in classis vergaderd, uit kracht van het kerkverband, het recht van examinatie en approbatie van een dienaar des Woords, omdat dit ambt beteekenis heeft voor al de kerken, die met elkander in verband leven, en deze kerken geroepen zijn toezicht te houden op de geschikt­heid des dienaars en de zuiverheid der leer, maar de eigenlijke verkiezing tot het ambt moet naar Gods Woord geschieden door de plaatselijke gemeente. In plaatsen, waar nog geen kerk geïnstitueerd is, en een kerkeraad moet ingesteld worden, geeft de classis leiding, doch de roeping tot het ambt gaat van de plaatselijke gemeente uit. Geen enkele meerdere vergadering heeft de bevoegdheid aan een gemeente een dienaar te zenden, zooals de Roomsche bisschop voor een bepaalde parochie een priester aanwijst.

Hetzelfde geldt voor de oefening der tucht. Wel geeft onze kerkenordening in bepaalde gevallen van tuchtoefening aan de meerdere ver­gaderingen medezeggenschap. Geen lid mag worden afgesneden zonder advies van de classis. Geen ouderling of diaken mag worden geschorst of afgezet zonder medewerking van de genabuurde kerk. Geen dienaar des Woords kan afgezet zonder het oordeel der classis, en het advies van de deputaten der particuliere synode, doch ook deze macht oefenen de meerdere vergaderingen niet uit krachtens een bevoegdheid, die haar eigen is, maar omdat deze haar is overgedragen. En, zooals wij vroeger reeds hebben aangetoond, is het naar de orde, dat de synode wel een beslissing kan nemen om iemand te excommuniceeren, maar zij draagt in den regel de uitvoering van haar besluit op aan de plaatselijke kerk,


1) c. III. 15.

|24|

die dan naar den regel door de kerkenordening gesteld handelt. Alleen in zeer bijzondere gevallen, wanneer de kerkeraad der betrokkene kerk zich verzet en weigert het besluit der synode uit te voeren, kan de synode zelve tot de uitvoering harer besluiten overgaan. Dit is ook het gevoelen van Voetius. Op de vraag: „of aan een synode of een classis de macht van excommunicatie toekomt?” geeft hij dit antwoord 1): „Ja, in geval een plaatselijke kerk en haar kerkeraad slecht bestuurd wordt, en in geval van hooger beroep op de synode, of in geval die zaak op de classis of op de synode wordt overgebracht. Want indien de sleutel der tucht gegeven is aan de particuliere en plaatselijke kerk of haar kerkeraad, waarom zou hij dan niet gegeven worden aan een eenheid der kerken en kerkeraden, die met elkander in verband leven, in hetwelk de kerke­raad der particuliere en plaatselijke kerk is geïncorporeerd?” Voetius verwijst dan naar het voorbeeld van Caspar Coolhaes. Coolhaes, in 1574 predikant te Leiden geworden, had in 1579, in een geschil tusschen de magistraat en den kerkeraad van Leiden over de benoeming van ouder­lingen en diakenen, partij gekozen voor de overheid, die zeggenschap in de kerkelijke zaken eischte. Na veel moeite werd de kerkrechtelijke zaak in Leiden in der minne geschikt, maar de afwijkende leeringen werden ter beslissing aan de kerkelijke vergaderingen voorgelegd. Op de Nationale synode van Middelburg (1581) ontboden, verklaarde deze synode, na lang verhoor en wederverhoor, zijne geschriften voor eene ergernis en eene lastering der kerk. Zij besloot daarom, dat Coolhaes wel van zijn dienst behoorde gesuspendeerd te worden, maar wilde dit niet doen, in de verwachting dat Coolhaes zich aan het oordeel der synode zou onderwerpen, en zou beloven altijd schriftmatig te leeren. Coolhaes weigerde de synode van Middelburg als zijn „rechter” te erkennen, en beriep zich op de naaste wettige synode 2). Hij werd thans echter door de Staten geschorst, die bovendien aan de kerken toestonden tegen hem te procedeeren. In overeenstemming met het besluit van Middelburgs synode, die aan de classis Leiden had verzocht om te trachten Coolhaes tot andere gedachten te brengen en, indien deze poging mislukte, opge­dragen had aan de vergadering der classes ’s Gravenhage, Leiden, Delft en Haarlem om tot de excommunicatie voort te varen, werd Coolhaes bij besluit van de synode van Haarlem, 23 Maart 1582, afgezet. De kerkeraad van Leiden, die op de hand van Coolhaes was, wilde hem niet excommuniceeren. Om die reden besloot de synode, dat Coolhaes „van der gemeente Christi geëxcommuniceert sal worden” en dat „de action daeraff bedienet sal worden bij Martino Lydio”, predikant te


1) Pol. Eccl. IV. 898.
2) Trigland, Kerckel. Gesch. 182.

|25|

Amsterdam, op Zondag 25 Maart 1582 1). Eveneens heeft de synode van Assen, bij besluit van 12 Maart 1926, Dr Geelkerken geschorst voor den tijd van drie maanden, „wegens zijne weigering om de verklaring door de synode van hem gevraagd te onderteekenen, en wegens zijn voort­durend verzet tegen kerkelijke vergaderingen, wier gezag hij niet wilde erkennen” en daarna 17 Maart „omdat Dr Geelkerken zich aan deze schorsing niet heeft onderworpen, daarmede getoond heeft in zijne af­dwaling te volharden, aan de wettige besluiten der Generale synode zich niet te willen onderwerpen en tot openbare scheurmaking is overgegaan” hem uit zijn ambt als dienaar des Woords bij de Gereformeerde Kerken afgezet (Art. 234). Deze wijze van handelen was echter alleen noodig in een zeer bijzonder geval. Wat was het geval?

Zooals bekend is, was de kwestie, die langen tijd de kerk van Amsterdam-Zuid beroerd had en door de classis Amsterdam niet had kunnen worden afgehandeld langs den gewonen weg, die de kerkenordening aangeeft, ter Generale synode gebracht. Na lange samenspreking van de synode met Dr Geelkerken besloot de synode den 12 Maart 1926 dezen predikant te schorsen voor den tijd van drie maanden „wegens zijne weigering om de verklaring door de synode van hem gevraagd te onderteekenen en wegens zijn voortdurend verzet tegen kerkelijke ver­gaderingen, wier gezag hij niet wilde erkennen”. Daarna, omdat Dr Geel­kerken zich aan deze schorsing niet wilde onderwerpen en hij in zijn dwaling volhardde, werd hij uit zijn ambt ontzet als dienaar des Woords bij de Gereformeerde kerken. Hij werd niet afgesneden als lid der kerk, maar afgezet als dienaar des Woords.

Omdat nu de meerderheid van de leden des kerkeraads hun predikant in zijn verzet tegen de synode steunde, en verklaarde de besluiten der synode niet te willen uitvoeren, kwam er een conflict tusschen de synode en den kerkeraad. De kerkeraad verklaarde bij meerderheid van stemmen dat onder zijn leiding Amsterdam-Zuid in het kerkverband wilde blijven, en stelde zich tegenover de synode. Nu had de synode kunnen besluiten haar buiten het kerkverband te plaatsen, zooals Dr van Lonkhuyzen 2) wil. Maar, afgedacht van de vraag of deze weg kerkrechtelijk juist was, wordt daarbij vergeten, dat daardoor een groot onrecht zou zijn gedaan aan het getrouwe deel van de gemeente en van den kerkeraad. Deze broe­ders en zusters hadden zich toch tot de synode gewend om hulp, om verlost te worden van een leiding, die naar hun oordeel verderfelijk voor de gemeente was. Dringend hadden zij gepleit om hun recht te doen. En wanneer nu de kerk van Amsterdam-Zuid buiten het


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 113-116.
2) Een ernstige fout, bl. 28.

|26|

kerkverband geplaatst was, had het getrouwe deel als loon daarvoor gekregen, dat het mede buiten de Gereformeerde kerken was geplaatst, en tevens het recht op den naam en de goederen der kerk had verloren, en dat het later als een nieuw-geformeerde kerk zich moest institueeren.

Men zou daartegen kunnen inbrengen, dat de getrouwe leden des kerkeraads en der gemeente zich hadden moeten onttrekken aan de ge­meenschap van het afwijkende deel der kerk. Maar vergeet men daarbij niet, dat de leden der gemeente gehoorzaam zich moeten voegen onder de leiding van den kerkeraad, zoolang vanwege het kerkverband niet een oordeel is uitgesproken over den kerkeraad, en dat dus de leden niet kunnen worden opgeroepen tot het instellen van de ambten voordat aan de ontrouwe leden des kerkeraads het recht tot de uitoefening van hun gezag in de gemeente is ontnomen.

Om die reden kon de synode den band met de Gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid niet doorsnijden, maar was het noodig dat zij een oordeel uitsprak over alle kerkeraadsleden, die zich verzetten tegen het besluit der synode, en hun predikant in zijn verzet tegen de synode steunden. Eerst daarna kon de synode door hare deputaten de getrouw gebleven gemeente helpen voor de rechte institutie der kerk.

Er is door sommigen gezegd, dat de toepassing van het besluit van de schorsing en de afzetting had moeten geschied zijn door den kerke­raad met de genabuurde kerk, zooals Art. 79 zegt. Maar men vergeet dat Art. 79 van de kerkenorde niet kon toegepast worden, omdat de kerkeraad van Amsterdam-Zuid partij was. Om die reden moest het kerkverband alleen optreden en den weg zoo effenen, dat ook de gemeente kon worden bewaard en tot de rechte institutie kon worden gebracht.

En als, zooals sommigen zeggen, wel de classis in deze had mogen optreden, dan kan worden gevraagd: waarom mag de classis in een geschil een beslissing nemen anders dan op grond van het kerkverband? En als de classis, die een klein aantal kerken vertegenwoordigt, in een moeilijk geschil mag optreden, waarom zou de Generale synode, waarin alle kerken vertegenwoordigd zijn, niet tot de uitvoering van haar be­sluiten mogen overgaan?

En dat dit geheel in overeenstemming is met wat onze groote canonicus van de zeventiende eeuw leerde, kunnen wij vinden bij Voetius, Deel III, bl. 891. Hij behandelt hier de kwestie, hoe een kerkeraad han­delen moet, wanneer zoo goed als de geheele gemeente zich verzet tegen de excommunicatie van een lid, in een zaak dus, die in den regel na advies van de classis, geheel behoort tot de bevoegdheid van den kerke­raad. Voetius geeft dan den raad dat de kerkeraad niet voortvare zonder advies en toestemming van de classis of van de particuliere synode. En wanneer, ook in groote gemeenten, deputaten van de meerdere vergaderingen

|27|

beproefd hebben de bezwaren in de gemeente weg te nemen, en de gemeente te bewegen in te stemmen met de besluiten des kerkeraads, ziet Voetius er niets verkeerds in dat de kerkeraad heel de zaak bij de synode overbrengt, opdat hij naar haar raad of beslissing, of de excom­municatie van die persoon uitstelt of voltooit, of liever vraagt van de synode dat de uitspraak van de excommunicatie en de uitvoering daar­van door deputaten uit haar vergadering of uit die classis, waarin de plaatselijke kerk geïncorporeerd is, wordt uitgevoerd.

En eenige bladzijden verder 1) stelt Voetius de vraag: „Of aan een synode of classe, dat is aan een samenkomst van meerdere kerken, die met elkander in correspondentie staan, de macht van excommunicatie toekomt?” En hij antwoordt: „Ja, in geval eene plaatselijke kerk en haar kerkeraad slecht bestuurd wordt, of in geval van hooger beroep op de synode, of in geval die zaak op de classis of de synode overge­bracht wordt. Want indien de sleutel der tucht aan één particuliere en plaatselijke kerk, of haar kerkeraad, gegeven is, waarom zou hij dan niet gegeven zijn aan de correspondentie en de eenheid van kerken en kerkeraden, in welke eenheid de kerkeraad der plaatselijke kerk geïncorporeerd is?” Hij verwijst daarbij naar wat hij vroeger over het karakter van het kerkverband heeft gezegd, en naar het voorbeeld van Caspar Coolhaes, die door de synode van Haarlem in 1582 is geëxcom­municeerd.

Wanneer dus een kerkeraad of een groot deel des kerkeraads weigert de beslissing van een synode te erkennen en zich daartegen verzet, dan heeft de synode het recht aan den kerkeraad, indien hij in het kerk­verband blijft, de uitoefening van het ambt te ontnemen. Alle kerken, en ook de betrokken kerk, hebben haar tuchtmacht in een bepaald geval gebracht in handen van de synode, en daarom kan de synode in het bepaalde geval niet alleen uitspraak doen, maar ook zorgen dat het besluit wordt uitgevoerd. Dit volgt uit het karakter der meerdere vergaderingen 2).

 

De macht der meerdere vergaderingen is dus wel dezelfde in aard en wezen als die van de mindere vergadering, maar beperkter wat haar omvang en uitgebreidheid betreft. De kerkelijke vergaderingen zijn niet wezenlijk van elkander verschillend, „de natuur en de soort en de macht der kerkelijke vergaderingen is een en dezelfde” 3). „Er is concentratie


1) Pol. Eccl. IV. 898.
2) Zie hiervoor ook De Bazuin, Jaarg. 1926 en 1932, en De Heraut, Jaarg. 1926 en 1932, over dit onderwerp, en Acta Buitengewone Generale Synode van de Geref. Kerken in Nederland, 1926; Memorieboek der Buitengewone Generale Synode 1926.
3) Van Mastricht, Gotgeleerdheit III. 543.

|28|

van den kerkeraad in de afgevaardigden ter classis, concentratie van de classis in de afgevaardigden ter Provinciale synode, en concentratie van de synode Provinciaal in de afgevaardigden ter Synode-Generaal” 1). De kerken komen in de meerdere vergaderingen samen. Zij konden zelve samenkomen door al hare leden of door alle leden des kerkeraads, maar dit is practisch onmogelijk, en daarom zenden zij hare afgevaardigden. Deze afgevaardigden gaan wel in hun ambt, maar niet krachtens hun ambt. Zij die thuis bleven staan in hetzelfde ambt, maar gaan niet. Zij die gaan, zijn gemachtigd als afgevaardigden met een credentiebrief om de kerken te vertegenwoordigen, en volgens de kerkenorde te han­delen in die zaken, die hun zijn opgedragen. Hieruit volgt, 1° dat de verschillende kerken niet al hare macht overdragen, maar alleen zooveel macht als noodig is om de belangen der kerken te behartigen en 2° dat niet alle zaken op eene meerdere vergadering kunnen worden behandeld. De Nederlandsche Gereformeerde kerkenordening heeft zeer wijs en voorzichtig daarvoor dezen algemeenen regel gesteld, dat „in deze samen­komsten geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld zullen worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden of dat tot de kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort”. Voorts wordt nog in Art. 31 genoemd, dat wanneer iemand meent door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, hetgeen natuurlijk ook inhoudt, dat wanneer iemand van oordeel is dat een besluit in strijd is met Gods Woord, of niet in het belang der kerk is, hy zich op de meerdere vergadering kan beroepen.

De bevoegdheid der kerkelijke vergaderingen werd in de oude kerkenordeningen van 1578 af in het algemeen geleerd, gelijk deze te Dordrecht (1618/19, Art. 30) aldus werd omschreven: „In deze samenkomsten zullen geen andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergaderingen behoort”. Hier wordt bepaald 1° welke zaken op de kerkelijke vergaderingen kunnen worden behan­deld, 2° op welke wijze deze moeten behandeld worden.

1. Alleen kerkelijke zaken behooren op de kerkelijke vergaderingen behandeld te worden. Wereldlijke, economische en politieke zaken moeten evenmin als formeel wetenschappelijke vraagstukken op een kerkelijke samenkomst worden behandeld. Onder de Roomsche hiërarchie werden op de Synode inzake allerlei niet-kerkelijke zaken beslissingen genomen. De Synode van Clermont (1095) stelde den godsvrede als algemeene kerkwet


1) Dr A. Kuyper, De Heraut, No. 1055.

|29|

vast, en besloot tot een kruistocht naar het heilige land. In 1312 werd op het 15de algemeene Concilie te Vienne de orde der tempelieren opgeheven, en gehandeld over den oorlog tegen de Saracenen, over het herwinnen van het heilige land en over allerlei zaken, die ingrepen in de rechten der wereldlijke overheid. Gregorius XIII voerde, bij den bul van 24 Febr. 1582, een nieuwen kalender, de zoogenaamde Gregoriaansche tijdrekening in, waartoe het Concilie van Trente reeds opdracht had gegeven. De Roomsche Concilies konden dat doen, omdat zij van het beginsel uitgingen, dat de kerk zeggenschap had over alle terreinen des levens, en dat allerlei levensgebied, kunst en wetenschap, staat en maatschappij in dienst der kerk stond.

Gevolg hiervan werd, dat er een tegenstelling kwam tusschen de wereld, die stond onder de daemonische macht, en de kerk, die heel het leven binnen haar kring wijdde en heiligde. Maar wijl die wijding in uiterlijken zin reeds voldoende geacht werd, bedierf de wereld, opge­nomen in dien heiligen kring, de kerk geheel, en stond de kerk tevens de vrije ontwikkeling van het leven in den weg.

De Reformatie, met name de Calvinistische hervorming, heeft echter den mensch weer geëerd als beeld Gods en de wereld als Gods wereld, en tevens doen uitkomen dat de algemeene genade Gods, die in de wereld nog bewarend en verlichtend werkte, wel moet worden onder­scheiden van de herscheppende en zaligende werking van Gods bijzon­dere genade. Het maatschappelijke, het huiselijke en politieke leven had een eigen gebied, haar door God gegeven. Daarom moest, volgens Calvijn, de kerk ophouden voogdes van het natuurlijke leven te zijn, en niet anders zijn dan vergadering der geloovigen. En uit dit beginsel moest voor de practijk van het kerkelijk leven volgen, dat op de kerkelijke samenkomsten alleen kerkelijke zaken moesten worden behandeld.

Het is evenwel, vooral in dagen van vervolging der kerk, wel eens gebeurd, dat op de kerkelijke vergaderingen ook andere dan kerkelijke zaken werden besproken. Dit kon toen bezwaarlijk anders. De politieke omstandigheden hingen ten nauwste samen met het leven der kerk. Daarom moesten de Gereformeerden op de vergaderingen der consistoriën wel samenspreken over maatregelen tot keering van het Roomsche geweld en het verkrijgen van godsdienstvrijheid. De kerkeraad van Nieukercke besprak in 1561 vragen als deze: of men zich gewapender­hand tegen de papisten mag verdedigen, of men een pauselijken deken voor een overheidspersoon moet houden, en of men kerkers mag open­breken en gevangenen (die om des geloofs wil gekerkerd waren) mag bevrijden. Prins Willem drong er bij de kruiskerken op aan, dat zij op hunne vergaderingen de zaken des lands zouden behartigen. Zelfs heeft hij door bemiddeling van Marnix een poging gewaagd bij de

|30|

Synode van Emden (1571), dat de kerken den opstand tegen Spanje gemeenschappelijk zouden steunen door soldaten te werven voor het leger, geld te verzamelen, en te helpen bij het overbrengen der legerberichten. Maar de Synode zweeg op dit punt.

In Frankrijk handelde men op de kerkelijke vergaderingen steeds over politieke zaken, en sprak men zelfs over den krijgsdienst. Deze ver­menging van kerkelijke en wereldlijke zaken heeft zich in Frankrijk droef gewroken.

In ons land evenwel hebben de Gereformeerde kerken, zoodra de vrij­heid was aangebroken, zich dadelijk in dien zin uitgesproken, dat op de kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken mochten worden be­handeld. Dat dit beginsel niet altijd trouw is nageleefd, kan niet worden ontkend. In den tijd, toen kerk en staat zou nauw aan elkander ver­bonden waren, zijn op de kerkelijke vergaderingen wel allerlei zaken besproken, die ten nauwste samenhingen met de politiek van den dag. Maar toch bleef in beginsel gehandhaafd wat reeds in 1574 te Dordrecht (Art. 4) was besloten: 1e. dat de kerkelijke samenkomsten „niet en handelen, dan ’t gene dat kerkelick is”, en 2e. dat bij gemengde zaken, die deels kerkelijk deels politiek zijn, zooals dit veelvuldig het geval is bij huwelijkszaken, de kerken zich aan de beslissing der overheid zouden onderwerpen. Op de Synode van Dordrecht werd de invloed der overheid eenigszins beperkt, en bepaald dat bij gemengde zaken de be­slissing „bij de Overicheyt ende Kercken-raet te samen zou staan.” (1578, art. 17). De bedoeling der Gereformeerden was dus, dat die zaken, die niet tot de taak der kerk behooren, ook niet op de kerkelijke vergaderingen moeten behandeld worden. De kerk heeft daartoe geen bevoegdheid, en zij mist de bekwaamheid om als kerk een oordeel over de zaken van maatschappij, staat, wetenschap, kunst enz. uit te spreken. De taak der kerk ligt op het gebied van het heilige. Wel heeft zij de roeping om het licht des Woords te laten schijnen over het natuurlijke leven, en hare leden op te wekken, dat zij, elk in eigen ambt en roeping, zich gedragen naar Gods Woord, opdat de ordinantiën Gods op elk levensterrein worden gevolgd, maar de kerk trede niet als heerscheres in het gebied van het natuurlijke leven op. Kerk en Staat hebben beide hun eigen van God gegeven terrein. Er mag geen staats­kerk zijn, waarbij de kerk heel het natuurlijke leven beheerscht, en aan de overheid voorschrijft wat zij heeft te doen. Evenmin mag de overheid heerschen in de kerk. Dit wil evenwel niet zeggen, dat er scheiding mag zijn tusschen godsdienst en staat. De overheid is dienaresse Gods, geroepen tot Zijn eer, gebonden aan Zijne ordinantiën, en kan zich dus niet houden buiten het godsdienstig leven der natie. En dewijl het godsdienstig leven zich in den regel in den kerkvorm openbaart, moet

|31|

de overheid wel steeds met het kerkelijk leven in aanraking komen. Evenwel mag de overheid niet voor één bepaalde kerk partij kiezen, en deze in ’t oogloopend begunstigen. Voorts zijn kerk en staat beide door God gegeven, stichtingen Gods, die over en weer elkanders rechten moeten eerbiedigen. En de kerk is geroepen om dit te doen tenzij zij daardoor in strijd komt met de rechten van haar Koning.

Nu mag de kerk op hare vergaderingen wel geen politieke zaken behandelen, maar is toch wel geroepen invloed op het maatschappelijke en politieke leven uit te oefenen. Zij kan dit doen door rechtstreeks de overheid te wijzen op wat zij naar Goddelijke orde geroepen is te doen, en een verzoek te doen dat de overheid die orde handhave. Maar wijl de kerk als een zuurdeesem heeft te werken, is het haar taak het licht des Woords te laten schijnen en daardoor de volksconscientie te bewerken, opdat er vanuit het volk de drang ontsta, dat de Overheid tot betere nakoming van haar plicht gedrongen worde.

Door deze werking heeft de kerk reeds veel goeds tot stand gebracht, b.v. de opheffing der slavernij, de erkentenis van de christelijke school in Nederland, de bestrijding van de onzedelijkheid, enz. En de overheid in Nederland heeft, behalve in den schoolstrijd, ook gerekend met de verlangens der kerk inzake de vrijheid van militieplicht voor predi­kanten, enz.

Doch al heeft de kerk het recht en de roeping Gods Woord te laten schijnen op het publieke leven, en er op in te werken dat de overheid hare roeping, ook met betrekking tot de kerk, volbrengt, zij trede niet op het gebied van het staatkundige en maatschappelijke leven.

Haar bevoegdheid hangt samen met haar bestemming om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn; om de waarheid, die zij gelooft, te belijden en als belijdenis te handhaven; om gehoorzaam aan haar Koning, het Woord Gods te verkondigen, te zorgen voor het welzijn der Kerk, de opleiding der dienaren, voor de handhaving van de orde­ningen Gods, te waken voor de heiligheid der gemeente en den opbouw van het leven des geloofs, en diensvolgens alle goede middelen aan te wenden, die daartoe kunnen leiden.

Maar is de Kerk dan niet geroepen uitspraak te doen in rechtzaken tusschen zijne leden? Men beroept zich hiervoor op 1 Cor. 6: 1-8, maar ten onrechte. Want ten eerste spreekt de Apostel hier niet over misdrijven, die volgens de wet door de Overheid gestraft worden, maar over burgerlijke geschillen, die door de leden der gemeente zelf onder­ling wel kunnen worden beslecht. Het is niet behoorlijk dat de geloovigen zich zelf en hun voordeel zoeken. Wel mogen en moeten zij waken voor hun recht. Maar indien de geloovigen onderling een geschil hebben, en niet tot overeenstemming kunnen geraken, is het de aangewezen

|32|

weg om hunne zaak ter beslissing aan broederen voor te leggen, en niet voor de heidensche rechters. Is het echter zoo, dat de betrokken personen dezen weg niet willen, en van den kerkeraad vragen een uit­spraak te doen, dan moet de Kerkeraad dit weigeren, omdat de be­slissing van een kerkelijke vergadering niet het karakter draagt van een scheidsgerecht, noch van een rechterlijke uitspraak als die van een aardschen rechter, en God de rechtspraak aan de Overheid heeft toe-betrouwd. De kerkelijke vergaderingen hebben er voor te waken, dat zij haar bevoegdheid niet te buiten gaan. De overschrijding harer grenzen doet schade aan de zaak van Gods Koninkrijk, geeft aanleiding dat van haar niet recht wordt gesproken, en dat zij van haar invloed inboet.

2. De wijze van behandeling der kerkelijke zaken moet kerkelijk zijn. In verband met het voorgaande in Art. 30 wordt met deze woorden bedoeld, dat het karakter der kerkelijke vergadering een geheel andere is dan dat der wereldlijke overheid. De overheid heeft dwingend gezag. God heeft de overheid ingesteld om Zijn gezag op aarde uit te oefenen, om de ongerechtigheid te beteugelen en een geordend samenleven van de menschen op aarde mogelijk te maken. Daartoe heeft „God aan de over­heid het zwaard in handen gegeven tot straffe der boozen en bescher­ming der vromen” (Art. 36). Hij heeft de overheid met macht bekleed, met het recht en de macht om te straffen, en hare macht met geweld te handhaven. Niet alzoo de kerkelijke ambtsdragers. Een kerkelijke ver­gadering bezit niet het recht der wrekende gerechtigheid en kan niet, zooals Rome doet, eene geldboete, gevangenisstraf en verbod van kerke­lijke begrafenis opleggen of over iemand het vonnis des doods laten uitspreken, en dan dat vonnis laten uitvoeren door de overheid, of ook, zooals de Luthersche kerk, door haar nauwen band met de over­heid, wel heeft gedaan, om kerkelijke vergrijpen te straffen met boete, geeseling of gevangenis. (De latere wetgeving in Duitschland heeft dit misbruik van macht door de kerken verboden, Pruisen 13 Mei 1873; Baden 19 Febr. 1874; Hessen 23 April 1875).

De wijze van behandeling der kerkelijke zaken moet kerkelijk zijn, d.w.z. zij moet zijn naar de regelen, die in het kerkelijke leven gelden, binnen de grenzen der kerkelijke macht en met geen andere dan kerke­lijke middelen. Zooals de Nederl. Geloofsbelijdenis (Art. 5, 7) het uit­spreekt, is Gods Woord regel van geloof en leven, en „mag men ook geener menschenschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten.” De kerkelijke vergaderingen hebben zich als vertegenwoordigers der kerk te gedragen

|33|

naar het Woord van den Koning der kerk. Wanneer zij tegen het Woord handelen, en van die verkeerde houding geen afstand willen doen, ont­trekken zij zich aan de gehoorzaamheid van Christus, en verbeuren zij het recht, dat de leden der kerk hen hebben te volgen.

De ambtsdragers zijn met de leden der kerk gebonden aan het Woord des Heeren. Het ambt moet Christus dienen ten behoeve van de ge­meente, en heeft tot taak de gemeente in te leiden in de kennis Gods, haar te doen wandelen naar het Woord Gods en door al den arbeid mede te werken tot de volmaking der heiligen en den opbouw van het lichaam van Christus. Om die reden mogen de dragers van het ambt niet optreden als heeren en meesters, maar dienen zij zich te gedragen als broeders en dienstknechten van Christus. Het recht en de liefde van Christus moet hen bij al hun werk bezielen en bewegen. Ook de vermaning en de bestraffing moet beoogen de handhaving van het recht des Heeren en de behoudenis des zondaars. En als de kerkelijke vergaderingen geroepen zijn een uitspraak te doen, leggen zij hun be­sluit niet als een overheidsbevel met dringend geweld op, maar zij trachten door overreding hare besluiten, als in overeenstemming met Gods Woord, en noodig voor het welzijn der gemeente, ingang te doen vinden. Slechts met geestelijke middelen kan de kerk haar gezag hand­haven. Wel kan het in sommige tijden noodig zijn, dat de kerk in hare vergaderingen met forsche kracht moet optreden, om weerbarstige en oproerige leden, dienaren of kerken te straffen, maar ook bij zulke ernstige en droeve handelingen mag niet de mensch, maar moet het Woord Gods leiding en beslissing geven.

3. De kring van zaken, die op de meerdere vergaderingen behandeld worden, is beperkt. Art. 30 der Dordtsche kerkenordening zegt: „In de meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene in mindere vergaderingen niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergaderingen in ’t gemeen behoort.”

Hiermede wordt de zelfstandigheid en de vrijheid eener plaatselijke kerk verzekerd, en tevens de kring van bevoegdheid der meerdere ver­gaderingen afgebakend.

a. In de eerste plaats behoort tot de bevoegdheid der meerdere ver­gadering, te handelen over datgene wat in mindere vergaderingen niet kon afgehandeld worden, hetzij dan dat de plaatselijke kerk de hulp der meerdere vergaderingen inroept, of ook wanneer in zeer bijzondere gevallen de kerk deze hulp niet vraagt, maar hare leden zich beroepen op een meerdere vergadering en de kerkeraad niet in staat is aan den verkeerden toestand een einde te maken.

Voor het eerste geval hebben wij een voorbeeld in de H. Schrift. Het geschil, in Antiochië ontstaan over de vraag of de besnijdenis en het

|34|

onderhouden van de wet van Mozes noodzakelijk was, kon in de gemeente aldaar niet opgelost worden, en daarom besloot men afgevaardigden te benoemen naar Jeruzalem, om het oordeel der Apostelen en der ouder­lingen in te winnen (Hand. 15). De zaak waarover zij advies vroegen raakte niet alleen de kerk van Antiochië, maar ook alle kerken, waar bekeerlingen uit de heidenen werden gevonden. En daarom gold de be­slissing op het Convent te Jeruzalem genomen niet alleen voor de broe­deren te Antiochië, maar ook de christenen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië woonden (Hand. 16: 4), en dus feitelijk de kerken in het algemeen.

Dit beginsel werd door de oudste Nederlandsche synoden reeds vast­gesteld. Er werd te Emden bepaald voor de classen 1): „Zoo daar iet in eenige kerke der Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde terneder gelegt worden, dat zal in de classische samenkomsten verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Pro­vincialen Synodum zal mogen beroepen”. En in het hoofdstuk van de Provinciale synode wordt gezegd 2): „zij en zullen ook geene andere (puncten) stellen, dan die in de consistoriën en classische samenkomsten niet hebben konnen uitgevoert worden”. En van de synoden heet het: „Hetzelve dat voorschreeven is, zal ook in den Algemeenen Synodo onderhouden worden”, betreffende „de Leer, het Kerkregiment, en byzondere zaaken, die in de Provinciale ’t samenkomsten niet hebben kunnen uitgevoert ofte geëindigt worden”. De synode van Dordrecht, 1578, heeft al deze bepalingen in één artikel samengevat: „Men sal gheene saken tot grooter versamelinghen brenghen dan die in den minderen niet en hebben konnen afghehandelt worden, ofte die de Kercken in het ghemeyne aengaen”. In 1581, Art. 22, werd deze be­paling in den huidigen vorm gegoten.

De Gereformeerden hebben dit zeer terecht als beginsel uitgesproken, en wel allereerst om te voorkomen dat het recht en de zelfstandigheid der plaatselijke kerk en van de mindere vergaderingen zou worden aan­getast, en in de tweede plaats om een oligarchie, een regeering van enkele menschen in de kerk of eene monarchie, zooals bij de Roomsche kerk, af te snijden, terwijl wanneer allerlei zaken der mindere vergaderingen zonder noodzaak op de meerdere vergaderingen zouden worden gebracht, deze te zeer met werk zouden worden overladen 3).

Zeer juist heeft Voetius hiervan geschreven 4): „Onze kerkenordeningen waken zeer behoedzaam, dat er niets in de synode wordt


1) Cap. II. 3.
2) Cap. III. 1.
3) Acta Emden, c. III. 1.
4) Pol. Eccl. IV. 204; cf. IV. 210.

|35|

behandeld, dan wat in de kerkeraden en classen niet kon afgehandeld en voleindigd worden. Want indien het anders geschiedde, zou er een wanordelijke toestand ontstaan en zoude de werkzaamheid der synoden tot in het oneindige uitgerekt worden, zelfs zou er dan een oligarchie, en zoo eindelijk een kerkelijke monarchie worden ingevoerd, zooals geschied is in het pausdom, waar, na de opheffing van de wettelijke macht en vrijheid der kerken, alles tot een zekere nabootsing van den kerkeraad, namelijk van een soort Roomschen kerkeraad van kardinalen, of van een bisschoppelijk kapittel of van een vergadering van stem­gerechtigde bisschoppen met haar aartsbisschop, ja zelfs tot den paus en de bisschoppen toe, als virtueele kerken met geweld doorgetrokken is. Laten de Gereformeerden zich zorgvuldig voor deze boosaardige ziekte wachten, opdat niet eenmaal waar worde, wat zij beweren, die voor­geven dat het independentisme moet gesteld worden boven de presbyteriale regeering, namelijk dat de vrijheid en de macht, welke naar goddelijk recht aan de afzonderlijke plaatselijke kerken toekomt, door de grootere en kleinere synoden wordt geroofd, en dat alzoo de kerke­lijke macht een beroovende en niet een cumulatieve (samenbrengende) macht zou zijn, waartegen ook de Gereformeerde kerken zich in hare kerkenordeningen verklaren”.

In het tweede geval kan eene zaak op eene meerdere vergadering komen, wanneer er oneenigheid in eene kerk is, wanneer de kerkeraad zelf niet in staat is het geschil op te lossen, en leden der kerk klagen bij de meerdere vergadering over hun gedaan onrecht, of van de meerdere vergadering vragen aan de wanorde en den verkeerden toestand een einde te maken. Geen enkele kerk heeft het recht de bevoegdheid van eene meerdere vergadering om zulke klachten te onderzoeken en te trach­ten de verkeerdheden in eene plaatselijke kerk uit den weg te ruimen te ontkennen, wijl deze klachten, wanneer zij de leer of de rechte in­stelling der kerken betreffen, samenhangen met wat tot de kerken in meerdere vergaderingen behoort, of in elk geval vallen onder het recht van appèl, waarover Art. 31 der K.O. handelt.

b. De tweede beperking van de kring van zaken, die op de meerdere vergadering kunnen behandeld worden, wordt in Art. 30 aangeduid met de woorden: of dat tot de kerken der meerdere vergadering behoort. Wij hebben vroeger aangetoond, dat naar eisch van het Woord Gods, op grond van de eenheid der kerk van Christus een kerkverband noodig is, en dat, wanneer de kerken met elkander in kerkverband leven, er allerlei zaken zijn, de leer, de orde en de tucht betreffende, die de kerken in het gemeen aangaan en ook door de kerken gemeenschappelijk moeten be­handeld worden. Anders zou geen kerkverband mogelijk zijn, en zou een enkele heerschzuchtige kerk of groep aan andere kerken haar wil

|36|

kunnen opleggen. Reeds het convent van Wezel (1568) heeft uitgesproken, dat „de onderscheidene Nederlandsche provinciën in bepaalde en vaste classes of parochiën worden afgedeeld, teneinde een iedere kerk weten kunne, met wie zij heeft te handelen, en te raadplegen over alle meer gewichtige zaken, die haars inziens het algemeene belang betreffen” (quo cuique ecclesiae constare possit, cum quibus graniora quaeque negocia quae ad publicam utilitatem spectare videbuntur ei sunt conferenda consultandaque) 1). Niet alleen alle moei­lijke zaken, die door de particuliere kerken niet konden worden uit­gemaakt, maar ook die het openbare welzijn of het algemeene belang der kerken raken, moeten zoo spoedig mogelijk door de gezamenlijke kerken of synoden behandeld worden. Aangaande de Synode bepaalde het Convent 2): „Aan haar zal ter beslissing moeten worden voorgesteld alles aangaande de colleges, de bezoldigingen, ambt, gezag der Leeraars, de oefeningen in de scholen, de godgeleerde studiën, de onderhouding van de propositiën en profetiën en al het overige wat op deze zaak betrekking heeft, en desgelijks de vaste en billijke af deeling der provinciën in classen of parochiën, de vaste bijeenkomsten zoowel van iedere classis afzonderlijk als van alle classen in het gemeen, haar orde, regeling, ge­zag of censuur; vervolgens ook de huwelijksgevallen, de gronden der echtscheidingen, kortom alle mogelijke zaken, die in het algemeen op alle kerken en den gemeenen dienst zien (denique de omnibus omnino rebus, quae ad omnes ecclesias et commune ministerium generatim spectant). Want het komt noch met het gezag der Schrift noch met de billijkheid der wetten overeen, dat die dingen, welke gelijkelijk allen aangaan, door de eene of andere kerk alleen zouden worden vastgesteld, zonder dat de andere kerken gehoord zijn, op welke zij evenzeer betrekking hebben”. Omtrent de ouderlingen werd door het Convent o. a. bepaald, „dat zij geen nieuwe wetten naar eigen willekeur zullen invoeren, maar zich houden zullen aan verordeningen der kerken en synoden. En in­dien er iets nieuws mocht voorgekomen zijn, wat een nauwkeuriger onderzoek vereischt, dat zij dit dan tot de vergadering der classis of van de provinciale parochie zullen brengen, opdat daar met gemeene stemmen worde vastgesteld, wat in het belang der kerken zal zijn” (ut ibi quod ex re ecclesiarum erit communibus suffragiis statuatur) 3). De volgende synoden, van Emden en van Dordrecht (1578), namen deze besluiten over, terwijl de synode van Middelburg (Art. 22) aldus definieerde, welke bepaling ook door de synode van Dordrecht (1618/19) werd overgenomen: „In meerdere vergaderinghen sal men niet handelen


1) c. I. 2.
2) c. I. 4-6.
3) c. IV. 7.

|37|

dan ’tghene in minderen niet heeft connen afghehandelt werden, of dat tot de kercken der meerder vergaderinghe int ghemeijn behoort” of gelijk beter vertaald in de Latijnsche tekst (vel ad ecclesias universas majoris conventus pertinent) staat: „of die de gezamenlijke kerken van de meerdere vergadering aangaan.”

Voetius zegt over dit punt 1): „Het voorwerp van deze kerkelijke correspondentie en gemeenschap is tweevoudig, namelijk: gemeenschappelijke zaken, die alle kerken aangaan en particuliere zaken, die ééne of sommige kerken raken. De gemeenschappelijke zaken zijn op elke wijze en absoluut aan het classicaal of synodaal gezag onderworpen, want de dingen, die den opbouw van alle kerken gemeenschappelijk aangaan, moeten ook door alle kerken gelijkelijk worden verzorgd en behandeld. De particuliere zaken kunnen en moeten echter niet volstrekt, maar slechts beperkt door alle kerken gelijkelijk worden verzorgd en behandeld, namelijk in deze gevallen: 1. in geval van onvermogen, wanneer namelijk een plaatselijke kerk niet in staat is om haar eigen zaken af te doen; 2. in geval van onwettelijke en onregelmatige bediening, wanneer in een tijd van eene heerschende ziekte al de kerken, waarmede zij in verband en correspondentie leeft, haar te hulp moeten komen; 3. in geval van veronderstelde slechte bediening, dat is in het geval van appèl, hetzij van een persoon of van eene groep, die klagen dat zij bezwaard zijn.”

Welke zijn nu de zaken, die tot de kerken der meerdere vergaderingen in het gemeen behooren? In het algemeen kan men hierop antwoorden, dat het die zaken zijn, die de kerken in gemeenschap met elkander hebben bepaald en die de gemeenschap der kerken en de handhaving van de beginselen van Gods Woord, de Belijdenis en de Kerkenordening raken. Hieronder vallen de regelen betreffende de leer, dienst en tucht der kerken, de opleiding tot den dienst des Woords, de zending, de liturgie, enz. De kerken in Synode vergaderd moeten niet alles tot in de kleinste bijzonderheden willen regelen, maar zeer veel aan de vrijheid der particuliere kerken overlaten, opdat deze zelfstandig hare roeping als kerken naar het Woord Gods kunnen volbrengen, maar de plaatselijke kerken mogen van die vrijheid niet willekeurig gebruik maken, en niet in strijd handelen met de algemeene regelen door de kerken in gemeenschap met elkander gesteld.

In navolging van de Ordonnances Ecclésiastiques van Calvijn hebben de Gereformeerde kerken dan ook een reeks van bepalingen gemaakt, die ook het leven der plaatselijke kerk raken. In de Kerkenordening van de Gereformeerde kerken in Nederland is bepaald, welke diensten er in de plaatselijke kerk moeten zijn (Art. 2), dat niemand zonder eene


1) Pol. Eccl. IV. 119, 120.

|38|

wettelijke roeping in den dienst der kerk mag optreden (Art. 3), hoe de wettelijke roeping tot stand komt, en welke weg moet worden gevolgd bij de roeping eens dienaars naar eene andere gemeente (Art. 4, 5), op welke wijze de dienst in de gasthuizen moet geregeld worden (Art. 6), hoe de verzorging van een dienaar des Woords en van een emeritus behoort te geschieden (Art. 11, 13), op welke wijze de verkiezing van ouderlingen en diakenen zal plaats hebben, hoe lang zij hebben te dienen, en welke het ambt der ouderlingen en diakenen zal zijn (Art. 22-27). In het tweede hoofdstuk over de kerkelijke vergaderingen wordt bepaald wanneer de kerkeraadsvergaderingen moeten worden gehouden, en de wijze waarop zij behooren te worden bestuurd. Ook wordt geregeld, dat in kleine kerken de diakenen tot den kerkeraad kunnen genomen worden en dat dit moet, wanneer het getal der ouderlingen minder is dan drie (Art. 37, 38). Ook wordt een regel gesteld voor de vergadering der diakenen (Art. 40). In het derde hoofdstuk wordt voorgeschreven, dat ook de ouderlingen en de diakenen evenals de predikanten de belijdenis zullen onderteekenen (Art. 54), dat de kinderen zoo spoedig mogelijk gedoopt moeten worden in de openbare vergadering der gemeente, waar Gods Woord wordt bediend (Art. 56), en dat de ouders hunne kinderen ten doop moeten presenteeren (Art. 57). Bepaald wordt wie ten Avondmaal mogen worden toegelaten, waar, hoe en hoe dikwijls de bediening van het Avondmaal zal zijn (Art. 61-64), welke psalmen en gezangen zullen worden gezongen in den dienst (Art. 69), dat het huwelijk voor de gemeente dient bevestigd te worden volgens het daarvoor vastgestelde formulier (Art. 70). En wat de kerkelijke tucht aangaat is een reeks van bepalingen voorgeschreven hoe de tuchtoefening dient te geschieden, en welke de zonden zijn, die den dienaar des Woords schorsing of afzetting van den dienst waardig maken. Allerlei bepalingen staan in de kerkenordening, die ook het innerlijke leven der gemeente regelen. Hieruit zien wij dat de kerken in hare kerkenordening de woorden: „dat tot de kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort” niet alzoo hebben opgevat alsof alleen die zaken op de meerdere vergaderingen mogen worden behandeld, die alle kerken gemeenschappelijk of ge­zamenlijk aangaan, maar dat ook vallen onder de zaken, die tot de meerdere vergaderingen in ’t gemeen behooren, de zoodanige die voor den geestelijken welstand van alle kerken, voor de handhaving der heerschappij van Christus en Zijn Woord in de kerk, en voor de orde eener plaatselijke kerk en de goede samenbinding en overeenstemming der kerken onderling noodig zijn, gelijk het convent van Wezel verklaarde: „De apostel Paulus schrijft voor, dat in de kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde moeten geschieden, opdat niet alleen in de leer, maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regeering van het ambt een

|39|

eenparige overeenstemming van de kerk vaststa en onderhouden worde.” Om die reden kan ook eene kerk geen nieuwigheden invoeren, die op een of andere wijze de kerken in het verband raken. Wel mag en moet elke plaatselijke kerk er naar streven, haar eigen kerkelijk leven tot een hoog peil op te voeren, maar zoodra zij regelen zou willen invoeren, die van beteekenis zijn voor heel de kerk, of ingrijpende veranderingen zou willen invoeren in die dingen, welke geregeld zijn in de orde der kerken, dan behoort zij naar den regel, die altoos in de Gereformeerde kerken is gevolgd, het oordeel van de gemeenschappelijke kerken in te winnen en op te volgen.

Daarop doelt ook het woord advies in onze kerkenordening.

Wanneer in onze kerkenordening staat, dat de plaatselijke kerk in bepaalde gevallen met het advies der meerdere vergadering heeft te handelen, dan wil dat niet zeggen, dat zij geheel vrij is het advies al of niet op te volgen. Integendeel. Het woord advies beteekent raad of oordeel, en de kerkenordening bedoelt, dat wanneer het inwinnen van het advies is voorgeschreven, n.l. in de art. 4, 5, 14, 38, 47, 50, 75, 76, 79, de kerkeraad ook naar dat advies behoort te handelen. In vele gevallen blijkt duidelijk, dat in deze artikelen het advies beteekent: bewilliging, goedkeuring. Dat kan ook niet anders. De bepalingen, dat de kerkeraad „niet zonder advies der meerdere vergaderingen” mag handelen, zijn ingevoegd om misbruik en willekeur der plaatselijke kerken te voorkomen. Bij de tucht mag de kerkeraad een lid niet afsnijden dan met voorgaand advies van de classis. Deze bepaling is niet gemaakt om op de zelfstandigheid der plaatselijke kerk inbreuk te maken, maar om de eenheid en de goede orde in het kerkelijke leven te handhaven, en om te waken, dat van de tucht misbruik wordt gemaakt, en de rechten van de leden der kerk worden verzekerd. Eerst wanneer de classis een toestemmend advies geeft, kan de kerkeraad overgaan tot de tweede vermaning volgens art. 77, en tot de afsnijding volgens Art. 76.

Dit ligt in den aard der zaak. Wanneer een plaatselijke kerk in het verband der kerken treedt, dan ontvangt zij daarbij leiding en steun van de zusterkerken, maar zij onderwerpt zich ook aan de leiding der meerdere vergaderingen, en neemt op zich de verplichting om zich naar de meerdere vergaderingen te gedragen. Dit is niet het invoeren van eene hiërarchie in de kerk, maar een zich onderwerpen aan het juk van Christus en het zoeken van de handhaving van het recht Gods. Wanneer eene plaatselijke kerk de besluiten van eene meerdere vergadering naast zich neerlegde en niet wilde uitvoeren, dan breekt zij daardoor de eenheid en de orde. En als zij in zulk een geval niet kan aantoonen, dat de besluiten der meerdere vergaderingen in strijd zijn

|40|

met Gods Woord en de ordening der kerken, dan pleegt zij revolutie en maakt zich der censuur waardig.

In dien zin sprak ook de Generale Synode van Utrecht (1923, Art. 127). Zij verklaarde inzake het vrouwenkiesrecht „dat de invoering van het vrouwenkiesrecht eene zaak is, die niet ééne kerk, maar de kerken in het gemeen raakt, en daarom door de Generale Synode behoort beslist te worden”, en wel op deze gronden:

1º. „omdat het vraagstuk van het vrouwenkiesrecht niet van ondergeschikt belang is, zooals b.v. op welken leeftijd aan een gemeentelid het kiesrecht zal geschonken worden, wat aan de vrijheid van iedere plaatselijke kerk kan worden overgelaten, maar van diep ingrijpende beteekenis is voor heel de kerk, en daarom, zooals steeds de regel in onze kerken is geweest, door de kerken gemeenschappelijk beslist moet worden”;

2º. omdat de meeningen over dit vraagstuk zoozeer uiteengaan, of het vrouwenkiesrecht wenschelijk is of niet, of het naar Gods Woord geoorloofd is of niet, is het voorzichtig en wijs dat niet een plaatselijke kerk tot de invoering daarvan overgaat zonder het oordeel der gezamenlijke kerken te hebben ingewonnen, hetgeen ook plicht is met het oog op 1 Cor. 14: 32;

3º. omdat, indien het juist was wat b.v. door de kerk van Zandvoort beweerd werd, dat het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw „geheel in overeenstemming was met de positie, welke Gods Woord aan de vrouw in de kerk toekent”, en dat de vrouw daartoe van Christuswege geroepen werd, dan mocht dit niet als een middelmatig ding aan de vrijheid van iedere kerk overgelaten worden, maar dan moesten alle kerken aan het goddelijk gebod gehoorzamen, en moest de Generale Synode besluiten, dat alle kerken dat vrouwenkiesrecht moesten invoeren. Terwijl omgekeerd, als het met Gods Woord in strijd was, de kerken, die het hadden ingevoerd, moesten vermaand en bestraft worden;

4º. „omdat, wanneer de beslissing hierover aan iedere kerk werd overgelaten, daaruit niet alleen allerlei practische moeilijkheden, maar zelfs groote rechtsonzekerheid zou kunnen ontstaan. Wanneer eene vrouw, die in de eene kerk dit kiesrecht bezat, naar eene andere verhuisde, waar dat kiesrecht haar niet werd toegekend, dan zou dit niet alleen krenkend voor haar wezen, maar ook een onrecht, wanneer naar Gods ordinantie haar dat recht toekomt.” En omgekeerd als een broeder, die het vrouwenkiesrecht in strijd acht met het Woord Gods, in een gemeente kwam, waar dit recht was ingevoerd, dan zou hij het recht van de aldus gekozen ambtsdragers kunnen betwisten, en zou de zaak voor de meerdere vergaderingen ter beslissing moeten worden voorgelegd.

Hetzelfde geldt van het zingen van gezangen in de kerk. De commissie van Advies rapporteerde hiervan op de synode van

|41|

Utrecht (1923, bl. 230): „Wanneer een kerkeraad besloot om een gezangen-bundel in te voeren bij den eeredienst, zou dit besluit alleen geldig zijn voor zijn eigen gemeente, maar zou wel degelijk in strijd zijn met de eischen van het kerkverband, daar de vraag of, en zoo ja, welke gezangen in de kerken behooren gezongen te worden, een vraag is, die een gemeenschappelijk belang der kerken raakt, en daarom ook door de kerken gemeenschappelijk behoort beslist te worden.”

c. Het recht van appèl. De derde beperking van de kring van zaken, die op de meerdere vergaderingen kunnen behandeld worden, wordt genoemd in Art. 31: „Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen.” Aan de eene zijde wordt door deze woorden het recht en de vrijheid van de kerken en hare leden gehandhaafd, terwijl aan de andere zijde ook de meerdere autoriteit der meerdere vergaderingen wordt uitgedrukt.

Het recht van hooger beroep is onmisbaar in het kerkelijke leven. Het convent van Wezel had reeds de vrijheid uitgesproken van zich te mogen beroepen, inzake de tucht, van de uitspraak des kerkeraads op het oordeel der classis, en van de beslissing der classis op de hulp van de synode, maar zij voegde er het waarschuwend woord bij, dat zulk een hooger beroep licht uit verzet en weigering om zijn schuld te erkennen kon voorkomen, en dan als een teeken van wederspannigheid moest worden beschouwd. Deze bepaling werd door de synode van Emden (1571, II.3) uit de artikelen van de Tucht gelicht en overgebracht onder de algemeene artikelen, die de beteekenis en het recht der meerdere vergaderingen regelen, terwijl de synode van Dordrecht (1578, Art. 19) er eene bepaling van gaf, welke bijna letterlijk in onze Kerkenordening is overgenomen.

Nu zou dit artikel zóó kunnen worden gelezen, dat het recht van appèl alleen gegeven is voor het geval, dat iemand door de uitspraak eener meerdere vergadering persoonlijk verongelijkt was. Ongetwijfeld is dit de bedoeling niet geweest, blijkens de algemeene formuleering van de synode van Emden, dat men zich van de classicale vergadering „tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen". In elk geval is het recht van appèl door de kerken nimmer beperkt tot de gevallen van persoonlijke rechtskrenking of verongelijking. Op de synode van Veere, 1610, beklaagde zich de predikant Daniël Glatius over eene ordinantie, „waardoor hem opgelegt was op Sabbathdagen niet te doopen noch trouwen des voormiddags, maar alleen des namiddags”, wijl naar zijn oordeel zulk een besluit der classes niet stichtelijk, noch practisch was. De Synode besloot, dat men de tijdsbepaling daaromtrent „in vrijheid der kerken laten zal, alhoewel het doopen en het trouwen namiddags,

|42|

waar het gevoegelijk geschieden kan, sal mogen ingebragt werden.” Op de synode van Zuid-Holland (1725) appelleerde Ds Herm. Probsting tegen ’t deportement, hem door de classis van Den Briel opgelegd. Een commissie van onderzoek rapporteerde, dat al de beschuldigingen tegen hem niet van een natuur en niet zoo zwaar waren, dat men hem kon deporteeren, en dat men na bestraffing voor de synode hem weer moest toelaten. Op de synode van Den Briel, 1726 § 5, klaagden drie kerke-raadsleden als appellanten, dat hun predikant tegen het bestaande gebruik twee stemmen pretendeert. De synode oordeelde „dat de Predikant dat recht mag, dog moet met voorzigtigheid gebruiken”. Herhaaldelijk appelleerden leden der gemeente of ook kerkeraden bij de meerdere vergaderingen over leer of leven der predikanten. Van het recht van appèl werd veelal zoo druk gebruik gemaakt, dat de synoden wel eens hebben besloten, dat zij geen zaken in behandeling zouden nemen, waarvan niet beproefd was, dat zij door schikking zouden kunnen afgedaan worden (Acta, Rotterdam 1605, Art. 12; Gorcum 1622, Art. 41; Den Briel 1643, Art. 14).

De rechtsgrond, waarop een appèl kan rusten, strekt zich dus verder uit dan voor het geval iemand persoonlijk verongelijkt is. Deze geldt ook wanneer iemand van gevoelen is, dat een besluit door den kerkeraad genomen ingaat tegen Gods Woord en gevaarlijk is voor de gemeente. En het ligt in den aard der zaak, dat er dan mogelijkheid moet bestaan om recht te bekomen in hooger instantie. De kerkeraad, tegen wien het bezwaar wordt ingebracht, kan natuurlijk niet uitspraak doen in het geschil, want hij is in dezen partij geworden en daarom is een meerdere vergadering niet alleen bevoegd, maar ook geroepen over het bezwaar te oordeelen. Een voorbeeld uit den jongsten tijd moge dit toelichten. In 1923 appelleerde de classis Dordrecht bij de Generale Synode van Utrecht over een besluit der Particuliere Synode van Zuid-Holland, omtrent het tijdelijk ontslag, dat aan Ds Vonkenberg naar Art. 14 was verleend. Ds Vonkenberg, benoemd tot Directeur van den Bond van Gereformeerde Jongelingsvereenigingen, had gevraagd aan de classis Dordrecht, dat deze hem naar Art. 13 zou emeriteeren. De classis echter verklaarde, dat hij naar Art. 12 tot een anderen staat des levens was overgegaan. Ds Vonkenberg appelleerde tegen dit besluit der classis bij de Particuliere Synode van Zuid-Holland, aangezien hij niet tot een anderen staat des levens wilde overgaan, maar alleen tijdelijk de Jongelingsvereenigingen als directeur dienen. En de synode besloot nu, na ingewonnen advies van de hoogleeraren in het kerkrecht, gezien, zijne nadere bedoeling „dat de kerk van Zwijndrecht aan Ds Vonkenberg volgens Art. 14 K.O. vergunnen zou tijdelijk zijn dienst te onderlaten”. De classis Dordrecht kwam nu tegen deze beslissing in hooger beroep

|43|

bij de Generale Synode van Utrecht, wijl zij meende dat deze in strijd was met „den geest en de bedoeling van Art. 14 K.O.” De synode verklaarde echter, dat in Art. 14 K.O. het woord „advies” moet verstaan worden als „bewilliging”, maar kwam aan het bezwaar der classis in zoover tegemoet, dat ingeval van tijdelijk ontslag naar Art. 14 K.O., om misbruik te voorkomen, zulk een verlof van langen duur niet worde gegeven zonder dat de classis haar goedkeuring daaraan heeft gehecht. Evenals in dit geval is het herhaaldelijk in onze kerken voorgekomen, dat eene ruimere opvatting dan van persoonlijke verongelijking aan dit deel van Art. 31 moet worden gehecht.

De Gereformeerden hebben hooger beroep altijd toegelaten. Natuurlijk niet van den kerkeraad op de gemeente, zooals de Independenten leeren, die de gemeentevergadering als souverein beschouwen, maar van den kerkeraad op de classis, en van de classis op de particuliere synode en van de particuliere synode op de Generale synode.

De synode van Delft (1618, Art. 59) gaf dit recht zelfs aan de Remonstranten. Zij benoemde deputaten om te onderzoeken in de classes en in de kerken, welke predikanten onwettig in den dienst waren gekomen, of in leer en leven zich onstichtelijk gedragen hadden, of die geweigerd hadden voor de synode te verschijnen. Den deputaten werd zulk een macht gegeven „alsof de synode zelf tegenwoordig was”, mits onder conditie, dat zij, die zich bezwaard achtten door de uitspraak der gedeputeerden, zich konden beroepen op de nationale synode.

De vraag is gedaan of het niet gewenscht is, de zaken van appèl te schiften, en voor bepaalde zaken alleen appèl toe te laten tot de particuliere synode en voor andere appèl toe te staan tot de Generale Synode, wijl de Generale Synode alleen om de drie jaren vergadert, en licht te veel met allerlei protesten zou kunnen worden beziggehouden. Doch deze schifting is niet wenschelijk, wijl het dan kon gebeuren, dat in de onderscheidene provincies verschillende rechtspraak zou gaan heerschen, en voorts wijl voor de bezwaarden het recht moet blijven open staan, hunne zaak voor de vergadering van alle kerken te bepleiten. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat iemand die door den kerkeraad, de classis en de particuliere synode in het ongelijk gesteld was, door de Generale Synode in het recht werd hersteld. Zoo appelleerde Jitske Gerbertsma te Oppenhuizen, die door den kerkeraad van Oppenhuizen was afgesneden, welke afsnijding door de classis Sneek en de particuliere synode van Friesland was bevestigd, op de Generale Synode van Middelburg (1896, Art. 120), met dat gevolg dat door de deputaten dezer synode haar zaak werd onderzocht, en bevonden werd, „dat er voor die censure en afsnijding geen grond te vinden was”, „waarna de afsnijding en censure met volkomen instemming van den kerkeraad

|44|

is opgeheven en zuster J. Gerbertsma weder in volle rechten als lidmaat is aangenomen” (Acta 1899, Art. 92).

Gelijkheid moet er zijn in het recht van appèl, maar ook gelijkheid om cassatie aan te vragen. Cassatie beteekent niet dat er een nieuw vonnis komt, maar dat het gevelde vonnis vernietigd wordt uit hoofde van formeele fouten bij het onderzoek of bij het vellen van een vonnis begaan. Blijkt dit het geval, dan gaat de rechtbank, die het vonnis casseert, de geheele zaak terugzenden naar de mindere rechtbank, met opdracht deze opnieuw te onderzoeken en een nieuw oordeel uit te spreken. In het kerkelijke handelt men eenigszins anders. De meerdere vergadering spreekt zoo noodig uit, dat de uitspraak onjuist was, geeft de gronden daarvoor aan, en verzoekt aan de mindere vergadering de zaak opnieuw in behandeling te nemen, terwijl zij in zulk een geval haar uitspraak gaat ondersteunen door deputaten, die bij de mindere vergadering het besluit der meerdere vergadering toelichten, en de mindere vergadering ondersteunen in de te nemen nieuwe beslissing.

Een vraag van gewicht is, of hangende het appèl, het besluit, waartegen geappelleerd is, mag uitgevoerd worden. Dit hangt er van af of de zaak van zeer ingrijpenden aard is of niet, of door het uitstel al of niet groote belangen zouden geschaad worden. Als de uitvoering van een besluit groote bezwaren of gevaren voor de kerk en voor het welzijn der gemeente met zich brengt, dan is het niet geraden het besluit uit te voeren. Maar omgekeerd, wanneer het niet uitvoeren van een besluit der kerk schade zou doen, dan is het niet geraden al te lang met het uitvoeren van een besluit te wachten.

Wanneer b.v. bezwaren ingebracht worden tegen de benoeming van ouderlingen en diakenen, of tegen de beroeping van een predikant, dan kan de bevestiging niet doorgaan, vóór de classis over het bezwaar een uitspraak heeft gedaan. Prof. Rutgers zegt hiervan 1): „Indien dan de classe de benoeming handhaaft, dan bepale zij tevens, dat de bevestiging kan doorgaan, ook al zou er appèl komen op de Provinciale en Generale Synode. Immers, altijd is aangenomen, dat één enkel gemeentelid door een klacht de zaak niet drie jaren kan ophouden, en dat dus de meerdere vergadering door haar besluit zulks voorkomen mag. Komt er dan appèl, en zou dan de synode de benoeming zelve toch van onwaarde verklaren, dan is de wettigheid van den alzoo opgetreden kerkeraad toch gedekt door het besluit der classe.” Een soortgelijk geval deed zich voor in 1644. De diakenen van Rotterdam beklaagden zich bij de synode van Den Haag, dat de kerkeraad van Rotterdam geweigerd heeft het getal ouderlingen uit te breiden, waarom de


1) Kerkel. Adviezen I. 172.

|45|

diakenen door den kerkeraad daartoe opgeroepen geweigerd hadden tot de nominatie mede te werken, omdat zij in het nemen van het besluit door den kerkeraad daarin hadden moeten erkend zijn. De synode wees hun bezwaar af, omdat de diakenen „eerst dan in diergelijke saken hebben te adviseren, wanneer sij van den kerckenraet daartoe geroepen worden.” En toen de diakenen hierop antwoordden, dat zij appelleerden op de nationale Synode, verklaarde de synode, dat dit stond „in haer believen, doch dat ondertusschen de resolutie deses Synodi sal stant grijpen, ende uytgevoert werden” (Art. 39).

Ook als een kerk bezwaard is door de uitspraak van een classis of synode, dan bezit deze kerk het recht van hooger beroep, maar zij mag zich niet willekeurig onttrekken aan het besluit der classis of der synode. Dan zou zij zich onttrekken aan de kerkelijke gemeenschap, of zoo een deel des kerkeraads zich niet zou willen voegen naar het besluit der meerdere vergadering, en het tegen den wensch van een ander deel des kerkeraads en der gemeente, dat zich daarover beklaagt bij de meerdere vergadering, zich verzette en dus revolutionair handelde, zou het vallen onder de tucht der meerdere vergaderingen. Ook hier dient de regel gehandhaafd te worden, dat eene kerk, evenals ook leden der gemeente, moet beginnen met zich te onderwerpen aan en te voegen naar het genomen besluit.

De meerdere vergadering kan later uitmaken of de bezwaarden goed hebben gezien of niet. Indien een andere weg gevolgd werd, zou een appellant het geheele kerkelijke leven kunnen doen stilstaan.

Mag een beklaagde gebruik maken voor de meerdere vergaderingen van eene hulp of een advocaat? De Gereformeerden hebben deze vraag bevestigend beantwoord. De beklaagde of bezwaarde mag van een hulp gebruik maken, mits deze een kerkelijk persoon zij. In sommige gevallen, als een persoon verlegen, zenuwachtig of slecht ter taal is, kan het zelfs gewenscht zijn hem de gelegenheid te geven zich te doen ondersteunen. De kerk moet er voor waken, dat recht en gerechtigheid gedaan wordt. Vroeger noemde men een persoon, die hielp, den mond of de hulp van den bezwaarde. De synode van Utrecht volgde den regel 1): „Ook mag iemand voor een classis en synode uit de classicale en synodale leden een mond voor zich verzoeken tot defensie van zijne zaak voor die classis en synode; of kan anders, bij verweigering eenen advocaat of anderen voorspraak medebrengen, om zijne zaak aldaar voor hem te defendeeren, gelijk alzoo tot bepleiting en verdediging van eene zaak voor die synodus een advocaat op authorisatie van den Ed. Hove verschenen is op de synode van 1716. En op dit gebeurde, ook bij vervolg,


1) Chr. de Kruyff, Utr. Syn. Handboekje, bl. 11.

|46|

mede een advocaat voor de classis van Utrecht is toegelaten, Aug. en Octob. 1731 § 6.” Op de synode van Harlingen (1617, art. 10) werd op de vraag: „oft men in kerckelycke saecken ende vergaderingen wel politique advocaten ofte notarissen mach gebruijcken” geantwoord: „ecclesiastica ecclesiastice, dat is, dat men kerckelijcke saecken op kerckelijcke wij se in aller eenvoudicheyt sal verhandelen. Wort niettemin toegelaeten dengenen, die haer woort selfs niet cunnen doen, een dienaer oft ander lidmaet daertoe te bewilligen.” In 1816 is deze regel afgeschaft, hetgeen wel eens ten gevolge had, dat de rechten van de leden der gemeente, of van een predikant werden verkort. In onze kerken komt het weinig voor, dat iemand als verdediger van de rechten van een per­soon optreedt, maar in bijzondere gevallen kan van dat recht gebruik ge­maakt worden. Het is echter te verstaan, dat de bezwaarde en zijn hulp zich moeten houden aan de regelen door de kerkelijke vergadering gesteld.

Wanneer moet het beroep geschieden? De synode van Dordrecht (1578, Part. vr. 4) bepaalde daarvoor een zekeren tijd, namelijk de helft van den tijd tusschen de vergadering, daar hij veroordeeld is, tot de naaste grootere vergadering daar zijn zaak zal behandeld worden. En zoo hij zich op den bestemden tijd niet beroept, zal het recht van beroep vervallen. Later stelden de kerken, in navolging van het gebruik bij de wereldlijke rechtbank, een bepaalden tijd, tien dagen, drie of zes weken. De Christelijk Gereformeerde Synode van 1877 stelde, dat hooger beroep moest geschieden „binnen veertien dagen na de uitspraak” eener kerkelijke vergadering (Art. 151). Nu is er zeer zeker orde in het kerkelijke leven noodig, maar het is toch niet wenschelijk zich al te zeer te binden aan een bepaalden tijd, wijl een kerkelijke vergadering behoort te waken voor de rechten der leden en het welzijn der kerken. Om die reden is de bepaling der synode van Dordrecht (1893, art. 185) beter: „Hooger beroep tegen eenige uitspraak eener kerkelijke vergadering moet vóór de eerstvolgende samenkomst der meerdere vergadering, waarop men zich beroept, geschieden met kennisgeving aan den scriba der vergadering, door wier besluit men zich bezwaard acht. Bij elke uitspraak moet hiervan (n.l. van die uitspraak) worden kennis gegeven aan belanghebbenden.” Evenals bij alle kerkelijke besluiten worde dus ook hier de regel gevolgd, dat van de beslissing afschrift wordt gegeven aan de betrokkene personen, opdat deze de uitspraak kunnen overwegen en desgewenscht hun bezwaar op de meerdere vergadering brengen. De bezwaarde is van zijn zijde gehouden zijne zaak wel omschreven en duidelijk bekend te maken, en de gronden hiervoor aan te geven, hetzij dat het besluit, dat hem bezwaart, onjuist is genomen, omdat de klager van oordeel is, dat de vergadering niet over genoegzame gegevens beschikte, of dat hij acht dat het in strijd is met Gods Woord of het kerkelijk recht.

Bouwman, H. (1934) § 62

|47|

§ 62. Bindende kracht van de besluiten der meerdere vergaderingen.

Het zal na hetgeen wij schreven over de bevoegdheid der meerdere vergaderingen wel duidelijk zijn, dat het gezag der meerdere vergaderingen beperkt is. De Gereformeerden wilden niet, dat de zelfstandigheid en het recht der plaatselijke kerken zou worden aangetast, en zochten daartoe een oligarchie, een regeering van enkele menschen in de kerk, of een monarchie, zooals bij de Roomsche kerk, af te snijden. In de oude Kerkenordeningen werd daartoe ook uitgesproken, dat men geen zaak tot de meerdere vergaderingen zou brengen, dan die in de mindere niet kon worden afgehandeld, of die tot de kerken in het gemeen behoort.

Dit neemt echter niet weg, dat de Gereformeerden erkennen, dat het kerkverband berust op goddelijke ordinantie, en dat zij de noodzakelijkheid daarvan hebben uitgesproken, op grond van de eenheid der geloovigen en der kerken in Christus, en omdat de geloovigen en ook de kerken geroepen zijn gemeenschap der heiligen te oefenen, op elkander goede acht te geven, elkander te steunen en met elkander samen te werken tot den opbouw der gemeente en de komst van Gods koninkrijk. Juist daarom hebben zij bij het opstellen der kerkenorde­ningen allerlei bepalingen daarin opgenomen, die ook het leven der plaatselijke kerken raken, en waarbij de plaatselijke kerken zich vrijwillig bonden aan de besluiten der meerdere vergaderingen, allerlei zaken die tot het algemeen welzijn behooren in de handen der classes en synoden stelden, en het zeggenschap der meerdere vergaderingen erkenden.

Deze bindende kracht van de besluiten der meerdere vergaderingen is gegrond in Gods Woord. In Hand. 15 is sprake van een beginsel eener meerdere vergadering. Dit wordt door Dr D. Jacobs in zijn proefschrift: „De verhouding tusschen de plaatselijke en de algemeene kerk in de eerste drie eeuwen”, 1927, ontkend. Dr Jacobs bedoelt de zelfstandigheid der plaatselijke kerken uiteen te zetten, en het verantwoordelijkheidsbesef dier kerken en harer ambtsdragers te verlevendigen, maar gaat daarbij zoo ver, dat hij de vraag, of wij op het apostelconvent het recht van onze meerdere vergaderingen kunnen gronden, ontkennend beantwoordt. Hij zegt op bl. 115 dat volgens hem het N. Testament ons leert, dat er zijn „plaatselijke georganiseerde autonome gemeenten, zonder eenig gezaghebbend of vertegenwoordigend lichaam boven zich, waarop ook nergens gezinspeeld wordt, terwijl het zoogenoemde apostelconvent geen precedent kan zijn voor latere tijden.”

Nu is het waar dat het convent te Jeruzalem geen synode was in den lateren zin van het woord, maar het kan bezwaarlijk worden weerlegd,

|48|

dat het wel was een beginsel van een synode, waar door afgevaardigden van kerken beslissingen werden genomen, die door de kerken moesten worden nageleefd. Dat Paulus en Barnabas door de gemeente van Antiochië als afgevaardigden werden gezonden, blijkt uit Hand. 15: 2, waar wij lezen: „zoo hebben zij, namelijk de gemeente, verordineerd, dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uit hen zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag”. De woorden in het Grieksch gebruikt etaksan anabainein: „zij verordenden of gelastten hen, dat zij zouden opgaan,” wijzen op een afvaardiging. Ook is het niet juist, dat zij slechts opgegaan zijn naar Jeruzalem om het advies van de moedergemeente te ontvangen. Het is wel waar, dat Hand. 15: 6 alleen gesproken wordt van apostelen en ouderlingen, maar dat sluit niet uit, en het is in verband met Gal. 2 allerminst waarschijnlijk, dat Paulus niet krachtig medewerkte aan de beraadslaging en de beslissing der vergadering. En dat de beslissing dezer vergadering bindend was voor de gemeenten in Antiochië, Syrië en Cilicië, blijkt duidelijk uit den vorm van het besluit (vss 22—29), in het bijzonder uit de woorden „geen meerderen last opleggen” als uit 16: 4, waar wordt medegedeeld, dat Paulus en Silas aan de gemeenten in Syrië en Cilicië de verordeningen (dogmata) overgaven, die door de vergadering te Jeruzalem waren opgesteld om die te onderhouden. Nu wordt door sommigen, o. a. door Dr Jacobs, gezegd dat de vergadering van Hand. 15 geen voorbeeld voor de latere synode kan zijn, omdat de apostelen hier met onfeilbaar gezag een beslissing namen. Doch Voetius 1) merkt terecht op, dat volgens c. 15: 6 de apostelen en de presbyters samen beraadslaagden, hetgeen zij niet zouden gedaan hebben, indien de apostelen alleen een onfeilbare beslissing gegeven hadden. Ook kan van de presbyters niet gezegd worden, dat zij onfeilbaar waren. Er wordt in Hand. 15 ook volstrekt niet gezegd, dat het besluit onfeilbaar was. Dit besluit was ook niet noodig voor alle plaatsen en alle tijden, maar in bepaalde gemeenten en dat in bijzondere omstandigheden. En het woord, waarmee het besluit in den brief aan Antiochië wordt ingeleid: „Want het heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen”, moet worden verstaan in dezen zin, dat de H. Geest de eigenlijke leider en de princeps der vergadering was. De apostolische kerk leefde altoos in het besef de tempel des H. Geestes te zijn.

Wanneer Voetius in het vierde deel van zijn Politica Ecclesiastica handelt over de eenheid der kerken en haar regiment in classen en synoden, beroept hij zich ook wel op andere plaatsen in het N. Testament:


1) Pol. Eccl. IV. 129, 838.

|49|

2 Cor. 8: 1-4 en Rom. 15: 26, waar gezegd wordt, dat de gemeenten in Macedonië door brieven of besluiten gemeenschappelijk handelden (Col. 4: 16; Matth. 18); maar in het bijzonder beroept hij zich, mede tot bestrijding van de Independenten, op Hand. 15 1).

Het gezag der synoden berust niet alleen op kerkelijk recht, maar ook op een goddelijke instelling. Wie zich dan tegen de macht, die Christus haar gegeven heeft, verzet, tast de ordinantie van Christus aan. De Gereformeerden hebben, ofschoon zij zich met alle kracht verzet hebben tegen eiken vorm van hiërarchie, in hunne bestrijding van de Independenten dit met overtuiging gehandhaafd. De Synopsis Purioris Theologiae, het standaardwerk der Gereformeerde Theologie uit de 17de eeuw, zegt 2): „het instituut der synode berust niet op menschelijk, maar op goddelijk recht”. P. van Mastricht leert 3), dat de synode niet alleen caritatieve macht bezit, door raad te geven en van de gemeenschap uit te sluiten, gelijk de Independenten willen, „maar waarlijk een eigenlijk (potestatief) magt en gezag hebbende, gelijk blijkt in de synode van Jeruzalem, Hand. 15: 28, 29”. De synode heeft, zoo gaat hij voort, „niet alleen dogmatische en onderwijzende macht, maar ook een critische, een oordeelende macht, voor zoo ver ze met geestelijke straffen, vermaningen, uitbanningen, afzettingen, enz. tegen ketters, ergerlijken en hardnekkigen handelt volgens het Woord Gods, Matth. 18: 16-20, 1 Cor. 15: 4, 5.” Evenzoo spraken de andere dogmatici uit den besten tijd van ons kerkelijk leven. De Remonstranten bedoelden de autoriteit der synode te verkleinen, en beriepen zich daarvoor ook op Hommius, dat de besluiten der conciliën niet moeten voorgehouden worden als mandaten der overheid en Perzische ordinantiën, maar dat de handelingen der conciliën aan alle kerken moeten gezonden worden, opdat zij naar den regel van Gods Woord zouden kunnen worden onderzocht, om gewillig doch niet gedwongen te worden aangenomen. Maar al was dit geheel in overeenstemming met de leer der Gereformeerden, dat de synoden niet hiërarchisch mochten optreden, dit neemt niet weg, dat Hommius op de synode van Dordrecht als zijn gevoelen uitsprak, dat de Remonstranten uit de synode moesten worden weggezonden en uit hun geschriften geoordeeld, en tevens dat hij medewerkte aan de afzetting van de Remonstrantsche kerkeraden.

Zooals wij vroeger hebben aangetoond, hebben de Gereformeerden van den beginne bij de instelling van het kerkverband ook als regel voor alle kerkelijke vergaderingen gesteld, dat hetgeen door de meeste stemmen goed gevonden is voor vast en bondig gehouden zal worden,


1) Pol. Eccl. IV. 129; 225; 891-898.
2) ed. Bavinck, p. 593.
3) Besch. en Prakt. Godgeleertheid III, bl. 346.

|50|

tenzij het bewezen wordt te strijden tegen Gods Woord. Uit het eenmaal gelegde verband volgt, dat de plaatselijke kerken niet alleen den raad en den steun van de gezamenlijke kerken begeerden, maar dat zij ook aan de meerdere vergaderingen gezag toekenden, en dat zij ook erkenden, dat dit gezag op Gods Woord gegrond was. Niemand ontkent tenslotte de autoriteit van de synode in het nemen van beslissingen in zaken van leer, orde en tucht, waarmee dan ook volgt, dat deze besluiten geacht worden alle kerken, die zich onder haar ressort bevinden, te binden.
Daarmee wordt niet gezegd, dat de meerdere vergaderingen wille­keurig de plaatselijke kerken mogen binden, en dat zij de vrijheid en de zelfstandigheid der kerken mogen aantasten. Er werd reeds te Wezel 1) onderscheiden tusschen meer gewichtige zaken, „die het algemeen belang betreffen”, en middelmatige dingen die „noch in de leer of het voorbeeld der Apostelen een vasten grondslag hebben, noch ten slotte eenige noodzakelijke en onvermijdelijke reden hebben”. Middelmatige dingen, die aan de vrijheid der kerken werden overgelaten, waren bij den Doop: een- of twee- of driemaal besprengen; doopen voor of na de preek; „of de zorg voor de gedoopten aan bepaalde daarbij geroepene getuigen dan wel aan de ouders en de geheele kerk moet worden toebetrouwd”. Bij de bediening des Avondmaals: of men aan de bediening des Avondmaals zal zitten of staan of rondgaan zou; of men uit de H. Schrift zal lezen of psalmen zal zingen, en dergelijke dingen meer, welke dingen niet aan de vrije beslissing van iedere kerk mogen onttrokken worden, tenzij om gewichtige oorzaken. In „die dingen echter, welke van een anderen aard zijn, omdat zij of in Gods Woord of in het gebruik en het voorbeeld der apostelen, of in de voortdurende en welgegronde gewoonte der kerken gefundeerd zijn, zal men niet lichtvaardig van de gemeene overeenstemming en de ingewortelde gewoonte afwijken". Middelmatige dingen zijn dus die dingen, die niet uitdrukkelijk in Gods Woord worden voorgeschreven, of berusten op een duidelijk voorbeeld der apostelen of met noodzakelijke redenen uit Gods Woord worden afgeleid 2). Daarom worden ook onder de middelmatige dingen gerekend: of het huisbezoek door een dienaar met een ouderling of door twee ouderlingen zal worden gedaan; of men den gemeenteleden gelegenheid zal geven op personen voor het ambt de aandacht te vestigen of niet; of de verzoening van een gecensureerde openbaar voor de gemeente zal geschieden of niet. In zulke dingen kan elke kerkeraad doen wat het meest tot stichting der kerk kan dienen. Het moet aan de kerken vrij staan in deze zaken een weg


1) Artikelen van Wezel I. 2, 9-11.
2) Dr W. Geesink, Geref. Ethiek II. 195-202; Dr F.L. Rutgers, Van de censuur, bl. 163; Joh. Jansen, De bevoegdheid der meerdere vergaderingen, bl. 48.

|51|

te volgen die naar haar oordeel beter is dan die in andere kerken gevolgd wordt.

Zoo oordeelt ook Voetius. In het hoofdstuk, waarin hij handelt over het gezag der synoden, stelt hij de vraag 1): „of er niets gedaan of nagelaten moet worden door de dienaren en de plaatselijke kerkeraden of ook door de classis wat tot meerdere stichting der kerken dient, tenzij dat het en op bepaalde wijze op gemeenschappelijke synodale besluiten rust?” En hij antwoordt: „De kerkelijke bepalingen en besluiten handelen òf over de leer, òf over de generale en substantiëele zaken van kerkregeering, òf over de uiterlijke toevallige en wisselende zaken van dezelfde kerkregeering, en over andere middelmatige dingen. Daaruit volgt: 1º dat inzake de leer geen plaatselijke kerk of haar kerkeraad, geen classe en geen dienaar het tegenovergestelde publiek mag belijden en verbreiden, ’t zij met woord, ’t zij in geschrift. En indien iemand meent, dat er tegen het Woord Gods, zooals het in de algemeene formulieren der leer is uitgedrukt, iets in te brengen ware, of dat de synoden tot nog toe gedwaald hebben, mag hij niet vooraf op onordelijke wijze gaan verbreiden, maar moet hij de orde volgen, welke het gemeenschappelijk onderteekeningsformulier der dienaren, ouderlingen en theologische professoren nauwkeurig aanwijst, waartoe wij ons allen verbonden hebben. 2º Van de substantiëele zaken onzer kerkregeering geldt hetzelfde. Immers er mag bijv. over de ordening der ouderlingen, over het presbyteriaal bestuur, over de kerkelijke roeping der dienaren, over de kerkelijke tucht en hare handelingen en graden, nl. de schorsing en excommunicatie in scholen, kerkeraden en classen, niet volgens de meening van Erastus en anderen iets anders geleerd worden, of de praktijk er van verhinderd of in het tegendeel omgezet worden, omdat men op deze wijze direct in botsing komt niet slechts met de synodale verordeningen, maar ook met onze liturgie en catechismus, welke alle dienaren, proponenten, ouderlingen, professoren en schoolbestuurders moeten onderschrijven. 3º Dat echter over de synodale verordeningen en handelingen, welke over toevallige en veranderlijke zaken van kerkregeering of over eenige adiaphora handelen, geheel anders moet geoordeeld worden. Daarom mag de uitvoering en toepassing van deze dingen op sommige daden, omstandigheden en zaken van particuliere kerken, dienaren en geloovigen niet zoo streng aangedrongen worden, alsof al deze dingen aan een ondeelbaar punt zouden hangen, of alsof wij in de republiek van Plato zouden leven; laat staan dat, wegens dit of dat puntje van ritus, of van formaliteit, of van orde, dat nagelaten of anders gedaan is dan de particuliere


1) Pol. Eccl. IV. 221-224.

|52|

aard of staat van zaken en kerken elders dat verlangt, de nationale kerken over andere nationale kerken, de provinciale over andere provinciale kerken, de classen over andere classen, en de kerkeraden over andere kerkeraden, de dienaren over andere dienaren, op strijdlustige wijze zich zouden moeten verheffen. Want zeker is, dat al die dingen door de synoden in haar acta en verordeningen niet zóó zijn geregeld, alsof allen zonder eenige uitzondering daaraan als aan altijd-durende wetten Gods, bovendien als aan altijd-verbiedende wetten Gods gebonden zouden zijn; en dat niets aan de prudentie en aan de vrijheid der plaatselijke kerken zou zijn overgelaten, om in ieder voorkomend geval op de meest geschikte manier toe te passen. Terecht bepaalde de beroemde Synode van Dordrecht 1618-’19 in de 20ste zitting aangaande de candidaten tot den heiligen dienst: Maar zij heeft ook besloten, dat deze dingen niet zoo strikt aan alle kerken opgelegd zouden moeten worden, maar dat het voldoende was, indien zij ernstig zullen worden aanbevolen. Derhalve sommige dingen werden slechts aanbevolen, andere slechts als raadgevingen toegevoegd; weer andere worden aangeraden om in deze staat van zaken voorzichtig of zoo geduld of zoo gedaan te worden, om grootere en verdere onaangename dingen, welke anders nauwelijks vermeden konden worden, te voorkomen; nog andere dingen worden wel aan sommige kerken, welke in dezen of dien toestand verkeeren, ’t zij om ze toe te laten, ’t zij om ze te doen, opgelegd, doch niet in het generaal aan alle voorgeschreven; nog weer andere worden verordend, maar dan zoo, dat niet alle uitzondering of vrijstelling, of matiging uitgesloten is, indien namelijk de classis of de kerkeraad zulk een raad noodig zal oordeelen. Daar is geen wet van dien aard, dat ze niets oneffens heeft, als ze op alle daden zonder eenige uitzondering zou worden toegepast; en het hoogste recht is soms het hoogste onrecht. Zoodat ik met dit woord wil zeggen, dat niet alle synodale besluiten en bepalingen inzake middelmatige en voorbijgaande dingen fundamenteele en evenmin strafbare wetten der kerkregeering zijn, hoewel ze terecht bepaald zijn.”

De bindende kracht der kerkelijke besluiten rust op schriftuurlijke en op kerkelijke gronden. Volgens Matth. 18: 20 en Hand. 15: 22—29 en 16: 4 heeft de gemeente zich te voegen naar de leiding des kerkeraads, en behooren de plaatselijke kerken zich te onderwerpen aan de besluiten, die de kerken gemeenschappelijk in afhankelijkheid van den koning der kerk genomen hebben. God wil dat in de kerk alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Gelijk het lichaam één is met de leden des lichaams, en alle leden moeten samenwerken tot het welzijn des lichaams, zoo moeten ook de afzonderlijke kerken medewerken dat het geheele lichaam der kerk zijn wasdom en opbouw bekome. Naar de orde

|53|

der kerken komen de afgevaardigden ter classis en synoden in naam en uit opdracht van de kerken, om samen te handelen en te besluiten naar dezen regel: „En ’t geen door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden; tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de artikelen in deze Generale Synode gesteld, zoolang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn.” (Art. 31). De in de classis en synode samengekomene kerken brengen daar eene macht bijeen, die beantwoordt aan de eenheid van de vergaderde kerken. En de kerken, die zich aan de kerkenordening vrijwillig gebonden hebben, kunnen en mogen zich niet willekeurig aan de autoriteit der meerdere vergaderingen onttrekken. De broedertrouw en de gehoorzaamheid aan Jezus Christus, den Koning der kerk, eischt het om de kerkelijke verordeningen op te volgen. De Gereformeerden waren overtuigd, dat de beginselen hunner kerkenordening in de H. Schrift gegrond waren. Calvijn begint in het vierde boek zijner Institutie, dat handelt over de kerk en hare inrichting, het derde hoofdstuk met deze woorden: „Nu moeten wij spreken van de orde, waarnaar de Heere wil dat zijn kerk geregeerd wordt”, en spreekt voorts van „de wijze der kerkregeering, welke God in Zijn Woord heeft gesteld” (3.3). In het begin van de Ordonnances Ecclésiastiques van Genève (1541) wordt gezegd, dat de Heere de geestelijke regeering ingesteld heeft in Zijn Woord, en de Confessio Gallicana (Art. 25) belijdt: Nous croyons que l’ordre de l’Eglise, qui a esté establi en son authorité, doit estre sacré et inviolable, terwijl de Nederlandsche Geloofsbelijdenis hiermede bijna woordelijk overeenkomt, dat „de ware kerk geregeld moet worden naar de geestelijke politie, die ons de Heere heeft geleerd in Zijn Woord.” (Art. 30).

De ambtsdragers zijn geen mandatarissen van den wil des volks; maar Christus is de Koning der kerk, die door zijne gemeente zijne dienaren roept tot het ambt, en zoo zijn de predikanten en de ouderlingen dragers van een door Christus verordend ambt, en zijn gehouden naar de opdracht door Christus hun gegeven hun ambt uit te voeren. Wanneer nu naar de orde der kerk de afgevaardigden der kerken gezonden worden naar een meerdere vergadering, en daar in onderworpenheid aan Christus naar zijn Woord gehandeld wordt, dan zijn ook de kerken op de classis of de synode vertegenwoordigd gebonden de daar genomen besluiten te onderhouden. De besluiten worden gemeenschappelijk genomen, en daarna gezonden aan de kerken, opdat deze kunnen onderzoeken of zij in overeenstemming zijn met Gods Woord en de kerkenordening, en opdat zij de beslissingen der meerdere vergaderingen onderhouden.

Tegenover de Roomschen hebben de Gereformeerden altoos

|54|

volgehouden, dat de besluiten der synoden niet onfeilbaar zijn. Herhaaldelijk zijn door de concilies, die zich niet onderwierpen aan Gods Woord, verkeerde besluiten genomen. Zelfs de synodes, die zich wenschen te onderwerpen aan Gods Woord, kunnen zich vergissen. Maar de beslissingen, die onder aanroeping van ’s Heeren naam, in overeenstemming met Gods Woord zijn genomen, moeten erkend en gehandhaafd worden in de kerken. Maar — gelijk Voetius 1) zegt —: deze macht is een ondergeschikte, geen hoogste; een hypothetische en afhankelijke, geen absolute, indien zij met het gezag van God en van de Schrift vergeleken wordt; maar een publieke, besturende en leidende macht, indien zij met de volgende en private macht en vrijheid van ieder geloovige om te oordeelen (1 Cor. 2: 10, 16; 1 Thess. 5: 21), vergeleken wordt.
Hoe moeten dan de besluiten eener kerkelijke vergadering genomen worden? Art. 31 zegt: „’t geen door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden”. De meerderheid beslist. Dit beginsel werd reeds in 1571 vastgesteld. In c. III, Art. 3 werd bepaald: De president zal elke zaak bijzonder ordentelijk voorstellen, en der gansche verzamelinge oordeel, daar op behoorende, en die keurstemmen verzamelen, met verklaringe welke het gevoelen zij van den meesten en van den besten deele; hetzelve zal de Schryver schriftelijk vervatten, en vervat hebbende, klaarlyk lezen, opdat het met genieene bewilliging bestendigt worde.” De zaak werd dus eerst in discussie gebracht, daarop werd gestemd, de meerderheid gaf de beslissing en de minderheid legde er zich bij neer, zoodat aan het slot van het artikel kan gezegd worden, dat het besluit met algemeene stemmen was aangenomen (Lat. ut omnium calculis probetur). Ook de synode van Dordrecht (1578, Art. 23) sprak dezelfde gedachte uit: „In allen saken (die altyts wtghenomen van denwelcken wy een wtghedruckt woordt Godts hebben) als de stemmen neerstichlick sullen gheweghen syn salmen blyuen by het aduys der meesten stemmen om daerna te besluyten, het welcke besluyt een yeghelick schuldich sal syn na te koemen.” De gewoonte, die in de Provinciale en in de Algemeene Staten heerschte, nam men over. Men wilde de minderheid niet overstemmen. Indien een minderheid tegen een voorstel gestemd had, trachtte men die minderheid te bewegen, zich naar het gevoelen der meerderheid te conformeeren. Het woord conformeeren 2) is afgeleid van het Latijnsche conformare, dat beteekent: vormen, overeen­komen, schikken. Zich conformeeren beteekent: zich voegen naar iemands gevoelen, naar het besluit van eene vergadering, zulk een besluit goedvinden en zich daarnaar gedragen. Wij lezen in Trigland’s


1) Pol. Eccl. IV. 220.
2) Se ad alicujus voluntatem conformare, Cic.

|55|

Kerkel. Geschiedenissen, bl. 1061: „De voorschreven acte (omtrent het houden der Synode van 1618/19) gelesen synde hebben die van Gelderlant verklaert, dat sy hun daermede conformeren, goedt vindende dat die te boeck werde gestelt, gelijck versocht wordt. Die van Vrieslant consenteren van gelijcken, hun voorts met deselve conformerende. Die van Groeninghen ende Ommelanden conformeren hun met de voorsz. Acte, accorderende dat die te boeck werde gestelt.”

Indien er een minderheid is, die niet met het besluit eener vergadering kan meegaan, dan behooren zij daarvoor hunne gronden aan te geven. Blijkt het dat hun bezwaar niet van overwegende beteekenis is, dan zal het den tegenstemmers niet moeilijk vallen zich te conformeeren. Is het een ernstig bezwaar, dan moet de meerderheid trachten hen tot andere gedachten te brengen, opdat zij met het besluit kunnen instemmen, en het dus met algemeene stemmen is aangenomen. Is het bezwaar van zeer ernstigen aard, dan kan het geraden zijn het genomen besluit niet uit te voeren, of indien het bezwaarlijk is een bepaald besluit niet uit te voeren, kan het in iemand gedragen worden, op zulk eene wijze, dat iemand niet gedwongen wordt iets te doen of te beloven wat hij voor God in zijne conscientie niet kan doen of beloven, mits hij zich niet openlijk of in het verborgen tegen de kerkelijke besluiten verzet 1). Een meerdere vergadering moet dus met beleid en vastheid geregeerd worden. Als er ernstig verschil van gevoelen is, moeten de stemmen wel worden gewogen of het met het oog op het welzijn der kerken wenschelijk is, door te gaan met de uitvoering van het besluit, en als de vergadering zich heeft beraden, en getracht de bezwaren te ondervangen, zal men „besluiten, bij welk besluit een iegelijk schuldig zal zijn na te komen.”

De regel is en moet zijn, dat allen zich houden aan wat in eene vergadering met de meeste stemmen is vastgesteld. Slechts in twee gevallen verliest het besluit zijne geldigheid, namelijk wanneer het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de artikelen in de Generale Synode genomen, zoolang deze niet door een andere Generale Synode zijn veranderd. Deze bepaling is ten deele in 1578 en voor het tweede deel in 1581 in de kerkenordening opgenomen, en in de volgende redacties overgenomen.

Gods Woord bindt absoluut. Wanneer een besluit in strijd is met Gods Woord, mocht het niet worden genomen, en genomen zijnde mag het niet worden uitgevoerd. Maar dat moet bewezen worden. Het mag maar niet een voorwendsel zijn, maar een ernstig opkomen voor Gods Woord.

In verband hiermee is het goed de vraag te stellen: Moeten niet alle


1) Voetius, Pol. Eccl. IV. 178.

|56|

artikelen in de Kerkenordening aan Gods Woord ontleend worden? Deze vraag werd door de kerken van Keulen op de synode van Emden (vr. 2) gedaan. De synode antwoordde, „dat die dingen welke de conscientie aangaan, met Gods Woort moeten bevestigt worden, maar die geene die de ordeninge der kerken aangaan of middelmatig zyn, moeten tot zulk een noodzakelykheid niet gedreeven worden.” Deze vraag stond ook in verband met een bezwaar, dat van de zijde van Holland gerezen was, dat men door zulk eene synode te doen samenkomen zou komen tot menscheninzettingen. Alleen Gods Woord moest binden. Buiten Gods Woord had men niets noodig. Om die reden sprak de synode uit, dat men niet alle zaken in de kerkenordening met Gods Woord behoefde te bewijzen, maar dat men in de zaken, die de conscientie raken, aan Gods Woord gebonden was. De kerkelijke ordinantiën moesten zich wel gronden op Gods Woord, maar behoefden juist niet met teksten bewezen te worden. Hetzelfde antwoord gaf ook de synode van 1578 (Part. vr. 1). Enkele teksten geven niet alle gegevens der Schrift, die in een synodaal besluit, handelend over een niet-middelmatige zaak, worden uitgedrukt, weer. Daarom mag men er wel teksten bijzetten, mits men maar bedenkt, dat deze teksten niet al de gegevens der Schrift weergeven.

Wie moet het nu bewijzen dat een besluit in strijd is met Gods Woord? Volgens de vroegere opvatting moest de bezwaarde dit aantoonen. Het moest een ernstig gemoedsbezwaar zijn. Op grond van dit bezwaar hebben de Reformatoren hun verzet tegen de Roomsche hiërarchie volkomen rechtvaardig geacht, zonder het besluit van een concilie af te wachten. „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen” (Hand. 5: 29). Zoo spreekt ook onze Ned. Geloofsbelijdenis, Art. 7. Al is het in het algemeen waar — zooals Prof. Kleyn 1) zegt — dat men beginnen moet met aan de meerdere vergadering zich te onderwerpen, deze onderwerping is niet mogelijk, wanneer men voor zich zelven bewezen acht, dat Gods Woord de naleving van hetgeen goed gevonden is, verbiedt. De Roomschen beweerden, dat de synoden hadden te beslissen wat naar Gods Woord was, en dat de leden en de plaatselijke kerken zich daaraan moesten onderwerpen, doch de Gereformeerden zeiden dat „men geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, mag gelijkstellen met de goddelijke schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods.” Het ligt voor de hand — zooals Voetius zegt 2) — dat de kerk of de persoon, die bezwaard is, behoort aan te toonen, dat het besluit der meerdere vergadering niet is conform de


1) Kleyn, Alg. kerk en plaatsel. gemeente, 1888, bl. 106.
2) Pol. Eccl. IV. 122, 123.

|57|

H. Schrift. Overtuigt de bezwaarde de vergadering, dan is daarmee de moeilijkheid weg. Overtuigt hij niet, en zegt de vergadering, bij wie geappelleerd is, dat het voor haar niet bewezen is, dat haar besluit strijdt met Gods Woord, en blijft de bezwaarde bij zijn gevoelen en kan hij naar zijn overtuiging niet gehoorzamen, en wil de synode dat het besluit uitgevoerd wordt, dan komt er conflict. Dit conflict ontstaat niet spoedig, wanneer er eenstemmigheid is in de belijdenis, wijl beide partijen buigen voor Gods Woord, en zich niet mogen laten leiden door stijfhoofdigheid of willekeur, maar door het recht en de liefde Gods. De macht in de kerk mag dan ook niet van dien aard zijn, dat de meerderheid de minderheid dwingt, of eene synode een kerk of classis mag tiranniseeren, de macht der kerk is niet gelijk aan die van de overheid.

De macht der meerdere vergadering is geen ander dan die van eene broederlijke hulp, en de besluiten worden genomen op die wijze, dat niet het recht, de vrijheid en de gelijkheid der kerken wordt aangetast, maar dat er gehandeld wordt zooals het naar Gods Woord onder broeders van hetzelfde huis behoort te geschieden. Gaat de meerdere vergadering naar het oordeel eener kerk hare bevoegdheid te buiten en worden de besluiten bevonden in strijd te zijn met Gods Woord, en gaat de meerdere vergadering disciplinair eischen dat hare besluiten worden uitgevoerd, dan moet zulk een kerk — zegt Voetius 1) — liever uit het kerkverband treden, dan tegen Gods Woord en het geweten te handelen. Omgekeerd echter wanneer het een voorwendsel blijkt, dat men verklaart bezwaar te hebben op grond van Gods Woord en de conscientie en het blijkt dat het gaat om aan den eisch des Woords, der belijdenis en der kerkenordening te ontkomen, dan is de meerdere vergadering verplicht disciplinair op te treden. Vereenigt zich heel de gemeente met den kerkeraad, dan wordt de kerkelijke gemeenschap verbroken, doch rijst in de gemeente bezwaar tegen den kerkeraad, en wordt de hulp der meerdere vergadering ingeroepen, dan is deze geroepen deze bezwaarden te helpen, en tot hun recht te brengen tegenover den afwijkenden kerkeraad.

Het tweede geval, waarin een kerkelijk besluit niet bindt, is dat het strijdt „tegen de artikelen in deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn”. Dit is uitgesproken om geen besluiten te krijgen strijdig met de vroeger genomen besluiten. Volgens art. 20 der Acta van de Nationale Synode van 1578 moesten, vóór de credentiebrieven en de instructies geschreven werden, eerst de artikelen der vorige synoden gelezen worden „opdat


1) Pol. Eccl. IV. 123.

|58|

die dinghen, die eens affgehandelt syn niet van nieuws voorghestelt en werden.” Toen in 1581 er een formeele Kerkenordening kwam, en er nu een onderscheid gemaakt werd tusschen de canones of de bepalingen van de Kerkenordening en de decreta of de synodale besluiten, bleven toch beide in het eerst dezelfde kracht behouden. Deze beschouwing heeft nagewerkt in de Nationale Synode van Dordrecht van 1619, want de wijzigingen, toen in de kerkenordening ingebracht, zijn — gelijk Rutgers 1) zegt —: „wat het formeele betreft, niet voorgesteld en behandeld als wijzigingen in de Kerkenordening, maar het waren (blijkens de Postacta, passim) eenvoudig synodale besluiten, die naar aanleiding van bijzondere gravamina genomen zijn.” Hier wordt dus de regel uitgesproken, dat een besluit door een kerkelijke vergadering genomen niet bindt, wanneer het in strijd is met een bepaling in de kerkenordening. Er moet eenheid en een goede gang zijn in de besluiten der kerkelijke vergaderingen. Het is niet raadzaam, een pas aangenomen besluit op een volgende vergadering omver te werpen, tenzij er dringende redenen zijn. Toch is vroeger herhaaldelijk een afwijking toegelaten. Ook in deze afwijking volgde men een zekeren regel. En dat niet door opzettelijke bepalingen, maar omdat men zich hierbij liet drijven door beginselen, die in Gods Woord gegrond waren en uit den aard der zaak voortvloeiden. Allereerst — zoo zegt Rutgers 2) — moest een afwijking haar grond hebben „in het belang der kerk zelve, om daarin, naar het in Art. 1 gestelde doel, des te beter „goede orde te onderhouden”, en dus, wanneer stipte naleving moeilijk geschieden kon, zonder dat de vrijheid der kerk, of haar uiterlijke vrede, of hare innerlijke rust, of haar welstand, wezenlijk gevaar liepen, en wanneer terzelfder tijd aan de afwijking mindere bezwaren verbonden waren. Voorts mocht, naar den in Art. 86 gestelden regel, dan toch niets veranderd worden in de Kerkenordening zelve, zoodat de afwijking als het ware ook aan anderen zou worden opgelegd, evenmin als zij in gelijke omstandigheden aan anderen mocht worden euvel geduid. En eindelijk bleef altijd, naar het in Art. 31 uitgesproken beginsel, dat, wanneer verschil kwam over de noodzakelijkheid of nuttigheid van de afwijking, waaruit dan natuurlijk weer een grooter kwaad zou voortkomen, alsdan de enkele kerkendienaar zich naar den kerkeraad zou te schikken hebben, en de enkele kerk naar de classe, en de enkele classe naar de synode. Op deze wijze was er ruimte, maar binnen zekere grenzen, en regelmaat zonder formalisme. Er kon vrijheid zijn, zonder dat die vrijheid op losbandigheid en willekeur uitliep. En bevorderd


1) De geldigheid van de oude Kerkenordeningen, bl. 39.
2) A.w. bl. 43.

|59|

werd juist daardoor het doel van de gansche kerkenordening; ook nog bij de afwijking zelve werd dan daaraan voldaan” 1).

De besluiten der meerdere vergaderingen dragen dus een bindend karakter. Slechts in twee gevallen verliest het besluit zijne geldigheid, namelijk, wanneer het bewezen worde te strijden tegen Gods Woord of tegen eene bepaling in de Kerkenordening. Maar overigens hebben de meerdere vergaderingen het recht om voor de kerken bindende besluiten te nemen. Immers in de meerdere vergaderingen zijn de kerken zelve tegenwoordig. De kerken brengen door hare afgevaardigden hare macht samen, en spreken door haar afgevaardigden haar oordeel uit.

Om die reden moeten de afgevaardigden met lastbrieven voorzien zijn, waaruit blijkt dat zij wettige afgevaardigden zijn. Dat is geen ijdele formaliteit, maar noodig, omdat daardoor het karakter van een meerdere vergadering bepaald wordt. Zonder een lastbrief blijkt niet, dat de afgevaardigden wettig zijn gezonden, en opdracht hebben namens de zendende kerken te handelen; en kunnen ze dus ook geen zitting nemen. Een mondeling getuigenis is niet voldoende, maar om zitting te kunnen nemen is een schriftelijke verklaring noodig van de zendende kerk of kerken, onderteekend door den voorzitter en den scriba, met opdracht en last om namens de zendende kerk of kerken te handelen.

Omdat eene meerdere vergadering is een vergadering van kerken, kunnen alleen kerken zulk een lastbrief geven. De Gereformeerde kerken willen van een heerschappij van de overheid over de kerk niets weten. In de Luthersche kerk heeft evenals in de Anglicaansche kerk de lands­heer het te bevelen, in de Gereformeerde kerk van De Paltz had ook de overheid het hoogste zeggenschap, zooals ook de Libertijnen in Nederland dit wenschten, maar de Gereformeerde kerken erkenden Christus alleen als het Hoofd der kerk, en daarom behoorden ook de classes en de synoden zuivere kerkelijke vergaderingen te zijn, en moesten de kerken zelve de afgevaardigden benoemen en instrueeren. De synode van Dordrecht, 1574, verklaarde „dat de Kerckendienaers die op den Sijnodum te gaen ghedeputeerd worden, ghetuijghenisse brenghen vanden Consistorie ende classe ende niet vander Ouericheijt”. Wel is het in den eersten tijd na de Reformatie hier en daar voorgekomen, dat leden ter classicale vergadering verschenen met een lastbrief van politieke personen, maar dit is een afwijking. In 1604 kwam dit in Gelderland nog voor. In de classis Neder-Veluwe werden twee afgevaardigden uit Hattem met politieke geloofsbrieven toegelaten, maar niet voordat de belofte was afgelegd, dat zulks in toekomende tijden niet weder zou geschieden.


1) Rutgers, a.w. bl. 43; Voetius, Pol. Eccl. I. 272-274; 284-288.

|60|

Het ligt in den aard der zaak, dat de afgevaardigden gebonden zijn aan Gods Woord, aan de belijdenis en de kerkenordening. Deze zijn accoord van het kerkelijke leven. Wie niet volgens dit accoord wil handelen, kan niet als lid van de kerkelijke vergadering worden erkend. Onder dit beding krijgen de afgevaardigden onbeperkt mandaat om te handelen over die zaken, die wettig ter meerdere vergadering worden gebracht. De kerken van Voorne, Putten en Overflakkee gaven in 1574 aan hare afgevaardigden deze opdracht, dat zij met die autoriteit konden handelen „als of onse gansche Classe ende een yegelicke Kercke bysonder in de selfue gelegen daer tegenwoordigh waer” 1). Een beperking van die opdracht werd door de oude synoden niet toegelaten. Op de synode van 1582 verschenen de afgevaardigden der classis ’s Gravenhage met een beperkend mandaat, namelijk dat zij naar huis moesten terugkeeren, zoodra bleek, dat de synode met de excommunicatie van Coolhaes zou voortgaan. De synode wilde van zulk een beperking niets weten, en vermaande de afgevaardigden, dat zij aan de classis zouden mededeelen, dat dit voor het vervolg niet weder moest gebeuren 2). Eveneens besloot de synode van Hoorn in 1584, dat de credentiebrieven niet mochten gelimiteerd worden. De kerken moeten dus in hare afvaardiging verklaren, dat zij zullen handelen naar de kerkenordening, zooals Art. 31 verklaart dat, hetgeen door de meeste stemmen goedgevonden is, voor vast en bondig zal gehouden worden. Trouwens anders is ook geen vergadering mogelijk, en kunnen er geen bindende besluiten genomen worden. Dan kan men wel een conferentie houden, maar geen kerkelijke vergadering. Ook zou op die wijze de eenheid der kerken verloren gaan. En toch om de eenheid der kerken in het uitwendige te instituëeren was het doel geweest van de organiseering der kerken op de synode te Emden.

Hebben de Gereformeerden altoos gewaarschuwd om den afgevaardigden ter meerdere vergadering een mandat impératif mee te geven, in bijzondere gevallen is dit geoorloofd en zelfs noodig. De synode van Zierikzee (Oct. 1618) gaf aan de afgevaardigden naar de Nationale synode van Dordrecht de opdracht, dat zij op de synode geen tolerantie mochten toelaten in het stuk der leer. Werd hierover gesproken dan mochten zij geen toestemming geven zonder opnieuw met hunne last-gevers gehandeld te hebben. De Particuliere Synode van Delft (16 Nov. 1618) droeg aan hare afgevaardigden op, dat de verschillende leerpunten op de Nationale Synode zullen worden afgedaan bij decisie, en niet bij accommodatie, zooals de Remonstranten wilden. In het bekende geval


1) Rutgers, Acta, bl. 187.
2) Acta Reitsma en Van Veen, I. 91, 110.

|61|

van Van Leenhof, predikant te Zwolle, die, beschuldigd van Cartesiaansche en Spinozistische dwalingen, in 1708 door de synode van Overijssel werd afgezet, maar door den kerkeraad en de overheid van Zwolle werd gehandhaafd, werd door de kerken in onderscheiden provinciën last gegeven aan hare afgevaardigden, om in de vergaderingen van classes en synoden te besluiten, dat Ds van Leenhof nergens in eenige kerkelijke functie zou erkend en toegelaten worden tot den dienst; en dat zoolang de kerkeraad van Zwolle goedvond hem in den dienst te dulden, geen Zwolsch predikant tot een preekstoel elders toegang zou hebben, en dat men geen attestatiën uit Zwolle meer zou aannemen. Wanneer een classis of synode iets zou besluiten wat in strijd is met Gods Woord of de belijdenis der kerken, dan kan een kerk zulk een besluit niet aanvaarden. „Strijden de besluiten daarmee, dan moet men” — zegt Voetius 1) — „òf niet toepassing verzoeken; is die niet verkrijgbaar, dan moet men het kwaad dulden, om de goede orde niet te verbreken, d.w.z. enkel dulden op zulk eene wijze, dat men niet genoodzaakt wordt iets te doen of te beloven, dat men met zijn geweten niet doen of beloven kan. Doch als het gewicht der zaak het meebrengt, moet men openlijk tegen de opgedrongen ordening protesteeren. Ook kunnen zich gevallen voordoen, dat men (de kerkeraad) de leden der kerk van de partij der kwaadgezinden afbrengen en daaraan onttrekken moet.”

Wanneer het gaat om zeer gewichtige zaken, die betrekking hebben op de handhaving der leer en der orde, of op de uitzuivering van verkeerdheden, dan kan een bevelend mandaat gegeven worden. Het ligt in den aard der zaak, dat alleen in zeer bijzondere gevallen, wanneer er gevaar is van afwijking of van niet-handhaving van Gods Woord of de belijdenis, er van zulk een mandat impératif sprake kan zijn. Want in een gezond Gereformeerd kerkelijk leven moeten alle kerkelijke vergaderingen zich houden aan Art. 31 der kerkenordening, waar bepaald is dat „hetgeen door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden, tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten.”

Het recht der meerdere vergaderingen hangt dus van de lastbrieven af. Een bepaalde en vaste vorm is er voor een lastbrief niet noodig. De lastgever moet zelf weten, op welke wijze en in welken vorm hij binden wil. Echter moeten wel op den lastbrief vermeld staan de namen van de afgevaardigden en de lastgeving. Voorts is noodig, dat duidelijk wordt uitgedrukt, dat men de afgevaardigden zendt volgens accoord der kerkelijke gemeenschap, dat zij namelijk gebonden zijn aan Gods


1) Pol. Eccl. III. 294.

|62|

Woord, de belijdenis en de kerkenordening. Het is wel niet noodzakelijk, dat dit met zoovele woorden is uitgedrukt, omdat dit in Art. 31 is vermeld, maar wel is beslist noodig, dat de afgevaardigden gezonden worden om namens de zendende kerk deel te nemen aan de beraadslagingen en besluiten der meerdere vergadering volgens de bestaande kerkenordening.

Een zendende kerk kan hare afgevaardigden ook een bepaalde instructie meegeven, d.w.z. een opdracht geven, dat zij bepaalde zaken aan de orde moeten stellen. Juist wijl een meerdere vergadering is de vergadering van kerken en niet van personen, mogen niet alle willekeurige zaken op een classis of synode worden behandeld, maar alleen die welke daar door de zendende kerken worden gebracht en die volgens de kerkenorde tot de kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behooren.

In verband met het voorgaande is duidelijk, dat alleen de afgevaardigden keurstem hebben. Er kunnen wel meer personen toegelaten worden om de vergaderingen bij te wonen. In den regel zijn op elke meerdere vergadering personen, die iets te rapporteeren hebben, en die dus ook in deze zaken kunnen adviseeren, maar zij zijn geen afgevaardigden met keurstem. Een bijzondere plaats bekleeden op de Generale Synoden de hoogleeraren in de theologie aan de Theologische School en de Theologische faculteit der Vrije Universiteit, die volgens het in onze kerken geldende recht uitgenoodigd worden als adviseerende leden om de zittingen der Synode bij te wonen. Doch alleen de afgevaardigden der kerken, die de kerken zelve vertegenwoordigen, hebben een beslissende stem.

Volgens Art. 33 hebben de afgevaardigden keurstem, „ten ware in zaken, die hunne personen of kerken in het bijzonder aangaan.” Deze beperking is noodig. Niemand toch mag rechter zijn in eigen zaken. Zoolang iemands persoonlijke zaken of de zaken der kerk, die hem afvaardigde, in het geding zijn, is iemand partij in het geding. Wel moet hem de gelegenheid gegeven worden om de zaak in kwestie zooveel mogelijk toe te lichten, maar overigens moet hij de beslissing overlaten aan de vergadering, die geroepen is een oordeel uit te spreken. Zelfs moet, wanneer het een kwestie betreft tusschen de kerk en leden der gemeente, de praeses der vergadering zorgen, dat de afgevaardigden eener kerk geen onbehoorlijken invloed uitoefenen, opdat de meerdere vergadering geheel vrij haar oordeel kan uitspreken, opdat er eenige waarborg zij, dat dit oordeel rechtvaardig zij. Ingevolge deze bepaling hadden dan ook op de Generale Synode van Assen de afgevaardigden van N.-Holland in de behandeling der zaak Dr Geelkerken geen zitting in de commissies van onderzoek, en werd hun eerst, nadat de andere

|63|

leden der synode hun stem hadden uitgebracht, gevraagd, of zij zich met het oordeel der synode konden conformeeren.

Dat de classes en de synoden besluiten kunnen nemen die de kerken binden, volgt terstond uit het kerkverband. Alle kerken hebben naar den regel door de kerkenordening aangegeven haar macht gelegd in handen van de meerdere vergadering, en daarom heeft ook elke meerdere vergadering het recht van de kerken te vragen, dat de genomen besluiten aanvaard en uitgevoerd zullen worden. Immers de kerken zelve, wijl zij door hare afgevaardigden vertegenwoordigd waren, hebben mede de beslissingen genomen. En het accoord van gemeenschap, dat dient tot bekrachtiging en opbouw van het kerkelijk leven, moet gehandhaafd worden. Dit sprak de oudste synode der Fransche kerken (1559, art. 39) reeds uit: „Nulle Eglise ne pourra rien de grande consequence, ou pour-rait estre compris l’interest et dommage des autres Eglises, sans l’advis du synode Provincial, s’il est possible de l’assembler. Et si l’affaire la pressoit, elle communiquera et aura l’advis et consentement des autres Eglises de la Province, par lettres pour Ie moins”. En de synode van Lyon (1563, Art. 3) sprak uit: „Toutes les sentences d’Excommunication confirmées par Ie Synode Provincial seront stables et valides a l’avenir”. De Schotsche kerk legde van den beginne sterken nadruk op de eenheid der kerk. De reformatie der kerk kwam tot stand met behulp van de regeering des lands. In 1560 schafte het parlement den Roomsch-Katholieken godsdienst af, benevens de pauselijke jurisdictie, en nam een door Knox ontworpen confessie aan (7 Aug. 1560). De beginselen der kerkregeering werden nader in een kerkorde geformuleerd: The first Book of Discipline, 1561 en The second Book of Discipline, 1578, welke later vervangen zijn door de kerkorde van Westminster (The Form of Presbyterial-Government), in 1645 door de General Assembly van Schotland goedgekeurd. Over het gezag der synodes wordt gezegd: „It is lawful and agreeable to the word of God, that there be a subordination of congregational, classical, provincial, and national assemblies, for the government in the church (Het is geoorloofd, en in overeenstemming met Gods Woord, dat er een ondergeschiktheid zij van gemeentelijke, classicale en nationale vergaderingen, tot regeering der kerk) 1).

In de Nederlandsche kerken is dit beginsel der subordinatie van den beginne opgenomen, maar voor het eerst in 1581 (Art. 27) aldus geformuleerd : „Hetzelfde zeggen heeft de classis over den kerkeraad, hetwelk de particuliere synode heeft over de classis, en de generale synode over de particuliere”. Dit artikel is in de latere redacties der Kerkenordening


1) Neal, The History of the Puritans 1837, III. In de Ned. vertaling, 1753. II, Ie stuk bl. 422.

|64|

onveranderd gehandhaafd (1586, Art. 33; 1618/19, Art. 36). De gedachte in dit artikel uitgedrukt is naar de Schrift, waar in Matth. 18: 15-20 in een bepaald geval de beslissing in het hoogste ressort gegeven wordt, en in Hand. 15, waar door de afgevaardigden van Antiochië met de gemeente te Jeruzalem besluiten genomen worden, die voor de kerken bindend zijn.

De subordinatie is wel eens zoo voorgesteld, dat er een opklimming van rang in de verschillende bestuurscolleges zou zijn. Doch dit zou collegialistisch zijn, waar evenals bij de wereldlijke regeering er een afdaling van de macht is van de hoogste tot de laagste plaats. Dit ligt evenwel noch in de bedoeling, noch in de woorden. Er is wel sprake van een zeggen of van een autoriteit — welk woord in de latijnsche vertaling gebruikt wordt — van de synode over de classis en van de classis over den kerkeraad, maar niet van den kerkeraad over de gemeente. Ware het de bedoeling in Art. 36 der Dordtsche kerkenordening te beschrijven een opklimming der kerkelijke machten in hoogheid van rang, dan hadde ook moeten gesproken zijn van het gezag des kerkeraads over de gemeente. Dit gezag van den kerkeraad over de gemeente is geheel eigensoortig en kan nimmer op de classes en de synoden worden overgedragen. Zij is een door Christus ingestelde macht om de gemeente Gods te weiden, om te zorgen dat de bediening des Woords en der sacramenten geregeld plaats hebben, dat alle dingen met stichting geschieden, dat kranken en eenzamen worden bezocht, dat het afgedoolde wordt gezocht, de treurenden worden getroost, opdat de gemeente haar wasdom bekome. Doch hier wordt zelfs niet gezegd, welk gezag de classis heeft over den kerkeraad. Ook is er geen sprake van een absoluut gezag van de classis over den kerkeraad, want dan had er moeten staan: De classis heeft gezag over den kerkeraad. Trouwens een opklimming van macht zou met het Gereformeerde kerkrecht en den aard der inrichting van het kerkverband in strijd zijn, wijl hier primordiaal de macht berust bij den kerkeraad als representeerende de gemeente. Zooals wij vroeger reeds besproken hebben, is de autoriteit van de meerdere vergaderingen: a. niet oorspronkelijk, maar afgeleid. Een kerkeraad heeft zijn macht oorspronkelijk van den koning der kerk ontvangen en inhaerent in bezit, maar een classis en een synode heeft haar macht als een afgeleide en opgedragen macht, door afvaardiging. b. Niet algemeen, maar begrensd. Niet alle dingen kunnen op een classis of synode behandeld worden, maar die daar gebracht worden, of naar de orde der kerken daar behooren. c. Niet een hoogere maar een meerdere macht, omdat op een classis, enz. meer kerken vertegenwoordigd zijn. Wel kan men spreken van een vergadering, die in hooger instantie recht spreekt, maar niet van een vergadering, die een hooger autoriteit vertegenwoordigt. d. Niet

|65|

overheerschend maar dienend. Zij gaat geen uitwendige straffen toepassen, maar spreekt en handelt zooals zij naar haar overtuiging volgens de Schrift moet handelen of spreken. Kan een klager zich met deze uitspraak niet vereenigen, dan blijft hem het recht zijn gemotiveerd bezwaar in te brengen en alles te doen om verandering van de uitspraak te verkrijgen of ook als hij meent geen recht te krijgen zich te onderwerpen of met het kerkverband te breken. e. Niet voortdurend, maar tijdelijk. Wanneer een vergadering van classis of synode geëindigd is, kan zij niet meer actief fungeeren.

Het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere is dus van een anderssoortig karakter. Een kerkeraad is beslist noodig voor de rechte institutie en de verzorging der gemeente, doch meerdere vergaderingen zijn noodig voor het wel-wezen der kerk. Een kerkeraad bestaat niet terwille van de meerdere vergaderingen, maar de meerdere vergaderingen bestaan wel terwille van de plaatselijke kerken om haar met raad en daad te dienen. De autoriteit van de meerdere vergadering berust niet op hoogeren rang, maar op het meerder aantal kerken, die door hare afgevaardigden bijeen zijn; en hierdoor is er meer waarborg, dat de uitspraak dier vergadering is de stem des H. Geestes, en dat de ordinantiën Gods beter worden toegepast. Deze waarborg is volstrekt niet absoluut, want het is mogelijk dat één persoon gelijk heeft tegenover velen. Doch wanneer een groot aantal bekwame en godzalige mannen in oprechtheid samenwerken, is er meer waarborg dat een beslissing is naar Gods wil, dan de stem van enkelen.

Het gezag van een classis of een synode vloeit voort uit het organisch verband der kerken. De Independenten verwierpen alle bindend classicaal of synodaal verband. Zij verklaarden in hun Savoy-declaration: „Er mogen wel synoden samenkomen, om inzake geschillen over de leer en de kerkregeering te beraadslagen en advies te geven, maar deze synoden hebben geen kerkelijke macht in eigenlijken zin, en zijn niet toegerust met eenige jurisdictie of rechtspraak over de kerken, of om hare beslissingen op te leggen aan de kerken of hare ambtsdragers”. Doch de Independenten zagen de eenheid en het organisch karakter der kerken voorbij. De eenheid, die de kerken in Christus hebben, is wel allereerst geestelijk, een eenheid van geloof, hoop en liefde, een levenseenheid, maar deze eenheid moet zich ook in het zichtbare openbaren, in het gemeenschappelijk belijden en dienen van God, in de organische samenwerking. Zonder hare organisatie kan de kerk op aarde haar roeping niet vervullen. Daarom staat het ook aan een plaatselijke kerk niet vrij om op zich zelve te blijven staan, en buiten alle kerkverband te blijven. Het kan wel eens in een bepaald geval noodig blijken, dat een kerk buiten de gemeenschap met de kerken in een bepaalde streek

|66|

blijft, b.v. wanneer een enkele Gereformeerde kerk zich in een Roomsch land bevindt, maar dit is een uitzondering. De regel is, dat de kerken van dezelfde belijdenis zooveel mogelijk alle zich aaneensluiten, om samen te werken aan elkanders volmaking en den opbouw van Gods koninkrijk.

Uit dat organisch verband volgt het gezag der meerdere vergadering. Wanneer een plaatselijke kerk in het verband der kerken treedt, dan ontvangt zij daarbij leiding en steun van de zusterkerken, maar zij onderwerpt zich ook aan de leiding der meerdere vergadering, en neemt op zich de verplichting om zich naar de besluiten der meerdere vergadering te gedragen. Dat wordt opzettelijk in de lastbrieven der afgevaardigden uitgedrukt. Zulk een subordinatie is niet het invoeren van een hiërarchie in de kerk, maar een zich onderwerpen aan het juk van Christus, een betrachten van de eenheid van het lichaam van Christus, en het zoeken van de handhaving van Christus’ koningschap. Wanneer de plaatselijke kerk de besluiten van eene meerdere vergadering naast zich neerlegde, en niet wilde uitvoeren, dan zou zij daardoor de eenheid en de orde verbreken. En wanneer zij niet zou kunnen aantoonen, dat die besluiten in strijd waren met Gods Woord en de orde der kerken, zou zij revolutie plegen en zich der censuur waardig maken. De wijze waarop Art. 36 der kerkenordening geformuleerd is, toont duidelijk aan, dat de Gereformeerden alle hiërarchisch element wilden weren. In verband hiermee verklaarde de synode van Dordrecht (1893, art. 234), „dat de kerkeraden geene machtiging van meerdere vergaderingen noodig hebben tot het verrichten van burgerlijke handelingen, zooals het aangaan van geldleeningen, het afschrijven van kapitalen op Grootboeken der Nationale Schuld enz., maar daartoe, als vertegenwoordigende de gemeente, de volle bevoegdheid bezitten”. Dit besluit hangt ten nauwste daarmee samen, dat de Gereformeerde kerken zich beschouwen als een bond van plaatselijke kerken, maar dat zij noch als plaatselijke kerken noch als de gezamenlijke kerken willen erkend worden naar de Wet van 25 April 1855, „naardien zij door zoodanige aanvraag in strijd zouden handelen met Gods Woord en diensvolgens met hare aangenomene Belijdenis en Kerkenordening”.

De macht der meerdere vergadering is dus in den grond niet anders dan broederlijke hulp. En wanneer de besluiten genomen worden op een wijze, die in overeenstemming is met Gods Woord en de Belijdenis, dan worden ook het recht en de vrijheid en de gelijkheid der kerken niet aangetast. Gaat echter de meerdere vergadering naar het oordeel eener kerk haar bevoegdheid te buiten, en worden de besluiten bevonden te zijn in strijd met Gods Woord, dan moet zulk een kerk — zegt Voetius 1) —


1) Pol. Eccl. IV. 123.

|67|

„liever uit het kerkverband treden, dan tegen Gods Woord en het geweten te handelen”. Omgekeerd echter, wanneer het een voorwendsel blijkt, dat men verklaart bezwaar te hebben op grond van Gods Woord en de conscientie, en het blijkt dat het gaat om aan den eisch des Woords, der belijdenis en der kerkenordening te ontkomen, dan is de meerdere vergadering verplicht disciplinair op te treden. Vereenigt zich heel de gemeente met den kerkeraad, dan wordt de kerkelijke gemeenschap verbroken, doch rijst in de gemeente bezwaar tegen den kerkeraad, en wordt de hulp der meerdere vergadering ingeroepen, dan is deze geroepen deze bezwaarden te helpen, en tot hun recht te brengen tegenover den af wij kenden kerkeraad. Zulk een geval deed zich in 1926 voor in de kwestie Geelkerken 1). Hiertegen is van onderscheiden zijden bezwaar ingebracht.

Dr van Lonkhuyzen, predikant te Zierikzee, schreef in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift eenige artikelen, waarin hij op scherpe wijze oppositie voert tegen het besluit van de synode van Assen, die in 1926 Dr Geelkerken en eenige kerkeraadsleden, die zich aan de besluiten der synode niet wilden onderwerpen, uit de kerkelijke bediening ontzette. Hij had deze bedenkingen reeds, toen hij nog in Chicago predikant was, en heeft toen niet alleen zijn bezwaren ingebracht tegen een handeling eener classis, die een predikant uit zijn dienst ontzet had, omdat deze zich niet wilde onderwerpen, maar eveneens tegen het besluit van Assen. Hij schreef zelfs een brochure: „Een ernstige fout” 2), waarin hij beweerde, dat „de synode een fundamenteele fout had begaan en tegen een der voornaamste beginselen van ons kerkrecht had gezondigd”. Die afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering is, zoo schrijft hij, in strijd met den aard van het kerkverband, zooals wij dat uit Gods Woord kennen, en met de beginselen van het Gereformeerd kerkrecht, zooals dat door de toonaangevende mannen in den loop der historie is geleerd.

Dr van Lonkhuyzen ziet in den weg door Assen gevolgd een afbuiging van de rechte lijn. Hij zegt op bl. 26 van zijn brochure „In eigen rechte lijn” 3): Ik zie „in Assen’s besluit een stap in de verkeerde richting van senatus ecclesiasticus of collegialisme. In elk geval gaan wij zoo langzaam maar zeker verder van huis. Het genootschap of de kerk „De Gereformeerde Kerken” met een synode aan het hoofd (supra), die afzet kerkeraden en classes. Een synode die casseert de besluiten van provinciale synoden” enz. Hij ziet een afbuiging naar „de Fransche


1) Zie blz. 25, 26 van dit werk.
2) Printed at the Christian litterature publishing Co, Chicago, 1926.
3) Overdruk uit het Geref. Theol. Tijdschrift, Nov. 1931. Aalten, N.V. De Graaf­schap.

|68|

lijn”. En wij moeten blijven en voortgaan in „de oorspronkelijke Nederlandsche lijn”, zooals dit door de synode van Emden en het convent van Wezel is aangegeven, en zooals dit door Voetius, Hoornbeek en Rutgers verdedigd werd.

Voor wij dit bezwaar behandelen, maken wij om ons recht te oriënteeren op dit terrein twee opmerkingen. Allereerst dat zoovelen de strekking van het geschrift der heeren Prof. Dr Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken” niet recht verstaan 1). Dit geschrift is het arsenaal geworden, waaruit menigeen zijn wapenen tot bestrijding van het besluit van Assen heeft gehaald, en ook Dr van Lonkhuyzen meent, dat Dr Rutgers nooit zijn instemming met dit besluit zou hebben betuigd. Maar dezulken vergeten dat de bedoeling van dit geschrift was de rechtbanken voor te lichten in de dagen der Doleantie, in den strijd over de goederen der kerk, en om aan de juridische macht het recht van interventie te betwisten, wanneer een kerkeraad terecht of niet terecht meende zich niet te moeten conformeeren aan het besluit der meerdere vergaderingen. Rutgers en Lohman schreven niet een kerkrechtelijk maar een juridisch betoog, om het recht der plaatselijke kerken op de goederen te bepleiten. Toen de hiërarchie was afgeschaft, zoo is de gang der redeneering, had men geen kerkelijke overheid meer, doch alleen samenwerking en overeenstemming. De goederen behooren aan de locale kerk. „Dat de kerkeraad, die zich niet aan de beslissing der meerdere vergadering onderwerpen wilde, in rechtskundigen zin wel vrij moest blijven, ligt zoozeer in den aard der zaak, dat men zich zelfs geen procedure kan denken, om hem te dwingen anders te handelen. Want wie zou de actie daartoe hebben ingesteld? Alleen de locale kerk bezat de goederen; niemand had een actie om haar daaruit te ontzetten. De individueele leden der locale kerk hadden wel het recht en ook de verplichting om haar te verlaten, wanneer zij meenden dat de kerkeraad Gods Woord terzijde stelde, maar als individueele leden hadden zij geen recht op eenig goed der corporatie. Deze, de kerk, werd vertegenwoordigd door den kerkeraad. Alzoo moest, zoolang er geen middel was dezen te verwijderen, de beslissing van den kerkeraad, zoowel tegenover de leden als tegenover de gezamenlijke kerken, in juridischen zin gelden als de hoogste wet” (bl. 27). Uit dit breede citaat blijkt, dat het een juridisch betoog is, in verband met het kerkegoed.

Maar in de tweede plaats komt in ditzelfde geschrift van Lohman


1) „Dit kostelijk werk van Jhr de Savornin Lohman en Dr Rutgers dient elk jurist en elk predikant te lezen. Niet om er de geestelijke quaestie van het dogma der kerk uit te bestudeeren; maar om te weten waar men juridisch aan toe is”, Kuyper, Heraut 430.

|69|

en Rutgers duidelijk het recht van de meerdere vergaderingen, om kerkeraadsleden af te zetten, uit. Op bl. 25—27 schrijven de heeren Lohman en Rutgers: „De eenheid nu van die (Nederlandsche) kerken bestond allereerst, ja eigenlijk alleenlijk, in de gemeenschappelijke belijdenis. Op die belijdenis berustte het kerkverband. Zij was, gelijk reeds het 2e artikel van de Acta der Embder kerkenverzameling uitspreekt, de betuiging van de onderlinge verbinding en eenigheid der kerken. Instemming met haar was de voorwaarde, waaraan, zou het accoord in stand blijven, voortdurend moest worden voldaan. „Men zei niet: het kerkverband is gelegen in de gemeenschappelijke onderwerping aan de reglementen, en de eenheid van belijdenis is wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt. Maar integendeel: gemeenschappelijke onderwerping aan de belijdenis is voor ons geheele kerkverband het ééne onmisbare; de eenheid van kerkelijke vormen is dus wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt.” Daarom lieten ook de Gereformeerde kerken niemand in eenige bediening toe, zonder zich te verzekeren, dat hij in overeenstemming met die belijdenis die bediening zou uitoefenen. „Die eenmaal toegelaten is, heeft het recht zijn bezwaren aan den kerkeraad, classis en synode bloot te leggen en toetsing aan het Woord te verzoeken. Die zich met de gevallen beslissing niet vereenigen kan, is de facto geschorst in zijn dienst, iets dat vanzelf spreekt en ook, mits de „ware kerk” niet van overheidswege bezoldigd worde, niet onbillijk is. Ook wordt de zoodanige niet toegelaten tot het Avondmaal”. Hetzelfde, zoo kan worden verklaard, is toegepast in 1926 op Dr Geelkerken.

Voorts spreekt het boek van Prof. Rutgers en Mr de Savornin Lohman zich ook uit over een geval, dat overeenkomst heeft met dat van Dr Geelkerken. De predikant Leenhof werd in 1708 door de Overijselsche synode afgezet wegens afwijking in de leer, doch door de regeering van Zwolle gehandhaafd, zoodat Leenhof predikant van Zwolle bleef, daar de kerkeraad op denzelfden weg ging als de overheid. En wat zeggen Prof. Rutgers en Jhr Mr Lohman hiervan: „Naar den aard en uit kracht van het kerkverband had de Zwolsche kerkeraad de afzetting van Leenhof kerkelijk moeten uitvoeren en handhaven”. Hieruit blijkt dat naar het gevoelen van Prof. Rutgers de Synode het recht van afzetting bezit (bl. 166).

Nog duidelijker spreken Rutgers en Lohman op bl. 179: „Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in het verband staat; maar als de kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamenlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden”. In hoofdzaak wordt door hen dus hetzelfde gezegd als de synode van Assen gedaan heeft.

Het is duidelijk, dat Dr van Lonkhuyzen geen recht heeft zich voor zijn

|70|

gevoelen op Prof. Rutgers te beroepen. Nu erkent hij wel, dat ook de meerdere vergadering macht kan uitoefenen, maar dan alleen in dien zin dat de kerkeraad vrijwillig aan de meerdere vergadering dat recht toekent 1). In deze woorden zit een waarheid, omdat de aansluiting aan het kerkverband een vrijwillige is. Maar het is niet waar, dat in een bepaald geval, wanneer een predikant of kerkeraadslid afwijkt van de leer, het den kerkeraad vrij staat het kerkverband te hulp te roepen of niet, want dit is de eisch van het kerkverband. Wanneer een kerkeraad in zulk een geval de hulp van de genabuurde kerken niet inriep, en klachten uit de gemeente kwamen, zou de classis verplicht zijn in te grijpen. Zoo spreekt ook Voetius 2), dat de meerdere vergaderingen „gewoonlijk de kerkelijke macht niet uitoefenen boven en buiten de plaatselijke kerk om, en dat zij niets in en omtrent haar met autoriteit uitoefenen, dan in zaken en aangelegenheden, die zij gemeenschappelijk hebben, of in geval van hooger beroep en van te verwachten of feitelijk reeds aanwezig wanbestuur.” Niet alleen tegen den predikant kan de classis en de synode optreden, maar ook tegen den kerkeraad en leden des kerkeraads. Dit is in de kerkenordening (Art. 79) uitgesproken. Alle kerken hebben haar tuchtmacht in een bepaald geval, wanneer een zaak langs organischen weg ter synode is gebracht, gelegd in handen van de synode, niet alleen om een beslissende uitspraak te doen, maar ook te zorgen dat het besluit wordt uitgevoerd. Dat volgt uit het karakter der meerdere vergadering, gelijk ook Voetius dit verklaart 3). Allereerst verklaart Art. 31, dat hetgeen door de meeste stemmen goedgevonden is voor vast en bondig zal gehouden worden, tenzij het bevonden wordt te strijden tegen het Woord Gods of tegen de artikelen der kerkorde. Ten tweede heeft de synode tot taak de belijdenis, die het gemeen accoord van de samenbinding der kerken is, te handhaven, en zij zou daarin ontrouw worden, wanneer zij geen zorg droeg, dat de ambtsdragers in de kerken zich aan deze Belijdenis hielden. Tegen de ongehoorzame ambtsdragers moet de meerdere vergadering met tuchtmaatregelen optreden. Zij kan de uitvoering van haar besluit aan den kerkeraad opdragen, maar wanneer de meerderheid van de kerkeraadsleden zich daartegen verzet, moet zij zelve optreden, en de gemeente helpen in de rechte institutie, en in de handhaving der belijdenis.

Dr van Lonkhuyzen meent, dat in dit geval de meerdere vergadering als hoogere macht optreedt. Dit is misverstand. Het zou wel zoo zijn, als de classis of de synode willekeurig intrad in de rechten van een kerkeraad of van een gemeente. Maar iets geheel anders is het, wanneer


1) In eigen rechte lijn, bl. 10.
2) Pol. Eccl. I. 226.
3) Pol. Eccl. IV. 891-898.

|71|

een kerkeraad zich niet stoort aan een besluit, dat langs organischen weg, naar de kerkenordening, tot hem gekomen is, om een beslissing te nemen. En nog sterker wordt het recht eener meerdere vergadering, wanneer ook een deel van de kerkeraadsleden en van de gemeente dringend beroep doet op de synode, om recht te doen, en hen te verlossen van de overheersching eener factie. In dit geval mag de synode zich niet onttrekken aan haar roeping, en moet zij maatregelen nemen tot behoud van het goede en getrouwe deel der gemeente, en tot welzijn van al de kerken in haar organisch verband.

Dit is geheel iets anders dan een aantasten van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk. Wanneer de synode in het zoo pas genoemde geval de verdrukte partij hielp, en door het uitspreken van een oordeel over ontrouwe kerkeraadsleden den weg opende voor de gemeente om in gehoorzaamheid aan den Koning der gemeente in rust en vrede te leven, dan is zij een dienende macht.

Geheel ten onrechte noemt Dr van Lonkhuyzen dit een overschrijden op het erf der hiërarchie of van het collegialisme. Bij de hiërarchie heerscht de geestelijkheid over het volk, en miskent daardoor het recht en de vrijheid van den christenmensen, maar de synode van Assen handelde in gehoorzaamheid aan Christus, en bevrijdde de gemeente van Amsterdam-Zuid van een haar overheerschende macht. Volgens het collegialistische stelsel zijn de kerken onderdeelen van het groote geheel, volgens de Asser synode is en blijft de plaatselijke kerk zelfstandig, maar moet in een geval van nood geholpen worden om hare vrijheid van handelen naar Gods Woord en de belijdenis terug te ontvangen. En de bemoeienis van het kerkverband in een bepaalde zaak treedt terstond terug, wanneer de gemeente weder tot de rechte institutie en den vrede is gebracht.

Dr van Lonkhuyzen beroept zich voor zijn gevoelen op de uitspraak van het convent van Wezel, waar dit aan de classis geen recht toekende in het geval van het „verlaten” of „verstooten” of „ontslag” van een predikant zonder toestemming van de gemeente (c. V. 19). Maar Dr van Lonkhuyzen vergeet, dat hier niet van censuur of afzetting, maar van ontslag der dienaren gesproken wordt. De bedoeling van het Wezelsche artikel is, dat zoomin de plaatselijke kerken als de classes willekeurig met hare dienaren mogen handelen, en sprak uit dat wanneer een dienaar ergens niet met stichting dienen kon, de kerkeraad en de gemeente niet mocht handelen zonder het oordeel en de toestem­ming van de classis, en omgekeerd dat de classis in dezen niet mocht beslissen „tenzij de plaatselijke kerk hierin uit eigen beweging toestemme”. Dit geval heeft dus niets te maken met de kwestie, waarover het geschil loopt.

|72|

Nog minder ter zake dienend is, wanneer hij op bl. 28 van zijn brochure „Een ernstige fout” zich beroept op een besluit der synode van 1586. Hij begaat hier zelf een ernstige fout, en geeft een misleidenden indruk wanneer hij schrijft: „In haar wanhoop om orde te brengen in de chaotische toestanden op kerkelijk gebied in de Nederlanden kort na de reformatie besloot de particuliere synode van Rotterdam van 1586 om de nationale synode van Den Haag van 1586 voor te stellen of te verzoeken een senatus ecclesiasticus in te stellen. Een soort van opperkerkeraad. Die toezicht zou houden op en staan boven de andere kerkeraden. En zoover als tot schorsen toe mocht handelen. Maar de nationale synode van Den Haag is op dit verzoek geen oogenblik in willen gaan. Zij verwierp de zaak van zulk een bij zonderen kerkeraad”. Deze voorstelling is geheel onjuist, in strijd met wat de acta vermelden. De kwestie was een geheel andere. De synode van Rotterdam had aan de Nationale synode van Den Haag voorgesteld „dat eenen senatus ecclesiasticus vercoren werde, indien het sal goet bevonden worden, bestaande wt polyticque ende kerckelycke, doch doende professie van de Ghereformeerde religie, persoonen” 1). Het lag voor de hand dat de synode de instelling van zulk een opperkerkeraad, die zou bestaan uit kerkelijke en wereldlijke personen, verwierp. Dan zou de overheid macht ontvangen in kerkelijke zaken en zou het recht en de vrijheid der kerken aangetast worden. Het schijnt dat Dr van Lonkhuyzen de acten der particuliere synode van Rotterdam niet goed gelezen heeft. In elk geval heeft deze zaak met de aanhangige kwestie niets te maken.

Evenwel bouwt Dr van Lonkhuyzen op zulke zwakke gronden de theorie, dat de meerdere vergadering volstrekt geen censuur mag uitoefenen op kerkeraadsleden. Wanneer — zoo zegt hij op bl. 28 van zijn brochure „Een ernstige fout” — alle vermaningen niets helpen, dan blijft er maar één ding over, n.l. met zulk een kerkeraad, die zich niet houden wil aan de overeenkomst der foederatie, de foederatie op te zeggen, dat is hem uit het verband te zetten.

Het is zeer merkwaardig, dat Dr van Lonkhuyzen, die zich gaarne op de letter der kerkenordening beroept, voor dit uit het verband zetten der kerk geen beroep doet op de kerkenordening. Trouwens de kerkenordening kent zulk een instituut van het „buiten het verband zetten” niet. Wel beroept hij zich op een woord van Marnix, door Prof. Rutgers aangehaald op bl. 195 van „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”. Maar hij verstaat Marnix geheel verkeerd. Marnix zegt niet dat het uit het verband zetten het eenige tuchtmiddel is, maar hij zegt


1) Reitsma en Van Veen, Acta II. 282.

|73|

dat men den algemeenen regel niet altijd kan toepassen. „Want het can geschieden dat de eene kercke sich alsoo vergrijpen sal, dat de andere kercke noodsakelijck sal deselue moeten verdoemen ende een afscheyt daarvan maken, sonder een generale concilium oft synodum daerover te verwachten”.

Nu erkennen ook wij dat het geval zich kan voordoen dat de synode een geheele kerk met haar kerkeraad buiten het verband moet zetten, wanneer heel deze kerk is afgevallen van het rechte geloof, en zich niet stoort aan de vermaningen van het kerkverband. Maar zulke gevallen zullen zich in gewone tijden bijna niet voordoen. Doch indien een deel der kerk blijft bij het kerkverband, mag en moet dat verband de beste middelen en wegen gebruiken tot hulp der gemeente, daartoe zoo noodig met de tucht over de kerkeraadsleden optreden. Wat Dr van Lonkhuyzen wil is feitelijk independentistisch. En deze leering, dat aan de synode de tucht niet toekomt, moet als ongereformeerd worden verworpen, geheel in strijd met wat onze Gereformeerde synoden en onze canonici, Voetius en anderen, hebben geleerd.

Het gevoelen, dat de meerdere vergaderingen geen censuur mogen uitoefenen op een kerkeraad of op kerkeraadsleden in den zin van excommunicatie, maar alleen in dien zin, dat zij een kerkeraad, die zich niet wil houden aan de overeenkomst van de foederatie, de foederatie kunnen opzeggen, dat is hem uit het verband zetten, moet als ongereformeerd worden verworpen, geheel in strijd met wat onze Gereformeerde synoden en onze canonici hebben geleerd.

Dr van Lonkhuyzen beroept zich voor dit zijn gevoelen o. a. op Hoornbeek. Deze handelt in het 10de boek van zijn geschrift: „Summa controversiarum religionis” over de Brownisten, wier leer eenigszins gewijzigd is overgenomen door de Independentisten, van wie onderscheidene predikers en gemeenten een tijdlang in Nederland vertoefden. De Independenten ontkennen het tuchtrecht der meerdere vergaderingen. De plaatselijke congregaties kunnen wel samenkomen in conferenties, zoo leeren zij, maar zij erkennen niet een onderwerping onder eenige geestelijke autoriteit, behalve van Christus en de H. Schrift. De conferenties kunnen wel een advies geven in eenig geschil, maar zooals zij verklaren in hun confessie, dat deze conferenties „niet bezitten een kerkelijke macht in eigenlijken zin of eenige jurisdictie om eenige censuur uit te oefenen over eenige kerk of personen, of haar beslissingen op te leggen aan kerken of ambtsdragers”. Een synode heeft dus wel het recht om een kerk of de ambtsdragers, die dwaalden of zich niet aan de synode wilden onderwerpen, te vermanen, maar niet het recht om ze te censureeren of te excommuniceeren.

Nu was er in de gemeente van Rotterdam een geschil ontstaan over

|74|

de afzetting van een predikant. Andere gemeenten bemoeiden zich met dit geval, en verzochten den kerkeraad van Rotterdam de moeilijkheden aldaar gerezen te onderwerpen aan de uitspraak van de synode, met de bedreiging dat zij, wanneer zij zich niet onderwierpen aan de uitspraak dezer vergadering, van de gemeenschap der kerken zouden worden afgesneden.

Hoornbeek, die de Independenten voor de Gereformeerde kerken wilde winnen, hield den Independenten voor dat hun beschuldiging, dat de kerkregeering der Gereformeerden hiërarchisch was, geheel onjuist was, en verklaarde wat de Gereformeerden in dezen leerden. Hoe kunnen zij aanstoot nemen aan deze macht, die wij aan de synoden toeschrijven? „Staat het oefenen van de censuur tegen een wederspannige, dat men de gemeenschap met hem verbreekt, zoover af van de excommunicatie, of van de geusurpeerde macht (die gij ons toeschrijft)? Welk onderscheid is er tusschen dat buiten het kerkverband stellen, passief ondergaan, met de excommunicatie? Wie buiten de gemeenschap der heiligen geplaatst wordt, is deze dan niet geëxcommuniceerd? Of ondervindt de kerk, aldus veroordeeld tot afsnijding van de gemeenschap, niet dat er een zekere macht tegen haar is uitgeoefend? En als zij zeggen dat dit krachtige geneesmiddelen zijn, hoe komen zij tot stand zonder eenig gezag? Maar als zij zeggen, dat zij de macht der synode, die met gezag geschiedt, afkeuren, dan schijnen zij meer afkeer te hebben van de woorden dan van de zaak. Want wanneer de kerk zich onderwerpt aan het oordeel, de censuur en het vonnis van uitsluiting uit de gemeenschap, onderwerpt zij zich dan niet aan het gezag?” 1) Op bl. 670 van hetzelfde werk zegt Hoornbeek: „En de synode spreekt niet een oordeel uit over andere kerken dan de hare, dat is, die daar door hare afgevaardigden samenkomen en de gemeenschappelijke zaken aan haar oordeel onderwerpen, en dat geheel en al door vrijwillige en wederkeerige onderwerping, zoodat zij niet haar sikkel slaat in den oogst van een ander, maar de gecombineerde macht der kerken is daar gezamenlijk waakzaam voor het heil van dezelfde kerken (die hen afvaardigen) en draagt gemeenschappelijk zorg”.

Terecht zegt Dr H.H. Kuyper 2): „Aangaande de bedoeling van Hoornbeek kan dus geen de minste twijfel bestaan. Wat hij hier zegt is een argumentum ad hominem, zooals men het noemt. Hij wil hier aantoonen, dat de Independenten, die de macht om censuur te oefenen en te excommuniceeren evenals de authoritativa potestas, de met autoriteit optredende macht der synodes, ontkennen, en onze


1) Hoornbeek, S. Contr.ed. 1653, p. 669.
2) Heraut, No. 2831, „Napleiten”.

|75|

Gereformeerde kerken daarvan zelfs een verwijt maken, feitelijk hetzelfde doen met hun afsnijden van het kerkverband en dat dit wel degelijk een machtsoefening der synodes is.”

Duidelijk blijkt dat Dr van Lonkhuyzen uit het betoog van Hoornbeek een geheel verkeerde conclusie trekt, wanneer hij zegt dat Hoornbeek de term excommunicatie opvat als „een verbreking van het verband of plaatsen buiten het verband”. Het afsnijden van het kerkverband kan, zooals wij reeds boven schreven, in een bijzonder geval noodig zijn, wanneer een kerk hopeloos verdorven is, er geen middel overblijft om een kerk te doen leven naar het recht Gods, en de kerk het oordeel der synode niet erkent. Maar deze maatregel doet niets af van het recht der gezamenlijke kerken in synode vergaderd om met gezag, in den naam des Heeren een oordeel uit te spreken over ambtsdragers eener kerk, en hen te ontzetten uit hun ambt. Dit wordt ook erkend door Prof. Rutgers, op wien Dr van Lonkhuyzen zich zoo gaarne beroept. Dr Rutgers verklaart toch op bladzijde 179 van zijn werk: „De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken”: „Bij onttrekking aan zoodanig verband hebben de gezamentlijke kerken evenmin dwangmiddelen tegenover de enkele kerk, als de kerkeraad die heeft tegenover het enkele lid. Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in het verband staat; maar als de kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamentlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden.”

Het oordeel van Prof. Rutgers komt dus geheel overeen met het besluit der synode van Assen. De meerderheid der leden des kerkeraads wilde zich niet aan het besluit der synode onderwerpen maar toch in het kerkverband blijven, terwijl een minderheid in den kerkeraad met een groot deel der gemeenteleden zich tot de synode gewend had om handhaving hunner rechten, terwijl bovendien de zaak langs organisatorischen weg ter synode gebracht was. Daarom moest de synode van Assen, gebruik makende van het haar verleende recht, met autoriteit optreden, en de kerkeraadsleden, die den geschorsten en afgezetten predikant handhaafden en zich niet onderwierpen aan de synode, afzetten.

Dat de synode het recht van afzetting bezit, spreekt ook Petrus van Mastricht, hoogleeraar te Utrecht, uit 1): dat de synode niet alleen caritatieve macht bezit door raad te geven en aan te raden en van de gemeenschap uit te sluiten, gelijk de Independenten willen, maar waarlijk een eigentlijk (potestatief) magt en gezag hebbende, gelijk blijkt in het Synode van Jeruzalem, Hand. 15: 28, 29”. De synode heeft, zoo leert hij, niet alleen een dogmatische en een onderwijzende macht, maar ook


1) Beschouwende en Prakticale Godgeleerdheit III, bl. 346.

|76|

„een critische, een oordeelende macht, voorzoover ze met geestelijke straffen, vermaningen, uitbanningen, enz. tegen ketters, ergerlijken en hardnekkigen handelt volgens het Woord Gods, Matth. 18: 15—20; 1 Cor. 15: 4, 5.”

Evenzoo spreken de andere dogmatici uit den besten tijd van ons kerkelijk leven, gelijk ook Voetius niet onduidelijk getuigt. De Remonstranten bedoelden de autoriteit der synode te verkleinen, en beriepen zich daarvoor ook op Hommius, dat de besluiten der conciliën den kerken niet moeten voorgehouden worden of opgedrongen worden als mandaten der overheid en Perzische ordinantiën; maar dat de handelingen der conciliën aan alle kerken moeten gezonden worden, opdat zij naar den regel van Gods Woord zouden kunnen worden onderzocht, om gewillig doch niet gedwongen aangenomen te worden. Maar al was dit ook wel naar het gevoelen der Gereformeerden, dit neemt niet weg dat Hommius op de Dordtsche synode als zijn meening uitsprak, dat de Remonstranten uit de synode moesten weggezonden worden en dat zij uit hun geschriften moesten worden geoordeeld, en tevens dat hij medewerkte aan de afzetting van de Remonstrantsche kerkeraden.

Ook Voetius erkent, zooals wij gezien hebben, de autoriteit der synode om in bijzondere gevallen kerkeraadsleden af te zetten. Hiertegen wordt ingebracht, dat Voetius geleerd heeft dat de meerdere vergaderingen in een bepaald geschil op zijn hoogst een uitspraak kunnen doen, maar dat de gemeente de eigenlijke daad der afzetting behoort te verrichten. Dr van Lonkhuyzen zoekt zijn steun bij Prof. Rutgers, die in zijn „Rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken” ter weerlegging van Dr Kleyn, die de hiërarchische handeling van het synodaal bestuur in 1886 te Amsterdam had verdedigd, in een noot op bl. 32 schreef: Zeer zeker zegt Voetius (p. 226) dat „ingeval van wanbeheer en ongeneeslijk bederf ook zelfs de excommunicatie aan de synodale vergadering der kerken toegekend en door haar uitgeoefend kan worden”. Maar Dr Kleyn, die dat letterlijk aanhaalt, zonder iets daarbij te voegen, weet toch ook wel dat bij Voetius dan nog een paar bladzijden volgen, ten betooge, dat daarbij „aan de plaatselijke kerk haar recht en de uitoefening der kerkelijke macht moet verblijven”, zoodat als daarin nog een gezond deel over is, door dit gedeelte de eigenlijke excommunicatie geschiedt en de synode alleenlijk leiding geeft, en als zulk een kerk geheel bedorven is, de synodale excommunicatie „niet formeel is, maar eene daarvoor in de plaats komende handeling, waarbij het anathema aangekondigd wordt, met opzegging van den vrede, van de broederschap en van de speciale synodale correspondentie”. In verband met dat betoog stelt Voetius de vraag: of de bestuursmacht, ingeval van nood en van niet te reformeeren bederf, aan den kerkeraad ontnomen, en op een ander

|77|

overgebracht kan worden? En daarop is zijn antwoord bevestigend, maar wel verre van daarbij te denken aan een „op eigen hand ingrijpen van de classis” (gelijk Dr Kleyn het doet voorkomen) zegt hij juist integendeel, dat alleen de kerk (of gemeente) de bevoegdheid heeft om in zoodanig geval de bestuursmacht aan de dienaars en ouderlingen voor goed of tijdelijk te ontzeggen. Indien mogelijk gebruikt zulke kerk daarbij de hulp der synodaal met haar verbonden kerken; en alzoo „kan de bestuursmacht, die aan de gewone en eigen Dienaren is ontnomen, of althans de uitoefening, die hun tijdelijk ontzegd is, tenminste bij deze noodzakelijke handeling overgebracht worden op de ouderlingen van eene of meer kerken derzelfde synodale correspondentie, wier plaats­vervangende hulp dan slechts zoolang (tantisper) gebruikt wordt, totdat de orde gevestigd en de eigen kerkeraad hersteld is.”

Op deze redeneering van Prof. Rutgers schijnt de theorie te worden gebouwd door Dr van Lonkhuyzen 1), dat alleen de gemeenteleden het recht hebben predikanten en ouderlingen af te zetten, en dat wanneer dit geschiedt door de synode, dit een daad is van heerschappij, in strijd met het foederatief karakter der kerken. Hierbij wordt echter vergeten dat deze voorstelling independentistisch is, en door Voetius volstrekt niet geleerd wordt. Voetius behandelt hier toch de vraag, of elk deel der kerkelijke macht, zelfs de macht om te excommuniceeren aan de synode toekomt. En hij antwoordt hierop bevestigend. Wel erkent Voetius dat de macht der synode voortvloeit uit de plaatselijke kerken, die haar macht samenbrengen, en verklaart hij dat deze in synode vergaderde kerken „gewoonlijk de macht niet uitoefenen boven of buiten de plaatselijke kerk om, opdat zij niets in of omtrent haar met autoriteit uitoefenen”, maar hij zegt dan verder: „tenzij in gemeenschappelijke zaken (negotiis et causis communibus) of in geval van hooger beroep en wanbestuur, hetzij deze verwacht wordt of feitelijk reeds aanwezig is” 2). Dit wil dus zeggen, dat in het laatst genoemde geval aan de synode de macht toekomt om kerkeraadsleden af te zetten. Zij doet dit echter niet zooals een synodaal bestuur naar het collegialistisch kerkrecht doet, maar uit kracht van het kerkverband, niet buiten de gemeente om. En dit was de reden waarom Prof. Rutgers zijn opponent Dr H.G. Kleyn wees op het zoo pas aangehaalde citaat van Voetius.

Met betrekking tot de vraag, of een classis of een synode een kerkeraad of kerkeraadsleden mag afzetten, is van beteekenis wat de Zuid-Hollandsche synode in 1619 heeft gedaan. Heeft de synode alleen als haar oordeel uitgesproken, dat de Remonstrantsche ouderlingen en


1) Een ernstige fout, bl. 26, 27.
2) Pol. Eccl. I. 226.

|78|

diakenen van hun diensten moesten worden afgezet, zoodat de eigenlijke daad der afzetting door de gemeente is geschied, of heeft de synode zelve hen afgezet? De acten der synoden spreken in dezen duidelijk. De synode van Dordrecht (1618/19) ontzette alle gedaagde Remonstranten uit hunne ambten, en droeg aan de respectieve particuliere synoden op de andere Remonstranten te oordeelen 1). De afzetting moest onmiddellijk ingaan. En op grond van dit besluit der Nationale synode hebben de particuliere synoden de Remonstrantsche kerkeraden en predikanten van hun dienst ontslagen. De Zuid-Hollandsche synode van Leiden, 1619, stelde op een „copie van het formulier van de afzetting der Remonstrantsche kerkeraden om in de kerk afgelezen te worden”, waarin ook deze woorden voorkomen: „dat de ouderlingen ende diaconen, die mette voorsz. verlatene kerckendienaer tot noch toe in de kerckenregieringe gedient hebben, mede van hare tegenwoordighe diensten zullen worden verlaten, gelijckxe oock van deselve verlaten ende ontslaghen worden midts desen” 2). De particuliere synode van Edam sprak in de „copie van de acte van deportement” 3), dat de synode „volgende de ordre ende den last, in de voorschr. synode nationael gegeven”, „gelyck zy verclaert by desen, dat de voorsch. N.N. hem zal houden van nu af verlaten ende ontslagen van alle kerckelycke diensten en bedienynge, gelyck hy oock mits desen tegenwoordich wert verlaten ende ontslagen”, Het „mits desen” heeft niets te maken met de voorlezing van het vonnis voor de gemeente, ook niet met de aanvaarding of uitvoering daarvan door de gemeente, maar is een rechtsterm, waarmede wordt aangeduid, dat het vonnis dadelijk, door het besluit der synode in werking treedt.

Dr H.H. Kuyper levert in zijn artikelenreeks „Napleiten” 4) hiervoor nog een „stringent bewijs van de lippen van Voetius zelf. In Gouda leverde deze afzetting van den Remonstrantschen kerkeraad groote moeite op. De Synode zond daarom Voetius en nog een ander deputaat daarheen om met de Magistraat te spreken. Voetius nu en zijn mede-deputaat verklaren aan de Magistraat, „dat bij de orde deser Synodi de tegenwoordige kerckenraet van de Gasthuijskercke (d.w.z. de Gereformeerde kerkeraad aldaar) wyert gheautoriseert in de dienst (d.w.z. als wettig erkend door de Synode) en de andere wyert gedeponeert (d.w.z. de Remonstrantsche) geljjck oock van de predickstoel soude moeten afgelesen worden.” Het is dus bij de order der Synode, die zelf haar deputaten zond, dat de Gereformeerde kerkeraad als de wettige kerkeraad werd erkend en de Remonstrantsche kerkeraad werd afgezet.


1) Acta Syn. 1620, p. 281.
2) Reitsma en Van Veen, Acta III, bl. 406.
3) Reitsma en Van Veen, Acta II, bl. 88.
4) De Heraut, 2833.

|79|

Wat alleen nog geschieden moest, was dat dit vonnis nu van den kansel moest voorgelezen worden. Van een toestemming van de gemeente, waardoor die afzetting geschieden moest, is derhalve geen sprake. De afzetting zelve door orde der Synode was reeds een feit. Trouwens, wie het rapport, dat deze deputaten ter Synode uitbrachten, over hetgeen hun te Gouda overkomen was, leest, zal wel een heel anderen indruk krijgen, dan van een stilzwijgende toestemming der Goudsche gemeente. Toen Sonneveld, mede door de Synode naar Gouda gezonden, in de Groote Kerk preeken zou, maakten de Remonstranten een helsch lawaai om dit te verhinderen, wierpen met steenen op het portaal, slepen de messen, verzetten de banken, namen honden bij hun staart op en wierpen ze onder het volk en zongen, toen de predikant een psalm opgaf, oneerbare liedekens. De deputaten der Synode liepen zelfs bij het verlaten van het kerkgebouw levensgevaar, want er werd met steenen naar hen geworpen. En toch verklaart Dr van Lonkhuyzen, dat Voetius ons leert, dat zulk een Remonstrantsche gemeente de Remonstrantsche kerkeraad zou afzetten, want dat de gemeente alleen daartoe het recht heeft! Alsof een Remonstrantsche gemeente daartoe ooit hare medewerking verleenen zou. Men ziet, hoe de deputaten der Synode, die het vonnis der Synode hadden voor te lezen, waarbij de Remonstrantsche kerkeraad afgezet werd verklaard, te Gouda zijn bejegend.”

De afzetting van predikanten en kerkeraadsleden is dus in 1619 geschied zonder de toestemming des volks. In den regel en bij normale verhoudingen behoort de tuchtoefening, als excommunicatie, afzetting van predikanten, enz. niet te geschieden zonder de stilzwijgende bevestiging der gemeente, maar er kunnen ook gevallen voorkomen, waarin de tuchtoefening moet doorgaan, ook al geschiedt zij zonder bewilliging der gemeente, zelfs in weerwil van den tegenstand der gemeente. Voetius behandelt deze kwestie in het vierde boek (bl. 890-893), waar hij de vraag stelt, hoe een kerkeraad handelen moet, die iemand excommuniceeren wil, wanneer bijna alle leden der gemeente er zich tegen ver­zetten. Hij geeft op deze vraag dit antwoord: Ik geloof dat het in kleine gemeenten met één predikant en een klein getal ouderlingen het veiligst is, dat de kerkeraad de uitvoering en de bekendmaking van de excommunicatie uitstelt, en niet handelt zonder voorafgaand advies van de classis, of van de geheele particuliere synode. In groote kerken, waar de kerkeraad bestaat uit vele predikanten en ouderlingen, die meer ervaren zijn in kerkelijke zaken, acht Voetius het ’t veiligst, dat de uitvoering der excommunicatie uitgesteld wordt tot deputaten van de classis of synode met de bezwaarden hebben gesproken, om ze te bewegen hun verzet te laten varen. „En indien dit minder succes heeft, geloof ik dat de kerkeraad niets verkeerds zou doen, indien hij geheel deze zaak naar de classis

|80|

overbracht, opdat hij volgens zijn raad en beslissing of de excommunicatie uitstelde of uitvoerde; of liever dat de kerkeraad van de synode vroeg het vonnis der excommunicatie, en de uitvoering daarvan door deputaten uit haar vergadering, of uit die classis (waaronder de bijzondere kerk ressorteert) uit te voeren”. Voetius geeft daarvan onderscheidene voorbeelden, dat door de synodes metterdaad aldus gehandeld is, van Coolhaes, van Wiggerts, enz. In 1619, zoo zegt hij, zijn door de synode van Delft niet weinig predikanten afgezet (absque consensu populi sui, aut saltem plerorumque ex populo suo) zonder bewilliging van hun gemeente, of ten minste van het grootste deel der gemeente. „In buitengewone gevallen en wanneer de kerk in beroering is gebracht door secten, facties en verdeeldheden, kunnen de synodes of classes niet alles in zulke in beroering gebrachte kerken ordenen met de toestemming van het volk”.

De wijze, waarop Prof. Rutgers in het boek, door hem met Prof. Lohman geschreven, citaten van Voetius aanhaalt in de bestrijding van Dr H.G. Kleyn, heeft aanleiding tot misverstand gegeven, zoodat licht de indruk kon gevestigd worden, alsof de synode nooit zelfstandig met de tucht optreedt tegen kerkeraadsleden, ook wanneer een geschil organisch naar de meerdere vergadering is gebracht. Daardoor gold langen tijd in de Gereformeerde kerken als algemeen gevoelen dat de synode wel autoriteit bezat, maar niet in dien zin, dat zij in buitengewone gevallen de macht bezat om predikanten en kerkeraadsleden af te zetten en dat vonnis ook uit te voeren. De synode kon in een kwestie uitspraak doen, maar de uitvoering daarvan moest zij overlaten aan de plaatselijke kerk, of de classis in verband met de gemeente. Ook ik heb, evenals Prof. Dr H.H. Kuyper, afgaande op het gezag van Prof. Rutgers, meermalen in dien geest geadviseerd. Doch door de nadere bestudeering van de canonici, vooral van Voetius, en van de handelingen der synode ben ik tot het inzicht gekomen, dat deze voorstelling niet juist was, en eenigszins independentistisch gekleurd, en de autoriteit der meerdere vergaderingen niet genoegzaam tot haar recht liet komen.

De Gereformeerde canonici hebben volkomen juist gezien, dat het kerkverband niet tekort mag doen aan de zelfstandigheid der plaatselijke kerk, opdat deze hare volle vrijheid behouden zou om eigen zaken te doen, en te zorgen voor de bediening des Woords en der sacramenten, voor de zorg van de leden der kerk, en voor de volmaking der gemeente. Maar het kerkverband is ook daartoe bestemd, opdat de kerken op elkander goede acht geven, elkander helpen, opdat het koningsrecht van Christus gehandhaafd wordt, en de aanranding der belijdenis met raad en leiding worde tegengegaan, desnoods door met autoriteit op te treden en naar het recht van het kerkverband de ontrouwen te

|81|

vermanen en te straffen. In den regel, en bij normale verhoudingen behoort de tuchtoefening, excommunicatie, afzetting van predikanten en kerkeraadsleden, niet zonder de goedkeuring der gemeente te geschieden, maar in buitengewone gevallen, wanneer revolutionaire woelingen heerschen, wanneer de toestand der kerk geheel verdorven is, wanneer scheuring dreigt of aanwezig is, en de predikant en de ouderlingen en diakenen geen goede leiding meer geven, maar de gemeente afvoeren van het rechte spoor, moet tenslotte de meerdere vergadering met gezag optreden en de tuchtoefening doorzetten, ook al geschiedt dit zonder bewilliging der gemeente.

De Independenten merkten daartegenover op, dat de synode wel een advies kan geven, maar niet tucht mag oefenen. Desnoods zou de synode een kerkelijk oordeel kunnen uitspreken over de zonde van een andere kerk en deze verwijderen uit de broederlijke gemeenschap. Maar Voetius wijst er telkens op 1), dat deze wijze van tuchtoefening zeer onbarmhartig is, en veel erger dan wat de Gereformeerde kerken doen, die met afzetting van de ambtsdragers het bederf der kerk willen stuiten. De tucht door de synode geoefend moet dienen om het heil der kerk te bevorderen. Het welzijn der kerk, en de eere Gods is ook hier de hoogste wet. Zeker, ook kan het geval zich voordoen, dat een geheele kerk is afgeweken, en dat de synode in de noodzakelijkheid verkeert de gemeenschap met haar te verbreken, maar dit is in gewone tijden bijna ondenkbaar. Doch wanneer er bederf is ingeslopen in de kerk en de dienaar des Woords en de kerkeraad of een deel des kerkeraads, en een deel der gemeente niet gehoorzaam is aan de tucht der belijdenis, dan moet de synode aan de roepstem van het getrouwe deel gehoor geven en de afwijkenden, die naar de vermaning der kerken niet willen luisteren, afzetten.

Zoo sprak ook Prof. Rutgers 2): „wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten uit hun ambt zoolang de kerk in het verband staat; maar als die kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamenlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden”. Hier is niet alleen gesproken van predikanten, maar van kerkeraadsleden. Als bezwaar tegen het recht van schorsing of afzetting van ouderlingen en diakenen is wel eens ingebracht, dat deze alleen ambtsdragers in ééne plaats zijn en niet zooals de predikanten ook recht hebben op uitnoodiging in andere kerken op te treden. Doch deze opmerking houdt geen steek, omdat ook de ouderlingen het recht hebben als leden van kerkelijke vergaderingen gekozen te worden, omdat zij


1) Pol. Eccl. IV. 129; 134; 153; 178; 218; 227; 838; 890.
2) Rechtsbevoegdheid, bl. 179.

|82|

toezicht op de gemeente, op den predikant, op de handhaving van orde, tucht en belijdenis hebben, en omdat zij als leden van den kerkeraad vallen onder den regel, in Art. 36 der Kerkenordening gesteld, dat de classis zeggenschap heeft op den kerkeraad. Dit werd ook door Dr Rutgers natuurlijk van harte erkend. In zijn College-voordrachten, door Dr de Jong uitgegeven, lezen wij op bl. 84: „De vraag is wel eens gedaan, hoe het moet geschieden als iemand te excommuniceeren is en de kerkeraad van de kerk, waartoe hij behoort, weigert zijn medewerking te verleenen”. Nadat Rutgers gewezen had op het geval Coolhaes, gaat hij op bl. 85 voort: „Nu zou een kerkeraad, die niet meewerkte, zelf in staat van beschuldiging komen. Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later zelf een schismatieke kerkeraad worden en in kerkelijke behandeling komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot conflict, tot zijne afzetting, en tot aanstelling van een nieuwen kerkeraad. En nu is er geen overheid (zooals in het geval Coolhaes), die er zich tegen verzetten zou”.

Wij besluiten onze reeks getuigenissen uit de Gereformeerde canonici met een woord van Voetius. Hij vraagt: „Of de kerkelijke synodale macht een leer-, regeer- en tuchtmacht is?” En antwoordt: „Ja omdat deze drievoudige macht aan de plaatselijke kerken afzonderlijk toekomt, ook volgens het gevoelen der tegenstanders, derhalve komt deze macht ook toe aan meerdere kerken, die in correspondentie en in een synode vereenigd zijn, toe. Hetzelfde kan ook uit de noodzakelijkheid en het natuurrecht bewezen worden. Evenals toch aan de provincies afzonderlijk de politieke macht toekomt, zoo kan zij ook niet aan de gezamenlijke provincies, die tot een republiek vereenigd zijn, ontzegd worden”. En, zoo voegen wij hieraan toe, wanneer volgens Art. 79 der Kerkenordening aan de plaatselijke kerk het niet vrijstaat een ouderling of diaken te schorsen en af te zetten, maar daarover ook de genabuurde kerk heeft te beslissen; en wanneer een dienaar des Woords alleen mag worden geschorst en afgezet door de classis, en deze tuchtoefening alleen mag worden verricht uit kracht van het kerkverband en het recht dat de kerken zelve overeengekomen zijn, volgt dan ook niet uit het kerkverband, dat, wanneer een zaak organisch op de synode gebracht is, de synode ook met autoriteit in deze zaak mag optreden, en zoo noodig, tot de afzetting mag overgaan? Dit kan niet worden ontkend. In het verweerschrift van de Provinciale synode aan de gecommitteerden van Leicester en aan de synode van ’s Gravenhage, 1586, wordt tegenover hen, die het recht van excommunicatie der synode betwijfelden, gezegd (punt 42 en 43): dat volgens de kerkenordening van Middelburg (Art. 62) wel is uitgesproken, dat geen kerkeraad tot excommunicatie mag overgaan zonder advies van de classis „om misbruyck te verhoeden”. „Maar” zoo wordt dan verklaard:

|83|

„Maer daerom en is nyet gemeynt noch geordineert, dat een synode nationael (wanneer de kennisse van saecken hem toecompt, als in desen, vut redenen bouen gealleijeert) nyet en soude mogen doen excommunicatie sonder de Classe daer onder de Dienaer ressorteert yerst aen te sien ende haer consent te moeten hebben, soe de dagers schynen te willen sustineren: geenssins, maer veel meer ist te seggen, nadien de Synode vindet, dat een classe mach excommunicatie doen, dat soe veel te meer veel classen, ja, veel prouincien mogen tselue doen, gelyck de synode prouinciael vvt veel classen, ende de nationael vvt veel prouincien bestaet”.1)


1) Rutgers, Acta van de Ned. Synoden, 1889, bl. 584.

Bouwman, H. (1934) § 63

Hoofdstuk II. De leiding der kerkelijke vergaderingen.

 

§ 63. Het moderamen.

In elke vergadering moet leiding zijn. Er moet een voorzitter of praeses zijn, die leiding geeft, en een secretaris, die opteekent wat verhandeld wordt. Ofschoon dit eigenlijk van zelf spreekt, hebben toch de kerken in hare kerkenordeningen, die de algemeene regelen aangeven, dienstig voor de orde in het kerkelijke leven, ook over de leiding der kerkelijke vergaderingen bepalingen opgenomen.

Gewoonlijk noemen wij het college van personen, bij wie de leiding eener meerdere vergadering berust: het moderamen, een latijnsch woord, dat de beteekenis heeft van leiding, bestuur of het besturen b.v. van den staat of van paarden, of van een vergadering, en dat in het kerkelijk spraakgebruik is overgenomen.

Wie behooren tot het moderamen? In Art. 34 onzer kerkenordening worden genoemd: de praeses en de scriba. In de oudste redactie van 1571 (c. III. 2) en 1578 (Art. 35) werd ook nog gesproken van een assessor (bijzitter of helper), die den voorzitter heeft bij te staan. Maar omdat voor elke vergadering geen assessor noodig is, en voor andere vergaderingen het noodig is, dat behalve een helper van den voorzitter ook een helper van den scriba wordt gekozen, heeft de synode van 1581 het woord „assessor” weggelaten. Op een synodale vergadering, die onderscheidene dagen duurt en die vele en gewichtige zaken heeft te behandelen, is een assessor noodig om den praeses bij te staan bij de leiding of om hem in bijzondere omstandigheden te vervangen, en

|84|

daarom zou voor een synodale vergadering zulk een bepaling wel noodig zijn. Doch op een vergadering van de classis, die in den regel maar één dag duurt, waar altoos een vaste praeses is naar toerbeurt, en dus ook een opvolgende praeses, die, wanneer de praeses zelf ontbreekt, zijn plaats inneemt, is een vaste bepaling minder noodig. Een kerkeraad heeft een vasten praeses, en kan de praeses niet tegenwoordig zijn, dan treedt een ouderling, of, indien er meer predikanten zijn, een der anderen in zijne plaats volgens de plaatselijke regeling.

De functies van praeses en scriba moeten door afzonderlijke personen worden verricht. In sommige kerken is het wel eens gewoonte geweest, dat de voorzitter tevens het werk van den scriba verrichtte. Dit werd verdedigd met de opmerking, dat geen enkel lid van den kerkeraad buiten hem in staat was goede notulen te maken. Nu kan het voorkomen bij de aanvankelijke vestiging der gemeente, vooral in een onbeschaafde streek of op het Zendingsterrein, dat een ouderling nog weinig bekwaamheid bezit om het werk van een scriba te doen, en in zulke buitengewone gevallen moet wel van den regel worden afgeweken. Maar zulk een onbekwaamheid mag in eene gevestigde gemeente niet worden verondersteld. En indien het mocht gebeuren, dat er in den kerkeraad niet iemand is, die naar behooren goede notulen kan schrijven, of de correspondentie kan voeren, dan kan de predikant zijn invloed aanwenden, dat een of meer der broeders daartoe nader worden onderricht. Tijdelijk kan het volgen van een onregelmatigen weg worden aangewend om tot den gewonen weg terug te keeren. Wat abnormaal is mag nooit normaal worden geacht. Immers wanneer de voorzitter van een vergadering ook het scribaat waarneemt, is het gevaar van overheersching of eenzijdig opteekenen van het verhandelde aanwezig.

Er moet naast den praeses een scriba zijn. De scriba wordt door de kerkelijke vergadering uit hare leden gekozen. Het is op zichzelf genomen mogelijk, dat een kerkelijke vergadering een vasten secretaris aanstelt, evenals de Haagsche Synode een permanenten secretaris heeft, die geheel voor zijn werk leeft, en die geheel de administratie der synode leidt. Voor een lichaam, dat voortdurend zitting heeft en dienst doet als bestuur der kerk, is zulk een vaste secretaris noodzakelijk, maar dat is niet het geval met een Gereformeerd kerkelijke vergadering, die op gezette tijden als eene vergadering van kerken samenkomt en dan weer uiteengaat. De besluiten van deze vergaderingen worden niet uit­gevoerd door het moderamen of een ander lichaam, dat als vast college dienst doet, maar door bepaalde daartoe voor elke zaak aangewezen personen. De werkzaamheden van het moderamen houden op met het eindigen der vergaderingen.

De scriba van den kerkeraad moet lid des kerkeraads zijn. Het is niet

|85|

aanbevelenswaardig om een vasten scriba van den kerkeraad te hebben, die niet ouderling is. De kerkeraad kan wel een of meer personen benoemen, die geen lid van den kerkeraad zijn, om in het beheer of in de administratie der kerk dienst te doen, evenals de kerkeraad benoemt een opzichter over de gebouwen, een koster, enz., maar een scriba, die alle handelingen van den kerkeraad medemaakt, ook de intiemste (ook allerlei tuchtgevallen), en de besluiten des kerkeraads moet formuleeren, dient lid van den kerkeraad te zijn. Er kan geen bezwaar zijn om een ouderling van een deel van het andere werk, dat tot het ambt der ouderlingen behoort, vrij te stellen. Immers hij blijft, ook wanneer hij van een deel van het huisbezoek wordt ontheven, opziener in de vergadering des kerkeraads en bij de bediening des Woords. Ook is het geheel onnoodig, dat een kerkeraad een secretaris, die geen kerkeraadslid is, aanstelt. Onmisbaar is geen mensch. En zoo de aftredende ouderling een zeer bekwaam man is, die de kerkeraad voor het beheer van het archief of voor andere werkzaamheden noode zou missen, zou de kerkeraad hem die bijzondere werkzaamheden, die niet noodzakelijk met het scribaat verbonden zijn, kunnen opdragen. Al heeft dus het werk van een scriba overeenkomst met dat van een of ander publiek college, het is daarmede niet op één lijn te stellen, wijl het een werkzaamheid is in eene kerkelijke vergadering.

De taak van een scriba is „om naarstiglijk op te schrijven ’t gene waardig is opgeteekend te zijn”. Dit opteekenen is noodig, 1º om te weten wat besloten is, en om de besluiten voor het nageslacht te bewaren en 2º om te voorkomen, dat later onnoodig over dezelfde zaak gehandeld wordt. Genotuleerd moet worden wat waardig is opgeteekend te worden. In vele gevallen is het van beteekenis om den gang der discussie op te teekenen, maar een getrouwe vertolking van wat besproken is, is zeer moeilijk. Noodzakelijk is het evenwel, om de besluiten eener vergadering met de gronden, waarop zij rusten, in de acta op te nemen. Wanneer een scriba in staat is om de hoofdmomenten van het debat op te teekenen, zou dit zeer aan te bevelen zijn, omdat op deze wijze de lezers later eenigszins met de vergadering kunnen medeleven. Doch wanneer men meer opteekent dan de besluiten eener vergadering, dient men zeer voorzichtig te zijn. Het heeft in den regel weinig nut mede te deelen wat deze of gene gezegd heeft, en het kan, vooral wanneer er gehandeld wordt over personen, wel eens veel kwaad doen. Indien al wat gesproken wordt stenographisch wordt opgeteekend, en de sprekers de opgeteekende woorden later voor hun rekening ge­nomen hebben, geeft het verslag de objectieve waarheid weder. Veelvuldig echter doet zich het geval voor, wijl de sprekers niet voor de tribune spreken, maar hun gevoelen over eene zaak vertolken, dat de

|86|

leden der vergadering door het debat tot andere gedachten gekomen zijn, en in dit geval heeft zijn vroeger gesproken woord in den regel zijn beteekenis verloren. Bovendien zouden, wanneer alles opgeteekend werd, de acta veel te groot worden, terwijl, wanneer de hoofdzaak weergegeven werd, er licht een verkeerde indruk gevestigd kan worden. Daarom is het wenschelijk, dat men in de acta zich beperke tot hetgeen besloten is. Het komt vooral aan op de besluiten zelf, en op de gronden waarop zij rusten.

De besluiten van eene kerkelijke vergadering worden gewoonlijk met den naam acta, d.i. het volbrachte, de handelingen of daden, aangeduid. Men zou ook het woord decreta of beslissingen kunnen gebruiken, maar dit woord, dat in de pauselijke kerk gebruikt wordt om rechtsbeslissingen van den paus of de concilies aan te duiden, is in de Gereformeerde kerken niet inheemsch. Het woord handelingen heeft een eenigszins breedere beteekenis, en duidt aan alles wat een kerkelijke vergadering verricht, zooals blijkt uit Art. 32 der Dordtsche kerkenordening: „De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping van den naam Gods aangevangen, en met dankzegging besloten worden.”

Het woord notulen, d.i. aanteekeningen of schriftelijk verslag van hetgeen behandeld is in eene vergadering, kan ook worden gebruikt, maar dit duidt aan niet alleen de opteekening van de besluiten eener vergadering, maar tevens de voornaamste punten uit de discussie. Om die reden is het woord „acta” voor de besluiten eener meerdere kerkelijke vergadering, speciaal voor eene synode, in gebruik genomen.

Het is een goede gewoonte, dat op de vergaderingen van den kerkeraad en van de classis, vóór de werkzaamheden aanvangen, de besluiten der vorige vergadering worden gelezen en goedgekeurd. Op de vergaderingen der synoden evenwel worden de besluiten nog tijdens de zittingen gearresteerd. Dit is noodig, omdat elke kerkelijke vergadering het recht en de bevoegdheid heeft hare eigene besluiten te controleeren en tevens omdat de besluiten terstond na afloop in werking treden, tenzij de vergadering zelve daarover anders heeft besloten.

Bouwman, H. (1934) § 64

§ 64. Het ambt van den praeses.

Het ambt (de taak of de werkzaamheid) van den praeses bestaat volgens Art. 35 der Dordtsche kerkenordening 1) in deze drie stukken:


1) Dit artikel, dat in hoofdzaak reeds op de synode van Emden (Aanhangsel c. III) werd geredigeerd, werd in de Acta van Middelburg (1581, art. 26) nader geformuleerd, en daarna door de volgende synodes overgenomen, zooals de redactie van de huidige kerkenordening luidt.

|87|

1. In het voorstellen en verklaren van de zaak, waarover gehandeld wordt. Hij moet dus vooral weten wat aan de orde is, en het agendum zoo inrichten, dat de vergadering ordelijk kan verloopen. Hij behoort zich vooraf goed op de hoogte te stellen van wat ter tafel zal komen, en daarna bij elk punt de zaak, waarover gehandeld zal worden, duidelijk voor te stellen en toe te lichten. Dit is geen gemakkelijke taak. Hij moet leiden, niet willen overheerschen, niet zijn gevoelen opdringen aan de vergadering, maar de vergadering vrij laten in het bespreken van een zaak, die aan de orde is. Hij moet zelf zoo weinig mogelijk spreken, het debat niet noodeloos rekken, en het geschikte oogenblik weten aan te grijpen om het verhandelde saam te vatten en over de voorstellen te laten stemmen. Vooral in een groote vergadering is dit moeilijk. Een praeses moet zijn een man van een rustig karakter, van een helder inzicht en van een vasten wil. Hij moet zichzelf weten te beheerschen, en een rustige en tevens besliste leiding kunnen geven, zoodat het blijkt, dat hij de zaak, die aan de orde is, beheerscht. Naast de scherpte van oordeel behoort hij de gave te hebben om zich duidelijk uit te drukken. Voorts moet hij in zijn persoon en in de wijze van leiding het vertrouwen van de vergadering weten te winnen. Gemis aan vastheid en tact van leiding is tot groote schade van den goeden gang van zaken.

2. In de tweede plaats heeft de praeses toe te zien, dat een iegelijk zijne orde houdt in het spreken. Om deze taak naar behooren te verrichten moet de praeses zich zelf aan de orde houden, en niet dan noodig aan de bespreking deel nemen. In een vergadering van den kerkeraad met één predikant is dit niet altoos mogelijk, wijl de leden des kerkeraads niet altoos met het kerkrecht vertrouwd zijn, en een nadere toelichting en een juiste voorstelling der zaak steeds noodig kan zijn, maar overigens is de praeses niet alleen leidsman, maar tevens dienaar der vergadering. Maar op de meerdere vergaderingen beperke de praeses zich tot de leiding der vergadering.  Zeer juist is het gezegd door de regeling van de Free Church van Schotland: „Het is hem niet geoorloofd, deel te nemen aan de discussies, terwijl hij den voorzitterszetel inneemt, maar hij kan vragen zijn zetel te verlaten om zijn meening te zeggen. Wanneer zijn verzoek is toegestaan, wordt de zetel ondertusschen bezet door zijn plaatsvervanger” 1). Hij neemt in dat geval dus deel aan de discussies niet als praeses, maar als lid der vergadering. Hij dient dus als praeses te zorgen, dat een iegelijk zich houde aan de orde in het spreken, dat er alleen gehandeld worde over de zaak, die aan de orde is, dat een ieder op zijn beurt spreke, en dat de sprekers


1) Art. 16, Ch. II van de Practice of the Free Church.

|88|

zich houden binnen de grenzen der welvoegelijkheid. Is na het spreken in eerste instantie de zaak nog niet rijp voor de beslissing, dan geve hij voor de tweede, en desnoods nog voor de derde maal het woord. En eindelijk is zijn taak, de kwestie duidelijk geformuleerd in stemming te brengen. Zijn er onderscheidene voorstellen, dan behoort hij te onderscheiden, welk voorstel van de verste strekking is, en in verband hiermede de vergadering in de gelegenheid te stellen over de verschillende voorstellen naar een bepaalde orde te stemmen.

3. In de derde plaats is het de taak van den praeses: de knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken, te bevelen, dat zij zwijgen, en over dezelve, geen gehoor gevende, de behoorlijke censuur te laten gaan. Aan den voorzitter eener kerkelijke vergadering wordt hier groote macht toegekend. Het is noodig, dat de praeses, om de orde in de vergadering te handhaven, het recht heeft om de knibbelachtigen (Lat. acriores), die nog al scherp zijn, en daardoor prikkelen, benevens die te heftig zijn of de strijdlustigen en twistzoekers (Lat. contentiosi) te bevelen (Lat. imperare), dat zij zwijgen. En wanneer zij aan de vermaning van den voorzitter geen gehoor geven, heeft hij het recht over hen „de behoorlijke censuur te laten gaan.” Dit woord censuur heeft hier geen betrekking op den toegang tot het Avondmaal, maar bedoelt alleen een bestraffing over degenen, die in de vergadering scherp zijn in hun optreden en die al te strijdlustig zijn. De synode van Emden voegde hier zelfs bij, dat de praeses een hinderlijk lid eener vergadering kan gebieden uit de vergadering te gaan, opdat de vergadering zelve oordeele of en hoe zulk een lastig lid moet worden gestraft.

De wijze waarop dit artikel geformuleerd is herinnert onwillekeurig aan de wijze, waarop op eene politieke vergadering gehandeld werd. Dat het wel noodig was om aan den praeses dat recht toe te kennen, blijkt uit de vele classicale regelingen of leges. In eene regeling van de classis Leeuwarden, gearresteerd 6 Sept. 1669, heet het: „Elk lid der vergadering zal gehouden zijn den praeses behoorlyk respect en gehoorzaamheid toe te dragen; doch indien iemand volgens iudicature der vergadering zich hiertegen quam te vergrijpen, zal terstond wtgaen en met exclusie wt de vergadering met een jaar gestraft worden. Inter colligenda vota (onder het verzamelen der stemmen) zal ieder met behoorlijke modestie ende respect aan de vergadering altoos syn advies overgeven. Ende om sulx te doen, sal elck, terwijl hij syn advies geeft, geholden syn, syn hoed af te nemen en af te houden ter tijd toe, dat hy zyn advies geëindigd heeft; de delinquent hiertegens zal telkens door yder inbreuck met 2 st. gestraft worden. Indien yemant int voteeren sich hevig mochte komen aen te stellen, sal de Eerw. vergadering oordeelen, of zoodanige persoon niet voor gepassioneerd sy te holden, en

|89|

wanneer het oordeel zoodanig valt, zal diezelfde geholden syn als partie buyten te staen; so lang die saek geurgeert wordt en geheellyk gesloten is. Terwijl yemant voteert, zal niemant gehoorlooft syn hem in te spreken by poene van voor de sessie ut de vergadering gesloten te worden.” Het gebeurde in Friesland niet zelden, dat de orde op de vergaderingen te wenschen overliet. „Het was geen zeldzaamheid, dat personen de vergadering binnendrongen, niet ongehoord, dat buiten de kerk of consistoriekamer eene menigte straatslijpers samenschoolde, belust om tegenwoordig te zijn bij het schandaaltje daarbinnen, of dat de broeders handgemeen raakten, om van schooljongensmisdrijven, als van zijn plaats gaan, elkander beknibbelen en „inspreken”, het losscheuren van bladen uit het Actenboek, het wegnemen van den sleutel der classis-kast, toebak rooken e.d. te zwijgen” 1).

Ook in lateren tijd is het wel voorgekomen, dat een vergadering onordelijk verliep. En het hangt in moeilijke tijden, wanneer de gemoederen geprikkeld zijn, veel af van de leiding van den voorzitter, dat onordelijkheden niet voorkomen. Zijn objectieve leiding, zijn besliste en rustige houding, zijn vermanend en ernstig woord, dat in kritieke tijden de vergadering stelt voor de majesteit van God en Zijn Woord, zal de goede uitwerking niet missen. Het zal niet vaak gebeuren, dat een praeses zich ernstig vergrijpt aan de orde, maar indien dat het geval mocht zijn, kan het moderamen vermanend optreden, of kan de vergadering zelve onder leiding van den assessor orde op zaken stellen.

Hoe lang duurt het ambt van den praeses? Art. 35 der K.O. antwoordt hierop: „Zijn ambt zal uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt.” In de acta van Emden wordt voor ambt het woord officium, in de acta van Middelburg: functio gebruikt. De bedoeling is dat de werkzaamheid van den praeses geëindigd is, wanneer de vergadering uiteengaat.

De Gereformeerden hebben van den beginne den regel gevolgd, dat voor elke synodale vergadering een praeses gekozen wordt. In eene kerk, waar slechts één predikant is, bekleedt, volgens de orde der kerken (Art. 37), de dienaar des Woords het presidium. Zijn er meer dienaren des Woords, dan presideeren zij bij beurte. Kan geen enkele predikant aanwezig zijn, dan wordt een der ouderlingen tijdelijk als praeses aangewezen. In eene vergadering van de classis geldt, dat de dienaren bij beurte, volgens een vastgestelden regel, den voorzitterszetel innemen, of dat iemand door de vergadering daartoe gekozen wordt, „zoo noch­tans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden.” Bij een synodale vergadering wordt iemand door keuze als voorzitter


1) Dr S. Cuperus, Kerkelijk leven in Friesland I. 46; E.J. Diest Lorgion, N. Herv. Kerk in Friesl., bl. 186.

|90|

aangewezen. Het bekleeden van het voorzitterschap bij toerbeurt is op een synode niet mogelijk, omdat niet elk predikant voor dezen arbeid de capaciteiten bezit. Voorts moet zulk een gewichtige vergadering, die de kerken van eene provincie of van een land vertegenwoordigt, vrij zijn in de keuze van den leidsman.

Het ambt van den praeses duurt slechts zoolang de vergadering duurt. Dit kan naar Gereformeerde beschouwing niet anders zijn, want de vergadering eener classis of synode is geen permanent college, maar duurt slechts een of meer dagen, en is geëindigd, wanneer de zaken, waarvoor zij is samengekomen, behandeld zijn. Men heeft dit willen voorkomen door de oud-praeses praeses te laten, maar dit is onmogelijk, want er is geen vergadering. Een classis of synode kan wel aan een praeses of aan de leden van het moderamen bepaalde zaken ter uit­voering opdragen, maar zij doen dit dan niet als praeses of leden van het moderamen, maar als deputaten, die niets anders mogen doen dan wat hun opgedragen is, en die op een volgende vergadering daarvan rapport hebben uit te brengen.

De praeses is dus voorzitter zoolang de vergadering zitting heeft, niet buiten of na de vergadering. In sommige kerken, o.a. in de Free Church van Schotland en in de Gereformeerde kerk in Amerika heerscht de gewoonte, dat de waardigheid van den praeses duurt van de eene synode totdat de volgende synode is samengeroepen, op welke een nieuwe praeses gekozen wordt. Hierin zit een hiërarchisch beginsel. Dit heeft ook de Free Church wel gevoeld, want zoo heet het in The Practice of the Free Church (ch. IV. 25): „Strikt gesproken bestaat zijn ambt niet na het uiteengaan van die synode, welke hem tot hun moderator heeft gekozen”. Wil men dan ook een vasten gang houden in het kerkelijk leven, met vermijding van alle hiërarchie, dan wijze de vergadering vóór het uiteengaan een kerk aan, die volgens een bepaalde opdracht een volgende vergadering samenroept, en bij welke het adres van de eventueel te houden classis of synode is.

Om alle hiërarchie te voorkomen, hebben de Gereformeerden den regel gesteld, dat er geen vaste praeses van de meerdere vergaderingen mag zijn. Geen bisschop, die met gezag boven de andere dienaren des Woords staat, mag in de kerk gevonden worden. Alle kerkedienaren zijn principieel gelijk in waardigheid en macht, en niemand mag zich een heerschappij over een ander aanmatigen. Duidelijk is dit in de Gereformeerde Confessies uitgedrukt, gelijk de Ned. Geloofsbelijdenis (Art. 31) geheel in overeenstemming met de Fransche Geloofsbelijdenis van 1559 (art. 30) en de Conf. Helvetica posterior (XVIII. 16) zegt: „En aangaande de dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij eene zelfde macht en autoriteit, zijnde altegader Dienaars

|91|

van Jezus Christus, den eenigen algemeenen bisschop en het eenige hoofd der kerk.” Het argument, dat reeds in de oudste tijden der kerk naast de presbyters en de herders ook de episcopen als een hoogere klasse van ambtsdragers optreden, beantwoordt Calvijn zoo, dat de H. Schrift de woorden episcopi, presbyteri, pastores en ministri zonder onderscheid gebruikt. 1).

Uit dit beginsel vloeide voort, dat een en dezelfde persoon niet tweemaal achtereen voorzitter eener classis of synode moest zijn, terwijl mede van uit dat beginsel een permanente leidsman van een provinciale of landskerk, zooals de Luthersche superintendent, werd veroordeeld. Calvijn, die dit beginsel klaar heeft uitgesproken, heeft echter in een zeer bijzonder geval zulk een soort superintendentschap in Polen gebillijkt. Toen koning Sigismund August van Polen in zijn land de reformatie wilde invoeren, zond Calvijn aan den koning 5 Dec. 1554 een brief, waarin hij waarschuwde tegenover de listen van de Roomsche hiërarchie, en vermaande om nooit de reformatie der kerk te beginnen naar den wensch van den paus. „De oude kerk stelde weliswaar patriarchaten in, en kende aan sommige kerkelijke provinciën zekere primaatrechten toe, opdat de bisschoppen door dezen band der eendracht beter onder elkander verbonden zouden blijven. Indien soms heden aan het hoofd van het Koninkrijk Polen een aartsbisschop stond, niet om over de anderen te heerschen, of om zich de hun ontroofde rechten aan te matigen, maar om terwille van de orde op de synoden de eerste plaats in te nemen, en de heilige eenheid tusschen zijne collega’s en broeders te begunstigen, dan zouden er provinciale of stadsbisschoppen zijn, die in het bijzonder bedacht waren op de orde der kerk. Gelijk ook de natuur dit leert, zou er dan uit de afzonderlijke colleges een gekozen moeten worden, aan wie de voornaamste zorg werd opgedragen. Maar het is geheel iets anders zulk een beperkt eerambt te bekleeden, zoover het natuurlijk in de menschelijke kracht ligt, dan de gansche aarde in een onmetelijk rijk samen te vatten.” Calvijn vond het in dit bijzondere geval goed, een soort bisschop in Polen aan te stellen, maar niet op Roomsche wijze. Zoo zijn ook in Schotland en in Emden en in de Londensche vluchtelingengemeente een tijdlang superintendenten geweest, doch tegen den zin der Gereformeerden. In Hongarije heeft in vroegeren tijd, toen de Gereformeerden verdrukt werden, het ambt van bisschop gezegend gewerkt, wijl hij was de band tusschen wat uiteengeslagen lag.

Maar al deze gevallen behooren tot de uitzonderingen. De afkeer van en de vrees voor de hiërarchie is steeds zoo groot geweest bij de


1) Inst. IV. 3, 8.

|92|

Gereformeerden, dat zij zelfs als regel stelden, dat dezelfde predikant niet tweemaal achtereen als praeses mocht worden verkozen. Zoo ergens — zegt Voetius 1) — past hier het spreekwoord van Plautinus: „De vlam is wel het naast aan den rook, nochtans kan door den rook niets verbrand worden, maar wel door de vlam.” In onze kerkenordening is dat voor de classicale vergadering als regel gesteld (Art. 41). Voor de synodale vergadering werd zulk eene bepaling niet gemaakt. Wel hier en daar in het buitenland. In de Discipline Ecclésiastique du Pays de Béarn (T. V. art. 5) werd bepaald 2): „hij die de handeling zal leiden op de Synode, zal niet voor dezelfde waardigheid op twee opvolgende synoden verkozen worden, opdat het niet schijnt, dat hij een zekeren voorrang heeft onder de dienaren”. De synode van Emden (1571, Art. 6) bepaalde: „Het ambt van den praeses neemt een einde zoodra de synode hare werkzaamheden eindigt; het zal echter de eerstvolgende Provinciale (en dus ook de Generale) Synode vrijstaan of denzelfden of een anderen praeses te verkiezen.” Gebeurde het een enkele maal (zooals dit het geval was met Gaspar van der Heyden), dat twee opvolgende synoden, die van Emden, 1571, en die van Dordrecht, 1574, door denzelfden persoon werden gepresideerd, en zooals ook de voorloopige synoden van de Ned. Gereformeerde kerken te Leeuwarden (Juni 1890), te ’s Gravenhage (Sept. 1891) en te Amsterdam (Juni 1892) telkens werden gepresideerd door Dr A. Kuyper, dit werd altoos als een uitzonderingsgeval beschouwd. Terecht zegt Prof. Rutgers 3): „Bij Synoden, die slechts zelden bijeenkomen, en die dan een veel beperkter werkkring hebben, en die minder onmiddellijk met het practische leven te doen hebben, en waartoe Classen of Provinciën ieder hare meest geschikte Dienaren afvaardigen, was wel weinig gevaar, dat er weer een soort bisschopszetel komen zou. En daar nu een beginsel van ons kerkrecht is, dat de meerdere vergaderingen nooit zonder noodzaak beperkende bepalingen maken, is het waarlijk niet vreemd, maar eerder zeer begrijpelijk, dat men in de keuze van een praeses de Synode vrij liet. Natuurlijk werd nu echter met die vrijheid niet bedoeld, dat voortdurende herkiezing als het ware regel zou worden. Integendeel, afwisseling werd zeer zeker wenschelijk geacht. Wanneer de synode, als bij uitzondering, den vorigen praeses wederom als zoodanig benoemt, dan moet zij daarvoor een bepaalde en genoegzame reden hebben.”


1) Pol. Eccl. IV. 201.
2) Rieker, Grundsätze, S. 118.
3) Heraut No 782; Kerkel. Adviezen I. 295.

Bouwman, H. (1934) § 65

|93|

§ 65. Het gebed bij het openen en sluiten der vergaderingen.

Om de eenheid en den goeden gang bij de leiding der kerkelijke vergaderingen te bevorderen, hebben de Gereformeerden hier te lande noodig geoordeeld bepalingen te maken over de noodzakelijkheid des gebeds bij het openen en sluiten dier vergaderingen. Reeds werd op de Emdensche synode (Aanh. c. 2) bepaald: „Als zy dan alzoo vergadert zyn, zoo zal de Dienaar der Plaatse, ofte soo daar geen is, die in de laatste verzameling gepraesideert heeft, het gebedt doen, om eenen Praesident en eenen Helper, en eenen Schryver te verkiezen”; terwyl daarna „de praesident verkooren zijnde zal een gebedt doen, tot den ganschen handel dienende”. Later is dit meer in algemeene bewoordingen omschreven, zoodat van 1581 af deze bepaling gold: „De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping van den Naam Gods aanvangen, en met eene dankzegging besloten worden” 1).

Het gebed is een spreken tot God. Wij stellen ons in het gebed voor Gods aangezicht om Hem te prijzen als den volzaligen en algenoegzamen God, die al onze hulde en aanbidding waardig is, om Hem te erkennen als de bron van alle goed, van Wien wij in alles afhankelijk zijn, zonder Wiens hulp en gunst ons werk niet kan gezegend zijn.

Niet alleen stellen wij ons in de eenzaamheid voor Gods aangezicht om voor Hem het hart uit te storten, om in Zijn gemeenschap getroost te worden in alle droefenissen en gesterkt te worden voor onze levensroeping, en Zijn hulp en heil voor ons af te smeeken, maar het is ook de behoefte van het geloovige volk om in de samenkomsten der gemeente en de kerkelijke vergaderingen voor Hem ons te verootmoedigen, Zijn zegen te vragen en Hem te danken, te aanbidden en te prijzen.

Het gemeenschappelijk gebed wordt ons in de H. Schrift voorgesteld als een onmisbaar deel van den openbaren dienst der gemeente. De heiligen van Oud- en Nieuw Testament vereenigden zich in gebed en dankzegging voor ’s Heeren troon, en de heilige apostel Paulus vermaant dat voor alle dingen gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen, en verklaart dat de vermenigvuldigde dankzegging strekken moet om door het danken voor de ontvangene genade den roem en de eere Gods te verhoogen.

Daarom hebben ook wij ons bij het begin en het einde van de kerkelijke vergaderingen voor den Heere te stellen om Hem te smeeken om zijn licht, leiding en gunst, om Hem lof en eere te brengen voor al wat


1) Syn. 1581, Art. 24; 1586, Art. 30; 1618/19, Art. 32.

|94|

Hij schonk, en om van Hem te vragen dat Hij onzen arbeid doe strekken tot heil van Gods gemeente, de verheerlijking van Zijn Naam, en de komst van Zijn Koninkrijk. Wij belijden toch, dat wij van onszelven onbekwaam zijn om iets goeds te denken of te doen, dat wij in alles, bovenal in de zaken van Gods koninkrijk, zonder Zijn bijstand en genade niets goeds zullen kunnen bereiken of verrichten, en het is onze innige overtuiging, dat, wanneer Hij Zijn gunstrijk aangezicht over ons doet lichten en ons getrouw en bekwaam maakt, onze arbeid zal strekken tot den opbouw van Sion, de komst van Zijn koninkrijk en de glorie van Zijnen Naam.

Het gebed in eene vergadering draagt een eenigszins ander karakter dan dat van een persoonlijk gebed. Ook het gebed in eene vergadering kan wel zijn een uitgieting der ziel voor God, maar het kan toch niet die intimiteit en innigheid bezitten, welke het bidden in de eenzaamheid kenmerkt. Op de vergaderingen zal de zaak, die de bidders samenbrengt, vanzelf alle geestkracht tot zich trekken. De bidder is niet de tolk van eigen behoeften, maar van de vergadering, waarvan hij de mond is. Het gebed moet gestemd zijn in dien toon, dat allen die het hooren mee kunnen bidden en danken. De bidder moet priesterlijk zijn aangedaan en in de gemeenschap met het volk, waarvan hij de tolk is, in de ge­meenschap der liefde voor God verschijnen, opdat degenen, die hem hooren, opgeheven worden in de gemeenschap met God, en zelf mede bidden, loven en danken. Het gebed in eene vergadering, hoe teeder en innig het ook moge zijn, moet zich concentreeren om de zaak, die de aandacht der vergadering boeit, en dus een eenigszins voorwerpelijk karakter dragen. Om die reden is de vraag gedaan, welk gebed het meest passend is in eene kerkelijke vergadering, het vrije gebed of een formuliergebed.

Over het algemeen is men thans van oordeel, dat het vrije gebed te verkiezen is boven de formuliergebeden,

1. omdat deze voor bijzondere gelegenheden pasklaar gemaakt zijn. Reeds in de oude kerk werden voor den eeredienst formuliergebeden voorgeschreven om de eenheid in de godsdienstige handelingen te bewaren, om de zuiverheid der leer te handhaven en om het gemis aan geestesgaven van sommige voorgangers tegemoet te komen. Dezelfde redenen noopten ook de kerken der reformatie om formuliergebeden op te stellen. In sommige kerken, o.a. de Episcopaalsche kerk in Engeland, was een bepaalde vorm van gebeden volgens het Common Prayer Book verplichtend, terwijl in andere Gereformeerde Kerken, van Nederland, Schotland, Frankrijk, Zwitserland en Duitschland, ook wel formu­lieren voor het gebed in de kerken en op de vergaderingen werden gebruikt, maar nimmer verplichtend gesteld. Het convent van Wezel liet

|95|

den voorganger vrij om een gebed uit te spreken „of naar de ingeving des Geestes of indien hij wil, door het formulier van de kerk van Genève of van eenige andere kerk zich voor te stellen” (c. 2, 27). De gewone gebeden, welke tegen het einde van de preek werden uitgesproken, moesten echter „zoo geschikt mogelijk in verband worden gebracht met het onderwerp, dat in de predikatie is voorgesteld”, „opdat langs dezen weg de zaak zelve te dieper in de gemoederen der hoorders beklijven moge en tegelijk door de minder ervarenen verstaan worde, welk gebruik bij het bidden van de Schriften te maken is.” De synode van Dordrecht (1574, Art. 42) schreef eenerlei vorm van kerkgebeden voor, met de bijvoeging dat de Dienaren „cortelick ende wijsselick daer inne voeghen dat de tegenwoordighe noodt eijsschen sal.” Maar de latere synoden gaven zulk een bindende bepaling niet. De synode van Dordrecht in 1618 nam zelfs een vraag van drie provinciën Gelderland, Zuid-Holland en Overijssel, of er geen eenparigheid moest zijn in het gezang en in de gebeden in de kerken, niet in behandeling. 1)

Reeds spoedig kwam er verzet tegen het gebruik der formuliergebeden. Hadden de kerken het gebruik der formuliergebeden in de vrijheid der voorgangers gelaten, er kwam weldra verzet, omdat in het stadhouderlooze tijdperk de regenten aan de predikanten voorschreven te bidden voor de Staten der Provinciën „als zijnde: de eenige, ontwijfelbare souverain en, naast God, de eenige overheid dezer Provintie”, terwijl ook anderen zich ergerden aan den sleur, waarmee de gebeden werden aangehoord en uitgesproken. Jacobus Koelman had een afkeer van het lezen van de kerkelijke formulieren en van de formuliergebeden, en noemde ze „geleende en geschilderde woorden”, meer met het geheugen dan met het hart gebeden, zonder den drang of de passie van eene Hanna, daar de woordjes te voren reeds opgesteld waren. Het Formulier-bidden is in strijd met den aard en het wezen van het gebed. Het doodt alle devotie, en verslapt alle genegenheden en bewegingen des gemoeds 2). Zij, die zwak zijn in het geloof, hebben noodig te bidden dat God hun in hunne zwakheden te hulp kome en leere bidden. Ook Ravensteyn was geen voorstander der formuliergebeden, ofschoon hij „de driftige pogingen en liefdelooze veroordeelingen van sommigen, die ze uit de kerken wilden verbannen, misprees.” Hij meende dat men ze „met stichting en vrucht konde gebruiken, mits dat ze zoo van de voorbidders als van de medebidders, de gemeenten, met een gepasten eerbied en kerkelijke aandoeningen en niet als sleurgebeden, zonder hart en geest, alleen met den monde en de lippen werden uitgesproken.”


1) Dr H.H. Kuyper, De Postacta, bl. 134.
2) Reformatie noodig omtrent het gebruik der Formulieren, bl. 18, 101.

|96|

Ook Voetius was geen voorstander van het verplicht gebruik der formuliergebeden, zonder meer. Wel beval hij het gebruik der formuliergebeden aan voor hen, die in de kennis der geestelijke dingen nog kinderen zijn, of die nog weinig geoefend waren in de kunst van bidden, of die vreezen tengevolge van allerlei inwerpselen van Satan. Noodzakelijk zijn de formuliergebeden alleen als de toestand der kerk of het onvermogen van den dienaar ze eischen, maar het vast gebruik zou leiden tot een onderdrukken der gaven 1).

Trouwens reeds in de 17e eeuw werd geklaagd over de opgepronkte, algemeene en profetische woorden en uitdrukkingen, die donker waren en zwaar om te verstaan, en over gebeden, die een ijdel verhaal van woorden bevatten, en daarom waren velen, o.a. Johannes Hoornbeek, ijverige voorstanders van de formuliergebeden. In de 18e eeuw geraakten de formuliergebeden meer in onbruik.

2. In de tweede plaats wordt voor het gebruiken van de formuliergebeden aangevoerd, dat men daardoor bewaard wordt voor uitweidingen, die niet passen voor bijzondere gelegenheden. In het persoonlijk gebed komen in den regel eerst de persoonlijke behoeften en die van het gezin, en daarna die van het Koninkrijk Gods naar voren. Maar in het voorgaan voor eene vergadering heeft de bidder zich ernstig rekenschap te geven welke bepaalde nooden en behoeften op dien tijd, op die plaats, in dien kring tot bidden dringen. God is een God van orde. Het is iets geheel anders of iemand als huisvader zijn gezin voorgaat in den gebede, dan of hij geroepen wordt voor te gaan in de vergadering van den kerkeraad, de classis of de synode. Wanneer iemand op eene vergadering geroepen wordt te bidden, dan moet hij de tolk zijn van die vergadering, en moet hij zoo bidden, dat de vergadering met hem mee kan bidden. En daarvoor zijn de formuliergebeden bijzonder geschikt. Onze formuliergebeden zijn voorbeelden hoe men bidden moet. Zij munten uit door kernrijke kortheid en geestelijke kracht.

3. In de derde plaats zijn de formuliergebeden aan te bevelen, opdat de persoonlijkheid des bidders in bijzondere gevallen niet te sterk op den voorgrond trede. De voorganger is ook een mensch en loopt gevaar, wanneer in een vergadering een sterk verschil van gevoelen openbaar wordt, zijne meening in het gebed te laten werken. En zulk een wijze van bidden zou niet stichten, zou een wrevelige en zondige stemming kunnen opwekken. Het gebed is een heilige handeling en mag nooit gebezigd worden om broeders, die een ander gevoelen over eene zaak zijn toegedaan, te treffen. En mede daarom kan het aan te bevelen zijn om,


1) Pol. Eccl. I. 484 v.

|97|

wanneer eene vergadering onrustig verliep, een formuliergebed te gebruiken.

Doch al moge het in sommige gevallen aan te bevelen zijn, een formuliergebed te gebruiken, dit is niet altoos het geval. Er leven in eene vergadering soms bijzondere behoeften om eene zaak den Heere op te dragen, om licht en wijsheid te vragen, om in grooten nood uitkomst te smeeken, of om God voor Zijne rijke genade te danken, en deze kunnen niet genoegzaam vertolkt worden door een vroeger vastgesteld formuliergebed. Ook kan het gevaar niet vermeden worden, dat het geregeld lezen van formuliergebeden op eene kerkelijke vergadering, die dagen achtereen gehouden wordt, werktuigelijk en met weinig bezieling wordt aangehoord.

In elk geval mag nooit worden vergeten, dat het gebed op eene vergadering gericht moet zijn op de zaak, die de harten vervult. Het gebed moet gespeend zijn aan alle mooidoenerij en aan ijdele woordenpraal. Niet door een veelheid van woorden, maar door soberheid, eenvoud, waarheid en bezielende kracht des gebeds wordt de vergadering gesticht en Gods eer verhoogd.

In de Liturgie van de Gereformeerde kerken in Nederland vinden wij drie formuliergebeden voor de kerkelijke samenkomsten: 1. „Gebed voor de handeling der kerkelijke bijeenkomsten”; 2. „Gebed na de handeling der kerkelijke samenkomsten”; en 3. „Een gebed voor de vergadering der diakenen”. Dit laatste gebed behoort niet in de Liturgische geschriften.

Moet bij het begin der kerkelijke samenkomsten een gedeelte van Gods Woord gelezen worden? Bij de oude Gereformeerden was het schijnbaar geen gebruik. De oude acta vermelden hiervan niets. Daarin is wel sprake van gebed en dankzegging, ook wel van het houden eener predikatie op de classisvergadering, maar niet van het lezen der H. Schrift. Deze gewoonte is zeer waarschijnlijk ontstaan in de kringen der conventikelen. waar men samenkwam om elkander te stichten, en van uit deze kringen ingevoerd in het kerkelijke leven.

De lezing van een deel van Gods Woord in de kerkelijke vergaderingen is niet beslist noodig. Men komt in de kerkelijke vergaderingen niet bijeen om gesticht te worden, maar om zaken te doen. Toch is het lezen van Gods Woord en het zingen van een psalm niet af te keuren en het zou zelfs een geheel verkeerden indruk maken, wanneer men het thans bestaande gebruik zou willen afschaffen. Het is goed, dat eene vergadering, vóór zij hare werkzaamheden aanvangt, zich eerst stelle voor Gods aangezicht om Zijn stem uit het Woord te hooren, en om daarna Hem aan te roepen in dankzegging en gebed. Vooral wijl een kerkelijke vergadering uiteraard wel eens een wat al te uitwendig en administratief karakter

|98|

draagt, kan dit stichtelijk element een verkwikking zijn. Evenwel heeft de voorzitter te bedenken, dat hij hiervoor niet veel tijd aan de vergadering onttrekke, en dat hij zulk een gedeelte van Gods Woord leze, dat passend is. Hij kan nu eens een woord kiezen, dat inleidt in de afhankelijke stemming, een woord dat opwekt of bemoedigt, en op een anderen keer kan hij een woord nemen, dat wijst op de roeping en de hooge beteekenis van het ambt.

Over het gebed in de consistorie vóór den dienst kunnen wij kort zijn. Het is niet een gebed in een gewone kerkelijke vergadering. Het is niet zeker of dit gebed in de 16de, 17de en 18de eeuw wel voorkwam. Voor het begin der 19de eeuw vinden wij hiervan geen spoor. Voetius, ofschoon hij zeer uitvoerig tot in alle bijzonderheden toe handelt over „de kerkelijke gebeden” 1), vermeldt het niet. Zeer waarschijnlijk is dit gebed ontstaan in den aanvang der „Afscheiding”, toen de geloovigen door een groote verdrukking werden gekweld, bijna nooit zeker waren, dat hunne vergaderingen niet door militairen of door een politiemacht zouden worden verstoord, en daarom de kerkeraad en de predikant, vóór zij den dienst aanvingen, behoefte gevoelden om zich eerst in den gebede te vereenigen. In de kerken der Scheiding werd dit gebed algemeen, en het werd later door de kerken der Doleantie overgenomen en is nog algemeen in de Gereformeerde Kerken in Nederland in gebruik.

Dit gebed in de consistorie is niet overbodig. Het is iets anders dan het persoonlijk gebed van de leden der gemeente of het gebed, dat door den priester des huizes wordt opgezonden. Immers vóór de dienst in de kerk aanvangt, is de kerkeraad met den predikant in de consistorie bijeen. En eer men binnengaat, roept men in dien ambtelijken kring den zegen des Heeren in over den dienst des Woords en over den prediker. Dat bidden van den dienstdoenden ouderling draagt niet een persoonlijk, maar een ambtelijk karakter. Hij treedt op namens den kerkeraad, die den dienst organiseert en daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. Om die reden heeft de dienstdoende ouderling niet voor allerlei nood der Christenheid te bidden, niet alles te vertolken wat zijn hart beweegt, maar hij moet niet uit het oog verliezen de zaak, waarvoor hij een zegen heeft te vragen. Hij heeft namens den kerkeraad het aangezicht des Heeren te zoeken, opdat het Gode behage den dienaar des Woords te sterken tot den arbeid, waartoe deze in het midden der gemeente geroepen wordt.

De kerk heeft hiervoor geen formuliergebed. Dat is ook volstrekt niet noodig. Maar wel is noodzakelijk, dat elk ouderling, die geroepen wordt tot het gebed of de dankzegging in de consistorie, versta dat zijn gebed


1) Pol. Eccl. I. 481-515.

|99|

zij een ambtelijk gebed, dat het zich bepale bij het afsmeeken van den zegen voor den prediker of bij de dankzegging voor Gods ondersteunende en leidende genade. Nimmer mag dit gebed ontaarden in een ijdel verhaal van woorden. De geesten der profeten moeten ook hier aan de profeten onderworpen zijn. Wordt dat doel goed in het oog gehouden, dan komt er in den kring der ambtsdragers een gewijde stemming en besef van saamhoorigheid en verantwoordelijkheid, en daalt rust in de ziel.

Over de vraag of vóór eiken dienst een gebed en ná elken dienst een dankzegging behoort te worden gedaan, dan wel of, wanneer er twee diensten gehouden worden, de kerkeraad des morgens begint met gebed en na afloop van den tweeden dienst eindigt met dankzegging, kan verschillend worden geoordeeld. Wanneer men uitgaat van de gedachte, dat elke dienst een zelfstandig geheel is, ligt het voor de hand, dat men er veel voor gevoelt na den dienst ook in den kring des kerkeraads met dankzegging te eindigen. Doch men kan de diensten op den Zondag ook als één geheel beschouwen, zóó dat men vóór den morgendienst het gebed doet voor den ganschen dag, en dat men na den middag- of avonddienst de werkzaamheid van den dag met dankzegging besluit. Beide wijzen van doen kunnen worden gevolgd. Alleen hiervoor neme de broeder ouderling, die voorgaat in dankzegging en gebed, zich in acht, dat hij niet teveel toegeve aan zijne subjectieve stemming, maar dat hij, gelijk bij den aanvang gebeden werd om de bekrachtiging van den dienaar des Woords tot zijn werk, namens den kerkeraad, dankt voor de ondersteuning aan zijnen dienstknecht bewezen. Wanneer hij iets zou laten doorschemeren, dat de bediening des Woords niet in zijn smaak is gevallen, zou hij zijn bevoegdheid te buiten gaan. Alles, wat op vermaning en tucht betrekking heeft, behoort thuis niet hier, maar op de gewone vergadering van den kerkeraad.

Bouwman, H. (1934) § 66

Hoofdstuk III. De kerkeraad.

 

§ 66. De kerkeraad noodzakelijk voor de rechte institutie der kerk.

Naar Gereformeerd belijden moet er in alle kerken een kerkeraad zijn. Dit beginsel rust op de navolgende gronden: 1° dat Christus zelf een regeering in zijne kerk heeft ingesteld; 2° dat de kerk zich plaatselijk openbaart, en dat elke plaatselijke kerk

|100|

is een zelfstandige complete kerk; en 3° dat de regeering der kerk niet behoort te zijn bij één persoon, maar bij een raad van personen.

1. De H. Schrift leert duidelijk, dat Christus het ambt heeft ingesteld, om zijne gemeente te vergaderen, te regeeren en te verzorgen (Rom. 1: 1; 2 Cor. 5: 20; Ef. 4: 11; 1 Cor. 12: 5, 28; Hand. 20: 28). In overeenstemming met Calvijn 1) beleden de Gereformeerde confessies 2), gelijk de Nederlandsche Geloofsbelijdenis verklaart: „Wij gelooven, dat deze ware kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons de Heere geleerd heeft in zijn Woord; namelijk dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn om met de Herders te zijn als de Raad der kerk.”

De opzieners zijn niet mandatarissen van de gemeente, maar zij zijn dragers van een geestelijk, door Christus verordend ambt, en ontvangen, al worden zij ook middellijk door de gemeente geroepen, van Christus hun opdracht en volmacht. Calvijn drukt dit treffend juist uit, wanneer hij zegt 3): dat Christus zijne gunst aan ons openbaart, „wanneer hij uit de menschen sommigen neemt, die voor hem in de wereld als gezanten dienst doen, die uitleggers zijn van zijn verborgen wil en eindelijk zijn persoon representeeren.” De bron van de macht en het gezag der dragers van het ambt is niet de gemeente, maar Christus het hoofd en de koning zijner kerk, aan wien zij verantwoordelijk zijn.

2. In overeenstemming met het Woord Gods leeren de Gereformeerden, dat de kerk zich plaatselijk openbaart, en dat elke plaatselijke kerk, hoe klein zij ook mag zijn, zelfstandig is. De H. Schrift geeft hiervoor duidelijke aanwijzingen. Allereerst kunnen wij opmerken, dat het N. Testament met het woord ecclesia (kerk) doorgaans bedoelt de plaatselijke kerk. Gods Woord sluit zich aan bij de orde in het natuurlijke leven. Gelijk God de Heere de plaats van ieders woning heeft bepaald, en onder zijn voorzienig bestuur de bewoners van eene bepaalde plaats in taal en denkwereld, in sociale en geestelijke behoeften, met elkander overeenkomst vertoonen, zoo heeft het Gode behaagd ook plaatselijk de geloovigen te vereenigen tot de bediening van Woord en Sacrament.

Bij deze orde hebben de Apostelen zich aangesloten, wanneer zij hunne brieven richtten aan de verschillende plaatselijke gemeenten (1 Cor. 1: 1; 2 Cor. 1: 1; Rom. 16: 4, 5). Elke plaatselijke kerk heeft haar eigen ambtsdragers (Hand. 14: 23; 20: 17; Fil. 1: 1; Tit. 1: 1), die zorg moeten dragen voor de bediening van Woord en sacrament, en voor de handhaving van de leer, de orde en de tucht (1 Cor. 12: 28;


1) Inst. IV. 3, 4.
2) Conf. Gall. Art. 29-32; Westm. Conf. c. XXIV.
3) Inst. IV. 3, 1.

|101|

5: 13; Ef. 4: 11; Hand. 20: 28; 1 Petr. 5: 2). Elke plaatselijke kerk is eene zelfstandige en complete kerk, met eigen ambten en bedieningen, met de volle bediening des Woords, der sacramenten en der tucht. Het kerkverband kan de rechte institutie der plaatselijke kerk steunen en bevorderen, maar ook zonder dezen steun bezit zij al de kenmerken, die tot het wezen der kerk behooren.

3. De regeering der kerk berust bij den kerkeraad. De Gereformeerden hebben een diepen afkeer van elken vorm van hiërarchie, en staan met besliste overtuiging tegen de overheersching van eene kerk door een mensch. Christus is de eenige Koning, die de bediening en de regeering in de kerk niet heeft toebetrouwd aan één mensch, b.v. den paus, in zijne plaats, maar aan eene vergadering van opzieners, die als zijne dienaren zijn koninklijken wil uitoefenen. Calvijn formuleert dit grondbeginsel zeer scherp, waar hij, handelende over de pauselijke macht, zegt, dat deze in strijd is met het koningschap van Christus. „Want de Apostel leert, dat de geheele bediening over de leden verdeeld is, en dat de kracht van dat eene hemelsche Hoofd afvloeit.” „Aan de menschen heeft Hij niets toebedeeld dan een gemeenschappelijke bediening (commune ministerium) en aan een ieder een bijzondere maat” 1). Calvijn leerde, dat alle kerkelijke macht ten principale berust bij de gemeente. De kerk is in haar wezen eene vergadering van geloovigen, „in welke geen anderen worden ontvangen, dan degenen, die door de genade der aanneming tot kinderen, en door de heiligmaking des Geestes waarachtige leden van Christus zijn.” Maar wij mogen ook aannemen, „dat in al die plaatsen, in welke wij zien, dat Gods Woord recht gepredikt en aangehoord wordt en de sacramenten naar de instelling van Christus bediend worden, is eene kerk en vergadering van Gods volk, dewijl zijne belofte niet liegen kan: waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in het midden van hen.” Van de leden der zichtbare kerk zegt Petrus: „Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Gods, die u uit de duister­nis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 2: 9). De geloovigen hebben het ambt van profeet, priester en koning. En al weten de Apostelen, dat er temidden van de zichtbare georganiseerde kerk steeds huichelaars kunnen zijn, en ook werkelijk zijn, wij behandelen nochtans als broeders en houden voor geloovigen naar den aard der liefde allen, die door belijdenis en wandel zich openbaren naar den regel des Woords, en rekenen hen met hunne kinderen tot het geloovige volk, tot hun door wettig en behoorlijk recht hun plaats in de gemeente wordt


1) Inst. IV. 6, 9, 10.

|102|

ontnomen. Dit is ook de grond, waarop in de kerk in ’s Heeren naam de sacramenten worden bediend aan de leden der gemeente 1).

In verband met deze beginselen leert de Gereformeerde kerk, dat de leden der gemeente zelf medewerken tot de institueering van de ambten en tot de oefening der tucht. De leden der gemeente vormen samen de kerk. En als de leden der gemeente zich organiseeren als kerk, dan is deze vergadering de zichtbare openbaring van het mystieke lichaam van Christus (1 Tim. 3: 15). Maar de leden der gemeente treden niet op los van het ambt. De kerk is immers een organisme, dat zich openbaart door de organen, die Christus heeft gegeven. Als eene gemeente wordt geïnstitueerd en de ambten nog niet zijn ingesteld, dan treden de leden der gemeente op om, onder leiding van de genabuurde kerken, volgens het ambt der geloovigen de ambten in te stellen. Maar zoodra de ambten zijn ingesteld, dan is de leiding bij het ambt. Dat oorspronkelijke recht van de leden der gemeente treedt ook weder naar voren, als de ambtsdragers zijn afgeweken van het recht van Christus, en niet willen luisteren naar den drang tot reformatie. Wanneer de ambtsdragers ontrouw zijn, en na herhaalde vermaning ontrouw blijven, zijn de geloovigen geroepen het koningschap van Christus weder tot zijn recht te laten komen.

De opzieners der kerk vormen samen den raad der kerk. Art. 30 der Nederlandsche Confessie belijdt „dat er ook opzieners en diakenen zijn om met de herders te zijn als de raad der kerk.” De bedoeling hiervan wordt weergegeven in het Formulier van bevestiging der Ouderlingen en Diakenen met deze woorden: „teneinde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worde alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken, wanneer bij één alleen, of bij zeer weinigen de regeering staat.” De Helvetische Confessie 2) wijst er terecht op, dat in den eersten tijd der christelijke kerk de bisschoppen en de presbyters gemeenschappelijk de kerk hebben geregeerd. Voetius merkt zeer terecht op, dat de kerkeraad is het orgaan der gemeente, waardoor het bestuur en de tucht in de gemeente wordt uitgeoefend, evenals het oog is het orgaan, waardoor men ziet 3). In een raad van kundige en godzalige mannen, vertegenwoordigers van de gemeente, is eenige waarborg, dat de zaken van regeering en tucht der gemeente naar recht en orde worden behandeld, dat de belangen der gemeente en het recht van de afzonderlijke leden naar behooren worden behartigd, dat willekeur, tirannie en krenking des gewetens wordt vermeden, dat wijze en


1) Inst. IV. 1, 7, 9, 22.
2) XVIII. 16.
3) Pol. Eccl. IV. 893.

|103|

rechtvaardige besluiten worden genomen tot opbouw der gemeente, en het koningschap van Christus wordt gehandhaafd.

De kerkeraad heeft de leiding der gemeente. De Independenten waren van oordeel, dat niet slechts het kerkelijk gezag in het algemeen, maar ook het besturend gezag bij de geloovigen berustte, zoodat de vergadering der gemeente in alle dingen had te oordeelen en beslissing te geven. De Gereformeerden stelden hiertegenover, dat de gemeente niet een verzameling van leden zonder leiding, of een aggregaat, maar een organisme is, met door Christus gegeven organen. Zij hielden vol, dat het besturend gezag niet bij de afzonderlijke leden of bij een vergadering der leden van de gemeente, maar bij de presbyters behoort, eene onderscheiding, welke veelal opgehelderd werd door het voorbeeld, dat het leven wel door heel ons lichaam verspreid is, maar dat het lichaam niet kan zien, dan door het oog, en niet gestuurd kan worden, dan door het hoofd. De kerkeraad is het eenige door Christus aangewezen orgaan. De Londensche kerkenordening getuigde hiervan 1): „Geheel het bestuur van onze kerk is gelegd niet in den wil en het gezag van den een of den ander, wie hij ook zij, maar in eenstemmige goedkeuringen beslissing van de algemeene vergadering van alle dienaren en ouderlingen der kerk.”

„In alle kerken zal een kerkeraad zijn”. Dit is een primordiaal beginsel, dat steunt op de H. Schrift. De kerkeraad is een goddelijke instelling, opgesloten in de instelling van het regeerambt door Christus, dat in de gemeente niet uitgeoefend wordt door een enkel persoon, maar door meerdere personen, die samen een raad vormen. In de Schrift wordt in den regel gesproken van ouderlingen in het meervoud. Paulus ontbood de ouderlingen van Efeze tot zich te Miléte, en stelde als hun gemeenschappelijke taak hun voor, de gemeente Gods te weiden, en te waken tegen de valsche leeraars (Hand. 20: 28—31). Hij wordt te Jeruzalem ontvangen door Jacobus en al de ouderlingen (Hand. 21: 18). De ouderlingen in de gemeenten der verstrooiing worden door Petrus aangesproken als een raad van mannen, die samen „de kudde Gods” hebben te weiden. Zoo heeft Calvijn, met een beroep op de oude kerk, het noodig geacht, het oude gebruik, dat in elke kerk een raad van godvruchtige, uitnemende en heilige mannen was, te herstellen 2). En in navolging van Calvijn stelde het convent van Wezel, dat de ouderlingen met de dienaren te samen „den kerkelij ken senaat of kerkeraad vormen” 3). De meeste Gereformeerde kerken hebben hierin Calvijn gevolgd.


1) A Lasco, Opera, ed. Kuyper II. 226.
2) Inst. IV. 3, 8.
3) Acta van Wezel, IV. 1.

|104|

Zonder een kerkeraad kan een kerk haar rechte gestalte niet openbaren. Eerst wanneer de ambten zijn ingesteld en de kerkeraad is geformeerd, krijgt een vergadering van geloovigen haar openbaring en gestalte. Het Colloquium te Maidstone (1563) antwoordde op de vraag, of een vergadering der geloovigen, waar geen ordinaire dienst noch administratie van sacramenten, noch ouderling noch diaken was, voor eene wettige kerk mocht gehouden worden. — Neen 1). Een kerkeraad is voor de rechte institutie der kerk beslist noodig. Daarom hebben de Gereformeerde synoden steeds aangedrongen, om daar waar een aantal geloovigen woonde, zoo spoedig doenlijk, de rechte vorm van kerk in te stellen. Eerst dan kan er goede leiding zijn; eerst dan kan de arbeid op eene plaats behoor lijk worden verricht.

Het gezag van den kerkeraad is geen ander dan het gezag van Christus. Het ambt draagt een dienend karakter. En de raad der kerk is gehouden, zich in zijn werk te houden aan den wil van Christus, den koning der kerk, en al zijn besluiten te toetsen en te onderwerpen aan Gods heilig Woord. Alleen dan, wanneer de beslissing van den raad der kerk is in overeenstemming met Gods Woord, kan zij de conscientie binden.


1) Werken der Marn. Ver. II. 1, 76.

Bouwman, H. (1934) § 67

§ 67. De instelling der ambten.

Omdat een kerk zich niet in hare rechte gestalte kan openbaren zonder de leiding van een kerkeraad, hebben de Gereformeerde synoden er steeds op aangedrongen om daar, waar een aantal geloovigen woont, zoo spoedig mogelijk de rechte vorm van kerk in te stellen, en een kerkeraad op te richten.

Deze instelling der ambten kan op onderscheidene wijze plaats grijpen. In gewone tijden is de leiding van de genabuurde kerken noodig voor de eerste verzameling en institueering van een kerk, maar in zeer bijzondere gevallen, in gevallen van nood, moet een groep van geloovigen, die eenzaam woont, of die geen hulp van andere kerken kan ontvangen, naar bevind van zaken handelen.

Hoe in de dagen der Reformatie in de zestiende eeuw de eerste kerkeraden zijn tot stand gekomen, is niet nauwkeurig bekend. In Dordrecht geschiedde de kerkeraadsvergadering alzoo, dat den 18 Juni 1572 de beide predikanten Lippius en Wilhelmi en sommigen uit de magistraat, die het geloof beleden, vergaderden, en twaalf broeders verkozen, waaruit de gemeente er zes koos, die 28 Juni als ouderlingen bevestigd

|105|

werden 1). Op andere plaatsen zal de institutie der kerk ook wel op dezelfde wijze zijn toegegaan. Soms ging de pastoor met de reformatie mee, en werden met behulp van de overheid mannen als ouderlingen en diakenen gekozen, en op een andere plaats, waar de overheid niet meeging en de kerk zich schuil moest houden, ontving de gemeente leering en leiding door daartoe gekozen broeders of van een prediker, die hen zoo nu en dan bezocht.

Reeds te Emden (1571, Art. 41, 42) hield men zich bezig met de vraag, hoe met het oog op de reformatie der kerken moest gehandeld worden, en werd bepaald: „Die Dienaren des Classis sullen in die plaetsen, daermen den dienst des Woorts niet sal connen oprechten, Lesers, Ouderlinghen ende Diaconen verordenen, opdat alsoo de Kercken versaemelt moghen werden. De Dienaren ende Ouderlinghen der classen, die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren classe ofte daeromtrent geleghen, naerstiglijck ondersoecken ende ver­nemen nae denghenen, die tot de reyne Religie gheneghen zijn, om de selue tot haren schuldighen plicht te vermanen. Derhalven sullen sy pooghen, Kercken, ofte ten minsten beginselen der Kercken te vergaederen; Ende om sulcx te beter na te comen, soo sullen de classes, alle de naestgheleghen Steden ende Dorpen onder haer verdeylen, opdat niet versuymt en werde. Die selve sorghe sullen die verstrooyde Ghemeenten over die Steden ende ander by-legghende plaetsen draeghen, voornamelyck die wijt van den classe gheleghen zijn. Die verstroyde gheloovighen sullen die Kercken-Dienaeren der classen onder ’t Cruys hier in helpen, hen voorsichtelijck aenghevende die namen derghenen, die sy weten dat tot de Religie gheneghen zijn gheweest in die plaetsen, daer sen uytgeworpen, ofte uytgheweken zijn.”

Het was de bedoeling overal de kerken te reformeeren, en de geloovigen op te wekken naar Gods Woord te leven. Daartoe moesten de dienaren des Woords pogingen aanwenden om kerken of beginsels van kerken te verzamelen. De classen moesten dus helpend optreden, opdat de plaatselijke kerk tot institueering kwam. Dezen regel volgde men tot 1586. Op de Haagsche Synode van 1586 vond men het goed, een artikel dienomtrent in de kerkenordening op te nemen (Art. 35), hetwelk woordelijk in Art. 38 van de kerkenordening van 1619 is overgenomen: „Welverstaande, dat in plaatsen, waar de kerkeraad van nieuws is op te richten, ’t zelve niet geschiede dan met advies van de classe.”

Hierdoor wordt niet uitgesproken, dat de classis het radicaal bezit een kerkeraad aan te stellen of te formeeren, maar wel dat de classis helpend moet optreden, en naar den regel van het kerkverband moet


1) Schotel, Kerkelijk Dordrecht I. 78.

|106|

toezien, dat de instelling der ambten geschiedt naar de kerkelijke orde. Daartoe geeft de classis advies, en naar dit advies behoort bij het instellen der ambten gehandeld te worden. De ambten zelve komen op uit den boezem der gemeente. De kerk is immers een vergadering van geloovigen. De leden der gemeente vormen samen de kerk. „Het wezen der kerk ligt” — zoo schreef Dr A. Kuyper 1) — „uitsluitend in datgene wat de kerkformeerende kracht in zich draagt, en deze kracht nu berust voor de onzichtbare kerk rechtstreeks in God en voor de zichtbare in de leden van het lichaam Christi.”

De leiding van de classis is niet absoluut noodig voor de oprichting van den kerkeraad. Als regel voor de organische volkomenheid moet wel deze eisch gesteld, maar in geval van nood kan er wel een institutie der kerk bestaan, zonder dat een wettig geroepen dienaar aanwezig is, en zonder dat de genabuurde kerken hulp verleend hebben. Ook al zou in zulk een geval aan de rechte institutie iets ontbreken, dan volgt daaruit niet, dat er in het geheel geen constitueering, en geen kerk is. In eenzame oorden en in dagen van vervolging waren er wel heimelijke kerken, die een tijdlang geen dienaar des Woords hadden, en zich intusschen moesten behelpen met de toespraken en vermaningen van een ouderling, ziekentrooster of catechiseermeester. En al zou in zulk een geval iets ontbreken aan de rechte institutie, dan volgt daaruit niet dat er in het geheel geen geïnstitueerde kerk is. Wanneer dan later betere tijden aanbreken en eene behoorlijke aansluiting aan het kerkverband plaats grijpt, dan gaat een classis of eene synode zulk een aanvankelijke organisatie niet als nietig beschouwen, en een nieuwe institutie in het leven roepen, maar onder leiding van het kerkverband wordt het bestaande gecompleteerd en gesterkt 2).

Wanneer een kring van geloovigen van alle gemeenschap met andere kerken is afgesloten, kunnen deze geloovigen krachtens het ambt der geloovigen personen aanwijzen, van wie ze vragen, dat God ze in het ambt instelt. Zulk een bijzonder geval greep plaats te Parijs in het jaar 1555. Er was toen — zooals Beza verhaalt — nog geen volledig georganiseerde gemeente, maar in dit jaar werden de ambten ingesteld. Een jonge man, Jean Ie Maçon, ook la Rivière genoemd, die te Lausanne en te Genève in de rechten gestudeerd had, en zich aangesloten had bij de Gereformeerde gemeente, had zich, om den haat van zijn Roomschen vader te ontgaan, van zijn geboorteplaats Angers naar Parijs begeven. Daar woonde ook een edelman uit Maine, de la Ferrière geheeten, die ook vanwege de vrijheid voor zijn geloof naar Parijs gevlucht was. Hier


1) Tractaat v. d. Ref. der kerken, 1884, bl. 31.
2) Voetius, Pol. Eccl. I. 42.

|107|

werd de vrouw van den edelman moeder, en wijl hij in dezen gevaarlijken tijd zich niet naar Genève of een andere Gereformeerde plaats durfde begeven, en hij zijn kind ook niet in de Roomsche kerk kon laten doopen, verzocht hij dringend aan de vergaderde geloovigen om een uit hen tot prediker te kiezen, en dezen te machtigen tot het verrichten van den doop. Na vasten en bidden werd nu de 22-jarige la Rivière tot leeraar beroepen, en naar het voorbeeld van Genève en van de apostolische kerken een consistorie gekozen.

De regel, welke geldt bij de instelling eens kerkeraads in christelijke landen bij eene reformatie of wanneer om andere reden de instelling der ambten noodig is, geldt ook wanneer op het terrein van de zending gemeenten zich beginnen te vormen. De Generale Synode van 1905 (Art. 118, 127) stelde een leidraad op voor de institueering van kerken op Java, waarin met nadruk naar voren wordt gebracht, dat evenals in de dagen der Apostelen ook nu nog, vooral op het zendingsveld, bij de instelling der diensten met de noodige voorzichtigheid moet worden gehandeld.

„Wel wordt nergens in het Nieuwe Testament gezegd, hoelang men hier of daar, nadat de belijdenis van den Christus was omhelsd geworden, nog gewacht heeft vóór kerkedienaren voor de onderscheidene diensten verkozen werden; in dit opzicht kan alleen bij benadering een tijd worden genoemd, en die tijd is dan, blijkens sommige gegevens, niet zoo heel lang geweest; toch weten wij ook, dat Paulus voor kerkedienaars, met name voor ouderlingen, vrij hooge eischen stelt, en dat hij aan Timotheus bericht, niet „haastelijk de handen op te leggen”; en Paulus en de andere Apostelen zullen zelf zeker ook in den zin van dit bevel hebben gehandeld. Voorts is niet te vergeten, dat in de dagen der Aposte­len van de Joden, die tot bekeering kwamen, zeker de meesten wel aan eenige kerkelijke orde gewoon waren; terwijl de Heidenen, die het geloof gehoorzaam werden, voor een deel zeker nog al ontwikkeld waren. De Grieksch-Romeinsche wereld stond immers nog al hoog.” „En bedenkt men dan bovendien, dat in den apostolischen tijd soms buitengewone krachten en gaven des Geestes geschonken werden, zoodat er deswege soms des te eerder geschikte broeders voor de diensten kwamen”, dan is daaruit met het oog op de Javaansche kerken wel de les te trekken, om met voorzichtigheid, niet al te haastig, de ambten in te stellen. Hoe groot het aantal leden moet zijn om tot kerkformatie over te kunnen gaan, is niet in het algemeen te zeggen. Voor de instelling der Javaansche kerken — zoo oordeelde de synode van 1905 — moeten er tenminste twaalf broederen zijn.

Wanneer eenmaal in een land een georganiseerde Gereformeerde kerk is, en de vraag zich voordoet om ergens een kerkeraad op te richten, ligt het op den weg der classis om te beoordeelen of het wenschelijk en

|108|

mogelijk is, of de drang daartoe uit den kring der geloovigen opkomt, of er kerkformeerende kracht is, of het in het welzijn der broederen is, en of er gevonden worden, die het ambt kunnen bekleeden. De institueering der ambten gaat van de geloovigen uit, doch zij komt in den regel niet tot stand dan met advies van de classis. Er staat in Art. 38 van de kerkenordening niet „na advies”, zoodat het voldoende zou zijn het advies van de classis te vragen, en dat de plaatselijke groep van geloovigen dan tot de instelling der ambten zou kunnen overgaan, ook al zou de classis tegen geadviseerd hebben, maar er staat „met advies”, d.w.z. met het oordeel, de bewilliging en de hulp van de classis. Wanneer de classis het niet gewenscht oordeelt, en van gevoelen is, dat de tijd nog niet rijp is, behooren de geloovigen dien raad op te volgen.

De classis mag in dezen natuurlijk niet willekeurig handelen, maar moet het welzijn der kerk en der geloovigen in het oog houden. Wanneer dit geschiedt, dient de hulp der classis tot opbouw van het lichaam van Christus. En wanneer de instelling der ambten in een plaats is tot stand gekomen, is het de roeping der classis, blijvend voor den opbouw der plaatselijke kerk mede te werken, en door raad en steun het welzijn der kerk te bevorderen. Door een goede samenwerking en steun kan de kerk kracht ontwikkelen en aan hare roeping beantwoorden.

Hoe moet gehandeld worden op plaatsen, waar nog geen kerkeraad is? De synode van 1586 antwoordde hierop in Art. 36: „In de plaatsen daar nog geen kerkeraad is, zal middelertijd door de classis gedaan worden wat anders den kerkeraad naar uitwijzen dezer kerkenordening opgelegd is te doen”, welke bepaling in de kerkenordening van 1618/19 is overgenomen.

Wij kunnen hierbij tweeërlei plaatsen onderscheiden:

a. plaatsen waar nog zeer weinig of geen Gereformeerden zijn. Zulke plaatsen kan men niet aan hun lot overlaten. De Heere vraagt van zijne kerk, om overal het evangelie zuiver te prediken en de reformatie van land en volk te bevorderen. Maar van wie moet de arbeid in zulke plaatsen uitgaan? Het lag voor de hand, dat de kerken hierop altoos hebben geantwoord, dat zulke plaatsen onder de zorg van de classis gesteld worden. Ook in onze Gereformeerde kerken is als regel gesteld, dat de classis zorg drage, dat alle plaatsen kerkelijk ingedeeld worden, en aan de zorg van eene bepaalde kerk worden toevertrouwd. Wonen in deze plaatsen menschen, die lid eener Gereformeerde kerk zijn, dan hebben deze hun attestatie bij de daarvoor aangewezen kerk in te dienen. Voorts gebruike deze kerk, gesteund door de classis, alle goede middelen om in zulke plaatsen het evangelie te brengen, en te trachten daar een Gereformeerde kerk te planten.

b. Ook kunnen er plaatsen zijn, waar wel een beginsel van eene

|109|

gemeente is, maar waar de gemeente zóó klein is, dat er nog niet genoegzaam kerkformeerende kracht is, om een kerkeraad in te stellen. Ook in dit geval moet de classis helpend optreden. Zoo geschiedde het in de dagen der reformatie in de 16e eeuw. Er waren kerken, waarvan de pastoor medeging met de reformatie, maar waar slechts een zeer klein gedeelte der gemeente met hem medeging. Het sprak van zelf, dat men uit een paar Gereformeerden niet terstond een kerkeraad kon vormen. In Den Bosch b.v. waren wel al de zes kerken in de handen der Gereformeerden, maar van de gemeente was slechts zulk een klein deel meegegaan, dat zij nog geen doophuis konden vullen. Toch werden naar zulke gemeenten predikanten gezonden door de classis, en de overheid werkte mede, om de Roomsche misbruiken tegen te gaan. Op de Veluwe wilden de landjonkers hier en daar liefst geen kerkeraad hebben, omdat zij vreesden, dat deze de macht der ambachtsheeren verkleinden. De classis heeft toen op plaatsen, waar geen kerkeraad was, de manslidmaten opgeroepen, om met hen de zaken te bespreken. Zij wendden dus haar invloed en gezag aan om elke kerk tot vollen wasdom en zelfstandigheid te brengen.

Voetius geeft hieraan nog deze uitbreiding 1):

„In steden of dorpen, waar maar één predikant is, en geen regeer-ouderlingen zijn, zullen eenige naburige predikanten, nu en dan, op gezette tijden, met den predikant van die plaats kunnen samenkomen, en die kerkelijke zaken behandelen, die door een kerkeraad, indien deze daar was, zouden behandeld worden; want het is niet veilig noch betamelijk, dat al die dingen door één predikant gedaan worden, indien b.v. besloten moest worden, dat iemand van des Heeren Avondmaal moest afgehouden worden, en dat hij weder verzocht ten avondmaal toegelaten te worden.” Van die alleenregeering van één predikant zijn de Nederlandsche kerken altijd zoo afkeerig geweest, dat zij in de kerkenordening (Art. 39) bepaald hebben: „In plaatsen, waar nog geen kerkeraad zijn kan, zal middelerwijl door de classis gedaan worden, hetgeen anders den kerkeraad naar uitwijzen dezer kerkenordening opgelegd is te doen.” Om nu te laten uitkomen, dat de classis niet mag intreden in de rechten eener plaatselijke kerk, zijn opzettelijk de woorden gekozen: „nog niet” en „middelerwijl”. De classis helpt de geloovigen in een bepaalde plaats, maar treedt terstond terug, wanneer in eene kerk de ambten zijn ingesteld.

De wijze, waarop de classis haar taak verricht, wordt aan de omstandigheden overgelaten. In 1905 is door de synode van Utrecht Art. 39 aldus gewijzigd: „Plaatsen, waar nog geen kerkeraad zijn kan, zullen


1) Pol. Eccl. III. 115.

|110|

door de classis onder de zorg van een genabuurden kerkeraad gesteld worden.” De genabuurde kerk kan het best beoordeelen op welke wijze zulk eene plaats kan worden bewerkt. Als er nog geen kerkeraad in eene plaats geïnstitueerd is, kan de genabuurde kerk twee wegen volgen. Zij kan of de groep van geloovigen als een beginsel der kerk beschouwen, en dus ook daarvoor een zelfstandige ledenlijst aanleggen, om mede daardoor de instituëering van de groep geloovigen als kerk te bevorderen of zij kan, zoo er slechts weinige leden zijn, en de afstand naar de genabuurde kerken gering is, deze geloovigen beschouwen als leden van eigen kerk. In beide gevallen zijn de leden van bedoelde plaats leden der ge­nabuurde kerk in volle rechten.

In zeer bijzondere gevallen kan — zooals in de dagen van de Reformatie der zestiende eeuw wel geschiedde in streken, waar de bevolking over het algemeen bleef bij de Roomsche kerk, en eveneens wel in de dagen der Afscheiding en der Doleantie plaats greep — een gedeelte van een oud kerkdorp wel onder de zorg van eene, en een ander deel van een kerkdorp onder de zorg van eene andere kerk worden gesteld. Hierbij moet evenwel vastgehouden worden aan het beginsel, dat de genabuurde kerk het aan haar toevertrouwde gebied naar eisch bewerkt, en dat zoodra er mogelijkheid is voor een zelfstandig kerkelijk optreden, dit ook geschiede.

Dit wil niet zeggen, dat het kerkelijk leven altoos in denzelfden vorm moet worden hersteld als deze vroeger was en dat het ook in de toekomst steeds zoo moet blijven. Reformatie is geen restauratie van vroegere toestanden. Reformatie sluit zich in gebondenheid aan Gods Woord aan bij de historie, om, in verband met de veranderde omstandigheden en den eisch van het heden, het leven der kerk in te richten. De toestanden zijn in den loop der jaren geheel veranderd. Sommige steden hebben zich zeer uitgebreid en naburige kerkdorpen of gedeelten daarvan in zich opgenomen, zoodat terwille van de goede bearbeiding der gemeente moest worden overwogen of niet zelfstandige randkerken moesten worden ingesteld. Kleine dorpen zijn in sommige streken geheel of ten deele verdwenen, zoodat het noodig werd, de overgebleven bewoners op te nemen in een of meer naburige kerken. In onbewoonde streken zijn hier en daar groote dorpen of steden ontstaan. Allerlei wijzigingen en veranderingen zijn in den loop der jaren ingetreden, en het spreekt wel van zelf, dat bij het bepalen van de grenzen en bij de inrichting der kerk hiermede moet gerekend worden. De Gereformeerde kerken in Nederland hebben zich bij de ineensmelting van 1892 aan dezen gezonden regel gehouden, toen zij bepaalden: „Bij de bepaling der grenzen zullen de classen de burgerlijke grensindeeling als uitgangspunt kiezen, en waar deze moeilijkheden oplevert, op de historisch kerkelijke

|111|

indeeling teruggaan; zóó echter, dat rekening worde gehouden met de velerlei eischen van het practische leven. Indien deze herziening der grenzen iemand af zou snijden van de kerk, waartoe hij tot dusver behoorde, blijft hem het recht onverkort, om onder zijnen vroegeren kerkeraad te blijven. De herziening kan, tegen iemands wensch, geene terugwerkende kracht hebben. Zij geldt alleen voor het vervolg, d.i. voor hen, die nog ten Avondmaal moeten worden toegelaten. Zoolang in eenige nabij elkander liggende plaatsen het getal der belijders, in elk dier plaatsen, nog niet sterk genoeg is om plaatselijk eigen diensten in te stellen, kunnen zij onder eenzelfden kerkeraad blijven of gebracht worden, mits de inwoners van elk dier plaatsen afzonderlijk worden geboekt, en dan natuurlijk als leden met vollen rechte”.

Het afzonderlijk boeken van de leden is noodig, opdat de gedachte blijve leven, dat ook de kerk in de naburige plaats zoo mogelijk tot instituëering kome. Het vasthouden aan en het naleven van dit beginsel komt aan het welzijn der kerk ten goede. Hoe grooter en uitgebreider eene kerk is, hoe grooter ook het gevaar is, dat er veel verwaarloosd wordt. De kerkeraad kent de leden der kerk niet allen van nabij, kan niet steeds voldoende opzicht houden. Zoolang er evenwel geen kerkeraad is ingesteld, blijven de leden dier plaats leden der genabuurde kerk. Zij nemen in die kerk niet alleen deel aan alle lasten en plichten, maar ook aan alle lusten en rechten. Zij nemen deel aan de bediening van Woord en sacrament, aan de kerkelijke verkiezingen en de benoembaarheid tot kerkelijke diensten 1).

In verband hiermede is noodig eene bespreking van de combinatie van twee of meer afzonderlijke kerken. Deze combinatie bestond van overoude tijden in onderscheidene streken van ons land, vooral in Friesland, waar zeer veel kleine dorpjes zijn. Deze combinatie was en is zeer verschillend van aard. Nu eens hadden de gecombineerde gemeenten afzonderlijke kerkeraden, afzonderlijke diaconieën, afzonderlijke goederen en eigen beheer, alles afzonderlijk behalve alleen de beroeping en de dienst van den predikant. Dan was er eene geheel andere beroepingswijze in de eene en in de andere kerk. Zelfs kwam het voor, dat eene der gecombineerde plaatsen geheel van het deelnemen aan het beroepingswerk was buitengesloten. Ook voor het bezit en het beheer der goederen golden in onderscheidene gecombineerde gemeenten verschillende regelingen. De eene gemeente bezat soms goederen, waarvan de opbrengst geheel voor eigen gemeente was, terwijl weder andere gemeenten eigendommen bezaten, waarop de verplichting rustte, om de huren en de renten ook voor de armen van de gecombineerde gemeente


1) Rutgers, Kerkel. Adviezen I. 289.

|112|

te besteden 1). Allerlei moeilijkheden kwamen uit deze combinatie voort. Meermalen werden op de kerkelijke vergaderingen klachten behandeld omtrent verwaarloozing van de belangen eener gecombineerde gemeente.

Toch is in vele gevallen eene combinatie noodig uit gebrek aan predikanten, uit geldelijken nood of uit vermindering van het aantal leden. Voor het aangaan der combinatie kan men niet voor alle gevallen een bepaald schema volgen, maar moet gerekend worden met den plaatselijken toestand en de omstandigheden. Hoofddoel moet zijn de opbouw en de stichting der gemeente. Immers juist opdat de gemeente een eigen bediening des Woords en der sacramenten zou hebben, en het onderwijs der jeugd en het huisbezoek naar behooren zou geschieden, is de combinatie aangegaan. De combinatie is altoos een noodmaatregel. Zoodra gecombineerde gemeenten in staat zijn voor eeneigen predikant te zorgen, behooren zij geheel zelfstandig een eigen dienst des Woords in te richten. Daarom is ook noodig, dat de samenwerkende kerken niet in perpetuum zich met elkander verbinden. De classis heeft toe te zien, dat de samenwerkende kerken weder zelfstandig kunnen optreden, zoodra de predikant, dien zij samen hebben beroepen, is vertrokken, of ook, wanneer de gecombineerde gemeenten met onderling goedvinden, en eveneens met bewilliging van den predikant, een betere oplossing kunnen vinden. Natuurlijk kan het contract steeds worden vernieuwd. Doch beslist noodig is, dat het aangaan en de ontbinding van een contract door de classis moet worden goedgekeurd, opdat onaangenaamheden en moeilijkheden zooveel mogelijk worden voorkomen.

De gewone vorm van combinatie is dus, dat er twee of meer kerken samenwerken voor de beroeping van een dienaar des Woords. In dit geval is de predikant dienaar des Woords van beide gemeenten, en zijn zijne rechten en plichten volgens een contract vastgesteld. Hij is niet slechts predikant van de gemeente ter plaatse waar hij woont, en consulent van de andere gemeente, want dit zou in strijd zijn met den aard van het consulentschap, waarvan het hoofddoel altijd geweest is het dienen als raadgever met woord en daad, vooral met het oog op de beroeping van een anderen predikant. Prof. Rutgers schrijft hiervan 2): „En omdat de predikant van gecombineerde kerken aan deze gelijkelijk verbonden is, is hij ook te beschouwen als lid van ieder dezer kerken, gerechtigd om in deze aan de sacramenten deel te nemen,


1) Men kan hierover lezen bij Bacchiene, Kerkelijke Geographie; H.M.C. van Oosterzee, De Ned. Herv. Kerk in haren uitwendigen toestand, Schiedam, 1865; Mr P.C.J.A. Boeles, Armengoederen en Armbesturen in Friesland in De Vrije Fries, Leeuwarden, 1902, bl. 105 v. en elders.
2) Kerkel. Adviezen I. 291.

|113|

in de kerkeraden (wanneer deze gescheiden vergaderen) mede te stemmen, enz. Op hem is dan niet toepasselijk, ’t geen anders natuurlijk altijd geldt, dat iemand slechts lid kan zijn van ééne kerk, of liever: van hem geldt dan, dat hij inderdaad slechts tot ééne kerk behoort, al staat zijn naam in twee of meer lidmatenboeken, want juist met betrekking tot den dienaar des Woords zijn de gecombineerde kerken dan als ééne kerk te beschouwen, al geldt dit van zelf voor hem alleen. Met betrekking tot hem (b.v. in zaken van eventualiteit) moeten de kerkeraden van gecombineerde kerken (indien zij gewoonlijk afzonderlijk vergaderen) dan ook altijd gezamenlijk optreden, ’t geen in de regeling van de combinatie te regelen is, evenals b.v. de vraag waar de Dienaar te bevestigen is (waarvoor in den regel slechts ééne kerk is aan te wijzen, daar de predikant, aldaar bevestigd, toch, uit kracht van de combinatie zelve, juist daardoor bevestigd is voor de geheele combinatie, al wordt daardoor eene herhaalde intredepredikatie niet uitgesloten) en voorts allerlei andere te regelen punten”, waarvoor met plaatselijke toestanden moet worden gerekend.

Een combinatie kan ook geschieden, gelijk zij ten allen tijde ook wel geschiedde, dat twee of meer kerken zoo tot één gemaakt werden, dat zij alleen goederen en inkomsten gescheiden hielden. In dit geval is er wel voor elke gemeente een afzonderlijk beheer, maar hebben zij samen één kerkeraad, die gekozen wordt volgens regeling uit de leden beider kerken, door de gemeenschappelijke gemeentevergadering. Nog andere vormen van combinatie zijn denkbaar of komen voor in verband met historische toestanden en bijzondere omstandigheden.

Bouwman, H. (1934) § 68

§ 68. De leden van den kerkeraad.

Volgens de oude kerkenordeningen der Nederlandsche Gereformeerde kerken vormen de Dienaren des Woords en de Ouderlingen samen den raad der kerk. In den eersten tijd werden, in aansluiting aan de Fransche kerkenorde van 1559, art. 20, door de synoden van Antwerpen (1564, Art. 1) en van Emden (1571, art. 6), ook de Diakenen tot den kerkeraad gerekend. De synode van Dordrecht (1574, Art. 4) beperkte dit tot die gevallen, dat er in eene kleine kerk slechts weinig ouderlingen zijn. Dit geschiedde naar aanleiding van een vraag of het noodig was, dat de diakenen wekelijks de kerkeraadsvergadering moesten bijwonen. In de meeste Gereformeerde kerken zaten de diakenen niet in den kerkeraad, omdat aan de ouderlingen de regeering en aan de diakenen het werk der barmhartigheid was opgedragen. Op sommige plaatsen werden de diakenen niet tot den kerkeraad toegelaten, op andere

|114|

plaatsen wilden zij niet komen. De synode besliste in dezen zin, dat de Dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen wel samen de consistorie vormen, maar dat zij niet altoos behoeven samen te zijn in de kerkeraadsvergadering. In zaken, die de regeering der kerk aangaan, zullen de ouderlingen met de dienaren, en in de zaken der barmhartigheid zullen de diakenen afzonderlijk vergaderen. In kleine gemeenten, waar weinig ouderlingen zijn, mogen de diakenen evenwel toegelaten worden als leden van den kerkeraad, wanneer de kerkeraad dit wenscht. En wanneer zij geroepen worden, zijn zij verplicht om te komen. In 1578 is deze kwestie niet opzettelijk behandeld. Alleen wordt gezegd, dat de predikanten en de ouderlingen het toezicht hebben op de leer der kerk (Art. 22), en bij de beroeping van predikanten de kerkeraad niet mag handelen zonder de diakenen (Art. 4). Op de synode van Middelburg (1581, Art. 28) werd de regel gesteld, dat de kerkeraad bestaat uit dienaren des Woords en ouderlingen, en deze bepaling is door de latere algemeene synoden overgenomen.

Oppervlakkig beschouwd zou het kunnen schijnen, dat er verschil bestaat tusschen Art. 30 van de Belijdenis en de kerkenordening. Doch dit is niet het geval. In de Belijdenis wordt wel in het algemeen uitgesproken, welke personen samen den kerkeraad vormen, zonder dat het de bedoeling is formeel te regelen, welke de afzonderlijke werkzaamheden der kerkeraadsleden zijn. Dit wordt nader in de kerkenordening geregeld. Voorts moet men niet voorbijzien dat de Belijdenis zegt: „dat er ook opzieners en diakenen zijn, om met de herders te zijn als de raad der kerk”.

Uit den Latijnschen en den Franschen tekst wordt eenigszins duidelijker wat het woordje als beteekent. In den Latijnschen tekst staat: qui cum pastoribus senatum quasi Ecclesiae constituant, en in den Franschen tekst: „comme Ie senat de l’église”, hetgeen er op wijst, dat de bedoeling is, dat zij die in de kerk officieel een functie hebben te vervullen en te regelen, dit doen (alsof, op de manier) als een raad der gemeente in het burgerlijk leven. De functiën zelve worden nader geregeld in de kerkenordening.

Onze kerkenordening heeft in navolging van die van 1574 bepaald, dat in plaatsen, waar de kerkeraad zeer klein is, de diakenen mede tot den kerkeraad mogen worden gerekend. De Synode van de Gereformeerde kerken heeft dit nog nader verduidelijkt door deze woorden: „hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.” Deze bepaling sluit zich aan bij de eischen des levens. Twee personen vormen eigenlijk geen vergadering. In verband hiermee sprak ook de synode van Den Haag (1624, Art. 47) uit: „Een ouderling en een diaken vormen geen kerkeraad”. Zijn er minder dan drie leden

|115|

van den kerkeraad, dan staat de regeering bij te weinigen, en kan er overheersching der gemeente door enkele personen plaats grijpen.

Wanneer nu in een kleinen kerkeraad de diakenen mede tot den kerkeraad gerekend worden, dan doen zij daar dienst als hulp-ouderlingen, en hebben zij daarin geheel dezelfde bevoegdheid als de ouderlingen, terwijl omgekeerd ook de predikant en de ouderlingen in zulk een kerkeraad dienst doen als hulpdiakenen. De diakenen werken dus in den kerkeraad mede ook in zaken van leer en regeering, niet uit kracht van hun diaconale ambt — want in den dienst der barmhartigheid ligt geen roeping tot het bestuur en de regeering der kerk — maar uit kracht van de kerkelijke regeling, waarbij een der voornaamste motieven is, dat de heerschappij van zeer weinigen in de kerk zooveel mogelijk geweerd worde.

Maar in zulk een kleinen kerkeraad mogen de diakenen niet vergeten, dat hun eigen werk is de oefening der barmhartigheid, terwijl ook de ouderlingen hebben te bedenken, dat hun allereerst de regeering der kerk is toevertrouwd. De diakenen hebben in zulk een kerkeraad aan het oordeel der ouderlingen altijd wat meer te hechten dan aan hun eigen oordeel, terwijl wederkeerig de ouderlingen dit hebben te doen, wanneer diaconale zaken behandeld worden, zoodat b.v. een censuur niet licht moet worden uitgesproken tegen het oordeel der ouderlingen in. Dat neemt echter niet weg, dat de diakenen als leden van den kerkeraad ook medewerken aan en beslissende stem hebben in de zaken van orde en tucht, die in de vergadering behandeld worden. Ook kunnen de diakenen in zulke kerken, wanneer dit hun door den kerkeraad wordt opgedragen, medewerken om een predikant te gaan hooren met het oog op een eventueele roeping. Wel zijn voor dezen arbeid in den regel de predikanten en de ouderlingen aangewezen, maar wijl in een kleinen kerkeraad de diakenen dienst doen als hulpouderlingen, kunnen zij, zoo noodig, ook voor dezen arbeid medewerken. Ook is het om diezelfde reden niet ongeoorloofd, dat een diaken, wanneer in een kleine kerk een ouderling verhinderd is, afgevaardigd wordt naar een classisvergadering.

Wanneer nu eene kerk zich uitbreidt of het om andere reden noodig gekeurd wordt, wordt de bepaling, dat de diakenen tot den kerkeraad gerekend worden, buiten werking gesteld, zoodat de diakenen niet meer tot den kerkeraad gerekend worden, behalve in bijzondere zaken, die door de kerkenordening of door de plaatselijke regeling of volgens usantie, daarvoor zijn aangewezen. Men krijgt dan een kerkeraad, die bestaat uit de predikanten en de ouderlingen, die dan de gewone kerkeraad heet, terwijl voor sommige zaken de kerkeraad zich uitbreidt tot eene vergadering van den kerkeraad met de diakenen, die ook wel

|116|

breede kerkeraad genoemd wordt. En de diakenen houden dan hunne diaconale vergadering, die uitsluitend zich met het werk der barmhartigheid bezig houdt, en geen kerkeraadsvergadering of een deel daarvan is. Wanneer een kerkeraad tot die splitsing behoort over te gaan, hangt af van de omstandigheden. Indien het werk der regeering en tucht of het werk der barmhartigheid door een al te zeer bezette gemeenschappelijke vergadering zou lijden, is het noodig, den kerkeraad te splitsen. Deze splitsing „mag geschieden, wanneer het aantal ouderlingen ten minste drie is; maar het zal wel in den regel niet wenschelijk zijn, wanneer het aantal ouderlingen niet veel boven dat cijfer komt. Wanneer het zes bedraagt, moet plaatselijk beoordeeld worden, of het wenschelijk is” 1).

Het convent van Wezel (2, 20) kende ook aan de Doctoren en de Profeten het recht van zitting in den kerkeraad toe, „zoo dikwijls er eenig geschil zal voorvallen over de leer of de ceremoniën, daar hun de beproeving der geesten en der leerstellingen zelfs in de eerste plaats toekomt”, doch deze bepaling had geen gevolgen.

In de kerkenordening van 1586 werd eene bepaling ingevoegd, dat ook de overheid een afgevaardigde in den kerkeraad mocht zenden. Reeds in Genève had de overheid in de Ordonnances ecclésiastiques voor zich het recht gereserveerd, dat zij, om aan de besluiten van de Consistorie meer gezag bij te zetten, zich op hare vergaderingen door een harer afgevaardigden liet vertegenwoordigen. Wekelijks, elken Donderdag, moesten de oudsten met de predikanten samenkomen, onder voorzitterschap van een der syndici, om te zorgen voor de orde en de tucht in de gemeente. Ook in Nederland trachtte de overheid van het begin der doorwerking van de reformatie haar invloed op de kerk te doen gelden. En ofschoon de Gereformeerden niet wilden, dat de overheid ingreep in de rechten en het inwendige leven der kerk, gaven zij toch aan haar, omdat zij de kerk diende met geldelijken steun, eenigen invloed op de benoeming, schorsing en afzetting van predikanten, ouderlingen en diakenen, en tevens op andere zaken van het kerkelijke leven, in de verwachting dat de overheid approbatie zou geven op de synodale besluiten, en de kerk zou helpen in de uitvoering daarvan, en de onwilligen zou dwingen naar den wensch der kerk te handelen. Op de synode van ’s Gravenhage (1586) gaf de kerk nog iets meer toe. Zij bepaalde, dat ook de overheid toestemming moest geven tot het vertrek van een predikant, en dat de overheid hare deputaten mocht zenden op de kerkelijke vergaderingen met adviseerende stem. In art. 34 werd gesteld: „Ende sal oock de magistraet van der plaetsen respectiuelijck,


1) Rutgers, Kerkel. Adviezen I. 282.

|117|

indient haer ghelieft, een oft twee vanden haren, wesende lidtmaten vander kerken, by den kerkenraet moghen hebben, om te aenhooren ende mede vande voorvallende saken te delibereren”. Deze clausule is gegeven — zoo zegt Voetius 1) — in ruil voor de politieke approbatie, maar toen de politieke approbatie achterwege bleef, verviel ook de concessie. De synode van 1619 nam deze bepaling onder den druk der politieken over. De kerken hebben van deze concessie niet veel genoegen gehad. De overheid vreesde steeds voor overheersching van den staat door de kerk, en maakte herhaaldelijk gebruik van de aan haar toegestane rechten, om de vrijheid der kerk aan banden te leggen en de tucht te bemoeilijken. Met de Revolutie werd de band der kerk met den staat doorgesneden, en was daarmede ook deze bepaling vervallen. De Hervormde kerk kwam door de nieuwe organisatie van 1816 onder Staatsvoogdij, welke overheersching echter later is vervallen, toen de vorst zijne rechten krachtens Koninklijke besluiten van 1 Juli 1842 en December 1861 prijs gaf.

De kerken der Afscheiding keerden in 1834 terug tot de oude kerkenordening, maar spraken in 1840 uitdrukkelijk uit, dat het patronaat-recht en het zeggenschap der overheid in kerkelijke zaken door haar verworpen werden. In overeenstemming hiermede is ook door de Gereformeerde kerken bij de ineensmelting der kerken in 1892 aan de Regeering kennis gegeven dat de kerken leven onder vigeur van de Gereformeerde kerkenordening van 1619, met uitzondering van die artikelen, welke daarin vanwege de veranderde verhouding van kerk en staat buiten werking zijn gesteld. Bij de herziening der kerkenorde­ning, in 1905, zijn deze bepalingen, en zoo ook het tweede deel van Art. 37, geschrapt.

Welke is de taak van den kerkeraad. Tot de taak van den kerkeraad behooren in het algemeen de zaken van de leer en de regeering, van opzicht en tucht over de gemeente. In het bijzonder behoort tot het werk des kerkeraads: de regeling van den dienst des Woords, van de catechisatiën en van het huisbezoek, de toelating tot de bediening der sacramenten, de behandeling van de gevallen van de tucht, en van de stukken, die op het kerkelijke leven betrekking hebben, benevens de afvaardiging naar de meerdere vergaderingen.

Op de vergaderingen van den kerkeraad met de diakenen worden behandeld die zaken, welke betrekking hebben op de beroeping van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, en in verband hiermede de bezwaren, ingebracht tegen de verkozen ambtsdragers of de bezwaren door een voorgestelde of een gekozen ambtsdrager ingebracht. Voorts


1) Pol. Eccl. I. 135, 199 v., 207.

|118|

behoort tot de werkzaamheid van den breeden kerkeraad het financieel beheer, de regeling voor het houden der collecten, de algemeene regeling van den arbeid in de gemeente, en de behandeling van ingekomen stukken van algemeenen aard.

Natuurlijk kunnen hiervoor slechts algemeene regelen gegeven worden. In een bepaald geval moet de kerkeraad, met inachtneming van de hoofdbeginselen, den meest practischen weg volgen. Immers om practische redenen worden onderscheidene zaken, b.v. het financiëele beheer, op den breeden kerkeraad behandeld. Maar dit wil niet zeggen, dat de kerkeraad alle geestelijke zaken, waaraan ook een financiëele kant is, in tegenwoordigheid der diakenen moet behandelen, want aan bijna alle kerkelijke zaken zit ook een financiëele kant, b.v. aan de trouw van de opzieners in het huisbezoek, aan de censuur der gemeenteleden. Om practische reden, om te meer invloed aan de gemeente te geven, oordeelen ook de diakenen mede over de beroeping, de salarieering, enz. van een predikant. Maar wanneer gehandeld wordt over het aantal van predikanten of ouderlingen rust de verantwoordelijkheid in het bijzonder bij den gewonen kerkeraad, omdat aan dezen de zorg voor de bediening des Woords en de geestelijke bearbeiding der gemeente is toevertrouwd. Een merkwaardig geval werd behandeld op de synode van Den Haag (1644, Art. 39). De kerkeraad van Rotterdam zonder de diakenen had besloten het getal der ouderlingen niet te vermeerderen. De diakenen beklaagden zich bij de synode, dat zij gepasseerd waren, en wilden bij het opmaken van de nominatie niet komen. De synode besloot, dat „deze en dergelijke stukken, de regeering der kerk aangaande, den diakenen niet toekomen, noch volgens Gods Woord, noch volgens het formulier harer bevestiging, noch ook volgens vroegere synodale resolutiën.”

Bouwman, H. (1934) § 69

§ 69. De vergadering van den kerkeraad.

Hoe vaak moet de kerkeraad vergaderen? De synode van Emden (1571, Art. 6) bepaalde, dat de samenkomsten van den kerkeraad „ten weynichsten alle weecken eenmael ghehouden sullen worden”. Deze bepaling bleef in de latere redacties der kerkenordening staan. Toch bleek het, dat zij vooral voor kleine gemeenten al te bindend was. In vele kerken is het voldoende om de twee of vier weken te vergaderen. Lang niet altijd is er elke week zoo veel belangrijks, dat een kerkeraadsvergadering noodig is. Om die reden heeft de synode van 1905 in dit artikel gevoegd de woorden: „althans in grootere gemeenten.”

Op ééne zaak moeten wij in dit verband de aandacht vestigen. In vele

|119|

kleinere gemeenten worden soms des Zondags na den dienst wel eens enkele zaken van dringend belang besproken, afspraken gemaakt voor het huisbezoek, gehandeld over ingekomen attestatiën, zonder dat eene formeele kerkeraadsvergadering gehouden wordt. Nu kan dit wel eens noodig zijn. Evenwel behoort men in dezen voorzichtig te zijn. Licht kunnen bij deze onderlinge gesprekken wel eens overhaaste beslissingen genomen worden, die later blijken verkeerd geweest te zijn. Daarom is het goed, dat de kerkeraad op vaste tijden vergadert, en den tijd van de eene tot de andere vergadering niet al te veel rekke. Het gevolg van het weinig houden der kerkeraadsvergaderingen zou kunnen zijn, dat er te veel zaken op eene vergadering aan de orde zijn, dat de zaken al te haastig worden afgedaan, en dat er voor eene rustige bespreking van den toestand der gemeente en van de bijzondere personen te weinig tijd overblijft. Om die reden, al kan eene generale kerkenordening niet alles bindend voorschrijven, en moet zij veel aan de practijk overlaten, is het toch wenschelijk, dat de kerken zich zooveel mogelijk houden aan den regel.

De samenroeping der kerkeraadsvergadering dient te geschieden naar den regel, door den kerkeraad zelf bepaald. Het is noodig, dat de tijd en de plaats voor de vergadering bekend is, opdat alle leden kunnen komen en deelnemen aan de handelingen des kerkeraads. De praeses, die aangewezen is om een volgende vergadering samen te roepen, kan ook een buitengewone of eene spoedvergadering uitschrijven. Alle leden des kerkeraads moeten op behoorlijke wijze hiervan verwittigd worden. Wanneer, zoo sprak reeds de synode van 1581 (vr. 85), niet alle leden van den kerkeraad wettig zijn opgeroepen, is zulk eene vergadering niet wettig. Maar wanneer alle leden wel wettig zijn opgeroepen, maar zij niet allen konden komen, dan hebben de besluiten van zulk een buitengewone vergadering bindende kracht.

Hoevele leden moeten aanwezig zijn, opdat een kerkeraadsvergadering wettige besluiten kan nemen? In het Algemeen Reglement voor de Hervormde kerk (Art. 9) is bepaald, dat geen kerkelijke besturen eenig besluit in bestuurszaken, noch eenige beslissing in zake van kerkelijk geschil, noch eenige uitspraak in zake van tucht mogen doen, dan in tegenwoordigheid van minstens twee derde der leden, waarin het bestaan moet. Zulk een bepaling zou goed kunnen zijn voor eene meerdere vergadering, maar is in elk geval niet gepast voor een kerkeraadsvergadering. Zij zou licht tot storing van de werkzaamheden aanleiding kunnen geven. Bij een kerkeraad van vijf leden, bestaande uit twee ouderlingen, twee diakenen en den predikant zouden er minstens 4 leden moeten aanwezig zijn om een wettig besluit te kunnen nemen. Dringende zaken zouden niet kunnen behandeld worden. Daarom is het wenschelijk

|120|

en ook meer in overeenstemming met de gewone orde, dat een kerkeraad geen besluiten neemt, dan wanneer de meerderheid der leden aanwezig is. Is de meerderheid niet aanwezig, dan worde de vergadering voor het nemen van gewichtige besluiten verdaagd. Is op eene volgende, wettig uitgeschrevene, vergadering geen meerderheid aanwezig, dan kan de vergadering doorgaan met de behandeling van de noodige zaken.

De leiding der vergaderingen is in handen van den predikant of naar toerbeurt bij een der predikanten. Reeds de Waalsche Synode van Antwerpen bepaalde in Art. 3: „De dienaren zullen naar toerbeurt in de consistorie presideeren, opdat niemand zich verheffe boven zijn mededienaar.” In 1574 1) werd dit ook in de Nederlandsche kerkenordening opgenomen en sedert bleef dit de regel. Aan dezen regel ligt dit beginsel ten grondslag, dat alle dienaren gelijk in rechten zijn. Het Roomsche kerkrecht kent geen kerkeraad. Daar is de priester de leidsman der parochiekerk, die geheel de kerkelijke bediening, de zielszorg en de verzorging der armen in zijn hand heeft. Ook bij de Lutherschen is het ambt der ouderlingen niet tot ontwikkeling gekomen, en is de leiding van den godsdienst, de zielszorg en de oefening in handen van den pastor. Bovendien is er onder de predikanten een onderscheid tusschen hooger en lager, naar rang of leeftijd. Ditzelfde is het geval in sommige Gereformeerde kerken, o.a. in Engeland, Hongarije, Duitschland en elders. In de zestiende eeuw had in Emden en ook in de vluchtelingengemeente te Londen onder invloed der overheid een superintendent de leiding der kerk. De Nederlandsche Gereformeerden, die de beginselen van Calvijn ook in de kerkregeering volgden, wilden van zulk een hiërarchisch beginsel niets weten, en stelden in de orde der kerken vast, dat onder de predikanten gelijkheid zal zijn, en dat, wanneer in eene kerk meerdere predikanten waren, deze bij beurte de vergaderingen des kerkeraads zouden presideeren. Zij erkenden wel, dat er verschil in gaven en bekwaamheid was. Maar wanneer men alleen naar de bekwaamheid zou oordeelen, dan zou de beste redenaar altijd moeten prediken, de beste paedagoog altijd moeten catechiseeren, de beste vermaner en vertrooster altijd de zielszorg moeten uitoefenen, en dan zou men niet alleen in een willekeurig subjectivisme vervallen, maar ook moeten komen tot een hiërarchie. En juist omdat men zich hiertegen in acht wilde nemen, werd in de kerkenordening de regel gesteld, dat zoo er in eene kerk meerdere dienaren zijn, deze bij beurte zullen „presideeren, en de actie regeeren.” De leden des kerkeraads handelen tezamen over de zaken, die aan de orde gesteld worden. De president regeert de actie, d.w.z. hij geeft leiding aan de handeling.


1) 16 Juni, punt 4.

|121|

Als leidsman des kerkeraads staat de praeses niet boven de vergadering. Hij is niet de vertegenwoordiger van het centrale gezag in de kerken, evenals een burgemeester, door de Hooge Regeering benoemd, de vertegenwoordiger is van de Koningin. De predikant is een broeder onder de broederen. Maar wijl hij is een bestudeerd man, onderwezen en geëxamineerd in de theologie, en in den regel het meest van de kerkeraadsleden onderlegd in het kerkrecht, en aangesteld tot herder en leeraar der gemeente, is hij naar de orde der kerken aangewezen als de leidsman der kerkeraadsvergadering. Als leidsman mag hij niet heerschen, zijn gevoelen niet opdringen aan de vergadering. Zijn werk is voorstellen wat aan de orde is, de voorgestelde zaak toelichten of doen toelichten, de bespreking leiden, zorgen voor de orde, enz. Goede leiding heeft ook eene opvoedende zijde, en moet mede daartoe dienen, dat de leden der vergadering bewust kunnen beoordeelen, wat behandeld en besloten wordt, en zij als mannen Gods al meer tot alle goed werk worden toebereid.

Wanneer de kerkeraadsvergadering gesloten is, is er geen praeses meer. Maar de daartoe aangewezen praeses heeft het recht en de roeping de volgende vergadering, ook een buitengewone, samen te roepen.

Is de kerkeraadsvergadering een beslotene of een openbare vergadering? Veelvuldig is de gedachte uitgesproken, dat de kerkeraadsvergadering in den regel voor de leden der gemeente toegankelijk is, en dat deze tegenwoordig behooren te zijn bij de beraadslagingen en de besluiten des kerkeraads. Deze gedachte berust evenwel op misverstand. Immers de regeering der kerk berust niet bij de hoeveelheid van de leden der gemeente als zoodanig, maar bij de vertegenwoordiging der gemeente. De gemeente heeft naar de opvatting der Gereformeerden wel het recht om de regeering der kerk te controleeren, maar de regeering zelve is in handen van de dienaren des Woords met degenen, die uit de gemeente als medeleidslieden der gemeente daartoe verkozen zijn, namelijk de ouderlingen.

Wel is het naar den regel in de Gereformeerde kerken, dat in alle gewichtige aangelegenheden der kerk, in zaken over de verkiezing der ambtsdragers, in de excommunicatie der leden, bij de toelating tot het avondmaal, enz. de kerkeraad aan de gemeente kennis geeft van zijne besluiten, en deze eerst dan uitvoert, nadat de gemeente in de gelegenheid geweest is deze besluiten goed te keuren of hare bezwaren in te brengen. Doch de eindbeslissing in alle zaken der regeering berust bij den kerkeraad. Daarom moet ook de kerkeraad zelf beslissen of de behandeling van de zaken al of niet in tegenwoordigheid van de gemeenteleden kan geschieden.

|122|

Op de gewone kerkeraadsvergaderingen kunnen ook leden der gemeente toegelaten worden om iets te vragen en mede te deelen, of iets met den kerkeraad te bespreken. De kerkeraad behoort hiervoor steeds de gelegenheid te geven. Daarom moet ook de tijd en de plaats der vergadering bij de gemeente bekend zijn. Maar overigens is het niet wel mogelijk, dat leden der gemeente bij de gewone werkzaamheden des kerkeraads tegenwoordig zijn. De aard van het werk der vergadering brengt dit mede. Een groot deel der vergadering wordt gevuld met zaken van intiemen aard, met het verslag van het huisbezoek, met bespreking van den toestand der gemeente en hare leden, met gevallen van tucht. De bespreking dezer zaken is uitteraard van vertrouwelijken aard, en kan niet geschieden in tegenwoordigheid van de leden der gemeente, die niet tot het gewichtige ambt der regeering geroepen zijn. De kerkeraad, als de vertegenwoordiging der gemeente, geroepen om in Gods naam de gemeente te weiden en te verzorgen, moet het vertrouwen der gemeente zóó bezitten, en zich zoo waardig maken, dat, wanneer de kerkeraad zijne besluiten der gemeente bekend maakt, deze stilzwijgend of met uitgesproken bewoordingen ze goedkeurt.

Behalve de gewone vergaderingen des kerkeraads kunnen ook gehouden worden vergaderingen des kerkeraads met de gemeente. Zulke vergaderingen worden gehouden bij gelegenheid van de verkiezing van ambtsdragers, waartoe de gemeenteleden opgeroepen worden om mede te werken met den kerkeraad. En voorts kan de kerkeraad de gemeenteleden samenroepen, om gewichtige zaken, hetzij van stoffelijken of van geestelijken aard, met hen te bespreken. Zulk een gemeentevergadering kan alleen door den kerkeraad als het bestuur der gemeente worden samengeroepen. Het ligt voor de hand, dat op deze vergadering de kerkeraad zijn kwaliteit of zijn karakter niet verliest. De gemeentevergadering mag niet op eigen initiatief vergaderen, en daartoe een eigen bestuur kiezen. Dat zou een revolutionaire handeling zijn. Zelfs de Independenten, die de ambten loochenen, en alleen predikanten en ouderlingen wilden hebben als de uitvoerders van den wil der gemeente, hebben nooit geleerd, dat in hunne gemeentevergaderingen de predikanten en de ouderlingen niet als zoodanig hadden op te treden. Een gemeentevergadering is een vergadering van den kerkeraad met de gemeenteleden waarin de kerkeraad de leiding heeft, en bepaalde zaken met de gemeente bespreekt, en waarna de kerkeraad, rekening houdend met het oordeel der gemeente, zelfstandig eene beslissing neemt.

Iets anders is het, wanneer een aantal gemeenteleden wil samenkomen als een soort „gezelschap van vrienden”. Maar dit is geen gemeentevergadering. Particulier kunnen gemeenteleden, evengoed als andere menschen, wel samenkomen ter bespreking van bepaalde zaken.

|123|

Maar gemeentelijke samenkomsten, voor kerkelijke verkiezingen en voor het bespreken van kerkelijke belangen volgens oproeping van den kerkeraad, staan uit den aard der zaak onder leiding van den kerkeraad. En deze mag zelfs niet toelaten, dat zaken van tucht of kerkregeering op zulke samenkomsten beslist worden. Immers voor zulke zaken, die tot de regeering der kerk in engeren zin behooren, is en blijft de kerkeraad zelf het handelende en verantwoordelijk lichaam 1).

De vraag rijst onwillekeurig: Is de kerkeraad verplicht om de leden der gemeente, niet-leden des kerkeraads, inlichtingen te geven over kerkeraadsbesluiten? Op deze vraag kan geantwoord worden: Eene verplichting bestaat in dezen niet. Er kunnen zelfs gevallen voorkomen, waarin een kerkeraad om onderscheidene redenen verplicht is, dergelijke inlichtingen te weigeren, maar er kunnen zich ook gevallen voordoen, waarin er geen bezwaar is, ruimschoots inlichtingen te geven. Het is wenschelijk, dat op eene gemeentevergadering alleen die zaken behandeld worden, waarvoor deze vergadering is samengeroepen. Hebben leden der gemeente bijzondere vragen of bezwaren, die de voorzitter niet gemakkelijk, zonder het vertrouwen te schenden, kan beantwoorden, dan is het noodig deze vragen of bezwaren op de bijzondere vergadering des kerkeraads te brengen, en de kerkeraad kan, hetzij in tegenwoordigheid der vragers of bezwaarden, hetzij later per brief, daarop naar bevind van zaken antwoorden.

Het recht van vragen te doen of bezwaren in te brengen mag aan de leden der gemeente nimmer worden betwist. Maar dan in den ordentelijken weg, door zich te vervoegen op de vergadering des kerkeraads, of, zoo zij geen bevrediging bij den kerkeraad ontvangen, kunnen zij zich langs den kerkelijke weg beroepen op de classisvergadering. Vrij mag het lid der gemeente zijn oordeel uitspreken over handelingen van den kerkeraad. Een hiërarchisch ingerichte kerk moge dit betwisten, maar niet alzoo eene Gereformeerde kerk. Zelfs moeten wij zeggen, dat naar Gereformeerd kerkrecht ieder gemeentelid steeds geroepen wordt daarover te oordeelen. Natuurlijk in onderworpenheid aan het Woord Gods en de orde der kerken. Ditzelfde geldt ook voor de kritiek op den Dienaar des Woords. Wanneer een lid bezwaar heeft tegen de prediking, mag hij, wijl deze publiek is uitgesproken, zich met zijn bezwaar wenden tot den kerkeraad.

Wel moet daarbij als norm gelden, dat de bezwaarde handele in den geest der liefde. Uit een formeel oogpunt beschouwd mag een kerkeraad een bij hem ingekomen klacht niet afwijzen. Dit zou trouwens ook niets goeds uitwerken, maar veeleer het tegendeel bevorderen. Vrij en


1) Rutgers, Adviezen I. 275.

|124|

open handele de kerkeraad met de leden der gemeente, maar indien het bezwaar blijkt ongegrond te zijn, en de bezwaarde eigenwillig volhoudt, dan moet de kerkeraad den klager naar Gods Woord vermanen. Dit is juist het heerlijke van de Gereformeerde belijdenis, dat zij verklaart voor de ambtsdragers en voor de leden zich te gedragen naar den regel van Gods Woord. Christus is de Koning der kerk en Hem moeten zoowel de ambtsdragers als de gewone leden dienen.

Bouwman, H. (1934) § 70

Hoofdstuk IV. De classis.

 

§ 70. Ontstaan en karakter der classicale vergadering.

De kerkelijke vergaderingen zijn in de oude kerk ontstaan uit de bewustheid van de eenheid der kerken in het leven des geloofs, en uit de behoefte om in moeilijke tijden elkander met raad en steun te dienen. De organisatie der kerk sloot zich nauw aan bij de organisatie, die de kerk in den staat en in het maatschappelijk leven vond. Groepen van gemeenten, die in eene stad haar centrum hadden, vereenigden zich ook kerkelijk tot eene eenheid onder de leiding van den bisschop in de hoofdplaats. En zoo waren ook de provinciale hoofdsteden, waar de provinciale landdagen samenkwamen, de aangewezen plaatsen voor een provinciale synode. Langzamerhand echter ontaardde de kerkelijke organisatie, en kwam de kerk onder de overheerschende macht van de hiërarchie. De Reformatie verwierp het beginsel der hiërarchie, doch gevoelde wel van den beginne de behoefte aan eene goede organisatie, en om zich ten behoeve hiervan zoo nauw mogelijk aan te sluiten bij de eischen en de rechten van het natuurlijke leven.

De Gereformeerden gaan bij het bestuur der kerk uit van de gedachte, dat de kerken, geheel vrij en onafhankelijk van een boven en buiten haar staande macht, haar eigen zaken kunnen doen in gebondenheid aan het Woord Gods. Daarom spreken zij van eene kerkelijke vergadering of van eene vergadering van kerken. Zulke vergaderingen passen niet in het Roomsche stelsel. In een bisdom kan een bisschop wel de priesters zijner diocese bijeenroepen, maar dit is geen vergadering van kerken, maar van geestelijken, die slechts raad kunnen geven, en niets te zeggen hebben. Evenmin passen zulke vergaderingen in het episcopale stelsel, waar de macht berust bij den bisschop, of in het independentistische

|125|

stelsel, waar de massa der leden beslist, en ook niet bij het territoriale systeem, waar het gezag berust bij de overheid. De Gereformeerden evenwel gingen uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, en leerden, dat Christus aan de gemeente de macht heeft gegeven, en dat deze wordt uitgeoefend door den kerkeraad.

De Gereformeerden hebben, zoodra het maar kon, kerkelijke vergaderingen in het leven geroepen. Een goede organisatie was voor het geheel der kerken een levensvraag, omdat alleen daardoor de eenheid en de zuiverheid van leer en kerkregeering gewaarborgd kon worden. In Genève kwamen tijdens Calvijn de predikanten niet alleen van de stad, maar ook van het land eenmaal in de week samen ter bespreking van de H. Schrift, en tot handhaving van de eenheid der leer en het welzijn der kerk 1). Zoo ook in Straatsburg 2). Deze coetus was geen regeerend college, maar een vergadering van predikanten tot onderlinge leering, vermaning en toezicht. à Lasco stelde te Emden niet alleen een kerkeraad in, maar ook een coetus, welke alle Oost-Friesche predikanten moesten bijwonen. Deze coetus, in 1544 met kennis en goedkeuring der overheid ingevoerd, met de bedoeling om de goede orde in de gemeente te onderhouden, had tot taak — gelijk Ubbo Emmius 3) verhaalt — de censura morum en het examen der a.s. predikanten. Voorts werden openlijke disputaties gehouden over de voornaamste punten der religie, terwijl daarna allerlei bezwaren, welke van de gemeenten waren ingebracht, werden behandeld. Deze coetus, die geen vergadering van kerken, maar van predikanten was, heeft invloed geoefend op de organisatie van de Fransche en Nederlandsche Gereformeerde kerken, waar de beginselen van Calvijn werden nagevolgd. In Frankrijk werden in de eerste jaren wel predikantenvergaderingen gehouden, maar eerst in 1559 werd op de eerste synode te Parijs het kerkelijke leven georganiseerd. Tot 1572, waren de vergaderingen tusschen den kerkeraad en de Prov. Synode geen kerkelijke vergaderingen, maar een vergadering van kerkelijke personen (colloque), doch in 1572 hebben de Fransche kerken de classes van de Nederlandsche kerken overgenomen. Reeds op het convent van Wezel hebben de Nederlandsche kerken de wenschelijkheid van een nadere regeling van het kerkelijk leven uitgesproken, en bepaald dat op een nader te houden synode zou beslist worden over „de vaste en billijke afdeeling der provinciën in classen of parochiën”, de vaste bijeenkomsten zoowel van iedere classis afzonderlijk als van alle classen in het gemeen, haar orde, regeling, gezag en censuur. In 1571 werd te Emden (Art. 7) goedgevonden classes te constitueeren,


1) Richter, K.O. I. 343.
2) Richter, K.O. I. 234.
3) Hist. Rer. Fris. L. LIX.

|126|

die om de drie maanden zouden vergaderen. Zelfs maakte deze synode (Art. 10, 11) eene indeeling der Nederlandsche kerken. De mannen, die te Emden samenkwamen, waren van credentiebrieven en instructies voorzien, waaruit blijkt dat de aansluiting der kerken aan de classis en de classicale indeeling op een besluit der kerken zelve rustte.

De naam classis staat in verband met het Grieksche woord klasis of klèsis (van kalein = roepen) en beteekent het bijeenroepen; concr. = de bijeengeroepene of verzamelde menigte, en vandaar 1. klasse, burgerklasse, rang, afdeeling; 2. het leger, de vloot, en in het meervoud: de schepen. In het latere Latijn heeft classis ook de beteekenis van corpus, collegium (lichaam, college), zooals het heet Cod. Theod. de Divers. Offic. VIII, 7: classes urbis Constantinopolitanae (afdeelingen van de stad Constantinopel). Hoe het woord classis in de kerktaal is ingekomen ter aanduiding van een groep nabijwonende kerken, is niet geheel duidelijk. Zeker is het, dat het woord in de Gereformeerde kerk van Frankrijk oorspronkelijk voor een vergadering van predikanten is gebruikt (Syn. Lyon 1563, Art. 2) en van 1568 af in de Nederlandsche kerken voor eene vergadering van genabuurde kerken.

Het beginsel, dat de Gereformeerde kerken van den aanvang af dreef, was, dat geen enkele gemeente krachtens de eenheid en saamhoorigheid der kerken in haar geloof op zich zelve mag blijven staan, maar dat het hare schuldige plicht is, zich in het kerkverband aaneen te sluiten. De kerken zijn in zooverre vrij, de gemeenschap met andere kerken te zoeken, als zij zelve naar Gods Woord hebben te onderzoeken of zij met de andere kerken samenstemmen in belijdenis en kerkregeering. Anders is practisch geen samenleven mogelijk. Hadden de plaatselijke kerken principieel dit recht niet, dan zouden zij geen complete kerken zijn. Maar Gods Woord leert, dat eene plaatselijke kerk niet is eene af deeling van een groot geheel der kerk, van een genootschap, maar in zichzelf zelfstandig en compleet is, hoe klein en gering zij ook mag zijn. Absoluut noodzakelijk is het dan ook niet, dat de plaatselijke kerk met de genabuurde kerken in institutair verband treedt. Er kunnen omstandigheden zijn, dat eene kerk op zich zelve moet blijven staan, wanneer de haar omringende kerken van een andere belijdenis zijn, of op een valschen grondslag staan. Maar overigens, wanneer eene Gereformeerde kerk leeft te midden van andere Gereformeerde kerken, die met haar op den bodem van Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis staan, dan is het voor haar ongeoorloofd op zich zelve te blijven staan. Daarom heeft ook reeds de synode van Emden (Art. 7-12) uitgesproken, dat de verschillende gemeenten zich moesten samenvoegen tot classes, en werden de Nederlandsche kerken in Engeland vermaand, „datse hare kercken in classen afdeylen”. Dit is in het algemeen noodig: a. uit

|127|

kracht van de eenheid der kerken in Christus; b. omdat de kerken elkanders hulp noodig hebben voor hare instandhouding, uitbreiding en de zuiverheid in geloof en wandel; c. opdat de vrijheid der gemeente gehandhaafd blijve, en er een waarborg zij tegen de overheersching en willekeur der ambtsdragers; en d. opdat het in de kerk alles toega naar den regel van Gods Woord, en de orde en de tucht in de gemeente gehandhaafd worde.

Om die reden is de regeling der verschillende kerken in het classicaal verband steeds een bijzondere zorg van de kerkelijke vergaderingen geweest. Vrij waren die kerken in het toetreden tot het kerkverband, maar zij mochten niet willekeurig zijn. „Gelijk in iedere plaats geen lidmaat op zich zelf mocht blijven staan, maar ieder zich bij de kerk moest voegen, zoo was het ook met de kerken ten aanzien van het kerkverband. Maar die verplichting was alleen zedelijk: er was geen uitwendige dwang. Het was er mede, gelijk b.v. de Provinciale Geldersche synode nog in 1582 uitsprak: „Het is niet raetsaem noch stigtelijk, dat eenige kerken op sig selven zouden blijven sitten; maar elke kerke behoort sig tot een classis te voegen” 1). En wanneer de kerken eenmaal de eenheid in het kerkverband hebben aanvaard, dan staat het eene kerk ook niet vrij, dat verband te breken, tenzij de kerken, met wie zij in gemeenschap leeft, den grondslag der samenleving, de belijdenis naar Gods Woord, hebben verlaten 2).

Wel hebben de classen zich in gevallen van onderwerping aan het kerkverband niet altijd beperkt tot bloot zedelijken drang. Zij hebben wel eens de hulp van de overheid ingeroepen om een weerstrevende gemeente of een onwilligen dienaar tot de vervulling van hun plicht te brengen, maar ook al moge er soms dwang ten aanzien van plaatselijke kerken geoefend zijn, dan was dat niet een uitvloeisel van het Gereformeerde beginsel van kerkverband, maar alleen als gevolg van de overheidsbemoeiing.

De classisindeeling in ons land is gemaakt ten behoeve van het welzijn en den opbouw der gemeenten. In 1574 werd door de classes Voorne en Putten en Walcheren de vraag ter synode van Dordrecht gebracht, of het niet gewenscht was, te handelen over een nieuwe indeeling in classes, opdat elke gemeente wete, waaronder zij ressorteert. Zoo kwam de synode van Dordrecht tot eene indeeling van Holland en Zeeland in 14 classes. Op de synode van Dordrecht (1578) werd de indeeling met het oog op de gewijzigde toestanden herzien. Zoo ook moest te Middelburg in 1581 opnieuw over deze indeeling gehandeld worden,


1) J. Smetius, Synodale Ordonnantiën, 1736, bl. 68; Rutgers, De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, bl. 202.
2) Voetii Pol. Eccl. IV. 168.

|128|

terwijl er op de synode van Den Haag (1586) een definitieve regeling werd getroffen, die in hoofdzaak thans nog voortduurt. Op deze synode is ook bevestigd het artikel over de classicale vergaderingen, dat, op de synode van Middelburg (1581, Art. 30) opgesteld, door de latere synoden is aanvaard, en nog steeds voor de Gereformeerde Kerken in Nederland van kracht is.

 

Het karakter der classicale vergadering is naar de aloude opvatting der Gereformeerden een conventus ecclesiarum, een samenkomst van genabuurde kerken, zooals reeds te Wezel werd uitgesproken, met het doel om de belangen der onderscheidene kerken te behartigen. De wijze, waarop oudtijds eene classis werd gevormd, is verschillend. In sommige gevallen sloten de genabuurde kerken zich aaneen, terwijl ook het classicaal verband door eene synode werd samengevoegd, zooals op de synode van Emden (Art. 10-12) geschiedde. De uitgebreidheid der classen hing van verschillende omstandigheden af. Voor den aard der vergadering maakte het geen verschil, of zij uit een grooter of kleiner aantal kerken bestond, indien het maar genabuurde kerken waren, zoodat de Gereformeerde kerk in die streek zich vertoonde op die vergadering.

De classicale vergaderingen kunnen evenals de synoden wel een kerk genoemd worden 1), zoodat dan ook de gezamenlijke kerken in eene classis of eene provincie de ecclesia van die classis of provincie genoemd worden. De classis blijft dan bestaan, ook als er geen vergadering der classicale kerken is. Maar men spreekt dan niet in eigenlijken zin. De classicale kerken vormen samen wel een eenheid, maar toch niet in corporatieven zin zooals eene plaatselijke kerk. In letterlijken zin zou de kerk op eene classicale vergadering tegenwoordig zijn, wanneer al de leden van alle de kerken ter vergadering waren samengekomen. Dit is evenwel practisch onmogelijk. Zelfs zou het in een eenigszins breed kerkelijk leven niet mogelijk zijn, dat al de ouderlingen der onderscheidene kerken samenkwamen, wijl zulk een vergadering te talrijk zou zijn voor het afdoen van zaken. Juist daarom is aanvaard eene trapsgewijze vertegenwoordiging der kerken door hare afgevaardigden. Leden van eene classicale vergadering zijn dan ook de kerken zelve, die hare vertegenwoordigers zenden met een bepaald omschreven mandaat. Om die reden is het ook noodig, dat de afgevaardigden in het bezit zijn van geloofsbrieven, die zij op de vergadering overhandigen, en op grond waarvan zij zitting hebben. De geloofsbrieven geven bewijs, dat iemand wettig gezonden is, en last heeft ontvangen om namens de zendende kerk te handelen. En volgens het recht der meerdere


1) Synopsis, Disp. XL. th. 33.

|129|

vergadering is elke kerk, wettig vertegenwoordigd op die samenkomst, gehouden de besluiten daar genomen op te volgen en te onderhouden, tenzij het blijkt, dat de genomen besluiten in strijd zijn met Gods Woord en de aangenomen orde der kerken.

Al de kerken behooren op eene classicale vergadering vertegenwoordigd te zijn. Het is wel voorgekomen, dat eene kerk ontbrak, doch dan moest deze kerk van de afwezigheid rekenschap afleggen, en werd zij vermaand voortaan zich niet meer te onttrekken. Ontbraken er kerken, dan kon ook een classicaal besluit voor de ontbrekende kerk geen effect sorteeren, vóór deze kerk hare instemming met het genomen besluit had betuigd.

Zulk een geval heeft zich voorgedaan in betrekking tot Caspar Coolhaes, predikant te Leiden. In 1579 kwam in Leiden een moeilijk geschil inzake de verkiezing van ouderlingen en diakenen. De kerkeraad van Leiden had de magistraat in overweging gegeven, of het niet goed was, drie van de twaalf ouderlingen eene vaste toelage te geven, zoodat zij met meer kracht en tijd de predikanten konden helpen. De magistraat vond dit goed en benoemde drie ouderlingen, die jaarlijks van de magistraat voor hun onderhoud 100 carolusguldens zouden ontvangen. Daarenboven bepaalde de magistraat, dat voortaan uit een dubbelgetal voor ouderlingen en diakenen de eene helft door de magistraat zou worden gekozen, en dat twee uit den raad, openbaar belijdenis van de religie doende, op alle kerkeraadsvergaderingen tegenwoordig zouden zijn, om vanwege de overheid toezicht te houden op de handelingen der vergadering. Coolhaes stond in dezen aan de zijde der overheid, de andere leden van den kerkeraad, namelijk de andere predikant, Pieter Cornelisz. en 23 van de 24 ouderlingen weigerden zich aan de bepaling van de overheid te onderwerpen, en werden deswege afgezet. Na veel moeite werd de kerkrechtelijke zaak te Leiden in der minne geschikt, maar de afwijkende leeringen werden ter beslissing aan de kerkelijke vergaderingen voorgelegd. Op de Nat. Synode van Middelburg ontboden (1581) werden de geschriften van Coolhaes veroordeeld als een ergernis en lastering der kerk. Hij had namelijk afwijkende leeringen omtrent de zaligheid der O.T. geloovigen, en het stuk der verkiezing en verwerping, terwijl hij van oordeel was, dat het aan alle menschen gegeven was, de door Christus aangeboden genade aan te nemen. Om die reden was de synode van oordeel, dat hij behoorde te worden afgezet. Zij hoopte evenwel, dat Coolhaes zich aan de synode en de classis zou onderwerpen. Coolhaes protesteerde, omdat de leden der synode aanklagers en rechters tegelijk waren, en beriep zich op de eerstkomende wettige Nationale Synode, die door den prins zou worden bijeengeroepen. De synode zond nu een copie van de voornaamste handelingen der synode aan den prins

|130|

en aan de Leidsche magistraat, en besloot, dat de onderhandelingen met Coolhaes zouden voortgezet worden door de classes Delft, ’s Gravenhage, Haarlem en Leiden, en indien hij zich niet wilde verbeteren, werd aan de vier omliggende classes, en ten slotte aan de provincie Zuid-Holland opgedragen, om Coolhaes te excommuniceeren, of zooals de Acta 1) zeggen „beuolen te procederen tot excommunicatie gradatim, si perstat in inobedientia”. Herhaaldelijk werd nu van de zijde der kerken beproefd, Coolhaes tot erkentenis van zijn schuld te brengen, en toen hij in het najaar van 1581 op een vergadering in Leiden openlijk voor zijne dwalingen uitkwam, erkenden de Staten van Holland, dat Middelburg’s synode wettig naar Gods Woord met Coolhaes gehandeld had en dat Coolhaes moest geschorst worden. Zoo kwamen dan volgens opdracht der synode van Middelburg de afgevaardigden der classis Delft, ’s Gravenhage, Leiden en Haarlem 2 Jan. 1582 te Haarlem samen. De lastbrief van Leiden hield in, dat, indien men de excommunicatie van Coolhaes wilde doorzetten, de gedeputeerden van Leiden niet zouden medewerken, en omdat de afgevaardigden der drie andere classen oordeelden, dat de excommunicatie van Coolhaes voor de geheele kerk wenschelijk en nuttig was, vertrokken de Leidsche afgevaardigden. De andere afgevaardigden achtten het noodig, dat voortgeschreden werd tot de excommunicatie. Het werd evenwel wenschelijk geoordeeld, dat een provinciale synode voor de eindbeslissing zou samenkomen, en op last van de Staten van Holland kwamen den 13en Maart 1582 te Haarlem twee gedeputeerden uit alle classes van Holland bijeen, behalve uit die van Leiden en Gouda. Toen de synode besloot tot de excommunicatie, konden de afgevaardigden van ’s Gravenhage dat niet toestemmen, aangezien hun credentiebrief dat niet toeliet, en verlieten daarom de vergadering. Den 23sten Maart werd besloten, hem openlijk te excommuniceeren, niet alleen als dienaar des Woords af te zetten, maar ook als lid uit de gemeente uit te sluiten. De letter van het besluit luidt: „Hebben wy dan, in den name ende vreeze des Heeren alhier vergadert synde, na de macht die Christus in synder Kercken gegheven heeft ende na de leere syns heyligen woorts, verclaert ende verclaren mits desen, hoewel met grooter bedroeffenisse, dat Caspar niet can noch behoort (solange hy in syne dwalinghen volherdet) het ampt eens dienaers des woorts in de gemeynte te bedienen, maer veel meer voor eenen verscheurder bekent te worden. Ende dewyle hy tot geene boetveerdicheyt heeft connen gebracht worden, so betuyghen wy dat hy, in der ghemeynschap Christi gheen deel hebbende, wt der ghemeynte ghesloten wordt, ende als een die daer buyten is, voortaen gehouden sal


1) Rutgers, bl. 363.

|131|

worden, tot aan die tydt toe, dat hy hem van harten bekeere; dwelck wy hem wenschen ende waerom wy God willen bidden.” Te Haarlem werd in de kerk door den Amsterdamschen predikant Martinus Lydius de acte van excommunicatie afgelezen op Zondag 25 Maart 1582 1).

De afzetting van Coolhaes werd nu door Leiden niet erkend, wijl deze zaak buiten weten en willen der classis was besloten. Zij vatte hare bezwaren kortelijk aldus samen: 1. dat niemand buiten consent en bewilliging zijner kerk geëxcommuniceerd mag worden, temeer zoo dat geschiedt zonder contentement en believen van zijne wettelijke overheid, zijnde lidmaten der kerken, vereenigd en conjunct met den kerkeraad; 2. dat ook uit kracht van het besluit van de synode van Middelburg geen kerkendienaar buiten consent van zijne classis mag geëxcommuni­ceerd worden. Er kwam nu een langdurige strijd tusschen de classis Leiden en andere Hollandsche classes. Leiden had in 1583 hare bezwaren ingebracht bij de Provinciale Synode van ’s Gravenhage, doch wijl men het daar niet eens kon worden, kwam de zaak van Coolhaes op de Nationale Synode van 1586. Nadat op deze synode èn de predikanten, die aan de Haarlemsche synode hadden medegewerkt, èn ook Coolhaes zich hadden verantwoord, oordeelden de commissarissen van Leicester, dat zij van weerszijden hunne twistschriften moesten staken, en hunne vroegere oneenigheden eindigen; dat Coolhaes weder voor een lidmaat en dienaar des Woords moest gehouden worden, gelijk vóór de twisten, en dat zij elkander tot teeken der verzoening de broederhand moesten reiken. Dit geschiedde. Vooraf echter had men hem gevraagd of hij de geloofsbelijdenis hield overeenkomende met de H. Schriften. Coolhaes was hiertoe bereid, maar kon Art. 16, waar over de verwerping gehandeld wordt, niet aannemen. De synode stelde zich nu tevreden met deze verklaring, dat Coolhaes moest bekennen, „dat alle degenen, die zalig worden, niet door hun eigen verdienste, waardig­heid of heiligheid, maar alleen uit loutere genade Gods, die den goeden wil werkt in de uitverkorenen, zalig en behouden worden. En dat degenen, die verloren gaan, om hun eigen schuld verloren gaan, en dat God geen oorzaak daarvan is.”

Kerkrechtelijk stelde de synode van 1586 dus den kerkeraad van Leiden in het gelijk tegenover de particuliere synode van Haarlem, zoo al niet formeel, dan toch metterdaad. Deze synode had het gemeen accoord der kerken uit het oog verloren. De kerk en de overheid van Leiden waren niet erkend in de excommunicatie van Coolhaes, en er was niet recht in den vorm der christelijke discipline gehandeld.


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 113; H.C. Rogge, Coolhaes I. 227; Rutgers, Acta, 559-587.

|132|

Evenwel was de kerk van Leiden niet zonder schuld, omdat zij wel luisterde naar de overheid van Leiden, maar niet naar de synode van Middelburg, die een bindende opdracht had gegeven. Feitelijk was de kerk van Leiden daardoor een schismatieke kerk geworden. Maar de kerk kon tegen Leiden niet optreden, omdat de overheid dit verhinderde. Tegenwoordig zou een kerkeraad, die niet meewerkte aan de uitvoering van de besluiten der meerdere vergadering, in staat van beschuldiging komen. Een kerk zou, wanneer zij weigerde te komen op een classisvergadering, of wanneer zij weigerde de besluiten uit te voeren, zich zelf onttrekken, of zij werd het voorwerp van vermaning van het kerkverband.

Bouwman, H. (1934) § 71

§ 71. De afgevaardigden ter classicale vergadering.

De classicale vergadering is een samenkomst van genabuurde kerken, en daarom moeten alle kerken daarheen hare vertegenwoordigers met een wel omschreven mandaat zenden. In de oudste Fransche kerkenordening (1559, Art. 3) wordt gezegd: „dat de dienaren met zich zullen brengen op de synode elk een ouderling of diaken van hunne kerk, of meerderen.” Van eene afvaardiging is geen sprake. Alle predikanten moesten komen. Het getal der ouderlingen of diakenen evenwel was beperkt. De synode van Poitiers (1560) beperkte het getal ouderlingen en bepaalde dat in zaken der leer aan de ouderlingen en de diakenen gezamenlijk niet meer stemmen toekwamen dan aan de gezamenlijke predikanten. Bovendien werd ook de afvaardiging geregeld door de bepaling dat zij „moesten worden gekozen door den kerkeraad.” In de Nederlandsche kerken werden reeds op het convent van Wezel 1) de lijnen uitgestippeld voor het samenkomen van de afdeelingen „der provinciën in classen of parochiën”, doch eene aanvankelijke regeling werd getroffen op de synode van Emden 2) zonder dat hier bepaald werd, welke personen de kerken op die vergaderingen moesten vertegenwoordigen. Eerst in de kerkenordening van Dordrecht (1578, Art. 27) werd eene nadere regeling opgenomen: „Wt een yegelicke ghemeynte sal een Dienaer des woordts met een Ouderlinck op de classicale versame­linghe verschynen. Ende hoewel alle Dienaers dier classe, als oock alle Ouderlinghen der plaetse daer de versamelinghe ghehouden wordt in den classen moghen koemen, soo en sullen nochtans niet meer dan twee


1) Hoofdst. I. 4.
2) c. II.

|133|

van den Kerckenraet daertoe vercoren wt een yegelicke ghemeynte kuerstemmen hebben.” Het eerste deel dezer bepaling bleef in de kerkenordening van 1581 (Art. 30) en van 1586 (Art. 38), maar het tweede deel was nog al aan verandering onderhevig, zooals wij nader zullen zien bij de behandeling der vraag of alle predikanten keurstem hebben op de classicale vergaderingen.

De oude regel was dus, dat elke kerk door een dienaar des Woords en een ouderling op de classicale vergadering vertegenwoordigd wordt. In de practijk handelen de kerken wel eens anders. Herhaaldelijk lezen wij in de acten der kerkelijke vergaderingen, dat uit sommige kerken geen ouderlingen waren opgekomen. Telkenmale werden de kerkeraden vermaand, om op de classen en de synoden zich ook door ouderlingen te laten vertegenwoordigen. De credentiebrief van de classis van Voorne, Putten en Overflakkee voor de afvaardiging naar de synode van Dordrecht (1574) 1) was onderteekend door 12 predikanten, 7 ouderlingen en 2 diakenen. De particuliere synode van Zeeland (1581), samengesteld uit 8 predikanten en 4 ouderlingen, vaardigde naar de Nationale Synode van Middelburg af: „vier predikanten en twee ouderlingen van Middelburg als getuighen, ofte soo wt andere synoden meer persoonen die stemmen hebben afgesonden worden, sullen deze voorz. ouderlinghen in gelijcken grade staan.” Ook op de synode van Dordrecht in 1618/19 was het aantal afgevaardigde predikanten veel grooter dan het aantal ouderlingen.

De reden hiervoor is voor een deel te zoeken in het feit, dat de ouderlingen door hun maatschappelijke positie wel eens verhinderd werden eenige dagen of eenige weken van huis te zijn. Vooral in de oudste tijden der Gereformeerde kerken, toen de classes over een uitgebreid terrein verspreid waren, en het bijwonen eener vergadering met groote kosten en tijdverlies gepaard ging, is dit zeer goed te verstaan. Aan de Dordtsche synode van 1574 werd geschreven door den kerkeraad van Schiedam in den geloofsbrief van den gevolmachtigden predikant (13 Juni 1574): „aangaende dat wij gheenen ouderlingh met hem senden, is niet wt versmaetheyt ofte onachtsaemheijt, mer omdat beijde Ouder­lingen ende Diakenen meest al int gericht deser stede syn, ende dewijle hier soe veel met des stadts saecken (van wege des Crijghs) te doen is, soe en moghen sij niet wel van huijs wesen. Bidden derhalven allen B., die in den Sinodo sullen vergadert syn, dat sij ons dit ten besten willen affnemen.” Op de particuliere synode van ’s Gravenhage in Juni 1583 hadden de classes van Dordrecht, Delft en Rotterdam elk maar één ouderling gezonden, en in plaats van den tweeden ouderling een dienaar


1) cf. Acta Rutgers, bl. 187.

|134|

in zijn plaats gezonden, omdat „de ouderlinghen (als zynde luijden, die haere neeringhe ende handtwercken moeten waernemen) tot dese commissien niet vaceren moghen” 1). Ook werd als reden, waarom geen ouderlingen gezonden werden, genoemd de groote kosten, en daarom werd ook wel een verzoek gericht tot de overheid, opdat deze mede de kosten zou dragen 2). Eveneens werd als reden opgegeven de onbekwaamheid der ouderlingen. De synode van Goes (1597) vergunde aan de kerk van Oost-Duiveland dat zij, indien zij geen bekwame ouderlingen had, in de plaats van ouderlingen dienaren des Woords zou mogen zenden.

In de zestiende eeuw waren er ook wel predikanten met name in Zeeland en Friesland, die van oordeel waren, dat ouderlingen niet behoefden te komen ter classicale vergadering. Doch zoodanige gevoelens werden op de classicale vergaderingen afgekeurd. In 1597 werd door de classis Neder-Veluwe omtrent de afwezigheid van een ouderling besloten „voor dit mael thogelaten, maer sal voort an niet meer gescheden.” En in 1607 werd er zelfs boete gesteld op dit wegblijven 3). Op de classicale vergadering van Sneek (12 Juli 1586) kwam een protest ter tafel van zes predikanten tegen het verschijnen van ouderlingen als leden der classicale vergadering. Men had in deze classis trouw vergaderd zonder ouderlingen. Doch toen de synode van Harlingen in 1584 bepaald had, dat de ouderlingen moesten tegenwoordig zijn, rees er protest. Door den invloed van deputaten der Friesche synode werd dit geschil in de classis Sneek bijgelegd, en werd ook in Friesland de oppositie tegen het verschijnen van ouderlingen op de kerkelijke vergaderingen als eisch van de presbyteriale kerkorganisatie opgegeven. Zoo weinig werd echter deze regel in sommige classes nageleefd, dat bij missive van Gedeputeerden der Staten van Friesland d.d. 24 April 1657 eene missive gezonden werd, behelzende den last: „dat de predikanten geene classicale vergadering sullen houden, zonder oproeping en bij wezen van haar respectieve ouderlingen bij poene van nulliteit der resolutiën.” De classicale vergaderingen van Bolsward-Workum konden wel vergaderingen van predikanten genoemd worden. Niettegenstaande de bepaling van Art. 41 der Dordtsche kerkenordening, telkenmale bevestigd door de synoden, bleef de practijk veelal in strijd met deze besluiten, zoodat zelfs in 1636 nog in Utrecht werd bepaald, dat de bepaling van Art. 41 der kerkenordening moest worden nageleefd „so veel de gelegenheid der kerken eenigsins sal toelaten.” En de


1) Reitsma en Van Veen, Acta II. 218.
2) A.w. II. 314; V. 314; VI. 103, 144.
3) Schokking, Leertucht, bl. 35.

|135|

Utrechtsche synode verzwakte dit oordeel nog in 1659 door de bepaling: „aan eene kerk, schoon in langen tijd geen ouderling ad classem gecommitteerd hebbende, staat vry zulks altyd te doen.”

Hoezeer de Gereformeerde kerken in de practijk ook van den regel, in Art. 41 der kerkenordening gesteld, zijn afgeweken, de regel zelf werd steeds gehandhaafd. Wanneer een ouderling wettig verhinderd werd, kon ook een der diakenen zijn plaats innemen. Gewoonlijk liet een kerkelijke vergadering dit voor een bepaald geval toe, gelijk de synode van Edam (2 Juni 1586) besloot „mits conditien dat naemaels hetselfde in egeen conseqentie zal getrocken worden.”

Wanneer wij letten op het karakter eener classicale vergadering als eene vergadering van kerken, zou de kerkeraad zich ook wel op eene classis kunnen doen vertegenwoordigen door een lid der gemeente, die geen kerkeraadslid is. Zoo zond de synode van Overijsel, omdat op de Dordtsche synode enkel het Latijn het voertuig voor gedachtenwisseling kon zijn, geen ouderlingen ter synode, maar twee „ghequalificeerde persoonen, die professie deden van de Gereformeerde Religie,” dus leden der kerk, die dienst verrichten „als” ouderling. Natuurlijk kan en mag de kerk alleen in zeer bijzondere gevallen dit doen. Niet zonder reden hebben de Gereformeerde kerken den regel gesteld, dat de kerken „elk een dienaar en een ouderling met behoorlijke credentie afvaardigen zullen,” omdat deze, belast met het ambt der regeering, voor de vertegenwoordiging der plaatselijke kerk als van zelf zijn aangewezen.

Kan een kerkeraad ook een consulent afvaardigen? In den regel kan dat niet. Een consulent is geen lid der kerk, waarvoor hij door de classis als raadsman is aangewezen, ook zelfs geen lid van den kerkeraad, maar een helper, die den kerkeraad eener genabuurde kerk met raad en daad bijstaat, wanneer hij daartoe wordt uitgenoodigd, en in het bijzonder wanneer hij bij het beroepingswerk leidend en adviseerend optreedt. Indien de consulent de eenige dienaar zijner kerk is, is het ook onmogelijk, dat hij afgevaardigd wordt door de kerk waarvan hij consulent is. Hij kan geen afgevaardigde van twee kerken tegelijk zijn. Indien evenwel de consulent predikant is van eene kerk met meerdere predikanten en hij zelf niet is afgevaardigd door de eigen kerk, zou het formeel niet geheel uitgesloten zijn, dat hij werd afgevaardigd. Doch het is in gewone tijden en in een geordend kerkelijk leven bijkans onmogelijk, dat zulk een abnormale afvaardiging noodzakelijk zou zijn, omdat de kerk, waarvan hij consulent is, twee ouderlingen kan zenden, en de consulent zelf, die als adviseerend lid ter vergadering aanwezig is, ook in die kwaliteit de vacante kerk kan bijstaan.

In een geheel abnormalen tijd behoeft de afvaardiging van een

|136|

consulent niet te zijn uitgesloten. Voetius herinnert 1) er aan, dat aan de buitenlandsche afgevaardigden op de Nationale synode van Dordrecht (1618/19) beslissende stem in zaken der leer is toegestaan. De Fransche synoden van La Rochelle (1571) en van Nïmes (1572) gaven aan den hoogleeraar Beza, ofschoon zelf geen lid van de Fransche kerken, zitting en stem. Doch in den gewonen gang van het kerkelijke leven is zulks niet noodig en niet wenschelijk.

Op het zendingsterrein, waar nog weinig geïnstitueerde kerken zijn, zou er reden voor kunnen zijn. Wanneer de afstand naar de plaats van vergadering zeer groot is en de reiskosten buitengewoon hoog zijn, of ook wanneer het voor een bijzondere aangelegenheid wenschelijk blijkt, een bekwaam man af te vaardigen, die op dat oogenblik niet in de kerk gevonden wordt b.v. in een pas geïnstitueerde inlandsche gemeente, en de dienaar-consulent zelf niet eene gemeente behoeft te vertegenwoordigen, zou er geen gegrond bezwaar kunnen worden ingebracht, waarom een kerkeraad niet den consulent zou mogen deputeeren. Maar, zooals van zelf spreekt, moet ook dit tot de hooge uitzonderingen behooren.

De regel, dat elke kerk een dienaar en een ouderling naar de classicale vergadering zal deputeeren, vloeit uit het wezen der presbyteriale kerkinrichting voort. Terecht wijst Voetius op den zegen, van de ouderlingen op de kerkelijke vergaderingen uitgegaan. Ten tijde der Arminiaansche twisten zijn een groot aantal kerken voor verwoesting bewaard door het gezag, dat hare ouderlingen tegenover haar predikant konden doen gelden. En al is het waar, dat goede predikanten niet hiërarchisch begeeren op te treden, is het toch ook waar, „dat in de Nederlandsche kerken alle beroeringen, alle schadelijke nieuwigheden, alle wanordelijkheden, partijschappen en afscheidingen, enkel en alleen ontstaan zijn uit terzijdestelling, vermindering, onderdrukking of opheffing van het wettig gezag der ouderlingen en des kerkeraads” 2).

Omdat de classisvergaderingen zijn vergaderingen van kerken, zendt elke kerk daarheen hare afgevaardigden, één dienaar en één ouderling. In geval de predikant niet kan komen, of de predikantsplaats vacant is, komt een ouderling in de plaats van den predikant.

De vraag is gesteld: „Mag eene kerk, die meerdere dienaren heeft, al hare dienaren afvaardigen met keurstem, of slechts één hunner?” De Gereformeerde kerken stelden er van den aanvang af prijs op, dat alle predikanten ter vergadering der classis kwamen, maar zij gaven niet aan al de dienaren ter plaatse waar meerderen waren keurstem, doch wel adviseerende stem. Reeds bepaalde de synode van 1578 (Art. 27): „Ende


1) Pol. Eccl. IV. 199.
2) Pol. Eccl. IV. 436-479.

|137|

hoewel alle Dienaers dier classe, als oock alle ouderlinghen der plaetse daer de versamelinghe ghehouden wordt in den classen moghen koemen, soo en sullen nochtans niet meer dan twee van den kerckenraet daertoe vercoren wt een yeghelicke ghemeynte kuerstemmen hebben.” Deze bepaling werd in 1581 overgebracht naar de Particuliere vragen (vr. 15), doch in de kerkenordening bleef de regel staan, dat elke kerk een dienaar en een ouderling naar de classisvergadering zal zenden.

Deze regel werd gemaakt opdat de kerken, die meerdere dienaren hadden, op de classicale vergaderingen de kleinere niet overstemden en daardoor niet zoude geschonden worden het grondbeginsel, dat geen enkele kerk over een andere heerschen mag. Toch was allengs de practijk opgekomen, in overeenstemming met den regel in 1578 gesteld, dat al de predikanten van de groote kerken ter classis kwamen, hetgeen zeer gewenscht was, omdat de kennis van het kerkrecht bij vele afgevaardigden gering was, en de stedelijke predikanten, onder wie veelal de leiders in het kerkelijke leven zich bevonden, de classis met hun advies konden dienen.

Vele predikanten konden zich in dezen regel niet geheel vinden, en meenden, dat hun onrecht werd aangedaan. In onderscheidene provinciën kwam deze zaak ter sprake. De Zuid-Hollandsche synode van Schoonhoven (1597) 1) besloot deze zaak opnieuw ter Generale Synode te brengen. Op de synode van Tholen (1602) werden over deze kwestie twee breede rapporten uitgebracht. Het eerste is uit naam van 13 kerken in Walcheren, en mede onderteekend door Antonius Walaeus. Het huldigt de beschouwing, dat elke kerk, ook de stedenkerken, slechts één predikant en één ouderling met keurstem mag afvaardigen. Immers „de leden der classicale vergadering zijn de kerkeraden, en niet eigenlijk de kerkelijke personen, die in de classis niet anders zijn dan leden van een lid. Anders zouden niet alleen alle dienaren, maar ook alle ouderlingen in ’t bijzonder zijn leden der classe, en volgens dien daar altijd met keurstem moeten verschijnen.” Bovendien bevordert het aanwezig zijn van al de predikanten de heerschappij van enkele kerken over de anderen, en „indien de heerschappij van de eene kerk over de andere verboden is, zoo zijn ook alle beginselen en middelen verboden, die daarheen den weg zouden kunnen bereiden." Met een beroep op de besluiten der Fransche en Nederlandsche synoden, en met eene waarschuwing tegen mogelijk insluipende hiërarchische beginselen wordt dit breede rapport besloten. Het tweede rapport, door twee predikanten Herman Faukelius en Johan Rademaker overgelegd, pleit met kracht van redenen voor de oude gewoonte, dat de dienaren


1) Reitsma en Van Veen, III. 419.

|138|

niet alleen mochten verschijnen met adviseerende, maar ook met beslissende stem. Als reden hiervoor wordt aangevoerd, dat het van den beginne der reformatie in deze landen noodig werd gekeurd, dat alle predikanten op de classis moesten verschijnen. Dit gebruik moet blijven, want de predikanten zijn allen leden der classis. Zij onderteekenen persoonlijk de belijdenis des geloofs, en worden daarom ook door de classis erkend voor lidmaten der classis. Zij behooren om die reden allen op de classisvergadering te komen, opdat het corpus der classis niet beroofd worde van een goed deel zijner leden. Voorts werd gewezen op allerlei zwarigheden, wanneer niet alle dienaren ter vergadering komen. Zij zouden van elkander vervreemd kunnen worden. Zij zouden onwetend kunnen zijn van de besluiten der classis. Zij, die altijd verschenen, zouden de anderen kunnen overheerschen. Vele van de argumenten in het tweede rapport aangevoerd toonden dat de voorstanders uitgingen van een verkeerde beschouwing der meerdere vergaderingen. De synode van Tholen nam in dit geschil een bemiddelend standpunt in. Zij besloot, dat al de dienaren ter classisvergadering zouden verschijnen met beslissende stem in zaken van de leer en van de algemeene regeering der kerk, maar opdat de vele afgevaardigden van de eene kerk die van de andere niet zouden overstemmen, werd hun bij alle particuliere kwesties tusschen kerken of particuliere personen alleen adviseerende stem gegeven 1). De voorstanders van het eerste rapport wilden in 1610, op de synode van Veere, hierop nog terugkomen 2), maar de synode handhaafde het besluit van Tholen.

De synode van Schoonhoven (1597) heeft deze kwestie op de Nat. synode van Dordrecht (1618/19) gebracht. En deze schikte zich in de bestaande practijk. Wel werd het juiste beginsel — hoewel zwak — verdedigd door de Noord-Hollandsche Deputaten, die het volgende advies gaven: „Alhoewel wy toestaen dat alle de Predicanten uyt een kerke op den classem mogen compareeren ende helpen delibereren, Nochtans dewyl het voor andere kerken, die maer een Predicant hebben, mochte praeiudiciabel syn, soo sy alle keurstemmen hadden, meenen wij datmen die swaricheyt aldus soude mogen byleggen, dat waer 4 Predicanten syn end daerboven tot sesse, deselve in de classen twee keurstemmen hebben; waer meer Predicanten syn als sess tot negen toe drie stemmen; end waer meer Predicanten syn als negen tot twaalf toe, 4 stemmen” 3). De Dordtsche synode voegde in de kerkenordening deze bepaling in: „Daer in een plaetse meer Predicanten syn als een, sullen die altesamen in de Classe moghen verschijnen ende keurstemmen


1) Acta, Reitsma en Van Veen, V. 64-86.
2) A.w. V. 101.
3) Dr H.H. Kuyper, Postacta, 131, 429.

|139|

hebben, ten ware in saken, die hare persoonen ofte kercken int bysonder aengaen.” De oude gewoonte had gezegevierd. Alleen in zoover was er verandering gekomen, dat men de predikanten van die plaatsen, waar meerdere dienaren waren, niet liet meestemmen in zaken, die hunne personen of hunne kerken raken.

Hiermede was een onjuist beginsel in de kerkenordening ingedragen. Onderscheidene classes hebben getracht door eene afzonderlijke regeling de tegenspraak tusschen art. 41 en 42 weg te nemen, maar eerst in 1905 hebben de Gereformeerde kerken voor zich art. 41 en 42 met elkander in overeenstemming gebracht en art. 42 aldus geredigeerd: „waar in eene kerk meer Predicanten zijn dan één, zullen ook zij, die niet volgens het voorgaande artikel afgevaardigd zijn, in de classe mogen verschijnen en adviseerende stem hebben.” Het is voorzeker wenschelijk, dat al de predikanten geregeld op de classisvergadering verschijnen, en deze dienen met hun advies. De beslissende stem kan aan de predikanten, die niet afgevaardigd zijn, niet worden verleend, maar desniettemin blijven de predikanten, die geen keurstem bezitten, grooten invloed oefenen op de vergadering. Een persoon kan door zijn woord veel grooter invloed uitoefenen, dan hij door een stem zou vermogen te doen.

De synode van Utrecht heeft de slotclausule van het Dordtsche artikel: „Ten ware in zaken, die hunne personen of kerken in ’t bijzonder aangaan,” hier van art. 42 weggenomen en gevoegd achter art. 33, waardoor deze woorden een veel ingrijpender beteekenis hebben verkregen. Zooals wij vroeger hebben gezien, is het vaststaand gebruik geweest op de kerkelijke vergaderingen en geheel naar de geldende rechtsbeschouwing, dat niemand in zijn eigen zaken als rechter mag optreden. Wanneer iemand’s persoonlijke zaken of de zaken der kerk, die hem afvaardigde, in het geding zijn, is iemand partij in het geding. Wel moet ieder, wiens zaak behandeld wordt, in de gelegenheid gesteld worden zijne belangen te verdedigen, maar de beslissing is bij de vergadering, die als rechter bevoegd is een oordeel uit te spreken.

In verband hiermede kan worden gevraagd: Of het niet beter ware, dat men op eene classisvergadering stemde naar het getal kerken, zoodat elke kerk, hoeveel deputaten zij ook had, maar ééne stem had? Hierop kan geantwoord worden, dat zulk eene wijze van stemmen al heel bezwaarlijk is, omdat, ook al zijn de te behandelen zaken van te voren op de kerkeraadsvergadering geweest, daarover niet altoos het voldoende licht scheen, en de afgevaardigden niet met volle kennis van zaken ter vergadering komen. Op deze wijze is het mogelijk, dat wijl op de vergadering gediscussieerd wordt en allerlei toelichting gegeven wordt, de afgevaardigden geheel anders stemmen dan zij oorspronkelijk voornemens waren. Het is dan ook feitelijk geheel onmogelijk,

|140|

dat de kerkeraad in alle zaken aan zijne deputaten een imperatief mandaat, waaraan deze gebonden waren, meegaf. Dan zou men een classicale, en eveneens een synodale vergadering, wel geheel achterwege kunnen laten, en de stemmen der kerken eenvoudig schriftelijk laten opsturen, om door een bureau den uitslag te doen opmaken. Doch dan zou er geen kerkelijk samenleven mogelijk zijn. En het feit, dat de Gereformeerde kerken classicale en synodale vergaderingen gewild hebben, is een duidelijk bewijs, dat ons kerkverband geen imperatief mandaat wil. De kerkelijke vergaderingen dienen immers juist om elkander van hulp en voorlichting te dienen, en zoo tot eene beslissing te komen. Bij zaken waarin verschil van gevoelens mogelijk is, en ook werkelijk bestaat, komen op die vergaderingen voor- en tegenstanders aan het woord, en door het debat kan het gebeuren, dat de leden der vergadering behoorlijk ingelicht in staat zijn hun stem te bepalen. Daarom kan eene beslissing over eenig punt van het agendum op eene kerkeraadsvergadering nooit anders dan voorloopig zijn. En juist om die reden kan ook een kerkeraadsbesluit over eenig punt van het agendum voor eene classicale vergadering nooit bindend zijn voor den afgevaardigde. Terecht zegt Dr Rutgers 1): „Het kan zelfs voorkomen, dat een kerkeraad, wanneer alle zijne leden de classe hadden bijgewoond, na het hooren der beraadslagingen aldaar zijn besluit geheel anders dan tevoren zou genomen hebben, en daarom moet het daarvoor genomen kerkeraadsbesluit als eene voorloopige beschouwd worden.” En het is daarom ook dat de afgevaardigden niet kerksgewijze kunnen stemmen. Zij stemmen in gebondenheid aan de H. Schrift en de belijdenis als vrije mannen, die naar hun overtuiging handelen.

Dit wordt ook vermeld in de credentiebrieven. Een behoorlijke credentiebrief vermeldt niet alleen de namen van de afgevaardigden met hunne plaatsvervangers, maar geeft ook eene verklaring dat hun door den kerkeraad last en macht (opdracht en bevoegdheid) is gegeven, om alle wettig ter tafel komende zaken mede te behandelen naar Gods Woord, de belijdenis der kerk en de aangenomen kerkenordening. Voorts moeten de geloofsbrieven wettig door den praeses en den scriba des kerkeraads geteekend zijn. Eerst wanneer de credentiebrieven in orde bevonden zijn, kan een afgevaardigde zitting nemen. Juist door de credentiebrieven wordt openbaar, dat de afgevaardigden vertegenwoordigers eener kerk zijn, en namens haar kunnen handelen.

Wil de kerkeraad, dat bepaalde zaken worden behandeld op de classisvergadering, dan kan hij deze op den lastbrief doen vermelden, of bij afzonderlijk schrijven, door voorzitter en scriba des kerkeraads onderteekend,


1) Kerkel. Adviezen I. 299.

|141|

ter vergadering van de classis inzenden. De aanwijzing der zaken welke de kerkeraad aan zijn afgevaardigden ter behandeling op de classis heeft medegegeven noemt men instructies. En alleen wat door de lastgevers, in casu de kerken, op ’t agendum geplaatst is, kan wettig behandeld worden.

Bouwman, H. (1934) § 72

§ 72. De vergadering der classis.

a. Tijd van vergaderen. Het welzijn van de kerken eischt, dat de classisvergaderingen op bepaalde tijden gehouden worden. De synode van 1571 (Art. 7) bepaalde, dat zij om de drie of om de zes maanden zouden samenkomen. Het was moeilijk in die dagen om vaker te vergaderen, wijl de afstand der kerken van elkander groot was, en het reizen in die dagen moeilijk. Na 1572 evenwel, toen voor Nederland de dageraad der vrijheid was aangebroken, het aantal vrij geworden kerken grooter was geworden en allerlei regelingen moesten worden getroffen, werd vooral in de eerste jaren nog al druk vergaderd. In Noord-Holland en in Friesland kwamen de classen om de twee weken bijeen. De synode van Harlingen (1584) besloot, dat men om de twee weken classicale vergaderingen zou houden, de eene om over kerkelijke zaken te handelen, „met byweesen ende stemmen der olderlinghen, den anderen om tho holden collationem doctrinae”, en waar niet, tenzij dit noodig was, over kerkelijke zaken gehandeld werd. In N. Holland had men wekelijksche en veertiendaagsche vergaderingen van predikanten (coetus), wier hoofddoel was onderlinge bespreking van de leer. Dit bleef zoo eenigen tijd en werd aanleiding, dat men in onderscheidene classen niet erkende de noodzakelijkheid van het verschijnen van de ouderlingen op de classicale vergadering. Langzamerhand is echter de regel, dat elke kerk een predikant en een ouderling moest afvaardigen, algemeen gevolgd 1).

Op de synode van Dordrecht (1574, Art. 10) werd bepaald, dat de classes alle maanden, in 1578 (Art. 40), dat zij alle maanden of zes weken, korter of langer zouden vergaderen, „doch alzoo datse den tyt van dry maenden niet voorby gaen.” Aan de bepaling, dat de classes om de maand zouden samenkomen, heeft men zich in Holland nooit gehouden. Op zijn hoogst kwam men samen om de twee maanden. In 1581 schrapte men op de synode van Middelburg de bepaling „alle maand of zes weken”, en bleef er staan, dat een classisvergadering niet langer dan drie maanden mocht worden uitgesteld. Bijna alle classes


1) Schokking, De Leertucht, bl. 37-39.

|142|

hebben dezen regel gevolgd. In den winter werd echter wegens de bezwaren van het jaargetijde de vergadering wel eens nagelaten. In de classis Neder-Veluwe vergaderde men slechts eenmaal in het jaar. In Gelderland werd de slapheid bevorderd, doordat de Staten wel de Kerkenordening hadden aangenomen, maar niet zorgden, dat de bepalingen trouw werden nagekomen. De landjonkers wilden de macht in handen houden. In Friesland vergaderden — behoudens buitengewone omstandigheden — de classes te beginnen met de week na Paschen tot en met October elke maand 1).

Het is noodig, dat de kerken zich houden aan den regel, dat de classes om de drie maanden samenkomen. Uitstel kan licht tot schade van de kerken zijn. In buitengewone gevallen en voor spoedeischende zaken kan er een buitengewone classis gehouden worden.

b. Omtrent de plaats van vergadering hield men zich in de oude Gereformeerde kerk veelal aan den regel, in 1574 te Dordrecht (Art. 10) gesteld, dat de classes in onderscheidene plaatsen gehouden werden, welke plaats op elke classis werd vastgesteld. De reden hiervoor was, vooreerst, opdat de heerschappij van de eene kerk over de andere verhinderd zou worden, en in de tweede plaats, opdat de classis van den toestand van elke gemeente op de hoogte zou komen 2). Men moest vroeger meestal twee nachten in de plaats van vergadering logeeren en kwam daardoor van nabij met de leden der gemeente in aanraking. Kleine plaatsen werden wel eens gepasseerd, omdat hier geen geschikte localiteit of logies was. De Staten van Holland, die hun invloed op het kerkelijk leven wilden blijven uitoefenen, bepaalden bij resolutie van 21 Augustus 1620, dat de classicale vergaderingen „in de hoofdsteden in elke classe, leden van dese vergaderinge wesende” moesten worden gehouden 3), in overeenstemming waarmede nog in 1669 op de synode van Schoonhoven (Art. 32) de classes gelast werden, deze resolutie na te komen, „dat de classicale vergaderplaatsen niet ten platten lande, maer in stemmende steden, alwaer classen zijn, worden gehouden.” In onderscheidene provinciën week men wel eens van deze gewoonte af. In Friesland werd de vergadering in den regel gehouden in de kerk van de hoofdplaats der classis, maar in de classis Zevenwouden en Dokkum week men nog al eens van dezen regel af.

De synode van 1816 wilde een vaste plaats voor de classis, en bepaalde, dat de vergaderingen in de hoofdplaats der classis moesten worden gehouden. In de Gereformeerde kerken hield men zich van 1834 af aan den regel van Art. 41 der Kerkenordening, dat de plaats


1) Cuperus, Kerkelijk Leven in Friesland I. 34.
2) Acta van Wezel, c. VII. 20.
3) Acta der synoden, ed. Knuttel, IV. 333.

|143|

en de tijd van de vergadering bij het scheiden van elke vergadering werd bepaald. Deze regel laat de volle vrijheid aan de kerken zelve om eene plaats te bepalen, die de meest geschikte is. Gewenscht is zulk een plaats te kiezen die zonder veel moeite en kosten kan worden bereikt, en waar een goede lokaliteit is voor de vergadering en een plaats voor het bewaren van het archief.

c. Wijze van samenroeping. Gewoonlijk wees men in de oude Gereformeerde kerken op elke vergadering naar volgorde eene kerk alsroepende kerk aan, die tevens het adres der classis was van de eene vergadering tot de andere. Later wees men ook deputaten hiervoor aan. In Friesland had de classis een „dienaar”, die de vergaderingen rondzeide, en boodschappen overbracht.

Een bijzondere bepaling voor de wijze van samenroeping is niet noodig. Het is echter beter, dat eene kerk als roepende kerk wordt aangewezen dan dat voor het samenroepen der classis deputaten worden aangewezen. De roepende kerk is van de eene classisvergadering tot de andere het adres der classis. Tot haar moeten alle stukken worden gericht. Zij dragen zorg, dat minstens 14 dagen vóór de vergadering der classis gehouden wordt, het agendum, met duidelijke vermelding van wat moet behandeld worden, aan de kerkeraden wordt toegezonden. Zij legt alle ingekomen stukken over aan de vergadering. Immers de classis is eene vergadering van kerken. Daarom moeten de kerkeraden vooraf handelen over alle zaken, die op het agendum staan, opdat zij goed voorbereid en met kennis van zaken kunnen oordeelen, en medewerken tot het nemen van een besluit. Het is de roeping der afgevaardigden om nauwkeurig op te teekenen wat ter classisvergadering is besloten, en daarvan te rapporteeren aan den kerkeraad. Het agendum behoort door de roepende kerk per brief, in gesloten enveloppe, aan de kerken gezonden te worden, wijl allerlei zaken, ook die een intiem karakter dragen, b.v. zaken van censuur, en zaken die het leven van kerken en personen raken, op het agendum voorkomen.

d. Een getrouw bezoeken van de classicale vergadering is noodig, wijl alle kerken op rechtmatige wijze op de classis dienen vertegenwoordigd te zijn. Geen enkele afgevaardigde mag zich, tenzij wegens geldige reden, voor bijwoning verontschuldigen. Ambtelijke werkzaamheden in de gemeente mogen in den regel een predikant niet weerhouden van het bezoeken der classisvergadering. Voor een zeer dringende werkzaamheid dient hij  verlof van de vergadering zelve te vragen. Oudtijds stelde de classis wel eens geldboete op verzuim, maar het strafstelsel kon ook vroeger de onregelmatigheden niet weren. Al­leen de bewustheid van de roeping moet ook in dézen dringen.

e. De leiding der vergadering berust bij den praeses en den scriba,

|144|

waaraan ook nog een assessor dient te worden toegevoegd. Art. 41 der kerkenordening zegt hiervan: „in welke samenkomsten de dienaren bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkozen wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkozen worden.” Als regel voor eene meerdere vergadering gold altoos in de Gereformeerde kerken, dat dezelfde persoon niet tweemaal achtereen de leiding der vergadering had. Zij wilden daarmede het hiërarchisch beginsel, zooals dat in andere kerken voorkwam, bij den wortel afsnijden, en de gelijkheid van alle dienaren handhaven. Deze regel sluit niet uit, dat in bijzondere gevallen, wanneer een predikant zwak is of lijdende is aan een kwaal, die hem belet om de leiding der vergadering naar behooren te vervullen, de vergadering iemand kan ontheffen van zijn beurt om te presideeren. In art. 41 der kerkenordening wordt immers ook gezegd, dat de vergadering ook rechtstreeks een voorzitter kan kiezen. Doch ook wanneer de regel gevolgd wordt, dat de predikanten naar toerbeurt presideeren, kan in een bijzonder geval de assessor den aangewezen president te hulp komen.

Het was in de Gereformeerde kerken tijdens de republiek de gewoonte, dat alle predikanten met keurstem ter vergadering kwamen, en dat allen naar alphabetische orde het ambt van voorzitter waarnamen. Van deze gewoonte behoeft men niet af te wijken, wanneer, zooals dit in de Gereformeerde kerken van thans het geval is, wel alle predikanten zitting hebben op de classicale vergadering, maar uit kerken, waar meer predikanten zijn, slechts één keurstem heeft. Immers ook de adviseerende leden der vergadering kunnen als voorzitter fungeeren. Was het vroeger en later gebruik, dat de predikanten bij beurte de classisvergadering presideerden, het kwam ook voor, dat de president door stemmen aangewezen werd. Wanneer deze regel gevolgd wordt, dan wordt gewoonlijk wel een der meest bekwame en geschikte mannen gekozen, maar de ervaring leert, dat in dit geval de leiding in handen van zeer enkelen is, en dat zeer vele predikanten practisch achtergesteld worden bij enkele mannen, die den toon aangeven. Om die reden, om te voorkomen dat een of twee personen oppermachtigen invloed uitoefenen in de vergadering, is het meer gewenscht, dat de dienaren des Woords bij toerbeurt presideeren.

Het bezwaar, dat tegen een vasten praeses kan worden ingebracht, geldt niet tegen een scriba. De scriba moge door zijn werk een man van invloed en beteekenis zijn, doch hij neemt meer een dienende dan een leidende positie in. In sommige classen wordt een scriba bij beurte door de vergadering aangewezen, in andere classen valt de eer van het scribaat aan het jongste lid der classis te beurt. Het is meestal wel de gewoonte, dat een predikant het scribaat waarneemt, doch ook

|145|

een ouderling kan dit ambt vervullen. Een assessor treedt op als plaatsvervanger van den praeses of van den scriba. Een bijzondere waardigheidsbekleeder is de fiscus. Dit werk kan door den assessor worden waargenomen, doch daarvoor kan ook een bepaalde broeder, hetzij een predikant of een ouderling, of een gewezen ouderling, worden aangewezen. In Friesland was de fiscus een man van beteekenis. Zijn taak was in de 17e en in de 18e eeuw het invorderen en beheeren der gelden, terwijl hij bovendien was censor morum. In de acten van de classis Zevenwouden (15 April 1759) lezen wij: „Ter voorkoming van eene ontijdige inschikkelijkheid omtrent de leden der classis, die onder beschuldiging liggen van óf in leer óf in wandel in culpa te zijn, doch die men óf uit een verkeerd toegeven over ’t hoofd ziet óf met vreeze mijt, waardoor de censuur dikwijls zeer verslapt, wordt het dienstig geacht, dat men den fiscus classis verzoekt en gelast om ratione officii zijn oog op de leden der classis te houden, en ingeval, dat er onverhoopt mogten zijn, op wiens leere of leven eenige ergernissen en rechtveerdige verdenkingen ten kwade mogten komen te vallen, dat deselve fiscus dan ratione officii zal gehouden zijn, den Eerw. Cl. daarvan kennisse te geven, opdat die des te eerder van diergelijke misdrijven kennisse mocht ontvangen en zoodanige maatregelen nemen als men tot beste handhavinge van waarheid en recht mogte noodig vinden.”

In de classis Leeuwarden had men twee zulke censores. Zulk een bijzondere opdracht aan den fiscus kan in geheel onregelmatige tijden noodig geweest zijn, als regel is het verkeerd zulk een voorbeeld te volgen. Het werk van een fiscus is niets anders dan het innen en het beheeren der classicale gelden.

f. De taak der classis. Uit het beginsel, dat de classis is eene vergadering van kerken, volgt, dat de classis niet is een bestuur, dat als zoodanig staat boven en zeggenschap heeft over de kerken. De zelfstandigheid der plaatselijke kerken moet ook in het kerkverband ongerept blijven. Maar wijl de classisvergadering ingesteld is met het doel, opdat de kerken elkander wederkeerig met raad en steun zouden dienen, opdat de eenheid der kerken in belijdenis, orde en tucht zou worden gehandhaafd, en het welzijn van de kerken en hare leden zou worden bevorderd, bestaan de werkzaamheden der classis: in het houden van toezicht op de leer, het leven en de orde der kerken, in het geven van raad, leiding en beslissing in alle zaken die naar de kerkenordening daar gebracht worden, en in de afvaardiging naar de meerdere vergadering.

De leer der kerk, in de Belijdenis vervat, is niet het afzonderlijk bezit eener plaatselijke gemeente, maar het eigendom der geheele kerk. De organische eenheid der kerk treedt juist in de gemeenschappelijke

|146|

belijdenis aan den dag. Zij is accoord van het kerkelijke leven. Daarom is het ook eisch voor de meerdere vergaderingen, dat zij nauwgezet acht geven op de leer en het leven der predikanten, gelijk zij ook in alle gevallen, waarin klachten of bezwaren met betrekking tot de leer en de prediking waren ingebracht, eene beslissing moeten nemen.

Daartoe behoorde oudtijds ook de classicale preek, waarvan het doel was, niet om de classicale vergadering te stichten, maar om „malcanderen in de handelinge der Schriftuere te oeffenen, ende die leere in hare suiverheit dies te beter te onderhouden.” Zeer waarschijnlijk hebben de Nederlandsch-Gereformeerde kerken dit overgenomen van Genève, waar onder de leiding van Calvijn was ingesteld, dat de dienaren des Woords bij beurte eene predicatie zouden houden, welke daarna door de anderen beoordeeld werd. Deze predicatie geschiedde daar niet in eene classisvergadering, maar in eene vergadering van predikanten. Evenals te Genève zoo ook werd in de kruiskerken wel in eene vergadering van dienaren des Woords een predikatie gehouden, om de eenheid des geloofs onder elkander te betuigen 1). In de synode van Emden evenwel werd besloten, dat in de vergadering van de classis een predikatie zou gehouden worden door een der dienaren, „van dewelke die andere meede-Dienaars, byeen verzamelt, zullen oordeelen”. Ofschoon deze preek gehouden werd voor de verkiezing van den voorzitter, mag daaruit niet worden afgeleid, dat zij ten doel had de vergadering met een stichtelijk woord te openen. Integendeel, stichting der vergadering is nooit het doel van de classikale preek geweest, maar bepaaldelijk om zulk een preek te beoordeelen, om de fouten daarin aan te wijzen, en om te zien of de wijze van prediking stichtelijk en profijtelijk was. Zoodoende werd op ernstige studie aangedrongen.

Dit was in den eersten tijd na de Reformatie ook noodzakelijk. Velen waren in de ambtelijke bediening gesteld, die niet eene behoorlijke opleiding hadden genoten, o.a. gewezen pastoors en monniken, en dezen moesten voortdurend studeeren. Ook bij de weinigen, die een Gereformeerde opleiding genoten hadden, door het onderwijs van predikanten of bijwoning der profetieën, liet de kennis veel te wenschen over. Slechts enkelen hadden een universiteit bezocht. Immers vóór de hoogeschool van Leiden werd opgericht (1575), waren er in het buitenland Gereformeerde hoogescholen te Genève, Zürich, Heidelberg, Neustadt en in Schotland. Uitteraard waren, wijl er zoo groote behoefte aan predikanten was, de eischen voor toelating tot den predikdienst niet hoog gesteld. Zoodoende kon een classicale preek, waar allerlei dogmatische, ethische en exegetische kwesties als vanzelf ter sprake


1) Syn. à la Vigne, 21 Nov. 1564, Art. 3.

|147|

kwamen, zeer nuttige diensten bewijzen. Het kwam ook voor, dat een preek werd opgegeven over waarheden, die destijds werden aangevallen, gelijk de Prov. Synode van Harderwijk in 1580 besloot (Art. 18):

„Op de Classicale vergadering sall een dienaer des woorts, daer die broeders ’t zaemencoemen, een corte predich opentlich doen van einen artijckell, nu controvers zijnde, van welcker die broders sullen ordelen, und wat mangelt hem broederlick aenseggen tot stichtinge der gememte, darnach den verklarten artijckell disputirens weise tot oeffenungh sonder ostentatie examineren, censuram morum onder sich halden, jeder diener die gravamina seiner kirchen schrifftlich vorbrengen, und wat op den naestvolgenden classe voor ein artijckell getractiert, soll almael verclaert werden, als in ersten classe der artijckell de tribus Elohim seu tribus in divinitate personis.” Dat de behoefte gevoeld werd, om de predikanten tot studie op te wekken, blijkt uit de vraag, gedaan op de Nat. Synode te Middelburg (1581, vr. 28), of het niet goed was naast de classicale vergaderingen ook nog de gemeente te bezoeken door inspecteurs of superintendenten, waarop de synode antwoordde „dat het onnoodich ende zorghelick is”, maar opdat er niet alleen lang overdachte preeken gehouden zouden worden op de classicale vergaderingen, „zo salt in des Classis macht staen, (alst noodich is) hen eenen text te geven, om des anderen daeghs een predicatie daerouer te doene.”

Op de Nat. Synode van Den Haag werd nogmaals op het houden eener „corte predicatie” aangedrongen, terwijl aan de visitatores werd opgedragen somwijlen de preeken der dienaren te gaan hooren. Vooral in de dagen der Remonstrantsche twisten kon een classicale preek goede diensten bewijzen. Het is dan ook te verstaan, dat de Nationale Synode van Dordrecht (1618/19, Art. 41) de bepaling van vroeger overnam in deze woorden: „De Dienaer, dien ’t inde voorgaende classe opgheleydt was, sal een corte predicatie uyt Gods Woord doen, van welcke die andere oordeelen, ende soo daer yet in ontbreect, aenwijsen sullen.” Door deze bepaling kon de classis vrijstelling geven, vooral aan oudere dienaren des Woords, aan wie niet veel te verbeteren viel, en kon zij, in het bijzonder aan jonge predikanten of aan hen voor wie zij het noodig keurde, opleggen eene predikatie te houden.

In lateren tijd, toen de opleiding beter was geworden, is langzamerhand de classicale preek afgeschaft. In de classis Utrecht bleef zij gebruikelijk tot 1726, terwijl zij in de classis Dordrecht tot het laatst van de achttiende eeuw in zwang bleef. In de kerken der Scheiding werd in den eersten tijd, en zoo ook in de eerste jaren na de Doleantie, de classicale preek hier en daar gehouden, doch werd weldra afgeschaft. In overeenstemming hiermede werd ook de bepaling in de Kerkenordening bij de herziening in 1905 afgeschaft.

|148|

Ongetwijfeld heeft het houden eener classicale preek een goede zijde. Het kan vooral in tijden, waarin de opleiding zwak is, en waarin strijd is over de leer der kerk, van nut zijn om toezicht te houden op het stichtelijke en het profijtelijke der prediking. Bovendien kunnen de predikanten, die zeer zelden de gelegenheid hebben anderen te hooren prediken, met het werk van een ander en met de opmerkingen, die gemaakt worden, winst doen. Een broederlijke kritiek kan tot leering zijn voor de predikanten, en ook de ouderlingen leeren om goede kritiek te oefenen.

Maar de bezwaren zijn niet gering: 1° Het hoofddoel, de bevordering van de zuiverheid der leer, is er moeilijk door te bereiken. Zij die welbewust afwijken zullen wel zorg dragen, dat dit in de korte predikatie niet blijkt. 2° De korte predikatie voor de classis is geen normale preek, die men voor de gemeente houdt. De prikkel, de goede toon en de bezieling zal licht ontbreken, en 3° loopt men bij de beoordeeling van eene preek op de classis licht gevaar, dat de uitgebrachte kritiek door de gemeente gehoord wordt, en daardoor schadelijk werkt voor het rechte vertrouwen van den predikant in de gemeente 1).

Een ander middel, waardoor de classis toezicht houdt op de leer, is de toelating tot den dienst des Woords.

De classis deed oudtijds zeer veel voor de voorziening in eene vacante plaats. Zij droeg zorg, dat in de onderscheidene kerken de bediening des Woords werd ingesteld, zond daartoe, zoo noodig, een dienaar, of gaf hare toestemming tot de beroeping, of gaf aan de beroeping hare goedkeuring. In den eersten tijd van het vrijgemaakte kerkelijk leven was een sterke bemoeienis van de classen met de zaken der plaatselijke kerk noodig, omdat er vaak weinig geoefende ouderlingen waren, en de vastheid in de Gereformeerde belijdenis gering was. Langzamerhand evenwel trok de classis, toen de kennis van de Gereformeerde leer toenam en het kerkelijk leven meer geordend was, zich meer en meer terug. Daarom werd ook de uitdrukking, dat de dienaren des Woords verkozen zullen worden door de consistorie „met het oordeel ende goetduncken” der classis, zooals te Emden 2) en ook in latere kerkenordeningen werd bepaald, in 1618 veranderd in „niet sonder voor-weten ofte advijs van den classe.”

Slechts zelden deed een kerkeraad eene zelfstandige keuze. Behalve de toestemming der classis werd bij de keuze van een predikant in vele gevallen ook de goedkeuring van de overheid geëischt 3). Wanneer in eene kerk een vacature was, kwam de kerkeraad, zooals te Dordrecht


1) Dr Rutgers, Kerkel. Adviezen I. 300—306.
2) Art. 13.
3) Acta van Middelburg 1581, Art. 4; 1591, Art. 3; Hooyer, Oude Kerkenordeningen, bl. 365; H.E. v. Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht, 1902, S. 100.

|149|

geschiedde, tot de overheid met het verzoek om een nieuw beroep te mogen doen, en nadat de handopening verkregen was volgde de beroeping door een gemengde commissie van politieke en kerkelijke heeren, of, zooals op andere plaatsen, door den kerkeraad. Soms kwamen de kerkeraden met het verzoek om handopening bij de classis, en deze maakte de zaak van het tractement bij de overheid in orde, en gaf toestemming tot de beroeping, welke mede aan hare goedkeuring was onderworpen 1).

Thans nu er geen financieele band tusschen de Gereformeerde kerk in Nederland en de overheid meer is, is de plicht, om handopening bij de classis of de overheid te vragen, vervallen. De plaatselijke kerk kan hare eigen zaken regelen en haar eigen predikant beroepen. Dit neemt echter niet weg, dat de classis, uit kracht van het kerkverband, het recht bezit om toezicht te houden op de beroeping. Van 1571 af hebben de Gereformeerde kerken dit in de kerkenordening gesteld. Er moet waarborg zijn, dat de dienaar des Woords niet willekeurig opgedrongen wordt aan de gemeente, dat hij geschikt en bekwaam is voor den arbeid in de gemeente, dat hij instemt met de belijdenis en de ordeningen der kerk. Daartoe is aan de classicale vergadering het recht gegeven den aanstaanden dienaar te examineeren, en toestemming en machtiging te verleenen tot het predikambt.

Bij de beroeping en de zending der predikanten behoort er dus eene samenwerking te zijn tusschen de plaatselijke kerk en de classis. In de Schotsche kerken wordt het recht van de classis bijzonder streng geaccentueerd. Daar is het leidend beginsel, dat de verkiezing behoort bij de gemeentevergadering, maar onder de leiding van de classis of van eene commissie uit de classis. Geen enkele stap mag worden gedaan, tenzij een lid van de classis tegenwoordig is om leiding te geven. De keuze van een dienaar des Woords of van een ouderling is verder onderworpen aan de goedkeuring van de classis (presbytery), en wordt onveranderlijk gehandhaafd, tenzij wettige bezwaren worden ingebracht. Voorts heeft ook de indienststelling plaats onder leiding van den moderator der classis 2). Het kerkverband, dat in Schotland wel wat heel sterk op den voorgrond treedt, moet bij de beroeping en de toelating tot den dienst des Woords wel ter dege gehandhaafd worden, maar met behoud van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk. De plaatselijke kerk mag niet een predikant in het ambt zetten zonder goedkeuring en medewerking van de classis en de deputaten der particuliere synode. De classis onderzoekt den beroepen dienaar, en laat hem toe


1) Bachiene, Kerkel. Geographie I. 121; II. 9; III. 7.
2) The Practice of the Free Church of Scotland, 1912, p. 121.

|150|

tot de ambtelijke bediening. De classis geeft, wanneer het peremptoir examen gunstig is verloopen, vergunning aan den geslaagde de ambtelijke bediening uit te richten. Zij geeft daartoe een opdracht van dezen inhoud: „Weshalve wij in den naam van onzen Heere Jezus Christus, volgens Gods Woord, de Formulieren van eenigheid en de aangenomen kerkenorde, u met volle vrijmoedigheid macht en last geven, om, na behoorlijke bevestiging het Evangelie te prediken, en al datgene te verrichten, wat tot het herders- en leeraarsambt behoort.” De toelating tot den dienst des Woords door de classis is dus gelijk aan het openen van een deur, welke toegang verschaft tot het huis, en door de bevestiging treedt de beroepene het huis binnen.

Wat de classis, de kerkeraad en de gemeente doen bij de instelling in het ambt, mag niet van elkander gescheiden worden. In een zeer bijzonder geval, wanneer het samenleven in het kerkverband niet mogelijk is, kan de kerkeraad zelf iemand in het ambt zetten, zonder medewerking van andere kerken. Maar in een geordend kerkelijk leven werkt de meerdere vergadering samen met den kerkeraad in de beroeping van een predikant. De kerkeraad en de gemeente roepen tot de bediening, maar alleen uit hen, die wettig door de kerken in meerdere vergadering beroepbaar verklaard zijn; de classis examineert en laat na welgeslaagd onderzoek toe tot den dienst; de gemeente approbeert en de beroepen leeraar wordt volgens de orde der kerken temidden van de vergaderde gemeente ingeleid in de ambtelijke bediening.

In bijzondere gevallen kan de classis alleen zenden.

Art. 4 der kerkenordening van 1618 bepaalde „dat de oplegging der handen zal mogen gedaan worden in de classicale vergadering aan den nieuwen gepromoveerden dienaar, die gezonden wordt in de kerken onder ’t kruis.” Zulk een dienaar had in de kerken onder het kruis geen vast verblijf, kon zich niet binden aan een plaatselijke kerk, en daarom was er van een roeping in een kerk onder het kruis geen sprake. Om die reden geschiedde, wijl de kerken niet wilden dat de zending en de bevestiging achterwege bleven, de zending en de handoplegging in de classicale vergadering.

Ook het uitzenden van dienaren des Woords naar het zendingsveld geschiedde oudtijds wel in de vergadering der classis. De Oost-Indische Compagnie wendde zich tot de classis of de kerkeraden, in ’t bijzonder tot die van Amsterdam en Walcheren, waar zij hare voornaamste kamers had, en deze behartigden de zaken der zending. In de classis Amsterdam geschiedde de beroeping en de uitzending van predikanten voor de zending door de classis zelve of ook door den kerkeraad van Amsterdam, aan wien de bevestiging werd opgedragen. In Zeeland geschiedde de examinatie, de bevestiging en de instrueering door de

|151|

classis, terwijl ook de classis Delft zelve beriep en uitzond. Voetius is van oordeel, dat de plaatselijke kerk ten volle bevoegd is de dienaren en dus ook de missionaire dienaren te zenden. De zending is naar haar wezen het recht der plaatselijke kerken. Maar ook meerdere kerken kunnen samenwerken op voet van gelijkheid. Practische overwegingen moeten beslissen of de zending geschiedt door de meerdere vergaderingen of door de kerkeraden. Niet alleen kunnen de kerken in meerdere vergaderingen samenwerken voor de regeling en de bestrijding der kosten van de zending, maar in bijzondere gevallen, vooral wanneer de plaatselijke kerken niet actief optreden, kan ook de zending en de handoplegging, naar den regel van het kerkverband, op eene meerdere vergadering geschieden. De beste methode is, dat eene plaatselijke kerk beroept en zendt, zij het al of niet met steun en medewerking van eene classis of provinciale synode.

Zeer gewichtig is de werkzaamheid der classis bij de beroeping en het ontslag der predikanten. De synode van Dordrecht (1574, Art. 16) besloot „dat gheen Dienaer wt de classe, daer hij in is, vertrecken en mach in eene andere kercke, sonder eerst van syner classe oorlof vercreghen te hebben.” De gewone orde was oudtijds, dat een dienaar des Woords, van zijne gemeente met toestemming van de classis losgemaakt, ook niet verder verbonden was aan de classis 1). De classis hechtte hare goedkeuring aan de handeling des kerkeraads en ver­leende daarna zelve ook de acte van ontslag. Zoo schreef de classis Neder-Veluwe naar de kerk van Steenwijk, dat de door haar beroepen predikant Joannes Vosculius wel wilde komen naar Steenwijk, maar dat de classis hem niet wilde laten gaan. De classis Harderwijk besloot in 1609, dat Ds à Méhen, die naar Delft beroepen was, nadat zij de redenen, door de kerk van Delft en van Harderwijk aangegeven, overwogen had, niet mocht gaan. Deze machtsoefening der classis bij de dimissie van predikanten is oudtijds wel eens zeer overdreven. Noodzakelijk echter is de approbatie van beroepingen door de classis, opdat de orde en het toezicht op de leer gehandhaafd blijve. Evenwel ligt de beslissing over het vertrek des dienaars niet bij de classis maar bij den dienaar zelf.

Evenals bij het vertrek van een predikant moet de classis ook optreden bij de intrede van den beroepen dienaar in zijn nieuwe standplaats. Vóór de bevestiging geschieden kan, moeten eerst door de classis, waaronder de roepende kerk behoort, de verschillende stukken: de beroepsbrief, de acte van ontslag, met al de vereischte getuigschriften aangaande belijdenis en wandel, zijn gezien en accoord bevonden.


1) Acta van Middelburg, Part. Vr. 14.

|152|

In de Schotsche kerken heeft de moderator van de classis de leiding bij beroeping, intrede en afscheid van den predikant, maar in de Gereformeerde kerken in Nederland houdt de classis alleen toezicht. Bij de verleening van het emeritaat evenwel moet de classis hare goedkeuring verleenen. De censuur over de kerkedienaren staat evenwel geheel aan de classis. Het recht van afzetting en rehabilitatie behoort daarom aan de classis, omdat de predikant mede door de classis in het ambt is gezet, en opdat alle willekeurige handelingen zoowel van de zijde des kerkeraads als van den predikant worden vermeden.

Het toezicht van de classis over de afzonderlijke kerken blijkt ook in het stellen van een reeks van vragen aan de afgevaardigden der kerken op de classicale vergaderingen. De synode van Emden stelde, in navolging van de kerkenorde van De Paltz en van de Oost-Friesche Coetus, dezen regel 1): „Nadat de president der classis het gebed zal hebben gedaan zal hy elk in ’t byzonder vragen, of zy consistoriale samenkomsten in haare kercken houden? of die kerkelyke straffe in haaren zwang gaat? of zy eenigen strijd hebben met eenige ketters? of zy eenigen twyffel hebben in eenig hoofdstuk der leere? of men zorg draagt voor de armen, en over de schoolen? of zy tot regeering der kerken der andere dienaren raad en hulp behoeven, en diergelyke dingen meer.” De praeses doorliep oudtijds in gevolge van deze bepaling in den regel de kerkenordening en vroeg zeer uitvoerig naar den toestand der kerken. Nadat de synode van Middelburg (1581) besloten had tot het aanstellen van kerkvisitatoren, en de kerkelijke toestand beter geregeld was, behoefde dit onderzoek op de classis niet meer zoo breed gehouden te worden. Toch blijft dit onderzoek nog steeds van groote beteekenis. De classis bezit het recht van onderzoek, en de afgevaardigden der kerken hebben de verplichting oprecht en openhartig op de gestelde vragen te antwoorden.

De kerkenordening van de Gereformeerde kerken (art. 41) noemt slechts enkele beteekenisvolle stukken. Wanneer de classis het noodig keurt, mogen er wel meer vragen gedaan worden. Ook kan de classis in hare regeling deze vragen meer specialiseeren en nader uitwerken in verband met de bijzondere behoeften en omstandigheden. De laatste vraag, in art. 41 gesteld, is evenals de vragen, die van de zijde der gemeenten op de vergadering van de classis gebracht worden, daarop gericht dat de onderscheidene kerken elkander steunen en met raad en daad elkander bijstaan. De kerkeraden staan soms voor moeilijke ge­vallen, waarover het rechte licht ontbreekt, en daarom wenden zij zich tot de classis om advies. Noodzakelijk is het vragen van advies wanneer


1) Acta c. II. Art. 2.

|153|

de kerkeraad het noodig acht, dat een lid der gemeente onder de openbare censuur moet worden gesteld, gelijk Art. 76 der kerkenordening voorschrijft. Deze bepaling is niet gemaakt om inbreuk te maken op de autonomie der plaatselijke kerken — en zij maakt daarop ook geen inbreuk — maar zij dient om misbruik en verkeerde toepassing van de tucht te voorkomen, om het recht van de leden der kerk te verzekeren, om de gelijkheid in het toepassen van de tucht te bevorderen, en om meer waarborg te hebben, dat in de kerken naar den regel der H. Schrift gehandeld wordt. Het vragen van advies aan de classis beteekent niet, dat de classis een bepaald geval moet onderzoeken, evenals de kerkeraad deed, en om dan een uitspraak te doen, gelijk als de kerkeraad doen moet. De classis heeft de omstandigheden te hooren en nadat zij deze gehoord heeft, benevens de motieven, die de kerkeraad aanvoert, kan zij een raad geven. In geval van appèl evenwel kan het noodig zijn, dat de classis een onderzoek instelt naar de geheele zaak.

Tot de werkzaamheden der classis behoort ook de zorg voor de vacante kerken. Van de Reformatie af hebben de kerken deze verplichting verstaan, en hebben daarvoor de vacaturebeurten geregeld, welke regeling — voor zooveel zij uit de 17de en de 18de eeuw is — in de classicale handboekjes is opgenomen. In de kerkenordening werd daarvoor geene bepaling opgenomen, omdat deze regeling niet behoort tot het werk der synode, maar der classis. De grond, waarop die verplichting rust, ligt niet in een besluit der kerkelijke vergadering, maar in het kerkverband. De eenheid der kerk moet ook daarin blijken, dat de onderscheidene kerken elkander steunen en in geval van nood elkander helpen, en daartoe ook haren dienaar zoo nu en dan afstaan voor de bediening des Woords en der sacramenten. Al is het waar, dat een predikant geheel en uitsluitend aan zijne eigene plaatselijke kerk verbonden is, mag eene kerk niet zoo eigenlievend zijn, om haren dienaar geheel en al voor zich zelve te houden, maar zij heeft de roeping om hem zoo noodig ook eens aan een hulpbehoevende kerk ter leening af te staan.

De classis regelt de vacaturebeurten, maar legt dezen dienst niet aan de vacante kerken op. De classis zorgt niet zelve voor de diensten in eene vacante kerk, daarbij doende wat des kerkeraads is, maar het is en blijft uitsluitend de roeping des kerkeraads eener vacante kerk om voor den dienst des Woords en der sacramenten te zorgen, zoodat indien de kerkeraad bij machte is zelf geheel voor de bediening des Woords en der sacramenten te zorgen, zonder hulp der classis, hij niet verplicht is de vervulling van de vacaturediensten van de classis te vragen. In het afgetrokkene kan men dan ook wel zeggen, dat de kerkeraad eerst zelf moet trachten in de behoeften voor den dienst te

|154|

voorzien, doch in den regel is de plaatselijke kerk daartoe niet in staat. Een kerkeraad zou zich ook wel met leesdienst of met een oefenaar kunnen behelpen, maar dit is voor de stichting eener kerk niet wenschelijk. De kerkeraad is verplicht te zorgen, dat zooveel mogelijk de geregelde bediening des Woords in de gemeente plaats heeft, en wijl dit in den regel in eene vacature niet kan zonder de hulp der classicale kerken, is eene classicale regeling der beurten een vereischte. De kerkeraad is er dus niet toe verplicht in het geval, dat hij buiten de classis om genoegzaam hulp van buiten kan verkrijgen, steun van de classis te vragen, maar hij is er wel toe verplicht, indien hij zonder dezen steun de gemeente, meer dan noodig is, van den eigenlijken dienst des Woords zou moeten verstoken laten. En de classis heeft er op toe te zien, dat de kerkeraad zoo goed mogelijk zorgt voor de geregelde bediening des Woords en de sacramenten 1).

Is een predikant wel gerechtigd voor het waarnemen van een vacaturedienst een honorarium aan te nemen. Men zou kunnen zeggen, dat de kerkeraad zijn eigen dienaar voor een Zondag of voor een dienst afstaat aan een naburige gemeente, en dat dus een predikant, die door zijn eigen gemeente gesalarieerd wordt, geen aanspraak mag maken op het ontvangen van een honorarium voor het verrichten van een dienst in eene andere kerk. In sommige buitenlandsche kerken is het geen gebruik zulk een dienst in een vacante kerk te honoreeren. Men vergoedt daar alleen de reiskosten. Doch hiertegen is als bezwaar aan te voeren, dat eene vacante kerk niet zoo licht hulp van buiten kan ontvangen. En in de tweede plaats zou, indien eene vacante kerk zonder eenige vergoeding de hulp der classicale predikanten kon ontvangen, de offervaardigheid in die kerk licht verminderen, terwijl in de derde plaats het geval zich zou kunnen voordoen, dat eene vacante kerk niet zou zorgen zoo spoedig mogelijk de ledige plaats te vervullen. Ook is wel de gedachte uitgesproken, dat de gelden voor de vacaturediensten in de kas der kerk, die zijne dienaar afstond, zouden moeten worden ge­stort, en dat deze kerk dan de vrije beschikking had over de bestemming dier gelden. Doch ook hiertegen zou als bezwaar gelden dat de kerk, die zijn dienaar afstond, hetgeen als honorarium gegeven werd toch wel aan zijn predikant zou afstaan, of zoo zij dit niet deed, dit niet tot het welzijn der vacante kerk zou dienen, daar misschien de bereidheid tot hulp verzwakken zou. Nu is het waar, dat een predikant geen loondienaar mag zijn. Maar wijl de tractementen in den regel niet overvloedig zijn, is het voor menig predikant, vooral wanneer hij een talrijk gezin heeft te onderhouden, niet onwelkom een bijverdienste


1) Rutgers, De Heraut, No. 883, 889.

|155|

te ontvangen. Daarom is het, vooral wijl het geen beginsel raakt, meer aan te bevelen den bestaanden toestand, dat een predikant voor het vervullen van een vacaturedienst een honorarium ontvangt, zoo te laten, en de inkomsten van een predikant, voortvloeiend uit een vergoeding voor een vacaturedienst, niet te beknibbelen.

Een eigenaardige regeling geldt in dezen in de Ned. Hervormde kerk. De pastorie-goederen, dienende tot onderhoud van den pastor, staan rechtstreeks onder het beheer van een predikant, of, diens plaats vacant zijnde, onder dat van den Ring, die optreedt als pastor loci door den consulent. Een vast gedeelte daarvan is bestemd voor de waarneming der vacaturediensten.

In de laatste vergadering vóór de particuliere synode heeft de classis, behalve de gewone werkzaamheden nog tot taak de verkiezing van de afgevaardigden ter particuliere synode en het bespreken en het doorzenden van de voorstellen naar de synode. Het is niet gewenscht deze afgevaardigden naar toerbeurt aan te wijzen in plaats van door stemming. Immers niet alle predikanten en ouderlingen zijn geschikt om de kerken ter synode te representeeren. Zij kunnen wel zeer geschikt zijn voor hun ambtelijk werk, maar niet altoos geschikt voor de behandeling van gewichtige kwesties van kerkregeering. Dit blijkt vooral duidelijk wanneer, zooals dit op de synode van Dordrecht het geval was, diep ingrijpende kwesties der belijdenis moeten behandeld. Om die reden is het aan te bevelen, dat de meest bekwame en ervarene broeders afgevaardigd worden.

g. Aan het einde der classicale vergadering wordt een censura morum gehouden over degenen, die iets strafwaardigs in de vergaderingen gedaan hebben. Niet alleen oefent dus de classicale vergadering tucht over hen, die, volgens ingebrachte klachten, in leer of leven zich hebben misgaan, maar ook over hen, die in de vergadering iets strafwaardigs hebben bedreven. Het is noodig, dat het verkeerde, dat is misdreven, naar eisch van Gods Woord wordt bestraft, dat alle ban worde uit den weg geruimd, opdat de leden der vergadering als broeders kunnen scheiden, en verwacht mag worden dat de arbeid der vergadering onder Gods zegen tot welzijn der kerken kan dienen.

Wanneer nu de werkzaamheden zijn beëindigd, worden de acta der vergadering gelezen, opdat kan worden geconstateerd, dat de besluiten in den juisten vorm zijn opgeteekend. Daarna wordt de vergadering met dankzegging gesloten.

h. Een integreerend deel van de classicale vergadering was oudtijds de classicale maaltijd. Interessante bijdragen kan men hierover vinden bij Bachiene, Kerkelijke Geographie; Schotel, De Openbare eeredienst; Dr S. Cuperus, Kerkelijk leven in Friesland; Groninger Volks-Almanak

|156|

van 1843; Acker en Stratingh, Bijdragen voor de Gesch. en Oudheidk. van Groningen; Vos, Amstels Kerkelijk leven, bl. 278, enz. De classicale maaltijd werd in sommige classen door de leden betaald, in andere uit de kas der classis. De regeering gaf den wijn. Uit de rekeningen blijkt dat de maaltijd zelf niet overdadig was, maar dat er wel eens veel bier en wijn gebruikt werd. Werd in Amsterdam niet bijzonder veel wijn gebruikt, voor 170 gulden per jaar, in andere classen was men gewoon nog al ruim gebruik te maken van den drank. In de classicale ver­gadering den 25 Sept. 1665 te Appingedam werd vastgesteld, dat ieder tegenwoordige broeder „voor de Cost niet meer sal gehouden zyn te betalen als acht st., en 5 voor bier. Edoch tempore visitationis, dewyle men dan lautius behoort getracteert te worden, voor de Cost 12 st., sonder dat yemant in een ander camer sal mogen drincken.” „De absenten sullen elcke vergaderinge 12 st. voor de verteeringe, en 6 st. voor de absentie als breucke den Fisco classis betalen.” De Friesche classes waren om hare maaltijden berucht. Dit zou niet het geval geweest zijn, ware men in het drinken even sober geweest als in het eten. „Maar door een overvloedig gebruik van alcoholica zijn de maaltijden dikwijls ontaard in dronkemanspartijen. Vooral na gehouden examen, goedgekeurd beroep en verleende dimissie ging het vaak lustig toe, en kwam het tot grove uitspattingen. Door snarenspel werd, tot groote ergernisse van veelen, soms de feestvreugde verhoogd. Van „groote verteringe, lasterlyck slempen en ergerlycke excessen” bij die gelegenheden wordt in classicale synodale acten herhaaldelijk gewag gemaakt. En het moest heel bont toegaan, eer de censor morum het geval ter sprake bracht.” Wel maakten de classes zelf soms strakke bepalingen omtrent de hoeveelheid wijn, die gedronken mocht worden, maar deze voorschriften droegen meer het karakter van bezuinigingsmaatregelen dan van pogingen om uitspattingen te voorkomen 1). Een treffend voorbeeld hoe het toeging op den classicalen of den zwarten maaltijd levert de beschrijving van wat Ds S. van Velzen wedervoer op de classicale vergadering van Dokkum 2). Gelukkig behooren deze dingen tot de geschiedenis.


1) Cuperus, Kerkelijk leven in Friesland, bl. 62.
2) Offic. stukken, 1863, II. 177-181.

Bouwman, H. (1934) § 73

§ 73. De kerkvisitatie.

a.  Historisch overzicht.

Het woord kerkvisitatie is samengesteld uit kerk en visitatie. Visitatie

|157|

is afgeleid van het latijnsche woord visitatio, van een werkwoord visitare, dat beteekent: dikwijls zien, vaak bezoeken, onderzoeken. Vandaar beteekent het zelfstandige naamwoord visitatio: het bezoek, de onderzoeking, het onderzoek. Visitatie is dus het instellen van een onderzoek. Kerkvisitatie is het instellen van een onderzoek naar de kerk, naar haar toestand en naar hare leden.

Deze visitatie der kerk is zoo oud als het kerkelijk leven zelf. De Apostelen bezochten de verschillende gemeenten. Van Petrus wordt verhaald: „En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden” (Hand. 9: 32). Paulus „doortrok Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten” (15: 41). Meermalen heeft deze apostel de door hem geplante gemeenten bezocht, om naar haren welstand te vernemen, om het kwade tegen te gaan, en de gemeente te bouwen in het geloof (Hand. 16: 4; 18: 23; 1 Cor. 4: 19; 16: 5-8, enz.). Het lag in den aard der zaak, dat ook de opvolgers der apostelen in dezen traden in hun spoor. In de eerste eeuwen hooren wij hiervan echter weinig. Maar in de vierde eeuw was het reeds gewoonte in de Oostersche kerk, dat de bisschoppen of zelf, of door middel van hunne gezanten (periodeuten) hunne dioecesen bezochten.

Vooral echter nam de visitatie in de Frankische kerk een beteekenisvolle plaats in. De bisschop reisde eenmaal per jaar zijn bisdom rond, om het vormsel uit te deelen. De archidiaken reisde hem dan vooruit, kondigde de komst van den bisschop aan, en op den bestemden tijd vond de bisschop het volk bij de doopkerk verzameld, en ging hij na prediking en het toedienen van het vormsel er toe over, om de kerkelijke gebouwen te bezichtigen, den wandel der geestelijken te onderzoeken, de dwalenden te onderwijzen, de zondaren te bestraffen en de overblijfselen van het heidendom te keer te gaan. In den regel zonden de Frankische koningen een staatsambtenaar met den bisschop, deels om hem in zijn arbeid te steunen, deels om hem te controleeren.

Wijl weldra het onderzoek naar de zonden der leden en de kerkelijke bestraffing daarvan van de gewone visitatiewerkzaamheden gescheiden werden, ontstond in de zeventiende eeuw het sendgericht. Dit sendgericht (send is een germaniseering van synode) bedoelde vooral de uitroeiing van het heidensch bijgeloof en de onderdrukking van de heidensche zonden. Door dit sendgericht werd het den bisschop mogelijk gemaakt, tegen de overtreding van de kerkelijke geboden te waken, en die te bestraffen. Om bekend te worden met de misstanden had de bisschop getuigen noodig. Daartoe koos de bisschop een aantal geloofwaardige personen, die bij eede verplicht waren om de hun bekende zondaren aan te klagen. Het doel met de instelling der getuigen was,

|158|

dat alle kerkelijke misdaden voor het sendgericht kwamen en bestraft werden. De aangeklaagde moest dan zijn onschuld bewijzen en bij eede verzekeren, of zoo de aangeklaagde een niet-vrije was, moest zijn onschuld door het godsoordeel blijken. Was evenwel de zonde bewezen, dan werd door den bisschop met de aanwezige priesters het vonnis uitgesproken en de straf bepaald, die oorspronkelijk bestond in kerkelijke straf, later in eene geldboete.

In de twaalfde eeuw werden de sendgetuigen mede rechters. Zij werden schepenen, die zelf hunne medeleden kozen. Ook wel ging hun ambt in de steden over op den raad der stad.

De sendgerichten hebben veel goeds gedaan voor de opvoeding der germaansche stammen.

Verschillende oorzaken hebben medegewerkt tot het verval van de sendgerichten en de visitatie. Allereerst konden de bisschoppen wegens de groote uitgebreidheid, die hunne bisdommen kregen, niet meer naar behooren de visitatie doen. Als rijksvorsten moesten zij deelnemen aan allerlei wereldsche zaken, namen zij deel aan de rijksdagen en werden in allerlei oorlogen gewikkeld, zoodat vele bisschoppen beter het zwaard konden hanteeren, dan de gemeenten geestelijk verzorgen. Zij lieten de visitatie al meer over aan hunne archidiakenen, wier eigen taak het weldra werd de sendgerichten te houden. Een tweede reden voor het verval der visitatie en der sendgerichten was, dat de adel en ook de steden vrijstelling ontvingen om voor het send te verschijnen. Bovendien trad bij de ontwikkeling der steden de burgerlijke rechtbank in de plaats van het sendgericht. In de derde plaats kwamen hierbij nog allerlei misbruiken. In stee van de kerkelijke boetedoeningen kwam het afkoopen der straffen door geldsommen, die ten bate van de sendheeren en de schepenen kwamen. Vooral door deze ontaarding kwam de kerke­lijke visitatie in een kwaden reuk, zoodat niet ten onrechte ten tijde van de reformatie heel de Roomsche instelling van visitatie en send­gericht tot de kerkelijke misbruiken gerekend werd. Luther oordeelde in zijne voorrede tot onderrichting van de visitatoren, dat van visitatie niets overgebleven was, dan dat de geestelijke rechters met belastingbrieven de lieden plaagden en niemand bezochten.

Ofschoon de sendgerichten in de Roomsche kerk nog tot de 18e eeuw bleven bestaan, hadden zij geen werkelijke beteekenis meer na de middeleeuwen. De visitatie bleef in de Roomsche kerk bestaan. Jaarlijks moet de bisschop minstens eenmaal, of wanneer de dioecese zeer groot is, minstens alle twee jaren, persoonlijk, of, wanneer hij wettig verhinderd is, door zijne plaatsvervanger elke parochie bezoeken. Deze visitatie bestaat in een onderzoek naar de kerkelijke gebouwen, de kerkelijke gereedschappen, de ambtelijke werkzaamheden en den levenswandel

|159|

van de geestelijkheid en de leeken. Volgens de bepalingen van de synode van Trente 1) is de visitatie de taak van den bisschop, maar mag hij, bij wettige verhindering, die door den generaalvicaris laten verrichten. Een bijzonder opzicht over de geestelijken en de leeken in de afzonderlijke dekanaten komt toe aan den deken. De landsdekenen, gekozen uit de pastoors, treden zelf niet op als rechters, maar moeten den bisschop verslag doen van den toestand der parochies en bij den dood van een pastoor de noodzakelijke maatregelen treffen. Eveneens roept de deken de regelmatig wederkeerende kapittelconferenties samen, waar, behalve over wetenschappelijke vraagstukken, ook over de ge­meenschappelijke aangelegenheden van de kapittels gehandeld wordt.

Overeenkomstig het hiërarchisch karakter van de Roomsch-Katholieke kerk heeft de paus het oppertoezicht over de kerk, hetwelk hij uitoefent door de nuntiussen, die een vaste residentie hebben bij de regeeringen van de afzonderlijke staten. Hunne bevoegdheden worden bij afzonderlijke volmacht bepaald. Nuntiussen van lageren rang zijn de internuntiussen. Voorts oefent de paus het bestuur over de kerk uit door legaten of gezanten en door apostolische vicarissen, die de leiding der kerkelijke zaken hebben op het zendingsterrein.

Een afzonderlijk middel voor het toezicht op de kerk is de zoogenoemde visitatio liminum, of het bezoek van de drempels der graven van de apostelen Petrus en Paulus, die zich in Rome bevinden. De bisschoppen moeten niet alleen schriftelijk verslag geven van den toestand van hun bisdom, maar moeten ook persoonlijk op een daarvoor bepaalde congregatie te Rome hierover een nauwkeurig verslag uitbrengen. Deze reis naar Rome noemt men de visitatio liminum.

In Duitschland heeft de kerkvisitatie bij de reformatie gewichtige diensten bewezen. De eerste visitatie had plaats in Keursaksen. Niet Luther heeft het eerst het noodzakelijke van de visitatie aangeprezen, maar Jac. Strausz in Eisenach en de Zwickauer predikant Hausmann in het jaar 1525. Onder den indruk van de doopersche beweging en van den boerenkrijg heeft ook Luther in 1525 bij den keurvorst van Saksen sterk aangedrongen op eene ingrijpende visitatie. Deze werd terstond begonnen, maar slechts sporadisch uitgevoerd. Maar de droeve ervaringen, bij dezen arbeid opgedaan, deden het noodzakelijke ervan al meer inzien. Zoo kwam het tot een algemeene kerk- en schoolvisitatie, die drie jaren duurde, van 1527 tot 1529. In 1528 verscheen het Saksische visitatieboek onder den titel: „Onderricht van de visitatoren aan de predikanten in het Keurvorstendom Saksen.” De geheele kerkinrichting werd hierin opnieuw geregeld. De wereldlijke overheid gaf


1) c. III, sess. XXIV.

|160|

de opdracht tot deze visitatie en tot de nieuwe inrichting van het kerkelijke leven, niet omdat haar de geestelijke macht in de kerk toekomt, maar wijl zij, geroepen om de beide tafelen van de wet te handhaven, niet een onzuivere wijze van Godsvereering in haar land mag dulden. De visitatie had plaats door eene gemengde commissie van geestelijken en van wereldlijke personen. Zij strekte zich uit over het ambtelijk werk van de predikanten, over belijdenis, tucht en liturgie, en bepaalde, dat in elke streek een superintendent moest zijn, die het toezicht houdt over de geestelijken binnen dien bepaalden kring. Het Saksische visitatieboek ligt ten grondslag aan heel de inrichting van de Luthersche kerk.

In de andere rijkslanden werd ook een visitatie gehouden en een kerkorde opgesteld. Waren de eerste visitaties buitengewone maatregelen, weldra werd het in al de Luthersche landen regel, dat jaarlijks een visitatie gehouden werd. Deze visitaties waren deels een algemeene visitatie over het geheele land door den generaalsuperintendent, deels visitatie van een deel door den superintendent.

De visitatie heeft aan het einde van den dertigjarigen oorlog, toen Duitschland aan den rand des afgronds gekomen, en stoffelijk en geestelijk verarmd was, groote diensten bewezen om weder orde en regel te scheppen en het kerkelijke leven weder op te heffen. In de 18de eeuw kwam de visitatie, evenals het geheele kerkelijke leven, in diep verval, doch in het midden van de 19de eeuw werd zij weder in eere hersteld.

De wijze, waarop de visitatie in de Luthersche landen geschiedt, moge verschillend zijn naar de kerkinrichting der afzonderlijke landen, zij is in hoofdzaak toch gelijk. Zij wordt om de twee of om de zes jaar gehouden. Vóór de visitatie geschiedt, moeten eerst door de kerken bepaalde en vastgestelde vragen beantwoord worden. De visitatie zelve geschiedt door den generaalsuperintendent of den superintendent, dikwijls onder medewerking van een staatsbeambte, of ook wel wordt aan den superintendent eene commissie voor de visitatie toegevoegd. De visitatie wordt in de betrokkene gemeenten des Zondags van te voren van den kansel bekend gemaakt. Op dezen bepaalden tijd is het presbyterium (kerkeraad) met den pastor of de pastores aanwezig. De superintendent opent de vergadering met gebed en een korte toespraak. De zaken, waarnaar de superintendent een onderzoek heeft in te stellen zijn: 1° De leer en de wandel van den pastor en den toestand van het presbyterium. Wanneer de predikant buiten staat, wordt het presbyterium ondervraagd, of het ook iets heeft tegen den predikant. Daarna moet het presbyterium buiten staan. Vervolgens worden de leden der gemeente, die bezwaren hebben, gehoord. De superintendent beproeft, aan de bezwaren een einde te maken, en zoo dit hem

|161|

niet gelukt, wordt de zaak voor een hoogere vierschaar gebracht. 2° De inwendige toestand van de gemeente, of de openbare godsdiensten, de sacramenten, het onderwijs aan de jeugd en de tucht trouw worden onderhouden, of zonden worden bestraft en misbruiken worden tegengegaan. 3° De uiterlijke toestand der gemeente, het beheer van de goederen voor kerk en armen. Daartoe moeten alle boeken en bescheiden, de protocollen van den kerkeraad, het register van de leden, het avondmaals-, doop-, huwelijks- en begrafenisboek, de lijst van catechisanten en avondmaalgangers, acten, rekeningen, enz. worden overgelegd en onderzocht. Na afloop van de visitatie schrijft de superintendent een verslag over de gehouden visitatie in de kerkeraadsnotulen, hetwelk door de aanwezige predikanten en kerkeraadsleden wordt onderteekend. De superintendent moet verslag van zijn bevinden doen aan de Kreissynode.

Het is duidelijk, dat aan de wijze van de visitatie in de Luthersche kerk, evenals aan het geheele collegialistische stelsel, dat daar heerscht, het gebrek kleeft, dat alle macht uitgaat van de hoogere besturen, maar dit neemt niet weg, dat de inrichting van de visitatie zeer veel goeds heeft. Zij bedoelt toch niet alleen, dat de superintendenten een nauwkeurig onderzoek zullen instellen naar den toestand in het kerkelijke leven, maar ook om het kerkelijke leven in de enkele gemeenten te sterken. Indien maar de hand gehouden werd aan de belijdenis, en niet allerlei dwaalgeesten straffeloos in de kerk werden toegelaten, zou de visitatie ook meer goeds uitwerken.

Calvijn, wiens organiseerend talent de lijnen en omtrekken voor de Gereformeerde kerkinrichting heeft aangegeven, heeft de kerkvisitatie in Genève ingevoerd. In 1546 werd „om goede tucht en eenigheid der leer binnen den geheelen omvang van de Geneefsche kerk te onderhouden, d.i. zoowel in de stad als in de parochies behoorende bij de stad” een regelmatig terugkeerende jaarlijksche kerkvisitatie ingevoerd. De magistraat koos twee leden uit hun raad, en de predikers twee leden uit hun midden, welke commissie van vier personen, evenals vroeger de koningsboden van Karel den Groote, het kleine gebied van Genève rondtrokken, van parochie tot parochie, om te informeeren naar het werk, de leer en den wandel van de predikers. Volgens de „Ordre sur la visitation”, opgenomen in de „Ordonnances ecclésiastiques” van 1561 moesten de visitatores onderzoeken: 1° of de dienaar van eene plaats geen nieuwe leer voorstelt, die in strijd is met het zuivere evangelie, 2° of de dienaar stichtelijk preekt, dan wel of hij onstichtelijk handelt, niet passend voor de onderwijzing van het volk, b.v. dat hij zeer duister is, of hij overtollige kwesties behandelt, of hij al te gestreng is of iets soortgelijks wat niet goed is. 3° moeten zij het volk vermanen, de prediking te bezoeken, er smaak in te hebben, er zijn winst mee te doen

|162|

om christelijk te leven. Voorts moeten zij het volk onderwijzen welk het ambt van den dienaar is, opdat het leere hoe daarvan gebruik te maken. 4° moeten zij trachten te verstaan of de dienaar ijverig is zoowel in de prediking als in het bezoeken der zieken, in het vermanen in het bijzonder van hen, die dat noodig hebben en om te beletten, dat eenige zaak geschiedt tot oneer des Heeren. Voorts of hij eerbaar leeft, een goed voorbeeld gevende; of hij soms lichtvaardige en onbehoorlijke dingen doet, waardoor hij en ook zijne familie verachtelijk wordt, dan wel of hij in goede harmonie met de gemeente leeft. De visitatie mag echter geen gerechtelijk onderzoek of een soort gericht zijn, maar slechts een middel om alle ergernissen te voorkomen opdat de prediker niet ontaarde en verderve. Verslag van de visitatie wordt gedaan aan de congregatie van predikanten, die het middelpunt was van het kerkelijke leven in Genève.

John Knox stelde in navolging van Calvijn voor de Schotsche kerk ook visitors voor. In „the first Book of discipline”, de kerkenordening van 1561, vindt men naast de gewone ambten van dienaar, ouderling, diaken en doctor, nog twee ambten van buitengewonen aard, nl. dat van lezers, hetwelk ingesteld werd omdat men toen geen predikanten genoeg had, en dat van superintendenten. Men had nl. tijdens de eerste synode van Schotland maar twaalf bekwame gereformeerde predikanten, waarvan zeven aangewezen werden voor de hoofdplaatsen en de vijf overigen werden aangewezen om rond te reizen, voor de organisatie van nieuwe gemeenten zorg te dragen en toezicht te houden op het leven en de uitoefening van het ambt der dienaren, en om van hun bevindingen verslag te doen aan de General Assembly. Deze tijdelijke instelling van superintendenten was niet in strijd met het Gereformeerde beginsel, dat alle dienaren gelijk zijn, aangezien de superintendenten geheel aan het toezicht der synode waren onderworpen. Zij moesten steeds rondreizen, mochten maar drie maanden in het jaar thuis, en slechts drie weken achtereen in ééne plaats vertoeven. Zoodra er een genoegzaam aantal predikers was, zou hun ambt ophouden. Toch bleek naderhand, dat deze tijdelijke instelling verkeerde gevolgen had. Knox schijnt zelf het verkeerde van deze instelling terstond te hebben gezien. Hij weigerde benoemd te worden. Later werden de gevaren openbaar, want de superintendenten en commissarissen wilden hun macht al meer uitbreiden. Toen aan het einde der zestiende eeuw krachtige pogingen werden aangewend om de Schotsche kerken episcopaal te maken, is vooral op deze instelling gewezen. Een van de vijf superintendenten, in 1561 benoemd, had een zoon, die onder Jacobus bisschop werd, en die zeide, dat hij als bisschop niets anders deed dan zijn vader. Toen onder Jacobus het episcopale stelsel

|163|

opgedrongen werd, en er wel 300 Gereformeerde predikanten verbannen werden, zeiden de episcopalen, dat zij niet van de oorspronkelijke kerkinrichting van 1561 afweken. Om die reden waren ook de beste Gereformeerden in Frankrijk en Nederland tegen de superintendenten. De Fransche kerk wilde niet, dat er een hooger ambt in de regeering der kerk zou opkomen. Toen in 1561 verscheidene provinciale synoden aan enkele predikanten de visitatie van de gemeenten hadden opgedragen, verwierp de synode van Orleans (1562) dit nieuwe ambt en verklaarde de bestaande orde voor genoegzaam, om van voorkomende ergernissen kennis te bekomen.

Niet ten onrechte waren de Gereformeerden vreesachtig voor de hiërarchie in het kerkelijke leven, waar de kerk zoo lang onder het Roomsche juk had gezucht. Bovendien stond de Gereformeerde kerk van de Paltz onder een Opperkerkeraad, hadden de Gereformeerden in Londen onder Eduard VI een superintendent gehad, en ook in de Oost-Friesche kerken was een superintendent. Tegen dit hiërarchisch element spraken de vaderen zich beslist uit, o.a. in Art. 1 van de besluiten van Emden: „Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen en diakenen eenige heerschappij voeren, maar een iegelijk zal zich voor alle suspiciën en aanlokking om te heerschappen wachten.” En nog op de synode van Middelburg van 1581, werd op de vraag: „oft niet goet waere, beneffens de Classicale versamelinghen, oock eenighe iaerlicksche besoekinghen der kercken aen te stellen, ofte Inspectores of Superintendentes te maken, doch met behoorlicker limitatie. Is gheandwoort, dat het onnoodich ende zorghelick is.”

Toch konden de Gereformeerde kerken in ons land niet geheel zonder visitatores blijven. Immers in vele kerken, nauwelijks aan ’t pausdom ontkomen, was weinig besef van het leven naar het evangelie en van het staan in de vrijheid, en vele voorgangers der gemeente waren zóó onkundig, dat toezicht van de meerdere vergadering dringend noodig was. Daarom hielden de classen op hunne vergadering streng toezicht en werd bij de rondvraag nauwkeurig onderzoek gedaan naar den toe­stand in de verschillende gemeenten. Ja, ook de verschillende parti­culiere synoden achtten het noodig, inspecteurs over de classen te be­noemen, die tot taak hadden, toe te zien of de verschillende classen zich wel trouwelijk hielden aan de Kerkenordening. Deze visitatores gingen, soms vergezeld van een commissie uit de overheid, de verschillende plaatsen en dorpen bezoeken 1). Men noemde deze controleurs inspectores of visitatores classium.


1) Syn. van Alkmaar 1575, Art. 12, 20.

|164|

Langzamerhand is het gekomen tot de invoering van kerkvisitaties door de classes. Op de Z. Hollandsche synode van 1579 werd voorgesteld, in iedere classe en synode twee personen te hebben om de loopende zaken te behandelen, en op te treden als visitatores. Maar de synode had niet de neiging, al te ver in deze richting te gaan, en zij droeg aan de synodale classis op om voorkomende moeilijkheden te beëindigen. In 1581 werd te Middelburg de vraag van Zeeland, Oost-Vlaanderen en Engeland, of ’t niet goed was nevens de classicale censuur eene jaar lijksche visitatie in te stellen, beantwoord met een: ’t is onnoodig en zorgelijk. Men wilde van een inspectie en een superintendentschap niets weten. De particuliere synode van Zeeland had reeds 25 Febr. 1581 besloten tot het aanstellen van kerkvisitatoren, maar moest zich voorloopig van de uitvoering van dit besluit onthouden. In 1586 werd echter op de Nationale synode van Den Haag het aanstellen van visitatores facultatief gemaakt. Het superintendentschap bleef veroordeeld, maar omtrent de visitatie werd bepaald (Art. 40), dat de classen, waar het noodig was, daartoe mochten overgaan. Tevens werd een formulier voor de visitatie opgesteld, luidende: „Alzoo de inspectie welke geordonneert is uit naame van de classen respectivelyk te geschieden, daartoe is dienende, dat de zuiverheid der leere, en alle goede gerechtigheid in de gemeente Gods onderhouden worden, zoo zullen de geenen, die den toezigt by den classen bevolen word, hun reguleeren naar het volgende.

1° Zullen zy somwylen gaan hooren de predicatiën der dienaaren, en neerstiglyk letten, niet alleen op de materien derzelve, of geene onreine leere of menschelijke fabulen of verdichtselen daar bij gemengt worden, maar ook op de maniere van leeren zelve, of die stigtelyk ende profytelyk voor den volke is, en of die dienaars neerstiglyk zijn in het leezen en onderzoeken der heilige schriftuure, of ook de dienaars de forme van bedieninge in het doopen, en anderzints gebruikende zijn na de vastgestelde orde der kerken.

2° Zij zullen met alle beleeftheid en voorzigtigheid verneemen, hetzy ter plaatse zelve daar die dienaar staat, of op andere plaatsen naar gelegentheid der zaaken, aan de ouderlingen en diaconen, of anderzints aan diegene die lidmaaten der kerken zijn, of die dienaar neerstig is in den bouw der kerken, in uitrigtinge der Christelyke discipline en of tot dien einde de kerkelijke vergaderingen gehouden worden.

3° Ook zullen zij den toezigt neemen of de dienaar hem geschikt draagt in zijn wandel, en of niet eenige twist en oneenigheid in de gemeente is, of andere disorders, strekkende tot nadeel der kerke, die met allen spoed gebetert diende te worden.

4°  Zullen die inspectores bij den dienaar of andere voorschreevene

|165|

leden des kerkenraads eenige werkelijke fouten bevonden hebbende, aangaande hetgeene dat hierboven verhaalt is, dezelve eerst in het byzonder vermaanen tot betering, en daartoe alle hulp bewyzen, en zoo het niet en helpe, de classicale vergadering aandiene.

Hiermee was de algemeene regel voor de visitatie aangegeven. De synode drong er in een brief aan de classen op aan, dat er voor gezorgd werd dat „d’Inspectie ofte visitatie in den 40 artyckel goet gevonden, int werck gestelt werde” 1). In Zuid-Holland werd de visitatie door de classe terstond ingevoerd, zoodat op de synode van den Briel (1593) kon worden gerapporteerd, dat de visitatie geregeld gehouden werd. De visitatores werden benoemd door de classes, en de onkosten moeten door de geheele classis gedragen (synode van Rotterdam, 1594) 2). Naast de visitatie namens de classicale vergadering werd er ook nog geregeld eene inspectie gehouden namens de particuliere synode over en in de classen.

In Gelderland werden deze laatsten een tijdlang gehouden onder Fontanus als superintendent. Deze werden in 1596 afgeschaft, maar verrichten in 1600 weer hun arbeid alsof zij nooit waren afgeschaft.

In Noord-Holland viel de visitatie minder in den smaak. Op de synode van Hoorn (1596) 3) werd het in de vrijheid der kerken gelaten al of niet visitatores aan te stellen. Op de synode van Amsterdam (1607) 4) bleek, dat de visitatie nog niet geregeld gehouden werd, en werd be­sloten, dat het noodig is zich te houden aan Art. 40 van de synode van 1586 en op het houden van de visitatie aan te dringen.

In Friesland was er sedert 1583 een commissie, benoemd door de particuliere synode uit elke classe één, om de besluiten der synode uit te voeren, om voorkomende zwarigheden in de classen uit den weg te ruimen, en de gemeente te visiteeren. Wijl deze commissie dreigde te ontaarden, kwam er oppositie tegen een vast kerkelijk gerechtshof en in 1603 werd zelfs een besluit genomen, dat „de dienaren en ouderlingen, die voortaan na dezen tijd voorstellen in de synode zouden doen om visitatoren, een supremum senatum, hoogen hoff oft diergelycken in de gemeenten Gods in te voeren, wel ernstig zullen gecensureerd worden.” De classicale visitatoren bleven echter bestaan.

In de provincie Groningen, waar de K.O. als een Staatswet werd voorgedragen en ingevoerd, poogde de synode van Appingedam naar het middeleeuwsche sendrecht het proostambt te restaureeren. Aan Doede van Amsweer werd opgedragen, tweemaal in het jaar alle kerken,


1) Rutgers, Acta, bl. 506, 621.
2) Art. 3.
3) Art. 34.
4) Art. 20.

|166|

pastorieën en scholen te visiteeren, toezicht te houden op de kerkvoogden en hunne bediening en voorts er voor te waken, dat de goederen der kerk op de rechte wijze werden gebruikt.

In 1603 werden door de synode visitatoren over de classen benoemd, die in 1617 zelfs mandaat ontvingen van gedeputeerden der stad Groningen en de Ommelanden.

De synode van Dordrecht in 1619 stelde de kerkvisitatie verplichtend, niettegenstaande er in sommige provinciën bezwaren tegen werd ingebracht.

In Friesland was men bevreesd, dat er een nieuwe macht in de kerk gecreëerd werd. In Noord-Holland achtte men de visitatie niet noodig, zoodat daar vóór 1618 geen visitatie is gehouden. Op de Dordtsche synode van 1619 adviseerden de Noord-Hollandsche gedeputeerden om de visitatie in de vrijheid der kerken te laten, en er geen bindende bepaling van te maken. Het verzet der Noord-Hollanders heeft echter niet veel geholpen. De aandrang van uit Zuid-Holland heeft gezegevierd. De synode besloot de visitatie voor alle classen verplichtend te stellen, en gaf een breede omschrijving van de taak der visitatores, welke be­paling als Art. 44 in de K.O. werd opgenomen: „De classe zal ook eenige harer dienaren, tenminste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseeren, om in alle kerken, van de steden zoowel als van het platteland, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien, of de leeraars, kerkeraden en schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomen orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen; teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of het ander be­vonden worden, in tijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing en het meeste profijt der kerken en scholen helpen dirigeeren. En iedere classe zal deze visitatoren mogen continuëeren in hunne bediening, zoo lang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren, om reden, van welke de classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden.”

De synode van Dordrecht bedoelde meerdere vastheid aan het kerkelijke leven te geven, maar waakte er voor dat een hiërarchisch zuurdeesem in de Gereformeerde kerkregeering binnengeloodst werd. Er is volstrekt geen sprake in artikel 44 van een administratief of statistisch onderzoek, of een onderzoek naar de kerkelijke gebouwen, neen, de kerkvisitatie dient allereerst om voor de zuiverheid van de leer te waken, in de tweede plaats om toe te zien dat naar de orde der kerken geleefd wordt, en ten slotte om de kerken met goeden raad te steunen.

Op deze wijze is de kerkvisitatie in geen enkel opzicht in strijd met

|167|

de beginselen van de Gereformeerde kerkregeering. De vrijheid der kerken blijft ongeschonden en het onderling kerkverband wordt er door bevestigd. Wars van alle independentisme zoowel als van elken vorm van hiërarchie handhaafde de synode in dit artikel het zuiver Gereformeerde beginsel.

De kerkvisitatie is na de Dordtsche synode overal in zwang gekomen. Er werd evenwel niet gehandeld naar het slot van de bepaling van Art. 44 der kerkenordening, namelijk dat de visitatores liefst moesten gecontinueerd worden. Men wisselde de personen meestal, zooals Voetius zegt 1).

De beginselen, door de Dordtsche synode vastgesteld, werden weldra uitgewerkt in de verschillende provinciale regelingen. De eerste regeling is die van Zuid-Holland, opgesteld door de synode van Rotterdam (1621, Art. 40). Zij luidt als volgt:

„Copije van de Forme der Inspectie over de gemeene kercken te houden, volgende de Resolutien beyde van de generale Sijnoden en verscheijden particuliere Sijnoden van Zuijdt-Hollandt, waervan wordt gesproocken Art. XL in de voorgaende Acten.
„Alsoo de Inspectie der kercken daertoe is dienende, dat de suijverheyt der leere, ende alle goede geregeltheijt in de gemeente Gods onderhouden worde, soo sullen de Visitatores classium:
„Ten eersten de Predicatiën van de Dienaeren des woorts in haren classe frequenteeren, ende neerstelijck letten off deselve met de onvervalschte leere des Godd. woorts, bekentenisse in de seven-en-dertigh Artick. ende christ. nederlantschen Catechismo overeencomen.
„Ten anderen sullen sy ondersoecken off de maniere van leeren, die hij waerneemt, stichtelyck, eerlijck ende proffijtelijck is; affgesondert van alle nieuwe onschriftmatighe en vreemde termen; insgelyex ook van alle menschelycke fabulen, citatien van nieuwen scribenten en veelvuldigh invoeren van Heydensche schriften.
„Ten derden, off hy synen Dienst by den sijnen vlytelyck waerneemt, de gesonde leere beide in ’t openbaer en particulier beweert en voort­plant, ende den wederspreeckers den mondt stopt; neerstich sijnde in ’t geduerich leesen ende ondersoecken der H. Schriftuere en gesonder Autheuren, om ’t selffde in de vreese des Heeren voorspoedelijck uijt te voeren.
„Ten vierden, off hy den Catechismum leert, ende de H. Sacramenten, nae de instellinghe des Heeren ende gebruyck der gereformeerde kercken, sonder eenige nieuwe ceremoniën daer onder te vermeijnghen, bedient; ende sulcx alles ter behoorlycker tijdt en plaetse.


1) Pol. Eccl. III. 527.

|168|

„Ten vijffden, off hy de aenkomelinghen tot den Avondmaele in den grondt des gelooffs ondersoeckt; de litmaeten, voor de bedieninghe des Avondmaels, besoeckt; de naemen der communicanten, gedoopte, ende getrouwde luijden aenteijckent, de krancke besoeckt; op den armen acht neemt, de schoolen behertight; de kerckelycke byeenkomsten waerneemt; de christelycke discipline met synen kerckenraedt in goeden orden betrachtet.
„Ten sesten, off hy syne gaven niet alleen met vlijticheijt in ’t studeeren, maar oock met godsaeligheijt oeffent; op syne huyshoudinge goede acht neemt; syne kinderen en huysgesin in de godsaeligheyt optreckt; sich van ’t frequenteeren der herbergen, en ’t onnoodich absenteeren van syn kercke mydet; hem niet en bemoijt met Politique saecken, voornaemelick niet met versoeninge over de doodslaghen; item, off hy eenigen vreemden handel off trafijcque, schadelijck synen Dienst, onder syn ampt vermeijngt; hem in handel en wandel anders draeght, dan een vroom en getrouw Dienaar des Heeren schuldich is te draeghen.
„Ten laetsten. Dewyle de Ouderlingen en Diaconen den Dienaeren des woorts gestelt syn tot hulpe, soo salmen ook ondersoecken, hoe dat haere verkiesinghe geschiedt sij, en hoe sij hun in haer bedieninghe en professie dragen. De ouderlinghen, off sy oock, neffens den Dienaeren, sorghe draeghen over de cudde des Heeren, goede ordre waerneemen, arbeijden om alle ergernissen van de kercke des Heeren (soo veel het doenlyck is) wech te neemen, ende in haeren kerckenraedt notitie van haere kerckelijcke saecken houden. De Diaconen, off sij de arme van haer gemeente met een bewogen gemoet versorghen, ende behoorlijcke reeckeninghe doen van de administratie der penninghen by hun ontfanghen ende uijtgegeven.”

Deze regeling is in 1724 vervangen door het Zuid-Hollandsche visitatiereglement, afgedrukt in het bekende kerkelijk Handboekje. Uit eene vergelijking met de oude regeling blijkt, dat er wel allerlei bepalingen zijn bijgekomen, vooral ten aanzien van de ouderlingen, de diakenen, den kerkeraad als zoodanig, de scholen, en enkele resoluties tot wering van ketterijen, maar het karakter van het reglement is hetzelfde gebleven.

 

Een geheel ander karakter droeg de visitatie in Groningen en in Drenthe.

Volgens de bepalingen voor de visitatoren, opgesteld op de synode van Groningen (1603) en die van Appingedam (1608), ontvingen de visitatoren opdracht en machtiging van de overheid en van de synode. Eenigszins op Luthersche wijze moesten de visitatoren des Zondags of

|169|

in de week, na kennisgeving, de prediking van de pastoren beluisteren, en dezen na afloop, naar bevind van zaken, onderwijzen, vermanen of bemoedigen. Na den dienst moeten zij den dienaar afzonderlijk, en ook den kerkeraad in het bijzonder ondervragen, hoe het staat met den prediker, den kerkeraad en de gemeente. Behalve het onderzoek naar leer, leven en arbeid van de ambtsdragers, moeten de visitatores ook onderzoeken, hoe de kerkegoederen geadministreerd worden, alsmede de praebenden, de vicarijen en andere goederen, „ad curam animalium gefundiret.” Voorts moeten zij onderzoeken, hoe de schoolmeesters en de kosters zich houden in het onderwijzen der jeugd, in het voorzingen en voorlezen en de bediening der kerken. Als superintendenten hebben de visitatoren de leiding der visitatie, presideeren de vergadering, en openen en sluiten met gebed en dankzegging.

Ofschoon deze wijze van visitatie, mede namens de overheid gehouden, met macht en gezag van boven af, en gaande zoowel over stoffelijke en geestelijke zaken, bevorderlijk was voor de doorwerking van de reformatie in de provincie Groningen, is zij mede een middel geweest voor de verbastering der visitatie in ongereformeerden geest.

In Drenthe werden de kerkvisitatores sedert 1612 door den Stadhouder met drost en gedeputeerden der provincie, uit een voordracht van de synode (van welke voordracht men nog kon afwijken) voor elke classis drie gekozen. Drost en gedeputeerden arresteerden den 19 October 1620 eene instructie voor de visitatoren, die, door hen gecommitteerd, ook geheel onder hen stonden, van alles nauwkeurig rapport moesten doen. Van de ingrijpende bemoeienissen der kerkvisitatores legt Art. 5 een sprekend getuigenis af. Behalve het gewone onderzoek, zooals ook in Groningen geschiedde, moesten de visitatores ook de bibliotheken der predikanten doorsnuffelen, en wanneer zij daarin boeken vonden, die niet met de gereformeerde leer overeenkwamen, moesten zij deze dadelijk en zonder „vertoegh” weg nemen, en andere boeken, die zuiver waren, er voor in de plaats stellen. Was een predikant hiertoe niet genegen, of bleef hij in gebreke, dan moesten zij ten spoedigste daarvan bericht zenden aan drost en gedeputeerden, opdat deze daarin naar behooren konden voorzien.

De verslagen van de kerkvisitatie leveren ons merkwaardige staaltjes van den droeven toestand van het kerkelijk leven op sommige plaatsen. Bij de visitatie te Odoorn in 1624 werd o. a. bevonden dat de bibliotheek van den predikant Wilhelmus Johannis geen zes gulden waard was, en hij geen Oud- of Nieuw Testament bezat. Bij latere visitaties bleek de toestand van ’s mans bibliotheek nog even slecht. Het verslag van de visitatie te Sleen in 1624 deelt mede, dat de pastorie zeer vervallen, het kerkhof onbevredigend was, er was geen tafel voor de

|170|

avondmaalsviering, en op Pinksteren was het Avondmaal niet bediend; in 1626, dat het Avondmaal zelden werd gehouden, en ook de naburige broeders niet geroepen werden volgens synodale resolutiën; toen en in 1627, dat het arbeiden op Zondag algemeen in gebruik was, en er nog geen catechismusprediking werd gehouden; in 1631, dat op het kerkhof de kruisen nog stonden, en er 15 lidmaten waren; in 1634, dat er maar om de 14 dagen gecollecteerd werd; in 1636 werd geklaagd, dat de schoolkinderen de catechismus in de kerk niet opzeggen, „omme dat de Prediger aldaer dit stuck wat slappelick drift”; de synode besloot in 1636, dat de predikant en de onderwijzer wegens hunne genoemde nalatigheid eene boete zouden geven; de predikant één pond groot en de onderwijzer één daalder 1). Van de visitatie te Zuidwolde in 1663 werd medegedeeld, dat de geruchten liepen, dat pater Robert te Ootmarsum hier te Zuidwolde met superstitieuse ceremoniën en belezingen de menschen zocht te genezen en dat dit op andere plaatsen, als te Meppel, Kolderveen en Wachtum ook van hem gepleegd werd.

De kerkvisitatie in Drenthe, die tot 1669 jaarlijks, en daarna om de twee jaren gehouden werd, geschiedde dus op last van de overheid en had tot voorwerp niet alleen de geestelijke belangen der kerk, maar ook de stoffelijke aangelegenheden. Al de boeken werden ingezien, de fondsen van kerk en armen, de geregelde uitbetaling der tractementen werden onderzocht. Verder werd de staat der gebouwen, als kerk, pastorie, school, even in oogenschouw genomen. In Drenthe stond het kerkelijke leven in de 17de en 18de eeuw dus niet heel hoog, en leefde men niet getrouw naar de beginselen van de Gereformeerde kerkregeering.

In de andere Nederlandsche provinciën werd ook de kerkvisitatie na 1619 steeds gehouden, en wel in ’t algemeen naar de bedoeling van de K.O. Slechts een tikje van den hiërarchischen geest werd hier en daar openbaar, wijl de visitatores wel eens wat al te veel nadruk legden op de administratieve werkzaamheden. In Gelderland werd eerst in 1698 een doeltreffend reglement door de Geldersche synode vastgesteld. In deze provincie had de kerk bij het houden van de visitatie steeds te kampen met de heeren, die de jaarlijksche visitatie niet wilden gedoogen, en met kerkvoogden en armenmeesters, die geen rekening wilden doen. Het Geldersche reglement is afgedrukt bij Smetius: Synodale ordonnantiën ende resolutiën, en in het kerkelijk Handboekje.

Ook na 1816, toen een nieuwe organisatie en inrichting van bestuur, onwettig in haar ontstaan en ongereformeerd naar haar inhoud, werd


1) T.A. Romein, De Hervormde predikanten van Drenthe, bl. 302.

|171|

ingevoerd, bleef de kerkvisitatie bestaan. De oude regeling moest echter voor een nieuwe plaats maken.

In Juli 1816 was men met een nieuw reglement op de kerkvisitatie gereed, dat aan het einde dier maand door den koning werd bekrachtigd, maar eerst in 1823, na een reeks van wijzigingen, werd ingevoerd. Het bleef van kracht tot 1859. In dat jaar werd, in verband met het nieuw Algemeen Reglement van 1852, een nieuw reglement op de kerkvisitatie ingevoerd, welke nog van kracht is.

Volgens de tegenwoordige bepalingen heeft de kerkvisitatie in de Ned. Herv. kerk „ten doel het onderzoek naar den uitwendigen en inwendigen staat der gemeente, naar de geregelde opvolging en handhaving der wettige kerkorde bij de kerkeraden, en naar de ambtstrouw en den christelijken wandel van elk hunner leden, ten einde de synode, als het algemeen Bestuur der kerk, op de hoogte van haren toestand te houden en tot het handhaven en bevorderen van hare belangen in staat te stellen” 1). Zij wordt twee jaren achtereen schriftelijk, en in het derde jaar persoonlijk gehouden. De persoonlijke visitatie geschiedt door twee gecommitteerden uit en van het classicaal bestuur. De visitatoren berichten ten minste veertien dagen te voren aan den algemeenen kerkeraad den dag en het uur van hun komst. Terwijl alle kerkeraadsleden, en, in vacante gemeenten, ook hare consulenten, verplicht zijn de vergadering bij te wonen, is een der gecommitteerden voorzitter, de andere scriba. Dan wordt een onderzoek ingesteld naar den toestand der gemeente, naar den arbeid en den wandel van de leden van den kerkeraad, of de Doop-, Lidmaten- en Trouwboeken, de Notulen van den kerkeraad, de kerkelijke en de diaconale administratie enz. in goede orde zijn, of de gebouwen goed onderhouden worden en tegen brandschade verzekerd zijn, enz. De schriftelijke visitatie bestaat in het doen van dezelfde vragen als bij de persoonlijke, met uitzondering van de vraag aangaande de belijdenis, den wandel en het vervullen van de ambtsplichten van predikanten en overige kerkeraadsleden. Het classicaal bestuur zendt de vastgestelde vragen aan eiken kerkeraad, en de kerkeraad zendt de ingevulde en geteekende tabellen weder op aan het classicaal bestuur, hetwelk deze vóór 15 Juni opzendt aan het provinciaal kerkbestuur. Het provinciaal kerkbestuur maakt uit de tabellen der classicale besturen drie onderscheidene rapporten op en dient ze in bij de Algemeene Synode. Door de synodale handelingen komt de uitslag der visitatie onder het bereik van de gemeente.

Wordt in het reglement op de kerkvisitatie der Hervormde kerk nog altijd een plaats gegund aan het onderzoek naar belijdenis en leer, dit


1) Dr G. J. Vos, Hoe men zich in de Ned. Herv. kerk heeft te gedragen, bl. 336.

|172|

onderzoek is zeer schraal en sober, en bij het ontdekken van afwijking wordt geen poging gedaan om de verkeerde leeringen te straffen. Al is de belijdenis formeel nooit afgeschaft, de grondfout in de Ned. Herv. kerk ligt — zooals Dr Vos zegt — „in het getolereerd misbruik van het zoogenaamde formeele beginsel 1); de door predikanten genomen vrijheid om al hetgeen men voor waarheid hield, al streed het met de duidelijkste beginselen en kenmerkendste karaktertrekken van kerkvorm en kerkleer, zonder behandeling, zonder eenige goedkeuring der kerkelijke vergaderingen, te luchten.” Voorts wordt bij de kerkvisitatie op de administratieve werkzaamheid, op de uiterlijke zijde van het kerkelijke leven de nadruk gelegd, zoodat aan de eigenlijke kracht en het wezen van de kerkvisitatie wordt tekort gedaan.

 

In de kerken der Scheiding, die terugkeerden tot de leer, de tucht en den dienst der vaderen, werd van den beginne de kerkvisitatie naar Art. 44 D.K. gehouden. Veelal werd gebruikt het visitatie-reglement, opgesteld door de synode van Delft in 1721, en vastgesteld in 1724 door de synode van Rotterdam. In 1872 evenwel kwam op de synode van Groningen (Art. 155) een verzoek van N. Brabant: „De synode stelle vaste regelen voor de kerkvisitatie, en vervange het oude visitatiereglement door zulk een, dat overeenkomstig de toestanden van dezen tijd is.” Bij de toelichting werd gewezen op het belang van rechte kerkvisitatie, en op het onbruikbare van het nooit door een algemeene Synode aangenomen visitatiereglement. Besloten werd echter, mede wijl een aantal leden der synode het niet noodig achtten, dat een algemeene synode zulk een regeling maakte, de zaak te laten zooals zij was. In 1877 kwamen van vijf provinciën voorstellen, „die wijziging of herziening of vernieuwing van het vigeerend visitatiereglement verlangen.” Na korte discussie werd besloten, dat de synodale commissie een conceptreglement zou opstellen en toezenden ter beoordeeling aan de kerken. De behandeling van dit opgestelde concept werd in 1879 uitgesteld tot de volgende synode, op welke vergadering het nieuwe reglement werd vastgesteld (Hand. syn. 1882, Art. 241). Dit reglement heeft geen hoogen ouderdom bereikt. Slechts tien jaren bleef het van kracht. Door de vereeniging van de Christelijke Gereformeerde kerk met de Nederduitsch Gereformeerde kerken in 1892 werd het buiten werking gesteld.

Sedert dien tijd wordt de regeling van de kerkvisitatie aan de classen overgelaten. Een algemeen reglement bestaat er niet meer. Zulk een algemeen reglement verdient ook geen aanbeveling. De grondlijnen zijn


1) Art. 7 Confessie, vgl. Syn. Hand. 1841, bl. 135.

|173|

in Art. 44 D.K. aangegeven. Wilde een Generale Synode nu in bijzonderheden alles vaststellen wat bij de visitatie moest gevraagd, dan zou de synode licht haar roeping voorbijloopen en den kerken een juk opleggen. Bovendien, de toestanden zijn in verschillende streken zóó onderscheiden, dat nooit alles in één reglement kan opgenomen worden; men zou hier te veel hebben en elders te weinig. Daarom is het wenschelijk, dat elke classis haar eigen regeling heeft voor de kerkvisitatie, mits zij vasthoude aan het rechte beginsel en beseffe dat zij het leven niet dood reglementeere.

Een kerkvisitatie-reglement is en blijve eene handleiding. Al de vragen daarin gesteld moeten met ernst en nauwkeurigheid gevraagd. Maar eene visitator mag naar bevind van zaken, naar aanleiding van de gestelde vragen andere vragen stellen, opdat de bedoeling van de vragen bereikt worde. Mag de visitatie niet ontaarden in een inquisitoriaal onderzoek, zij mag ook niet vernederd worden tot een opdreunen van de vragen. De ware visitator moet zijn een menschenkenner, die een juisten blik heeft in het leven, die het menschelijk hart kent, en die, bezield met de liefde van Christus, gaarne wil medewerken tot het welzijn van de kerk, en den opbouw van het lichaam van Christus.

 

b.  De noodzakelijkheid van de kerkvisitatie.

Deze kan betoogd worden op de volgende gronden:

1. Het voorbeeld der apostelen. De apostelen lieten de gemeenten, door hen gesticht, niet aan zich zelve over, maar bezochten ze herhaaldelijk, om haar te versterken en eenige geestelijke gave mede te deelen. Het heet Hand. 15: 36: „En na eenige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij zich hebben”, of zooals onze kantteekening juist verklaart, „om te vernemen hoe het met hen staat, aangaande hun geloof.” Het motief voor het aanvaarden van de tweede zendingsreis was dus aanvankelijk meer eene kerkvisitatie dan de planting van nieuwe gemeenten. Paulus ging op reis, niet allereerst om het evangelie aan de onbekeerden te brengen, maar om de toegebrachten op te bouwen en te versterken. Eerst in den loop der reis strekten zijne bemoeiingen zich uit tot de heidenen, en God riep zijnen apostel te Troas voor een geheel nieuw arbeidsveld (Hand. 16: 10). Niet ten onrechte zegt Bengel van de woorden „hoe zij zich hebben”, dat zij de nervus visitationis ecclesiasticae zijn, de zenuw der kerkvisitatie. De Apostelen bezochten niet alleen zelf de gemeenten, maar zonden ook, wanneer zij zelf verhinderd waren, hunne helpers, om de zaken der gemeente te behartigen (1 Cor. 16: 5-8; Filipp. 2: 19-24).

|174|

2. De eenheid der kerk en het kerkverband. Zooals wij bij de behandeling van Art. 29 breeder gezien hebben, wortelt het kerkverband in Christus, die het hoofd is van de kerk. Er is maar ééne kerk, het mystieke lichaam van Christus, waarvan alle geloovigen, waar zij zich ook bevinden, leden zijn. Op grond nu van de eenheid, die in Christus is, en de eenheid in de geloofsovertuiging, staan de plaatselijke kerken met elkander in kerkverband. Dit kerkverband eischt, dat de verschillende kerken den geloofsband onderhouden en op elkander toezien, dat het alles toegaat naar de ordinantiën van Koning Jezus. De verschillende kerken moeten elkander helpen. Een plaatselijke kerk heeft voor hare instandhouding, uitbreiding en zuiverheid in leer en wandel de genabuurde kerken noodig. De geschiedenis der kerk leert, dat een kerk, levende buiten kerkverband, wel voor een tijd kan bloeien, als er een bijzondere dienaar is, als de Heere bijzondere zegeningen schenkt, maar als de bijzondere omstandigheden ophouden, dan sterft zulk een kerk weg, of lost zich op in allerlei secten en ketterijen. De eenheid in leer, tucht en cultus, de gemeenschappelijke belangen in betrekking tot de zending, de dienaren, enz., in één woord al die zaken, die het kerkverband eischen, maken ook kerkvisitatie noodig.

3. De gezegende vruchten van de visitatie. Het gezag der ambts­dragers en de vrijheid der gemeente wordt door haar versterkt. De visitatoren kunnen de dienaren des Woords steunen tegenover willekeur van de andere ambtsdragers, of ook zoo noodig de dienaren terecht wijzen. Door een verstandig optreden der visitatoren kunnen twisten en allerlei moeilijkheden, ontstaan tusschen de ambtsdragers onderling, of tusschen voorgangers en gemeente, of tusschen de leden der gemaente onderling, worden weggenomen of tot staan gebracht, en kan de eenheid en de vrede terugkeeren.

Doch niet alleen als er verkeerdheden te bekampen zijn levert de visitatie gezegende vruchten op, doch ook het voortdurend toezien op elkander, tot rijker stichting en meerdere ontplooiing van de gaven en de krachten in de gemeente, is en blijft in Christus’ kerk een onmisbare levensbehoefte. Evenmin als één christen alle wijsheid en gaven ontvangen heeft, evenals hij aan de gemeenschap der heiligen steeds dringend behoefte heeft, zoo ook moeten de kerken elkander steunen en onderwijzen, om niet af te wijken van het rechte spoor, om met al meer toewijding en kracht de roeping, haar voorgesteld, te volbrengen. Daar­toe kan de visitatie uitnemende diensten bewijzen, en is zij ook alle eeuwen door onderhouden.

 

c.  De visitatoren.

In Luthersche landen berust de regeering bij de overheid, en deze

|175|

laat de visitatie der kerken verrichten door de superintendenten. In de Roomsche kerk geschiedt zij door de bisschoppen of hunne plaatsvervangers. Zoo ook in de Episcopaalsche kerk van Engeland. De belijdenis van de Engelsch-bisschoppelijke kerk is wel in hoofdstrekking gereformeerd, maar zij heeft behouden den hiërarchischen bouw, de bisschoppelijke inrichting en de ineenvlechting van het episcopaat met het wereldlijke bezit en de wereldlijke rechten. Ook de Schotsch-bisschoppelijke staatskerk liet de visitatie door de bisschoppen verrichten. De Gereformeerde kerken evenwel, die zich vrij naar eigen beginsel konden ontwikkelen, erkennen geen overheidsmacht, noch bisschoppen in de regeering der kerk. En al is het waar, dat in de kerk van Genève tijdens Calvijn, in de Gereformeerde kerk van de Paltz en in sommige provinciën van Nederland, tijdens de republiek, de overheid zich eenige macht in de zaken van de kerk aanmatigde, en overheidsdeputaten aanwees, die met de predikanten de bezoeking deden, dit was een onregelmatigheid, niet in overeenstemming met de beginselen van het Gereformeerde kerkrecht. Volgens Gereformeerd beginsel moet de visitatie verricht worden door hen, aan wie de regeermacht in de kerk is opgedragen, n.l. door de predikanten en de ouderlingen.

De kerkenordening geeft als regel aan, dat de visitatie geschiedt door de dienaren des Woords. Voetius denkt, dat Art. 44 alleen melding maakt van dienaren, omdat bijna al de ouderlingen niet zonder groot nadeel voor hunne zaken eenige dagen achtereen van huis kunnen 1). Hij meent, dat deze zaak de reden is, dat, terwijl Art. 47 voorschrijft, dat steeds twee predikanten en twee ouderlingen door de classen afgevaardigd moeten worden naar de particuliere synode, toch de classen in de praktijk meestal drie dienaren en een ouderling zonden. Zoo spreekt ook Dr Rutgers 2): „De reden waarom, ondanks alle synodale bepalingen, de classen en synoden toch gewoonlijk meer predikanten dan ouderlingen telden, lag eeniglijk en alleen in de omstandigheid, dat de ouderlingen doorgaans te bezet waren om daarvoor eenige weken beschikbaar te hebben.” Wanneer dat de reden geweest is, waarom onze vaderen in Art. 44 de visitatie alleen aan de predikanten opdroegen, dan is deze reden in onzen tijd, nu de middelen van vervoer zeer verbeterd zijn, en de visitatoren bijna nimmer ten behoeve van het kerkbezoek een nacht van huis moeten zijn, vervallen, en kunnen de ouderlingen even goed als de dienaren voor de visitatie verkozen worden. Trouwens de oude Gereformeerden sloten in de praktijk de ouderlingen ook niet geheel uit van de kerkvisitatie. De particuliere synode van


1) Pol. Eccl. III. 98.
2) De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, 1887, bl. 29.

|176|

Brielle (1593) stond toe een ouderling tot plaatsvervangend visitator te nemen. Ook werd volgens het „Project van die maniere der kerckelicken visitation”, opgesteld in de provinciale synode van Groningen (1603), bepaald, dat een predikant met een ouderling of met een dienaar vergezeld, de kerkvisitatie deed. Principieel is er geen bezwaar om een ouderling mede tot visitator te benoemen. Immers hij is evengoed als een predikant stemhebbend lid van de classis, en kan evengoed als een predikant tot actuarius en scriba der vergadering worden gekozen. Aan den ouderling is evenals aan den predikant het regeerambt opgedragen. Dat de ouderlingen over het algemeen minder dan de dienaren onderlegd zijn in de kerkregeering, is waar, maar dat behoeft aan hun recht van benoembaarheid niet te kort te doen. Waarschijnlijk is dit mede de oorzaak geweest van de bepaling in Art. 44, dat de ouderlingen niet classicaal zijn geëxamineerd, en dat wijl niet alleen zaken van de regeering, maar ook wel van de leer behandeld worden bij de visitatie, men de ouderlingen minder geschikt achtte. Doch omdat op de synoden ook gewichtige beslissingen omtrent de leer zoowel als in zake de kerkregeering genomen worden, kan deze reden, om niet een ouderling voor de visitatie te benoemen, niet afdoend genoemd worden. Misschien zou het overweging verdienen om naast twee predikanten ook een ouderling voor de bezoeking der kerken te verkiezen. De meerdere kosten, hierdoor veroorzaakt, behoeven geen bezwaar te zijn, daar o.i. deze maatregel beslist aan de visitatie ten goede zou komen. Doch zoolang de regel van Art. 44 geldt, kan een ouderling niet dan bij wijze van uitzondering, bij gebrek aan predikanten, voor dit werk verkozen worden.

Het aantal kerkvisitatoren moet minstens twee bedragen. De wet eischte (Deut. 19: 15), dat er tot beschuldiging of veroordeeling twee of drie getuigen zouden optreden. De Heere Jezus wilde, dat tot vereffening van geschillen onder broederen, zoo de persoonlijke bestraffing niet baatte, een of twee getuigen zouden zijn van de vermaning, „opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta” (Matth. 18: 16). Wat onder vier oogen besproken is heeft voor de rechtbank geen zekerheid. Zoo beide partijen verschillend spreken, daarom is de mond van twee getuigen noodzakelijk. Een oud spreekwoord luidt: „Eén man is geen man.” Indien nu de Schrift en de praktijk des levens voor oplossing van geschillen en voor het leveren van bewijs minstens twee getuigen eischen, zoo moeten ook bij de vertegenwoordiging der kerken, om zaken te doen namens de kerken, minstens twee getuigen optreden. En gelijk het huisbezoek in eene gemeente geschiedt door den predikant en een ouderling, zoo zijn ook voor de kerkvisitatie minstens twee personen vereischt.

Op welke wijze moeten de kerkvisitatoren worden benoemd? Moeten

|177|

zij door de vrije verkiezing van de classis worden gekozen, of moeten de predikanten naar toerbeurt dit werk doen? Art. 44 bepaalt: „De classis zal ook eenige harer dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste autoriseeren.” Deze regel, door de K. O. aangegeven, is de meest verkieslijke, omdat, zooals Voetius opmerkt 1), men aan nieuwelingen en ongeoefenden, of aan hen, die wel door leeftijd en dienstjaren genoeg gevorderd zijn, maar minder bekwaam zijn voor de kerkelijke practijk en de kerkelijke handelingen, niet gerust dien zwaren last kan opleggen. Tenzij men dezen middenweg insla, dat men aan iemand, die volgens orde van zitting voor de visitatie aangewezen werd, een anderen, meer bekwamen dienaar, door vrije verkiezing toevoegt. Voetius deelt mede, dat er in zijn tijd classes waren, die twee of drie af deelingen hadden, bestaande uit de oudste helft en de jongste helft, of uit het oudste derde, het middelste derde en het jongste derde deel, en er uit elk dezer twee of drie af deelingen een deputaat werd benoemd, om te voorkomen, dat de jongsten en de minder geoefenden niet steeds bij de benoeming van deputaten werden gepasseerd. Nu is er ongetwijfeld veel voor te zeggen, dat de jongere predikanten niet steeds voorbijgegaan worden voor de visitatie, wijl deze de practijk van het kerkelijke leven hebben te leeren. Maar men vergete niet, dat de visitatie niet is ingesteld om jonge predikanten in te leiden in de kerkelijke practijk, maar om toezicht te houden op het kerkelijke leven. Het is dan ook niet in overeenstemming met de K.O., dat een classis, zooals wel is geschied, uit hare jongste predikanten de kerkvisitatoren koos, omdat deze het minst tegen het reizen opzagen, onderweg wat leering en ervaring zouden opdoen, en kennis konden maken met de verschillende kerkeraden. Deze handelwijze leidt ertoe om van de visitatie eene bespotting te maken. De visitatie moet ernstig opgevat worden. Het moet er om te doen zijn om het recht, de ordeningen en de heiligheden des Heeren te handhaven, opdat het geestelijke leven en de bloei van de gemeente bevorderd worde. Daarom is de uitdrukking van Art. 44 „van de oudste, ervarenste en geschikste” zoo goed gekozen. Ofschoon de ouderen in den regel meer ervaring hebben, en in den regel meer de geschikte mannen zijn, om, zoo dit noodig mocht blijken, oudere ambtsbroeders te vermanen en terecht te wijzen, zijn er soms onder de jongeren zeer bekwame mannen, die zoowel door hun kennis, door hun karakter en gaven, als door hunne godzaligheid, alleszins geschikt zijn om de classis op meerdere vergaderingen of op de visitatie te vertegenwoordigen.


1) Pol. Eccl. III. 97.

|178|

d. Bekendmaking aan de gemeente.

Moeten dag en uur der kerkvisitatie van te voren aan de gemeente bekend gemaakt worden?

Deze bekendmaking is in overeenstemming met de gewoonte der Gereformeerde kerken, en is noodig opdat het doel van de visitatie bereikt worde. In de provincie Groningen werd de geheele gemeente voor de visitatie opgeroepen, en werd, terwijl de predikant buiten stond, de gemeente ondervraagd naar het leven en de leer des dienaars 1). In de kerkordening van Drenthe (1730, Art. 53) werd evenals in vele classicale regelingen voorgeschreven, dat ieder predikant de aanstaande visitatie ’s Zondags van te voren der gemeente zou bekend maken.

De kerkvisitatie moet niet geschieden op eene wijze, die alle aanraking met de gemeenteleden onmogelijk maakt. De leden der gemeente zijn als leden van het lichaam van Christus geroepen mede te beoordeelen of de ambtsdragers handelen naar het Woord van Christus. Zij moeten in de gelegenheid zijn eventueele bezwaren, moeilijkheden, geschillen enz. met de visitatoren te bespreken. Dit is naar het oordeel van Prof. Rutgers nog iets anders dan „het formeel inbrengen van klachten of aanklachten bij kerkelijke vergaderingen”, en is juist bijzonder geschikt „om zulke formeele kerkelijke procedures, die doorgaans veel schade doen aan het geestelijk leven, te voorkomen” 2). Wel hebben de kerkvisitatoren geen macht om iets te beslissen, maar wanneer zij met wijsheid, voorzichtigheid en onpartijdigheid optreden, kunnen zij een grooten moreelen invloed uitoefenen, de klachten onderzoeken, de bezwaren uit den weg ruimen en de klagers tevreden stellen, of ook de klagers vermanen en bestraffen. Voetius 3) wijst er op, dat het onderzoek zich niet moet beperken tot het ondervragen en eventueel vermanen van predikanten en ouderlingen en diakenen, maar zich ook moet uitstrekken tot de gemeenteleden, die de visitatoren bij zich kunnen laten komen of ook aan hunne huizen kunnen bezoeken, om met hen te handelen over hunne verhouding tot de kerk of over kerkelijke personen en  zaken. Hij verhaalt voorts 4), dat het in sommige kerken van die dagen nog de gewoonte was, dat bij de jaarlijksche visitatie alle mansleden in het kerkgebouw werden samengeroepen om de visitatoren in de gelegenheid te stellen ook bij hen een onderzoek te doen naar den staat van den kerkedienst, enz. En hij wijst dan op de heilzame vruchten der visitatie. In onzen tijd is men er over het algemeen eenigszins bevreesd voor, dat de visitatoren intreden in de rechten van den kerkeraad, en geeft


1) Art. 51 der K.O. van 1595.
2) Kerkel. Adviezen I. 309.
3)  Pol. Eccl. IV. 92-107.
4)  Pol. Eccl. IV. 95, 100.

|179|

men niet gaarne aan de visitatoren het recht met de gemeentevergadering te spreken. Doch al moet men zich wachten voor elken vorm van hiërarchie en dus ook voor de invoering van superintendenten, men mag toch den arbeid van de kerkvisitatoren niet te zeer aan banden leggen, omdat daardoor het recht van het kerkverband zou worden aangetast. En wanneer de kerkvisitatoren met bedachtzaamheid en wijsheid hun taak verrichten, zal van hun arbeid een heilzame werking uitgaan, tot bevestiging van het gezag der ambtsdragers, tot wegneming der gerezen geschillen tusschen de gemeenteleden onderling of tusschen de gemeenteleden en de opzieners. En hun arbeid zal onder Gods zegen dienstbaar zijn tot bevordering van den vrede en de liefde, tot meerdere samenwerking der broederen en den opbouw der gemeente en de verheerlijking van ’s Heeren naam.

In de practijk zal het wel niet zoo veelvuldig voorkomen, dat er moeilijkheden en geschillen zijn, voor welker oplossing het optreden der visitatoren noodig is, zoodat er ook in den regel geen gemeenteleden zich vervoegen bij de visitatoren. Maar de gelegenheid moet toch gegeven worden aan leden der gemeente, die een klacht hebben. De kerkeraad behoeft niet beducht te zijn, dat de leden der gemeente hunne bezwaren en klachten inbrengen bij de visitatoren. De vrees hiervoor zou aanleiding kunnen geven tot de gedachte alsof de opzieners het licht schuwen. Juist wanneer men in eenig geschil, dat moeilijk beëindigd kan worden, de vrije beoordeeling overlaat aan de deputaten der classis, zal het vertrouwen op de rechtvaardige behandeling eener zaak gesterkt worden. Het is dan ook veel beter, dat de grieven worden uitgesproken en behandeld op eene wettige daartoe gehouden vergadering, dan dat het kwaad in de stilte voortwoekert. Het spreekt wel van zelf, dat de leden der gemeente, vóór zij zich wenden tot de kerkvisitatoren, eerst moeten trachten bij den kerkeraad wegneming hunner grieven te zoeken, en daarna, wanneer de bezwaren niet kunnen weggenomen worden, het oordeel van kerkvisitatoren inroepen. Maar juist daarom, omdat het werk dezer mannen van zoo groote beteekenis is, werd ook in art. 44 der Kerkenordening bepaald, dat de visitatoren uit „de oudste, ervarenste en geschiktste” dienaren moeten gekozen worden.

 

e.  De visitatie.

Wanneer het bepaalde uur, waarop de visitatie zal geschieden, is aangebroken, dan moeten de leden des kerkeraads tegenwoordig zijn om de visitatoren te ontvangen. Het karakter van deze vergadering is eene vergadering des kerkeraads met de deputaten der classis. Voorzitter dezer vergadering is dan ook de voorzitter des kerkeraads, die de vergadering opent, en den visitatoren gelegenheid geeft hun werk

|180|

te doen. Ofschoon de visitatoren ook niet mogen optreden als heeren en meesters, mogen zij toch ook in de vervulling van hun opdracht niet gehinderd worden.

In buitengewone gevallen, wanneer de voorgangers der gemeente met elkander in moeilijkheden leven, wanneer een deel der gemeente de hulp der classis inroept omdat een verkeerde leer wordt gepredikt of wegens aangedaan onrecht, wanneer een scheuring of een hevige onrustige en oproerige stemming in de kerk is ingetreden, kan het noodig zijn, dat het kerkverband de leiding moet nemen en den kerkeraad met of zonder de gemeente oproept en dan heeft de kerkeraad gehoor te geven aan de leiding der classis.

Volgens hun opdracht hebben de visitatoren allereerst een onderzoek in te stellen naar den toestand der gemeente. Zij vragen daartoe aan den vollen kerkeraad: Of op den dag des Heeren in den regel tweemaal het woord wordt bediend? Of het Avondmaal minstens viermaal ’s jaars gevierd wordt? Of de catechisatiën geregeld worden gehouden en trouw worden bezocht? Of de predikanten en de ouderlingen ook het woord aan de huizen brengen en trouw de leden der gemeente en in het bijzonder de zieken bezoeken? Of de armen naar behooren worden verzorgd en getrouw worden bezocht? of de kerkelijke tucht getrouw naar Gods Woord wordt uitgeoefend en of de oefening der tucht ook gezegenden invloed heeft op het leven der gemeente? Of de kerkeraad op bepaalde tijden naar de behoeften der gemeente vergadert, en of alle voorkomende zaken naar de orde der kerken worden behandeld? Of de leden des kerkeraads eendrachtig en broederlijk met elkander samenwerken en of zij onder elkander de christelijke censuur oefenen en elkander van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen? Zulke vragen zijn voor de visitatie als leidraad gesteld, niet met de bedoeling, dat met een formeel stellen en beantwoorden dezer vragen de visitatie afgeloopen is, maar dat deze vragen een leidraad vormen voor een verder onderzoek en eene bespreking van die dingen, die tot onderrichting en vermaning noodig blijken.

Nadat de algemeene bespreking geëindigd is, wordt een onderzoek ingesteld naar den arbeid en den wandel van den dienaar des Woords, terwijl hij zelf buiten staat. Er moet o.a. worden gevraagd of de dienaar zijn ambt getrouw vervult naar het Woord en de kerkenordening, of zijn prediking zuiver is, stichtelijk en profijtelijk voor de gemeente, berekend voor hare behoeften? Of hij bij de bediening des Woords en der Sacramenten zich stipt houdt aan de liturgische formulieren? Of hij zich in zijn huiselijk en openbaar leven openbaart als een godzalig mensch en of hij ijverig studeert? Of hij zich toewijdt aan den arbeid in de gemeente, den vrede bemint, moeilijkheden tracht te voorkomen

|181|

en alle zorg aanwendt tot opbouw en stichting der gemeente? Voetius wil dat ook gevraagd wordt: Of hij dikwijls van huis is? Of hij zich ook mengt in wereldsche zaken, waardoor hem voor de studie der Schrift en voor de uitoefening van het ambt tijd onttrokken wordt? Ten slotte is het ook noodzakelijk te vragen of hij zulk een traktement geniet, dat hij zonder zorg van het evangelie leven kan.

In de derde plaats wordt gevraagd over de ouderlingen, terwijl zij buiten staan: of hun getal voldoende is? Of zij de bedienaren des Woords getrouw bijstaan in alle dingen die tot hun ambt behooren? Of zij geregeld de vergaderingen van den kerkeraad bijwonen, of zij ijverig zijn in het doen van huisbezoek, hetzij alleen of in gezelschap met den dienaar des Woords, of zij getrouw zijn in het sterken der zwakken, in het opbeuren der gevallenen, in het vermanen der ongeregelden, in het voorkomen en wegnemen van de ergernissen in de gemeente? Of zij van tijd tot tijd wel eens komen op de catechisatiën en of zij in hun huiselijk en openbaar leven zich gedragen als voorbeelden der gemeente? De kerkvisitatoren merken in den regel dat het bezoeken van de catechisatiën door de ouderlingen weinig of niet gedaan wordt. Veelal vinden de ouderlingen dat dit minder passend is, dat het den schijn geeft alsof zij den dienaar des Woords niet vertrouwen. Weer anderen hebben voor dat werk geen tijd. En toch is het naar het ambt van de ouderlingen om te zien op de leer en den wandel van de dienaren. En in de tweede plaats is het bezoeken der catechisatiën voor de ouderlingen zelf zoo nuttig, daar zij ook kunnen geroepen worden om den dienaar des Woords in dezen arbeid te ondersteunen.

In de vierde plaats wordt een onderzoek ingesteld naar den arbeid der diakenen, terwijl deze buiten staan. Deze ondervraging geschiedt bij de predikanten en de ouderlingen. Aangaande de diakenen wordt gevraagd, of zij geregeld de gemeentelijke samenkomsten en de kerkeraadsvergaderingen bijwonen, of zij ook afzonderlijke vergaderingen houden? Of zij getrouw hunne roeping jegens armen en ellendigen vervullen, of zij de armen bezoeken en niet alleen hen voorzien van hun nooddruft, maar ook hen aan de hand van het Woord leeren en troosten? Of zij trouw zijn in het verzamelen en uitdeelen der gaven, in het beheeren en administreeren van de goederen voor de armen bestemd? Tenslotte of zij in hun huiselijk en openbaar leven goede voorbeelden der kudde zijn.

De praeses van den kerkeraad, of, wanneer de dienaar buiten staat, de oudste der ouderlingen is de aangewezen persoon om te antwoorden op de vragen, terwijl aan het einde van elke reeks van vragen de visitatoren de vraag richten tot de andere broeders of deze met de gegeven antwoorden instemmen of er nog iets aan hebben toe te voegen.

|182|

Het is een oud gebruik, dat de predikanten, de ouderlingen en de diakenen zich beurtelings verwijderen, wanneer een onderzoek wordt ingesteld naar de bediening van hun ambt, naar hun leer en wandel. Is dit wenschelijk en noodig? Meermalen is de gedachte uitgesproken dat dit niet noodig is. Dit kan ook wel verdedigd worden. Wanneer de verhouding tusschen de kerkeraadsleden onderling goed is, en de toestand normaal is, kunnen de predikant, de ouderlingen en de diakenen allen wel bij de bespreking tegenwoordig zijn. Er is zelfs iets voor te zeggen, dat, wanneer er opmerkingen te maken zijn, deze in tegenwoordigheid der betrokkene personen gemaakt worden. Men moet in elkan­ders tegenwoordigheid als broeders eerlijk en oprecht durven zeggen wat men meent te moeten zeggen. Dit is evenwel niet altoos gemakkelijk. Niet allen kunnen met een kalm gemoed en met een lijdzaam hart aanhooren, dat er in eene volle vergadering aanmerkingen gemaakt worden. En daarom komt het ons voor, dat er veel pleit voor het bestaande gebruik, dat de betrokken broeders buiten staan, wanneer over hun persoonlijk en ambtelijk leven gesproken wordt. De broeders die reden van klacht meenen te hebben kunnen ook vrijer hun gevoelen zeggen. En de visitatoren kunnen bij nadere samenspreking daaruit aanleiding vinden om of tegen onrechtmatige klachten te waarschuwen, of misverstand weg te nemen, of, zoo noodig, den klager te vermanen, of ook nader te spreken met den broeder, tegen wien de klacht is ingebracht. In den regel zal het blijken, dat er geen bijzondere klachten zijn, en geen aanmerkingen behoeven gemaakt te worden. Maar wanneer het in bepaalde gevallen noodig geacht wordt, dat de predikanten, de ouderlingen en de diakenen zich verwijderen, zal het wanneer het bestaande gebruik zou zijn afgeschaft, een pijnlijken indruk kunnen maken, wanneer gevraagd werd, dat bepaalde ambtsdragers zich verwijderen, wanneer het onderzoek wordt ingesteld.

Het ligt in den aard der zaak, dat wanneer iemand een klacht heeft tegen een predikant, ouderling of diaken wat betreft de uitvoering van zijn ambt, in leer of leven, de klager eerst deze zaak op den kerkeraad behoort te brengen. De broederlijke gezindheid eischt zelfs dat vooraf de zwarigheid eerst onder vier oogen of in tegenwoordigheid van een broeder moet worden behandeld. Eerst daarna, indien langs dezen weg het bezwaar niet uit den weg kon worden geruimd, kan de bezwaarde zijn klacht brengen op de vergadering des kerkeraads met de visitatoren. En wanneer de deputaten der classis hun werk goed doen, is het een uitnemend middel om heel wat misstanden en ongeregeldheden te ver­helpen, zelfs veel beter dan wanneer dat alles moest worden behandeld in eene classicale vergadering, aan welke door den arbeid der visitatoren heel wat tijd en moeite wordt uitgespaard.

|183|

Om die reden moet aan de kerkvisitatoren veel vrijheid worden gelaten om, in overeenstemming met hun opdracht, hun onderzoek zóó in te stellen, als dit in ’t profijt van de kerken is. De classis stelt voor deze visitatie regelen. En het is aan te bevelen, dat zij ook den ouden regel handhave, dat de ambtsdragers buiten staan, wanneer een onderzoek naar hun werk wordt ingesteld. In elk geval behoort een kerkeraad dezen regel te volgen, wanneer de visitatoren daartoe den wensch te kennen geven. Aan het beleid der visitatoren moet overgelaten, hoe zij in bepaalde gevallen bestaande moeilijkheden zullen oplossen.

Dit heeft niets te maken met superintendentisme. De visitatoren zijn dan ook geen kerkelijke machthebbers. Zij hebben geen bijzondere kerkelijke macht, of een hooger kerkelijk ambt; zij zijn niet anders dan deputaten der classis, door haar belast om een onderzoek in te stellen naar den toestand der kerken, om te vernemen of de ambtsdragers getrouw zijn in de vervulling hunner roeping. Hun opdracht is zoo gesteld, dat de kerkelijke macht ten volle bij de kerken blijft.

Doch dat neemt niet weg, dat de visitatoren de opdracht hebben om te onderzoeken en te vragen, en naar aanleiding daarvan te raden, helpen, vermanen, waarschuwen, onderrichten, enz. En al hebben zij geenerlei macht om een bestuursdaad te verrichten of iets voor te schrijven, zoo moeten zij toch in de gelegenheid gesteld om hun taak zóó te verrichten, als dit in overeenstemming is met hun opdracht. En daartoe behoort de kerkeraad mede te werken.

Moeten de visitatoren ook een onderzoek naar den uitwendigen toestand der kerk, naar de gebouwen en naar de finantiën instellen? In de Roomsche kerk wordt bij de visitatie een onderzoek ingesteld naar de kerkelijke gebouwen, het kerkelijk vermogen, de kerkelijke gereedschappen, de kerkelijke ambtsbediening en den levenswandel der geestelijken en der leeken 1). In de Luthersche kerk ligt het zwaartepunt op de geestelijke zijde. Zij mag naar Luthers woord niet zijn een onderzoeking (inquisitie), maar een „bezoek”, en daarom zijn de innerlijke aangelegenheden der gemeente in ’t bijzonder de voorwerpen van het onderzoek. Evenwel wordt ook een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar den uiterlijken toestand der gemeente en in verband hiermede naar het beheer der goederen van de kerk en de armen. Daarom moeten de boeken en de bescheiden der finantiëele administratie, de doop-, huwelijks-, begrafenis- en ledenboeken, benevens de protocollen des kerkeraads aanwezig zijn 2). In de Gereformeerde kerken in ons land werd in de eerste jaren na de Reformatie, mede onder invloed der Duitsche


1) Vering, Kirchenrecht, 1881, S. 568.
2) Friedberg, Lehrbuch des Kath. u. ev. Kirchenrechts, 1903, S. 322; K. Köhler, Lehrb. d. deutsch. ev. Kirchenrechts, 1895, S. 203.

|184|

toestanden en van de verhouding van kerk en overheid, veelal ook het toezicht op de gebouwen en de uitwendige zaken der kerk tot de taak der visitatoren gerekend. De kerkvisitatoren boden de rentmeesters en de beheerders der goederen de helpende hand. Na de reductie van Groningen werd aan Doede van Amsweer door de Gedeputeerden van Groningen opgedragen „te visiteeren ende besoecken de kercken, kerckenhuysen, pastoorijen ende schoolen, opdat de jonge jeughet van de straten geholden, mitsgaders de uyterlijcke gebouden, ende steenen huijsen tot bedieninghe des predighampts ende schooldiensts onderholden worden, vermanende over sulcxs den Pastooren, ende kerkvoochden heures Officii” 1). Voetius wil de zorg voor de kerkgebouwen overlaten aan degenen aan wie zij opgedragen is, aan de vertegenwoordigers van de overheid en de kerkmeesters. Toch moeten — meent hij — de visitatoren hun oog niet sluiten voor den toestand, waarin de kerkelijke gebouwen en de andere zaken voor den eeredienst noodig zich bevinden, en of er nog verkeerde Roomsche vormen en gebruiken heerschen 2). De visitatoren moeten echter in den regel geen onderzoek instellen naar de kerkegoederen, wijl de zorg daarvoor bij de overheid berust, maar de pastorie- en diaconiegoederen behooren wel tot hun gebied. De toestanden zijn sedert Voetius zeer veranderd. Naar de Roomsche ergernissen behoeft men in de Gereformeerde kerken van thans geen onderzoek meer te doen. Wel ligt de ondervraging naar den toestand der kerkelijke gebouwen niet geheel buiten de bevoegdheid der visitatoren, omdat deze ten nauwste samenhangen met het geestelijke welzijn van en den arbeid in de gemeente. Daarom ligt het voor de hand, dat ook de toestand van de gebouwen benoodigd voor den eeredienst en het onderwijs in de gemeente, de toestand van het archief, enz. een voorwerp van bespreking bij de kerkvisitatie kan zijn.

Het onderwijs op de scholen stond in de dagen der republiek onder het toezicht der kerk, en daarom was ook in Art. 44 der K.O. opgenomen, dat bij de visitatie zou worden gevraagd, of ook de schoolmeesters getrouw hun ambt waarnemen. Het kerkelijk karakter der scholen is thans bij de Gereformeerden in Nederland over het algemeen weggevallen. In andere Gereformeerde kerken, zooals in Hongarije, blijft het nog de regel, dat de kerk zorgt voor het stichten en onderhouden der scholen. Doch in de Nederlandsche Gereformeerde kerken wordt algemeen erkend, dat dit op den weg der ouders ligt. Doch omdat de ouders als leden der kerk bij den doop hunner kinderen beloofd hebben,


1) Romein, De Hervormde predikanten in Drenthe; Offerhaus, De rechtstoestand
van Kerkel. goederen bij de Hervormden; Staats Evers, Johannes Fontanus. Nijhof, Inventaris van het oud-archief te Arnhem, bl. 328, 363.
2)  Voetius, Pol. Eccl. IV. 100.

|185|

hunne kinderen in de leer der kerk te onderwijzen en te doen onderwijzen, en het onderwijs op school van zoo ingrijpende beteekenis is voor de kerk, is het toezicht op het christelijk karakter van het onderwijs noodig. Om die reden ligt het op den weg van de kerkvisitatoren te informeeren of er voor alle ouders gelegenheid is hunne kinderen naar eene christelijke school te zenden, of alle ouders trouw gebruik maken van dat onderwijs voor hunne kinderen, en of de kerkeraad de ontrouwen aan hunne roeping herinnert.

Moeten de protocollen des kerkeraads, de boeken der leden en der finantiëele administratie bij de visitatie ter tafel liggen? In de Ned. Hervormde kerk werd in 1816, toen een nieuwe organisatie werd ingevoerd, een nieuw reglement op de kerkvisitatie opgesteld, dat, in 1823 ingevoerd, in 1859 door een nieuw reglement werd vervangen. Dit reglement is een echt product van het collegialistisch kerkrecht. Volgens art. 7 van dit reglement stellen de kerkvisitatoren een onderzoek in a naar de uitwendige belangen van de gemeenten, en wel naar het zielental, het kerkeraadsarchief, de doop-, trouw- en lidmatenboeken, de boeken bevattende de administratie der kerke- en armengoederen, de leggers van het predikantstractement, de kosterij- en pastoriegoederen, den toestand der kerkelijke gebouwen, de verzekering van de gebouwen tegen brandschade, enz.; b naar de inwendige belangen der gemeenten: godsdienstoefeningen, huisbezoek en de kerkelijke statistiek; c naar het godsdienstonderwijs; d naar den kerkeraad en naar het kiescollege. Art. 8 van het reglement luidt: „Kerkvisitatoren plaatsen hun visum op zulke boeken en bescheiden als daarvoor vatbaar zijn, wanneer zij die in orde bevonden hebben”.

Deze hiërarchische zuurdeesem heeft nagewerkt in de Gereformeerde kerken, waar de gewoonte heerscht, dat de kerkvisitatoren na gedaan huisbezoek in het notulenboek des kerkeraads aanteekening maken van het resultaat van hun onderzoek, en dit met hun handteekening bekrachtigen. Deze wijze van handelen is ontleend aan het Saksische visitatieboek van 1528. In zulk een overheidsreglement, waar alles nauwkeurig vanwege de centrale regeering moet worden gecontroleerd, is zulk een bepaling op haar plaats, maar in het kerkelijk leven is zij eenigszins bedenkelijk. Zelfs is het niet geheel zonder bezwaar wanneer in een visitatiereglement bepaald wordt, dat alle finantiëele boeken, ledenboeken en notulen ter tafel moeten zijn. In bepaalde gevallen, wanneer er klachten gerezen zijn over het beheer, of bezwaren zijn ingebracht tegen eene tuchthandeling, of er in den boezem des kerkeraads moeilijkheden zijn ontstaan, en de meerdere vergadering deze zaken in onderzoek heeft, is inzage der boeken noodig. Maar als regel moet gelden, dat de classis niet moet indringen in het beheer des kerkeraads.

|186|

Het toezicht op de finantiën der plaatselijke kerk vloeit niet voort uit het kerkverband. Het zal in den regel wel geen bezwaar opleveren, dat de visitatoren de kerkelijke boeken even inzien, maar het is niet goed te keuren, dat zij daaruit allerlei aanteekeningen maken, en daarvan aan de classis mededeeling doen. Immers het hoofddoel van de visitatie wordt zoo licht uit het oog verloren, en zoo licht treden de visitatoren in de rechten des kerkeraads. Het argument, dat de kerkvisitatoren bij het onderzoek wel eens goede opmerkingen omtrent de rechte wijze van boekhouding en administratie kunnen maken, is niet zeer doeltreffend, omdat de predikanten niet de aangewezen administrateurs zijn. Wil een kerkeraad een goede wijze van administratie, dan late hij zich voorlichten door mannen van het vak.

Moet in gewone gevallen het notulenboek ter visie worden gelegd? Naar ons oordeel moet dit niet worden gedaan. De notulen bevatten de handelingen des kerkeraads, waarin over allerlei intieme en teedere kwesties wordt gesproken, waarvan buiten den kring des kerkeraads niet mag worden gesproken. Voetius 1) zegt: „Aan hen, die buiten staan, of aan leden van andere kerken of ook aan leden van dezelfde kerk kan in het algemeen de lezing der notulen des kerkeraads niet worden toegestaan. Wel echter aan leden van hetzelfde consistorie, die zelf de besluiten hebben gemaakt en de acta hebben vastgesteld. Indien het evenwel in een of ander geval billijk is, dat aan iemand wordt toegestaan een extract uit de notulen te maken, dan moet dit niet geschieden dan met voorafgaande toestemming van de geheele vergadering, aan welke de acta toebehooren.”

Zelfs mag naar het oordeel van Voetius het notulenboek niet aan den rechter bij het onderzoek naar een bepaalde kwestie worden overhandigd, omdat de zielszorg een vertrouwelijke zaak is en de predikant of de kerkeraad op die wijze de rol van den rechter van instructie zou vervullen. Voetius schreef: „Indien in de kerkeraadsacten opgeteekend stond, dat iemand wegens een val, eerst ernstig bestraft, vervolgens met de straf van afhouding of suspensie (censuur) voor eenigen tijd tot het Avondmaal niet was toegelaten, doch hij later door erkentenis van zijne schuld en belofte van beterschap met de kerk verzoend en tot het gebruik des Avondmaals was toegelaten”; of in een ander geval: „Indien eenig lid der kerk, hetzij een catechumeen of een tot het Avondmaal toegelaten lid door dronkenschap of door drift ontstoken binnen besloten muren beproefd had vader en moeder met getrokken mes te dooden, of hen door slagen had mishandeld, en hij tot inkeer gekomen en ernstig door den bijgekomen predikant bestraft zijn schuld had beweend en voor


1) Pol. Eccl. IV. 280.

|187|

God en de ouders niet zonder overvloedige tranen nederig vergeving had gevraagd”; dan zou een predikant niet verplicht zijn mede te deelen aan den wereldlijken rechter wat de zondaar in de bitterheid van zijn berouw heeft bekend. Eveneens — zegt Voetius — zou ik oordeelen „over de overgave van het boek der handelingen des kerkeraads, opdat de onderzoekers en de rechters door de lezing van dat boek zouden komen tot kennis van het bedreven kwaad.” Het biechtgeheim blijve een geheim. De kerkeraad behoort datgene wat hem in tuchtzaken medegedeeld wordt als vertrouwelijk te bewaren. De liefde tot het behoud des zondaars, en de zorg voor den goeden naam des zondaars in het publieke leven mag nooit uit het oog verloren worden.

Ook de kerkvisitatoren mogen niet noodeloos indringen in datgene wat des kerkeraads is. Wel vertegenwoordigen zij eene meerdere vergadering, maar het kerkverband vernietigt de vrijheid en de zelfstandigheid des kerkeraads niet. In bijzondere gevallen evenwel, wanneer er een rechtmatige grond van twijfel is gerezen of de notulen wel in orde zijn, wanneer eene aanklacht door een lid des kerkeraads of der gemeente bij de classis of bij de visitatoren is ingekomen, dat de voorgevallen zaken niet naar behooren zijn opgeteekend, of wanneer de meerdere vergadering in een zaak van appèl geroepen wordt uitspraak te doen, dan kan, krachtens het kerkverband, inzage van het notulenboek in de betrokken kwestie niet worden geweigerd.

Bouwman, H. (1934) § 74

Hoofdstuk V. De synode.

 

§ 74. Het ontstaan der synoden.

Onder synoden verstaat men vergaderingen van vertegenwoordigers der kerk, om te beraadslagen en te besluiten over kerkelijke aangelegenheden. Het woord synode is afgeleid van het Grieksche woord synodos, dat beteekent samenkomst, een vergadering, die samenkomt om te beraadslagen, een samentreffen in vriendschappelijken of vijandigen zin. In kerkelijken zin is het woord synode geworden de naam van een publieke en wettige kerkelijke vergadering, waarin afgevaardigden van kerken in eene bepaalde provincie of land (of in sommige gevallen van verschillende landen) samenkomen, om in den naam des Heeren, naar Gods Woord, die dingen te behandelen, welke betrekking hebben op het gemeene welzijn der kerken, en die op de mindere vergaderingen niet

|188|

konden worden afgehandeld, voornamelijk wanneer het betreft de zuiverheid der geloofswaarheid en den gemeenschappelijken arbeid der kerken voor de komst van Gods koninkrijk.

Over den oorsprong der synoden zijn de gevoelens verdeeld. Sohm meent, en in navolging van hem ook Prof. Bavinck, dat de synode haar primitiefsten vorm heeft in eene gemeentevergadering, die voor de verkiezing van den bisschop den steun van naburige gemeenten noodig had. Maar wijl reeds in den alleroudsten tijd de kerken behoefte gevoelden elkander over geheel andere zaken te raadplegen, zooals duidelijk wordt aangetoond door het Apostelconvent te Jeruzalem (Hand. 15) en door de zending van gezanten van uit Rome om de twist in Corinthe bij te leggen (1 Clemens 63), zoo zal het gevoelen, in den laatsten tijd verdedigd door uitnemende kenners der geschiedenis van het kerkrecht: Hinschius, Hauck en Friedberg, wel het juiste zijn, namelijk dat de synoden zijn voortgekomen uit de natuurlijke behoefte van de gemeenten en van hare voorgangers om over moeilijke vragen met elkander samen te spreken.

De oorsprong der synode is te zoeken in de bewustheid van de eenheid der gemeente in Christus. De geloovigen zijn allen leden van de ééne algemeene christelijke kerk, en zijn geroepen hunne gaven ten nutte en ter zaligheid van andere geloovigen gewillig en met vreugde aan te wenden. Elke plaatselijke kerk is zelfstandig en heeft het recht orde en regel te stellen voor eigen gemeente. Maar wijl de kerken één zijn in Christus, haar Hoofd en Koning, zijn zij ook gehouden, in onderwerping aan ’s Heeren Woord de eenheid des geloofs met andere kerken te zoeken en te bewaren, en naar de orde door haar gemeenschappelijk gesteld mede te werken tot de handhaving van het recht Gods, tot verdieping en verbreiding van de kennis Gods en den opbouw van de gemeente.

Het lag in den aard der zaak, dat in de verschillende gemeenten de behoefte openbaar werd om in bijzondere en moeilijke gevallen met elkander samen te spreken. Het eerste voorbeeld daarvan komt voor in Hand. 15. In Antiochië waren moeilijkheden gerezen naar aanleiding van de vraag of de heiden-christenen konden zalig worden zonder de besnijdenis. Daarom zond de gemeente van Antiochië Paulus en Barnabas en eenige andere broeders naar Jeruzalem, om daar met de Apostelen en de ouderlingen te spreken en te handelen over dit geschil (vs. 2). Uit de woorden, die hier gebruikt worden n.l. etaksan anabainein, welke beteekenen: „Zij bepaalden of gelastten dat zij zouden opgaan,” blijkt duidelijk, dat zij afgevaardigd werden om met de Apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem te besluiten wat moest gedaan worden. In deze vergadering rees verschil, maar toen Petrus en Jacobus opstonden ten

|189|

gunste van de heiden-christenen, kon er een besluit genomen worden, dat door Judas en Silas, profeten van de Jeruzalemsche gemeente in gezelschap van de afgevaardigden van Antiochië, werd overgebracht aan de kerken te Antiochië, en in Syrië en in Cilicië, n.l. dit besluit: „Het heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht ulieden geenen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen, namelijk dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte en van hoererij; van welke dingen, indien gij u zelve wacht, zoo zult gij wel doen” (15: 28). De vergadering te Jeruzalem was overtuigd, dat dit de wil des Heeren was, dat de Geest van God hen geleid had om dit besluit te nemen, zoodat hun besluit als een de gemeente bindend besluit, een dogma (16: 4), kon worden gekwalificeerd.

Ook blijkt uit Hand. 15: 12, 22, 23, 25; 16: 4 en 21: 18, 25, dat de afgevaardigden van Antiochië medewerkten aan genoemd besluit. Zij volgden niet alleen het oordeel van de Apostelen, maar werkten zelf mee tot het vormen van dat oordeel, gelijk Paulus duidelijk zegt 18: 25: „Doch van de heidenen die gelooven hebben wij geschreven en goedgevonden dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte en van hoererij.”

Het is dus niet tegen te spreken, gelijk ook de christelijke theologen van ouds hebben erkend, dat wij hier te doen hebben met een beginsel van een synode. Verschil is er evenwel of de synoden volgens goddelijk of kerkelijk recht zijn ingesteld. De Roomsch-Katholieke kerk is van oordeel, dat de H. Geest in de bisschoppen werkt en de kerkvergaderingen regeert 1). Maar de Gereformeerden spreken liever van een goddelijk recht, waarop een synode berust, omdat aan de Apostelen was opgedragen, verordeningen voor de geheele gemeente te geven in naam des Heeren. Zoo spreekt ook Voetius 2): „Het positief goddelijk recht der meerdere vergaderingen blijkt uit de praktijk en het voorbeeld der apostolische regeering in Hand. 15, welk voorbeeld door den H. Geest is goedgekeurd en daarmede ons ter navolging is voorgeschreven, waarmede dan ook alle christelijke theologen het wettig gebruik en het gezag der synoden plegen te bewijzen. Voeg hierbij 2 Cor. 8: 1, 4, 19 met Rom. 15: 26, waar de overeenstemming der kerken, de gemeenschap in één raad, besluit en bevel, hetzij door brieven, hetzij door gezanten, hetzij door een synode of een samenkomst duidelijk wordt aangetoond.” En Turretinus 3) merkt naar aanleiding van Hand. 15 zelfs op, dat


1) Hefele, Conciliëngeschichte I, S. 2.
2) Pol. Eccl. IV. 129.
3) Franc. Turretinus, Inst. Theol. III. 343; P. van Mastricht, Besch. en Prakt. Godgeleerdheit III. 544.

|190|

„hoewel de apostelen, omdat ze onfeilbaar waren, wel alleen over hun geschil uitspraak hadden kunnen doen, ze toch een soort synode hebben samengeroepen, om door dit voorbeeld onder de leiding des Heiligen Geestes de orde voor te schrijven, die steeds na hun dood in de kerk van kracht zou blijven.” Het recht om eene synode te houden berust op de goddelijke inzetting. God heeft de kerken en de geloovigen aan elkander verbonden door de eenheid, die in Christus is, en hun den drang ingeplant om elkander met raad en steun te dienen. Hierop berust het recht der kerken om zoo noodig eene synode saam te roepen.

Zooals wij vroeger gezien hebben, is de organisatie der Gereformeerde kerken gegroeid. Voor het eerst kwamen de Fransch-Gereformeerde kerken in 1559 ter synode samen te Parijs. Op deze wijze werd het Independentisme voorkomen, en de eenheid der kerken in het kerkverband gehandhaafd, zonder in hiërarchie te vervallen. Men was het eens in deze beginselen: Alle kerkelijke macht berust bij de kerken zelve, onder Christus het eenige hoofd, en wordt plaatselijk uitgeoefend door den kerkeraad, terwijl deze kerken samen voor bepaalde zaken haar macht samenbrengen op de synode. Merkwaardig is, dat de Particuliere en de Generale Synode tegelijk werden ingevoerd, en werd bepaald dat de provinciale synode geregeld om het half jaar gehouden zou worden, en de Generale Synode, zoo dikwerf zij noodig bleek. De provinciale synode moest beslissen in gevallen van kerkelijke tucht, wanneer men van den kerkeraad in hooger beroep was gekomen, of wanneer er bezwaren tegen den kerkeraad waren ingebracht, b.v. in zake verkiezing of afzetting van een predikant, terwijl de provinciale synode ook een predikant, die ter oorzake van vervolging of anderszins zijn werk niet kan voortzetten, kan verzetten. De taak van de Generale Synode wordt in de Kerkenordening niet omschreven, maar zij verrichtte in hare latere samenkomsten alleen arbeid, die voor het welzijn van de gezamenlijke kerken noodig was, vooral in zaken van leer, tucht en orde. Karakteristiek voor deze Fransche synoden was, dat zij waren samengesteld uit predikanten en leden der gemeente, welke laatsten steeds waren ouderlingen of diakenen. De kerkeraden zonden hunne afgevaardigden naar de provinciale synode, en deze vaardigde uit haar midden af naar de Generale Synode. Van eene classisregeling was in de eerste jaren geen sprake. Deze werd voor Frankrijk eerst ingevoerd nadat in de synode der Nederlandsche kerken te Emden tot eene classisindeeling was besloten.

Dit voorbeeld der Fransche kerken moest wel de Nederlandsche kerken tot navolging dringen. De kerken onder het kruis hielden zoowel in de Zuidelijke Nederlanden als in het land van Gulik, Kleef en Aken sedert 1563 hare particuliere synoden. En nadat in 1568 te Wezel

|191|

afgevaardigden van onderscheidene Nederlandsche kerken waren samengekomen tot een convent, ter voorbereiding eener algemeene synode, werd in 1571 te Emden eene synode gehouden, waar een regeling werd gemaakt voor het geheele kerkelijke leven, voor de ambtelijke bedieningen, voor de meerdere vergaderingen, voor de kerkelijke ceremoniën en voor de orde en tucht. Ten opzichte van het kerkverband werden de volgende regelingen getroffen. Behalve de plaatselijke consistoriën zouden er zijn: classicale en synodale vergaderingen, welke laatste werden ingedeeld in provinciale en generale. Elke drie of zes maanden zouden enkele plaatselijke kerken samenkomen in de vergadering der classis, ieder jaar de gemeenten van eene provincie tot eene provinciale synode, met het oog waarop de kerken in drie provinciën werden ingedeeld n.l.: 1° die van Duitschland en Oost-Friesland, 2° die in Nederland leefden onder het Kruis en 3° de kerken in Engeland. Het kerkverband behoort organisch te werken. In eene meerdere vergadering mag slechts behandeld worden wat in eene mindere niet kon worden afgehandeld, terwijl bepaald werd, dat de meerdere vergaderingen geen macht hebben in zich zelve, maar hare macht ontleenen aan de mindere vergaderingen, omdat de plaatselijke kerken organisch hare macht hebben samengebracht door wettelijke afvaardiging naar de meerdere vergaderingen, om naar Gods Woord en de aangenomen kerkorde de gemeenschappelijke belangen te behandelen, en te waken dat het in het kerkelijke leven in alles toegaat naar den Woorde Gods en het Koningschap van Christus worde geëerbiedigd.

De besluiten van Emden werden op de latere synoden naar de behoeften des tijds verder uitgebreid, en in 1581, 1586 en 1619 werd de kerkenordening in zulk een vorm gebracht, zooals zij in hoofdzaak voor de Gereformeerde Kerken nog bestaat.

Bouwman, H. (1934) § 75

§ 75. De provinciale synode.

De synoden worden onderscheiden in provinciale of particuliere en Generale of Nationale synoden. Over beide zullen wij afzonderlijk handelen.

De particuliere synode is, in overeenstemming met het karakter van eene meerdere vergadering, eene vergadering van onderscheidene genabuurde classen. Reeds te Emden werd besloten (c. II, art. 7): „Uit elke classis zullen gezonden worden twee dienaars, met zooveel ouderlingen of diakenen, of immers een dienaar met een ouderling of diaken.” Wijl de grenzen van de particuliere synoden meestal samenvielen met de provinciale grenzen, sprak men veelal van provinciale synoden.

|192|

Behalve in Holland kwamen die „particuliere” ressorten ongeveer overeen met het gebied der provinciën. Vandaar dat bijna altoos gesproken werd van de provinciale synode, wanneer de tusschenvergadering tusschen de classis en de Generale Synode bedoeld werd. En ook in Holland kon zonder vrees voor misverstand deze naam gebruikt worden, omdat de twee particuliere synoden, daar gebruikelijk, overeenkwamen met de politieke verdeeling. Als uitzondering was door de Nationale synode van Middelburg in 1581 toegestaan, dat de synoden Particulier van eene provincie extraordinair mogen samenkomen „om vande ghemeene saken der Prouincie met elcanderen te spreken, zonder preiudicie vande Ordinaire ’t samencomsten” 1). In Drenthe (dat volgens de kerkelijke indeeling der synoden van 1578 en 1581 als een afzonderlijke classis bij Overijsel gerekend werd, maar dat later, sedert 1598, nauw aan Groningen werd verbonden) 2) werd een tijdlang gesproken van een classis generalis, voordat de Drentsche kerken verwaardigd werden, in 1608, om een eigen provinciale synode te hebben.

Omdat de kerkelijke en de politieke grenzen ongeveer samenvielen, werden de namen particuliere en provinciale synode beide en soms door elkander gebruikt. De Synopsis 3) gebruikt de benaming provinciale synode als de vergadering der kerken eener geheele provincie. Ook Voetius 4) noemt de particuliere synoden met den naam provinciale, terwijl B. de Moor 5) zoozeer toegeeft aan de gewone wijze van spreken, dat hij de twee particuliere synoden van Holland noemt provinciale synoden. De practijk van het kerkelijke leven drong aan deze vergade­ring als van zelf den provincialen stempel op, zooals de considerans voor de verdeeling der Geldersche kerken luidt 6): „dat gelijck die provincie Gelderlandt in vier theilen bestaet, alsoo oock in vier classen die kirchen gedeilt werden.” De kerkenordeningen spreken evenwel sedert 1578 steeds van particuliere synoden, gelijk dan ook Art. 47 der Dordtsche kerkenordening van 1618/19 luidt: „Alle jaren (ten ware dat de nood eenen korteren tijd vereischte) zullen eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde provincie behoorende, genabuurde classen samenkomen, tot welke particuliere synode uit iedere classis twee dienaars en twee ouderlingen afgevaardigd zullen worden.”

Leden eener particuliere synode zijn dus de classes, of de afgevaardigden van de classes. Daarom beginnen de werkzaamheden op de synode


1) Acta, ed. Rutgers, bl. 452.
2) Reitsma en Van Veen, VIII, bl. V.
3) ed. Bavinck, bl. 592.
4) Pol. Eccl. III. 193.
5) Comm. VI. 441.
6) Reitsma en Van Veen, Acta IV, bl. 12.

|193|

met het onderzoeken der geloofsbrieven. In bijzondere gevallen, zooals dit met de afgevaardigden der classis Walcheren het geval was, legden de afgevaardigden op de Provinciale synode van Dordrecht (1574) een algemeenen lastbrief over van de classis, en velen daarnaast ook nog een geloofsbrief van eigen kerk 1). Algemeen werd en wordt nog erkend, dat leden der particuliere synode zijn de classes, maar wel was er hier en daar verschil over de vraag: welke personen moeten worden afgevaardigd naar de synode. Als regel gold, dat een gelijk aantal predikanten en ouderlingen werd afgevaardigd.

In Friesland had men een bijzonderen regel voor de afvaardiging. De zes classes zonden als afgevaardigden ieder twee predikanten en twee ouderlingen. Voorts hadden vrijen toegang alle predikanten, en, na bekomen verlof, lidmaten en liefhebbers der Gereformeerde religie. Beslissende stem hadden alleen de afgevaardigden der classes; de commissarissen-politiek, die ten getale van twee ook tegenwoordig waren, hadden het recht van veto. De niet afgevaardigde predikanten mochten op eigen kosten en alleen met adviseerende stem ter synode verschijnen. De praeses moest de stemmen dier adviseerende predikanten „pondereeren en niet numereeren, opdat de meeste stemmen de besten niet overwinnen, en de deputaten naar het besluit der nationale synoden hun authoriteit behouden.”

In de dagen der republiek was het vergaderen eener synode een gewichtig feit. Daar de reisgelegenheid in die dagen primitief was en de synode in den regel meer dan een dag, soms vier à vijf dagen duurde, was het reizen ter synode een gebeurtenis. Voor de onkosten, die de leden moesten maken, werd hun een bepaald bedrag door de Staten toegekend. Naar oud gebruik namen de leden hun intrek bij de notabele leden der kerk, waarvoor de pastores loci de noodige maatregelen moesten nemen. Op den dag van de opening der synode begaven zich de afgevaardigden, gewoonlijk gevolgd door eene breede schare nieuwsgierigen, onder klokgelui naar de hoofdkerk, waar zij door den oudsten pastor loci met een toespraak werden verwelkomd, en waar de vergadering met gebed werd geopend. Daarna namen de werkzaamheden een aanvang. Elke zitting werd aangekondigd door „het trekken der klok.” Van het behandelde werd door den scriba aanteekening gehouden, die het opgeteekende in de volgende zitting voorlas ter vaststelling.

Het aantal classes was in de verschillende provinciën nog al varieerend. Gelderland had 9 classes, 6 provinciale classes en 3 Generaliteitsclasses, die aan de Geldersche synode toegevoegd waren: 1º de classis van ’s Hertogenbosch, 2º die van Peel en Kempenland en 3º van


1) Rutgers, Acta, bl. 212.

|194|

Maastricht en de landen van Over-Maas. Zuid-Holland had 11 classes, namelijk 9 classes in de provincie en twee andere classes: de classis van Buuren, bevattende de domeinen van het Oranjehuis, de graafschappen Buuren, Leerdam en Kuilenburg, terwijl de tweede classis Staats-Brabant, met de Baronie van Breda als centrum, omvatte. Bovendien was een deel van Noord-Brabant bij andere Zuid-Hollandsche classes gevoegd: het land van Heusden bij de classis Gorinchem en het land bezuiden de Biesbosch, van Willemstad tot Sprang en Dussen bij de classis Dordrecht. Van de andere provinciën had Groningen 7, Friesland 6, Noord-Holland 6, Zeeland 4, Utrecht 3, Overijsel 4 en Drente 3 classes. Bij Zeeland waren nog enkele gemeenten gevoegd uit Staats-Brabant bij de classis Tholen, en bij Zuid-Beveland enkele gemeenten uit Staats-Vlaanderen ten Oosten, en bij Walcheren Staats-Vlaanderen-West 1).

De regel, op de synode van Emden gesteld, dat twee predikanten en twee ouderlingen ter particuliere synode zouden worden gezonden, werd niet altoos trouw gevolgd. In de kerkenordening van Groningen 2) was zelfs bepaald, dat elke classis twee predikanten en één ouderling zou zenden ter synode. Als men de ledenlijsten in de Acta raadpleegt, dan blijkt dat herhaaldelijk het vereischte aantal niet tegenwoordig was. Ook blijkt, dat in den regel meer predikanten dan ouderlingen tegenwoordig waren, niet alleen in Gelderland en Overijsel, maar ook in Zuid-Holland. Zelfs wordt het geoorloofd geacht, dat de classes, wanneer er geen geschikte ouderling is, in zijn plaats een predikant zonden 3). De synode van Rotterdam (1586, art. 4) vermaande de classes „dat het volle ghetal der beschrevener dienaren ende ouderlingen op den synoden compareren ende by gebreecke van ouderlingen in plaatse van dienaren des woorts te senden.” Waaruit is dit te verklaren? Eenerzijds zal het vele ouderlingen moeilijk geweest zijn, hun burgerlijk beroep zoolang te verlaten. Zoo verontschuldigen zich op de synode van 1583 te Den Haag 4) eenige classes, dat zij elk slechts één ouderling gezonden hebben, omdat „de ouderlingen (als zijnde luijden, die haere neeringhe ende handtwercken moeten waernemen) tot deze commissie niet vaceren moghen.” Om die reden moest een predikant ter synode komen in plaats van een ouderling. Anderzijds was er ook wel eens een streven, het getal der ouderlingen te beperken, omdat men van oordeel was, dat zij niet de kennis van zaken bezaten, die een ouderling bezitten moest. De synode van Rotterdam,


1) Bachiene, Kerkel. Geographie I. 18; II. 4, 173; III. 4, 85; 123; IV. 2, 83.
2) Art. 19, Kerkenordening voor de Ommelanden van Groningen. Zie Brucherus, Gesch. v. d. vestiging, bl. 292; Hoojjer, Oude Kerkenordeningen, bl. 366.
3) Rotterdam 1586, Art. 4; 1587, Art. 3; Arnhem 1604, Art. 3; Harderwijk 1608,
Art. 2.
4) Reitsma en Van Veen, Acta II, bl. 218.

|195|

van 25 April 1581 1), besloot „overmits sware saecken in den synode generael te verhandelen sullen syn, ditmael uut te seynden drie dienaren der woorts ende eenen ouderling. Ende syn daertoe met gemeynen stem­men vercoren Arent Cornelissen, Eoeloff van Veldt ende Henrick de Corput, ende joncker Anthonis van Nyevelt, ouderling te Schoonhoven.” Misschien is zelfs een streven naar machtshoogheid bij de predikanten in sommige gevallen niet vreemd geweest. Evenwel werd het afvaardigen van een predikant in plaats van een ouderling wel getolereerd, doch niet goedgekeurd. De particuliere synode van Haarlem (1606, Art. 6) gaf in geval van nood hiertoe vrijheid, terwijl de particuliere synode van Zutphen (1620, Art. 5) uitsprak, dat zulk een afvaardiging „alhoewel strijt tegens welberaemde acta Synodi, nochtans voor dese reyse getolereert wert.” In Zuid-Holland werd het de gewoonte om drie predikanten en een ouderling ter synode te zenden. De kerken wilden dus den regel door de Generale Synoden gesteld handhaven.

In onze Gereformeerde kerken van thans is men tot den goeden ouden regel wedergekeerd. Evenwel heeft de synode van Utrecht (1905) terwille van de practijk van het kerkelijk leven Art. 47 der bestaande Kerkenordening aangevuld met deze woorden: „welk getal door een synode, die slechts uit drie of vier classen bestaat, ook op drie kan gesteld worden.” De reden voor deze wijziging is geweest de overtuiging, dat eene vergadering uit zooveel leden moet bestaan, dat zij werkelijk een vergadering is. In provinciën met 3 of 4 classes zou eene synodale vergadering met 3 of 4 maal 4 leden eene kleine vertegenwoordiging der kerken zijn, en daarom is het aan te bevelen 3 of 4 maal 6 personen tot de synode af te vaardigen.

Het ligt voor de hand, dat de lastbrieven worden gegeven door de vergadering, die de afgevaardigden mandateert. Op de synode van Dordrecht (1574) waren 25 afgevaardigden, van wie meer dan de helft door de kerkeraden met lastbrieven was afgevaardigd. Deze handelwijze was onregelmatig. In een noodgeval, wanneer de classes niet kunnen samenkomen, kunnen de kerken verzoeken, personen als afgevaardigden voor de synode aan te wijzen, maar als regel moet gelden, dat de classis aan hare afgevaardigden een geloofsbrief, onderteekend door haren voorzitter en scriba, ter hand stelt.

Voorts is afvaardiging bij toerbeurt niet aan te bevelen. Kan dit wel in een kerkeraad bij de afvaardiging naar de classis, wijl daar alle kerken hare afgevaardigden zenden, op eene synode komen de kerken samen door een klein deel harer mannen, en daarom moeten daarheen de meest bekwame en geschikte mannen worden gedeputeerd.


1) Reitsma, Acta II, bl. 195.

|196|

In de Gereformeerde kerken tijdens de republiek heerschte omtrent deze zaak verschil van gevoelen. Was in Friesland de regel, dat niet tweemaal achtereen dezelfde persoon gecommitteerd werd 1), een bepaling strekkende tot wering van hiërarchische inkruipsels, met het nevendoel, opdat alle personen zouden leeren, in Zeeland werd uitdrukkelijk gezegd ten jare 1602 2), dat de classes de zoodanigen zullen afvaardigen, „die se achten sullen de bequaemste te zyn”, terwijl in Holland den classes wel vrijgelaten werd te kiezen wie ze wilden (1590), maar tevens duidelijk werd uitgesproken dat het wenschelijk is, dat enkelen uit de vorige vergadering aanwezig waren om zoo noodig eene historische toelichting te geven over te voren genomen besluiten 3). De bekende Arnoldus Cornelii drong er in een zijner brieven op aan, dat toch altoos eene verkiezing van afgevaardigden ter synode zou plaats vinden, en niet de toerbeurt regeere. Op eene synode, waar gewichtige zaken behandeld worden, behooren de meest bekwame mannen zitting te hebben.


1) Reitsma en Van Veen, Acta VI, bl. 96.
2) Reitsma en Van Veen, Acta V, bl. 53.
3) Reitsma en Van Veen, Acta II, bl. 379.

Bouwman, H. (1934) § 76

§ 76. De Generale Synode (I). Haar naam en tijd van samenkomst.

De breedste vergadering van de Gereformeerde kerken is de Generale of Nationale Synode. Deze dubbele naam geeft aanleiding om den aard dezer bijeenkomst nader te ontleden.

Generaal in den volsten zin des woords zou alleen zulk een synode kunnen heeten, waarin de geheele georganiseerde christenheid zich vertoont. Zoo definieert ook Hefele 4) en andere Roomsche en Grieksch-Katholieke geleerden het begrip „algemeen concilie” als de vergadering van bisschoppen en andere vertegenwoordigers van alle christelijke provinciën. Doch in dezen zin kan van een generale synode niet meer worden gesproken, dewijl de christelijke kerk reeds in de Middeleeuwen uiteenviel in twee groote deelen: de Oostersche en de Westersche Kerk, en daarnaast nog vele andere kleinere of grootere kerken of secten zich organiseerden. En sedert met de Reformatie der zestiende eeuw vele kerken den band met het pausdom verbraken, trad er niet alleen een scheiding in tusschen Gereformeerden en Lutherschen, maar vormden zich in de verschillende landen zelfstandige kerken, zoodat er sinds de Hervorming geen Generale Synode in den zin van oecumenische synode


4) Conciliengeschichte I, S. 3.

|197|

is gehouden, hoewel vergaderingen, waar kerken van meer dan eene natie bijeen waren, niet ontbreken.

Een Generale Synode, waarheen de kerken van ééne belijdenis — waar ter wereld ook — hare afgevaardigden hadden gezonden, is het ideaal van de Gereformeerde kerken geweest. Zij beschouwden de kerk niet beperkt tot één land en één volk, maar zij hebben steeds bedoeld de zuiverste en de edelste openbaring van de bruid Christi op aarde te wezen. Calvijn heeft op grond van de H. Schrift de eenheid der kerk zoo sterk geaccentueerd, allereerst omdat de geloovigen in Christus één lichaam zijn, en voorts omdat zij, door eenzelfden geest Gods levendgemaakt, tot eenzelfde erfenis des eeuwigen levens, en tot de gemeenschap der heiligen geroepen zijn. En onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis zegt (Art. 27): „Ook mede is deze heilige kerk niet gelegen, gebonden of bepaald in eene zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; nochtans tezamengevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in eenzelfden Geest, door de kracht des geloofs.” Uit kracht van deze belijdenis konden de Gereformeerden niet anders dan trachten overal de beginselen, die zij de ware achtten, te verbreiden, en de eenheid te zoeken van al de Gereformeerde belijders. Vandaar ook de rustelooze pogingen van Calvijn, à Lasco en anderen om één grooten rijksdag van het koninkrijk Gods op aarde samen te roepen. Vandaar ook dat de kerken behoefte gevoelden, om elkander hare belijdenissen mede te deelen en te onderteekenen. In 1581 is er, volgens de Corte Memoriën 1), sprake geweest van de bijeenroeping van eene synodus oecumenica, maar zij kwam niet tot stand.

De Gereformeerden gingen uit van de gedachte, dat de kerk zich openbaarde overal waar het Woord Gods werd verkondigd en de dienst Gods werd geoefend. Omdat deze kerk niet in haar geheel gereformeerd was, kon zij niet overal de Gereformeerde kerk genoemd worden. Maar als in een land of in een deel des lands de kerk tot reformatie gekomen was, rustte men niet tot dat ook het licht der hervorming in andere landen was opgegaan. En zoo leefde als vanzelf bij de Gereformeerden als ideaal een gereformeerde kerk in alle landen, en eene Generale Synode van de kerken in heel de wereld. Maar toen men meer en meer het onbereikbare van dit ideaal begon in te zien, en de gedachte der landskerk al meer naar voren trad, werd het van lieverlede gewoonte 2) om wanneer men van eene Generale Synode sprak, de beteekenis van dat woord „generaal” te beperken, zoodat feitelijk „nationaal” en „generaal” promiscue werden gebruikt. Reeds in de dagen van de Emder


1) Rutgers, Acta, bl. 363.
2) Dr B. van Meer, De Synode van Emden, bl. 178.

|198|

synode werd generaal in den meer beperkten zin van nationaal gebruikt. Immers uit Cap. IV en Art. 9 van de Acta der synode blijkt, dat volgens het oordeel der broederen te Emden een Generale Synode was een algemeyne versamelinghe aller Nederlantsche kercken (conventus omnium Ecclesiarum Belgicarum). De afgevaardigden van de verschillende Nederlandsche gemeenten, die in Duitschland, Engeland en in de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden waren, zouden samen vormen de algemeene (generale) synode. En noemde men te Emden (1571, c. 4) en te Dordrecht (1574, vr. 24) zulk eene synode van de kerken der Nederlandsche natie generale synode, in Dordrecht (1578) en later sprak men van een generale of nationale synode. In den regel beteekent dan ook de uitdrukking generale synode in de oude kerkenordeningen hetzelfde als nationale synode. Doch wordt het woord nationaal gebruikt in tegenstelling met provinciaal, het woord generaal staat tegenover particulier.

Een nog breedere vergadering van kerken dan die van een bepaald land kon men na de Reformatie, in het bijzonder toen de kerken in een bepaald land op zich zelve waren aangewezen, en in den regel nauw verbonden waren aan de landsoverheid, niet bij elkander krijgen. Dit is ook niet zoo noodig, vooral wanneer er over en weder correspondentie gehouden wordt. De groote synode van Dordrecht heeft eenigermate het karakter gedragen van eene algemeene synode aller Gereformeerde kerken 1). Immers godgeleerden uit onderscheidene landen hebben deze synode bijgewoond, en hebben aan haar een bijzonderen luister bijgezet. Omdat op deze synode beslist zou worden over gewichtige leerkwesties, werden de Gereformeerde kerken in alle landen uitgenoodigd, afgevaardigden te zenden, en werd aan de buitenlandsche afgevaardigden in de leergeschillen niet alleen adviseerende, maar ook beslissende stem gegeven. Het was de bedoeling van de Staten bij die uitnoodiging, dat met de hulp der buitenlandsche theologen een uitspraak zou gedaan worden over de geschilpunten met de Remonstranten, maar niet opdat door hen mede een beslissing zou genomen worden over de verschillende gravamina, die uit den boezem der kerken naar de Generale Synode werden gezonden. „En zoo goed hebben de uitheemsche theologen dit zelf ingezien, dat toen de praeses, tijdens het wachten op de kornst der Remonstranten, vast enkele dezer gravamina ter tafel bracht, door hen, hoewel in beleefden vorm, werd te kennen gegeven, dat zij over die punten wel adviseeren wilden, maar dat de Nederlandsche afgevaar­digden alleen te beslissen hadden” 2). Het is dan ook geheel in de orde


1) Dr A. Kuyper, Revisie der revisielegende, bl. 121.
2) Dr H.H. Kuyper, Postacta, bl. 95.

|199|

geweest, dat, toen de zaak der Remonstranten veroordeeld was, de buitenlanders vertrokken, en de synode zich transformeerde in eene Nationale Synode.

Omtrent den tijd, wanneer een Nationale Synode moet worden gehouden, handelen de verschillende Gereformeerde kerken niet gelijk. De Presbyteriaansche kerken in Schotland en in Amerika, en de Gereformeerde kerken in Hongarije, Zevenbergen en Frankrijk vergaderen jaarlijks, de Chr. Gereformeerde kerk in Noord-Amerika vergadert om de twee jaren, terwijl in de Gereformeerde kerken in Nederland de be­paling geldt, dat de Nationale Synode in den regel om de drie jaren gehouden wordt (Art. 50). Te Wezel achtte men het wenschelijk, dat de synode jaarlijks (c. VIII. 19) bijeenkwam; te Emden (Art. 9) besloot men dat alle twee jaren eens eene algemeene verzameling van alle Nederlandsche kerken zou gehouden worden, terwijl in 1578 (c. II. 30) werd bepaald, dat „de Generale of Nationale Synode gewoonlijk alle drie jaren zal gehouden worden”. Dienovereenkomstig kwamen de kerken in 1581 in Generale Synode te Middelburg bijeen. De kerken konden evenwel voor het vervolg niet naar deze bepaling leven, omdat zij afhankelijk waren van de overheid. Eerst in 1586 gaf Leicester verlof tot het houden van eene Nationale Synode, en daarna konden de Nederlandsche kerken eerst in 1618 in Synode samenkomen, wijl de Staten geen verlof wilden geven. En na dien tijd ontvingen de Gereformeerde kerken tijdens de republiek nooit weder verlof van de Staten, omdat deze vreesden voor den invloed der kerken.

De geschiedenis van de Nationale Synoden in Nederland is dus verre van verheffend. De band, waarmede de Gereformeerde kerken aan de overheid gekoppeld waren, bleek een onnatuurlijke boei. De zucht om volkskerk te zijn heeft droeve gevolgen gehad. Sedert 1618 is in geen twee eeuwen weder eene Nationale Synode samengeroepen. In 1621 werd op de particuliere synode van Rotterdam (Art. 32) besloten, een verzoek te richten tot de H.M. Heeren Staten om consent voor het houden van eene Nationale Synode, maar de synodale classis van Dordrecht moest het volgende jaar op de synode van Gorinchem (Art. 10) rapporteeren, dat op hun verzoek aan de Staten „tot noch toe geen ander apostille gevolcht was, als dat de hoochgemelte heeren tselve hielden in bedencken”. Telken jare werd het verzoek herhaald, totdat de kerken moede werden langer bij de overheid aan te dringen en zich vergenoegden met hunne particuliere synoden en de correspondentie tusschen de particuliere synoden der onderscheidene gewesten.

Die correspondentie tusschen de verschillende provinciën was voor het kerkelijke leven van het hoogste gewicht. De kerk vond hierin een middel om aan het ontbreken van een Nationale Synode tegemoet te

|200|

komen. Over en weer werden door de particuliere synoden naar elkanders vergaderingen afgevaardigden gezonden. Deze correspondenten kregen soms de opdracht of het verzoek van de synode, waarop zij aanwezig waren, om in hunne synode een en ander aan de orde te stellen. Ook konden de correspondenten mededeelen wat op eigen synode over bepaalde onderwerpen geoordeeld of besloten was. Voorts deden zij verslag van de vergaderingen, die zij hadden bijgewoond. Zoo bleef er een band tusschen de kerken der verschillende provinciën, en werd de eenheid van handelen bevorderd. Ook zijn er bijeenkomsten van correspondenten der verschillende particuliere synoden gehouden, waarin onderwerpen, voor geheel de kerk van belang, werden besproken, doch waarin geen besluiten genomen werden. Maar deze vergaderingen hadden soms dit resultaat, dat zij aanleiding werden tot het doen van voorstellen op de verschillende particuliere synoden. Voor de kennis van het kerkelijke leven zijn daarom de particuliere synoden van zeer groot belang.

In de Gereformeerde kerken in Nederland wordt de regel gevolgd, door Art. 50 der kerkenordening aangegeven. In de Chr. Gereformeerde kerk heeft men een enkele maal om de twee jaren vergaderd, namelijk in 1875, 1877 en 1879, doch de synode van Dordrecht (1879, Art. 161) besloot tot den ouden regel terug te keeren, omdat „het prestige der Synode niet had gewonnen bij haar spoedigen terugkeer, en de ervaring ook aangaande den arbeid niet pleit voor het besluit om elke twee jaar te vergaderen”. Toch zijn er sedert bezwaren ingebracht tegen den regel. Er is gevraagd: Is de tijd tusschen de eene en de andere synode niet wat lang? Worden de werkzaamheden op de synode op deze wijze, met name voor de zending, niet wat opeengehoopt? Krijgen de deputaten der synode niet wat veel macht? Bovendien hebben de kerken in bijzondere gevallen geen mond om zich te uiten. Vele zaken kunnen in den tijd tusschen de eene en de andere synode niet worden afgehandeld, terwijl in allerlei kwesties, die aan de orde komen, de kerken zich niet kunnen uitspreken, en daardoor gevaar loopen zich te isoleeren en te vereenzamen.

Met het oog op deze bezwaren, die niet zonder beteekenis zijn, zou het overweging verdienen om telken jare of om de twee jaren een Generale Synode te houden. De bepaling in de kerkenordening, dat de algemeene synode in den regel om de drie jaren gehouden zal worden, is uit eene practische overweging te verklaren. De oude kerk volgde reeds den regel van jaarlijksche synoden. De beroemde synode van Hippo (393) bepaalde, dat jaarlijks den 23 Augustus een algemeen concilie voor de provincie Africa zou worden gehouden. Doch wijl er bezwaren rezen in latere jaren, omdat het voor vele bisschoppen moeilijk was jaarlijks een concilie te Carthago bij te wonen, besloot de elfde

|201|

synode van Carthago in 407, dat, wanneer het houden van eene synode telken jare voor de bisschoppen te lastig was, er slechts eene synode voor geheel Africa zou worden gehouden, wanneer dit noodig was 1). De regel was dus, dat jaarlijks eene algemeene synode zou gehouden worden. Maar terwille van allerlei bezwaren werd goedgevonden, de synode te houden, wanneer de behoefte gevoeld werd. Zoo spreekt ook Voetius 2). Hij spreekt van de wenschelijkheid om geregelde synoden jaarlijks in elke natie te houden. „Indien zij echter wegens bepaalde moeilijkheden jaarlijks niet kunnen gehouden worden, dat zij dan om het andere jaar of tenminste alle drie jaren worden gehouden, gelijk dit vastgesteld is in de nationale synoden der Nederlandsche kerken”. Wanneer er dus geen overwegende bezwaren waren, achtte Voetius het houden van een jaarlijksche algemeene synode aanbevelenswaardig. In de 16e eeuw, toen de bepaling van „alle drie jaren” werd vastgesteld, waren er metterdaad groote bezwaren tegen een jaarlijksche Generale Synode. De afstanden waren voor dien tijd in ons land, met het oog op de gebrekkige reisgelegenheden en de gevaren van den oorlog, groot. Voor vele predikanten en ouderlingen was het bezwaarlijk, zoo langen tijd van huis te zijn. En nadat het gevaar van de vervolgingen en van den oorlog voorbij was, mengde zich de overheid in de kerkelijke aangelegenheden, en zag er een gevaar in, dat de kerken zich als een macht in den staat te sterk organiseeren zouden.

Dr A. Kuyper was van oordeel, dat „het om de drie jaren synode houden in de meeste opzichten schadelijk is”. Het spaart tijd en geld. Immers een jaarlijksche synode zou licht binnen twee weken gereed zijn. De onkosten voor de synode zelve, voor de vergaderingen van deputaten ter voorbereiding van allerlei rapporten, voor drukwerk, enz. zou uitteraard voor een jaarlijksche synode geringer zijn, maar wanneer men de reiskosten en andere kosten bijeentelt, zou het telken jare houden eener synode aanmerkelijk duurder uitkomen dan een synode om de drie jaren. En wat de tijd aangaat zou een jaarlijksche synode, die een of twee weken bijeen was, ongetwijfeld — over drie achtereenvolgende jaren berekend — meer tijd kosten dan ééne synode in drie jaren. En het derde voordeel is, dat het rust geeft en de kerkelijke processen intoomt. Wanneer bijzonder ingrijpende kwesties aan de orde zijn, is het leven der kerk in het laatste jaar voor eene synode wel eens zeer be­wogen. Wanneer echter de synode vergaderd heeft en eene beslissing heeft genomen, komt er eene periode, waarin de besluiten bezinken kunnen, en treedt een nieuwe toestand in, overmits men voorloopig toch


1) Hefele, Conciliengeschichte II, S. 60 en 100.
2) Pol. Eccl. IV. 234.

|202|

niets aan het besluit veranderen kan. Hierbij komt dat bij het jaarlijksch houden eener synode licht allerlei zaken in appèl ter tafel gebracht worden, die niet tot de synode gebracht worden, wanneer eerst over twee of drie jaren zulk een kerkelijk proces tot eene beslissing kan gebracht worden. De tijd doet menige veete of geschil uitslijten, zoodat de klager het niet noodig of wenschelijk acht zijn bezwaar zoo lang vol te houden. Voorts is het geen denkbeeldig voordeel, dat bij een driejaarlijksche synode de particuliere synoden van meer beteekenis zijn.

Maar hiertegenover pleit voor een jaarlijksche Generale Synode: 1º het voorbeeld van de meeste kerken; 2º De inniger werking van het kerkverband, als de kerken elkander geregeld telken jare ontmoeten door hare afgevaardigden. In allerlei kwesties, die den tijd bewegen, en die ook in het leven der kerk inwerken, kunnen de kerken zelve zich uitspreken, terwijl in vele gevallen de kerken geen mond hebben om haar oordeel in onderscheidene zaken te bepalen; 3º Het gevaar wordt vermeden dat de synodale deputaten te veel macht verkrijgen, daar zij in vele gevallen bij een synode om de drie jaren een zelfstandige beslissing moeten nemen; 4º Het voorkomen, dat om de drie jaren allerlei quaesties zich ophoopen, en daardoor bewerkt wordt, dat onderscheidene kwesties in overhaasting worden afgedaan; 5º Het bevorderen van een betere rechtsbedeeling. In alle classen en provinciën zal bij het houden van een jaarlijksche synode een meer gelijke wijze van behandeling en toepassing van het recht plaats grijpen, terwijl moeilijke gevallen spoediger en beter tot een oplossing kunnen gebracht worden; 6º Meerdere zekerheid voor de uitvoering der synodale besluiten; 7º Meerdere vastheid van gang voor wat de gezamenlijke kerken verrichten inzake de zending en het theologisch onderwijs; 8º Een betere vertegenwoordiging bij de buitenlandsche kerken. Thans moet al te veel worden overgelaten aan de synodale deputaten, die licht of teveel naar eigen inzicht handelen, of wegens het ontbreken van een bepaald mandaat niet handelend kunnen optreden.

Bouwman, H. (1934) § 77

§ 77. De Generale Synode (II). Haar leden.

Wie zijn de leden der synode? Leden der synode zijn de vertegenwoordigers van de kerk, die afgevaardigd zijn om de zaken der kerk te behartigen. Christus is de Koning der kerk, die zelf zijne gemeente regeert door zijn Woord en Geest. Hij zou zijne kerk ook wel rechtstreeks hebben kunnen regeeren, zonder eenig hulpmiddel, maar Hij wilde zich neerbuigen tot ons, ons door zijn Woord onderwijzen, en zich

|203|

van menschen bedienen, opdat deze in zijn Naam en naar zijn Woord de gemeente zouden leeren en leiden, opdat zij toebereid zou worden tot den lof des Heeren. Volgens de H. Schrift berust de kerkelijke macht bij de gemeente. De geloovigen zijn allen profeten, priesters en koningen. De gemeente is het lichaam van Christus, in hetwelk de Geest des Heeren woont en werkt. Zij is pilaar en vastigheid der waarheid. Maar die macht wordt niet uitgeoefend door alle geloovigen gezamenlijk, maar organisch door de dragers van het ambt, die in afhankelijkheid van Christus, als zijne dienaren zijne ordinantiën handhaven.

Gelijk wij vroeger nader hebben aangetoond, zijn de synoden kerkelijke vergaderingen, ontstaan uit de bewustheid van de eenheid der kerk en uit de behoefte, om in moeilijke tijden elkander met raad en steun te dienen. In overeenstemming hiermede waren in de eerste eeuwen alleen afgevaardigden der kerken, bisschoppen, presbyters, diakenen en gewone gemeenteleden op zulke breede vergaderingen tegenwoordig. Eenige verandering trad in, toen in de derde eeuw het monarchisch episcopaat tot heerschappij kwam. Langzamerhand werd de synode een bisschopssynode, en waren de gemeenteleden niet meer tegenwoordig. Toen de kerk bevoorrechte kerk, straks staatskerk werd, matigde de overheid zich het recht aan, invloed uit te oefenen op de samenroeping der synoden. Constantijn de Groote noemde zich zelven „de algemeene bisschop”, waarmede hij wilde zeggen, dat hij de regeering der kerk naar het uitwendige in zijn handen hield. Vele keizers riepen in latere jaren de synoden samen, terwijl de besluiten in tegenwoordigheid van en soms zeer sterk onder den invloed van de overheid werden genomen, en daarna door de wereldlijke overheid werden bekrachtigd.

De Oostersche kerk kwam steeds meer in afhankelijkheid, en moest aan de overheid toestaan, wetten voor het kerkelijke leven uit te vaardigen. De Westersche kerk evenwel trachtte hare zelfstandigheid te handhaven, en zij heeft in haar strijd tegen de wereldlijke macht, vooral sedert de tiende eeuw, gepoogd zich boven haar te verheffen, en voor den paus op te eischen het recht van wetgeving, de hoogste rechterlijke macht en het hoogste bestuursrecht. Een oecumenische synode wordt door den paus zelf, als drager van het primaat, samengeroepen, terwijl de paus bepaalt wie leden der synode zijn. Zulk een wereldsynode is eene vergadering van bisschoppen onder voorzitting van den paus, terwijl een nationale of provinciale synode is een vergadering van bisschoppen eener kerkprovincie, en van de daar wonende apostolische vicarissen, en vertegenwoordigers der domkapittels, theologische faculteiten, enz.

De Reformatie wierp het juk der hiërarchie van zich af, begeerde de vrijheid van kerk en conscientie, maar beging in vele landen de fout, dat zij de leiding der reformatie te veel in handen liet van de overheid

|204|

en haar te grooten invloed gaf op het kerkelijke leven. Daardoor kwam het, dat de overheid in vele gevallen voor zich het recht opeischte de synode samen te roepen, en daarvoor regelen te geven. Was de invloed der regeering in Luthersche landen zeer groot, ook in Gereformeerde landen was dit het geval. De synode van Westminster werd door het parlement bijeengeroepen, terwijl onderscheidene leden van het parle­ment aangewezen werden om deel te nemen aan den arbeid der synode, naast theologen en ouderlingen. Op de Dordtsche synode van 1618/19 waren er 18 politieke commissarissen aanwezig, aan wie de handhaving van de uitwendige orde was opgedragen. De taak dezer heeren was om de synode te openen, om te waken, dat alleen kerkelijke zaken werden behandeld en ’t geen in de artikelen van uitschrijving was begrepen. Zij hadden vooral door het recht van veto groote macht.

De Gereformeerde kerken hebben, waar zij vrij van de overheid zelf regelen voor het kerkelijke leven konden ontwerpen, gezorgd dat de kerk geregeerd werd naar de ordeningen, die Christus geleerd heeft in zijn Woord, dat eene kerkelijke vergadering werd samengesteld alleen door kerkelijke mannen, die door de gemeente daartoe werden verkoren. Art. 3 van de Fransche kerkenordening van 1559 luidt: „Que les Ministres ameneront avec eux au Synode chacun un Ancien ou Diacre de leur Eglise, ou plusieurs”. De bedoeling was dat de kerken zelve zouden vertegenwoordigd zijn in de synoden door de predikanten eener kerk en een of meer leden van den kerkeraad. Dat deze leden der synode door den kerkeraad zelf moesten worden afgevaardigd, wordt duidelijk bepaald door de synode van Poitiers, Art. 1, waar wordt gezegd, dat zij zouden worden gekozen door den kerkeraad (choisis par leur consistoire). Deze regel werd in de latere kerkenordeningen gevolgd. Alleen werd in Frankrijk sedert 1565 het aantal leden, dat naar de synode werd afgevaardigd, beperkt, opdat de naastgelegene kerken, die door een lange reis en tijdverlies niet verhinderd werden de synode bij te wonen, niet meerderen invloed zouden hebben dan de veraf gelegen kerken, en werd bepaald, dat elke particuliere synode een gelijk aantal gekozen afgevaardigden zou zenden. In verband hiermede werd ook te Emden (1571, c. II. 7) bepaald: „Uit elke classis zullen gezonden worden twee Dienaars, met zooveel Ouderlingen of Diakenen, of immers een Dienaar met een Ouderling of Diaken,” terwijl op de latere synoden dit ook werd vastgesteld voor de Generale Synoden, „op welken verschijnen zullen twee Dienaars en twee Ouderlingen niet van de Classen, maar van de particuliere Synoden” (1578, Art. 44).

De afgevaardigden ontvingen van de zendende kerken opdracht om namens haar volgens de aangenomen Kerkenordening te handelen, „met brieven van credentie en instructie aangaande de leer, ceremoniën en

|205|

kerkelijke regeering, mitsgaders alle andere dingen, dewelke in de parti­culiere Synoden niet hebben kunnen afgehandeld worden” (Acta 1578, Art. 44). Daarom begint elke meerdere vergadering met het onderzoek der geloofsbrieven.

Wanneer predikanten en ouderlingen zonder een wel omschreven mandaat samenkomen, om over de zaken der kerk te handelen, dan kan zulk eene vergadering van kerkelijke personen niet een wettige synode in eigenlijken zin genoemd worden, die voor de kerk bindende besluiten neemt, maar een convent, dat in bijzondere tijden maatregelen neemt in het belang der kerken. Zoo kwamen in 1568 de voornaamste leiders der toenmalige Nederlandsche Gereformeerden te Wezel bijeen, hoofdzakelijk om een „concept” te ontwerpen, dat tot leiddraad voor verdere organisatie kon strekken. Van hoe groote beteekenis deze vergadering ook is geweest, zij was slechts een particuliere conferentie zonder eenig kerkelijk karakter of kerkelijk gezag 1). Dit neemt echter niet weg dat, in een bijzonderen tijd, in dagen van vervolging of in een anderen tijd, wanneer de dienaren van alle kerken niet kunnen komen, een convent van mannen, die volgens den wensch of opdracht van de kerken samenkomt, wel de kracht van een wettige synode kan hebben 2).

Wijl de synode is een kerkelijke vergadering, behooren leden der synode te zijn mannen, die door de kerken daartoe verkoren zijn. De tegenwoordigheid van deputaten der overheid op eene synode, zooals dit het geval was te Dordrecht en te Westminster, maakt eene synode wel niet onwettig, maar belemmert toch al te zeer de vrijheid der kerk, die Christus alleen als Koning erkent, en zijn Woord als regel van geloof en leven heeft te volgen. En naar de orde, die in de Gereformeerde kerken van Nederland gevolgd wordt, wordt de synode samengesteld uit een even gelijk aantal ouderlingen als predikanten.

Maar de vraag is gerezen: Zijn ook de professoren in de theologie als zoodanig leden der synode? In de Roomsche kerk was het vroeger en later de regel, dat de vertegenwoordigers der theologische faculteiten en seminariën tot de nationale of provinciale synoden genoodigd werden. En in navolging hiervan zijn ook in de Luthersche en de Gereformeerde kerken in Duitschland de vertegenwoordigers van de evangelisch theologische faculteit der provinciale universiteit lid van de provinciale synode. Ook in vele andere kerken wordt naar dezen regel gehandeld.

De vraag, of de professoren in de theologie op de synode mochten verschijnen en welke hun recht en hunne bevoegdheid was, kon in de Gereformeerde kerken van Nederland eerst met ernst gesteld worden


1) A. Wolters, Reformationsgeschichte der Stadt Wesel, 1868, S. 1, 312; Rutgers, De geldigheid van de oude Kerkenordeningen, 1890, bl. 10.
2) Voetius, Pol. Eccl. IV. 292.

|206|

na de oprichting van de Leidsche Hoogeschool en werd een punt van groot gewicht, toen in den Arminiaanschen strijd de kwestie aan de orde kwam, welke de verhouding van de kerk en de universiteit was. De Nationale synode van 1578 bepaalde in Art. 52: „Soo de Classe ofte Synode in de plaetse daer de vniversiteyt is te samen koemt, sullen de Professores der Theologie mede by koemen der welcker een wt den name der anderer stemme hebben sal.” De kerken waren nog al ingenomen met de pas opgerichte universiteit van Leiden, en ofschoon de hoogleeraren benoemd werden door de overheid, en de Staten van Holland en Zeeland de aanstelling en het toezicht op de professoren voor zich zelf hadden voorbehouden, gebruikten de kerken hen feitelijk als doctores ecclesiae, en gaven den professoren zitting en stem in classis en synode, zoo deze namelijk in Leiden gehouden werden. De kerken beschouwden dit niet als een recht, dat aan de professoren toekwam, anders toch hadden zij hun zitting en stem moeten geven ook wanneer de synode op eene andere plaats vergaderde, maar als een blijk van welwillendheid jegens de academie, zonder dat zij hierin een beginsel wilden belichamen. Waarschijnlijk moet deze bepaling verklaard worden uit eene nawerking van de Wezelsche Artikelen. Doch terwijl volgens de bepalingen van Wezel de doctoren altijd zitting hadden in den kerkeraad, werd dat recht hier beperkt tot classis en synode, wanneer deze samenkwamen in de plaats, waar de universiteit gevestigd was, terwijl in dat geval aan het college van Hoogleeraren slechts één stem was toegekend. Werd evenwel te Wezel aan de doctoren toegekend het stemrecht in zaken van de leer en de ceremoniën, in Dordrecht (1578) ontvingen zij stem over alle zaken, dus ook over de kerkregeering. Deze bepaling werd op de synode van Middelburg (1581, part. vr. 110) gehandhaafd, maar het stemrecht der professoren werd beperkt tot de leer. Ook werd het ambt van doctor weer onder de kerkelijke diensten opgenomen, terwijl op de volgende synode de dienst der doctoren formeel met dien der professoren werd gelijk gesteld.

Van een recht der hoogleeraren om de synode bij te wonen vinden wij niets vermeld. Evenwel maakte de synode gaarne gebruik van het advies der Leidsche professoren, gelijk blijkt uit de „Corte Memoriën”, dat Prof. Danaeus door de synode was uitgenoodigd om als adviseur een gedeelte harer zittingen bij te wonen. Omtrent het recht der hoogleeraren heerschte er nog al verschil tusschen de Staten en de kerken. De Staten waren van oordeel, dat de professoren in hun dienst en niet in den dienst der kerk waren, dat deze als mannen van wetenschap in zaken de leer rakende vrij waren en dat zij als theologen der Hooge Overheid jure suo stem in de provinciale synode hadden. De Gereformeerde kerken evenwel waren van gevoelen, dat de professoren, al

|207|

werden zij aangesteld en bezoldigd door de overheid, niet in dienst stonden der overheid, maar van de kerk. Hun ambt was de H. Schrift uit te leggen en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan. De belijdenis was het eigendom van al de kerken te samen. Daarom lag het in den aard der zaak, dat, wanneer de kerken in Generale Synode samenkwamen, ook de professoren daar verschenen om de kerken té dienen van advies. Van een recht dat de Staten opeischten voor de professoren, dat deze op de provinciale synoden zitting en stem hadden, wilden de kerken niets weten. Dat de professoren echter uitgenoodigd werden op de provinciale synode, wanneer deze te Leiden vergaderde, was geen beginsel van kerkrecht, maar alleen eene formeele beleefdheid.

Tot eene principiëele oplossing kwam deze kwestie niet, ook niet op de Generale synode van Dordrecht, 1618/19. Op deze synode werden de theologische professoren als leden beschouwd. Zij hadden evenals de afgevaardigden der provinciale synoden eene beslissende stem. Ook schijnt het dat deze synode, waarschijnlijk om eene concessie te doen aan de overheid, geen bezwaar had dat de professoren met keurstem ter provinciale synode kwamen 1), maar hieraan is geen uitvoering gegeven, omdat de professoren weigerden het Dordtsche formulier te onderteekenen, omdat in dit formulier subjectie aan de provinciale synode beloofd werd, en de Staten zoodanige subjectie verboden hadden. In 1629 scheen het een oogenblik alsof het tot een compromis zou komen. De synode van Leiden had de hoogleeraren uitgenoodigd ter vergadering te komen en haar met advies te dienen. Door Walaeus, Rivet, Polyander en Thysius werd hieraan gevolg gegeven. Dit gaf aanleiding, dat er tusschen de deputaten der synode en de hoogleeraren een modus vivendi getroffen werd, in dien zin, dat twee professoren van Leiden het recht ontvingen op de provinciale synode tegenwoordig te zijn met adviseerende stem inzake de kerkregeering, maar met beslissende stem, wanneer het ging over de leer. Van de uitvoering van dit compromis kwam evenwel niets.

Evenals dus in Holland de professoren in hun kwaliteit na 1629 niet meer ter synode kwamen, zoo ook namen de professoren in Utrecht geen deel aan de vergaderingen der synoden, hoewel deze in Utrecht gehouden werden. Evenmin kwam er in Friesland een hoogleeraar ter synode, ook al werd zij in Franeker gehouden 2). In Groningen evenwel was het de gewoonte, dat altoos een van de professoren ter synode aanwezig was, ook wanneer zij te Appingedam gehouden werd. In Gelderland namen


1) Walaei, Opera Omnia II. 423; Dr A. Kuyper, De Leidsche professoren, bl. 61-69.
2) B. de Moor, Comm. à Marck VI. 456.

|208|

de professoren tot 1771 zitting in de provinciale synode, wanneer deze in Harderwijk gehouden werd. Zij hadden, zooals Bachiene 1) zegt, een adviseerende stem.

Over de vraag of de professoren in de theologie ter synode mogen verschijnen om desgevraagd van advies te dienen kan geen verschil bestaan. Anders is het evenwel of zij jure suo daar verschijnen om mede te beslissen. Voetius zegt 2): „Ik kan niet inzien dat men tot hiertoe met grond eenig onmiddellijk recht van Godswege, of eenig stellig menschelijk en kerkelijk recht, hetzij van de oude, hetzij van de Gereformeerde kerk daarvoor heeft kunnen bijbrengen”. „Aangenomen dat het ambt van den academischen godgeleerde behoort tot den heiligen of kerkelijken dienst, dan mag daarin niet worden begrepen, dat hij nu ook krachtens dat ambt zitting mag hebben in alle provinciale synoden, zonder algemeene of bijzondere of kerkelijke afvaardiging, of oproeping of opname vanwege de synode.” Evenwel acht Voetius het wenschelijk, dat de professoren, wanneer over de leer of over de beginselen van het kerkrecht gehandeld wordt, omdat zij in den regel bijzonder ervaren zijn, ter synode genoodigd worden. Maresius meent echter, dat aan hun ambt een zeker recht tot de geestelijke politie verbonden is, vooral wanneer het gaat over de leer, om op de synode te worden genoodigd.

Het is o.i. duidelijk, dat van een recht der professoren om als lid op de synode zitting te nemen in eigenlijken zin niet kan gesproken worden. De synode is eene vergadering van kerken, en wordt samengesteld door de afgevaardigden van de kerken, die namens haar handelen en beslissen. Maar wel is het in het belang der kerken, dat de hoogleeraren de synode dienen met hun advies, met hun kennis en ervaring, en in verband hiermede hebben de professoren, die door de kerk zijn benoemd, of die aan eene Gereformeerde Hoogeschool met goedkeuring der kerken fungeeren, een roeping en plicht om de kerk met hunne gaven te dienen. Welk recht de hoogleeraren op de synode bezitten, wordt door de synode zelve vastgesteld. De afgevaardigden der kerken zijn rechtens leden met beslissende stem, de professoren hebben als zoodanig geen beslissende stem, tenzij deze hun in bijzondere gevallen gegeven wordt. Omdat zij uitteraard door hun positie en hunne bekwaamheid toch reeds een grooten invloed uitoefenen, is het wenschelijk en ook voldoende, dat zij slechts een adviseerende stem bezitten.

In onze Gereformeerde kerken is regel, dat de hoogleeraren uitgenoodigd worden om als praeadviseerende leden zitting te nemen. Zoo was het van de oprichting der Theologische School in 1854 af, zoo was


1) Kerkel. Geographie I. 126.
2) Pol. Eccl. IV. 197.

|209|

het in de kerken der Doleantie, zoo is het gebleven in de kerken na de vereeniging van 1892. Bij de regeling van het verband tusschen de kerken en de theologische faculteit der Vrije Universiteit in 1908 hebben de kerken zich verbonden, de hoogleeraren der theologische faculteit „uit te noodigen als adviseerende leden in hare Generale Synode zitting te nemen”.

Bouwman, H. (1934) § 78

§ 78. De Generale Synode (III). Haar werkzaamheden.

De zaken, die op de Generale Synode kunnen en moeten behandeld worden, zijn in het algemeen, evenals dit het geval is op alle meerdere vergaderingen, alleen kerkelijke zaken. Economische en politieke zaken behooren evenmin als wetenschappelijke vraagstukken op een kerkelijke vergadering thuis. Onder de Roomsche hiërarchie werden op een synode over allerlei niet-kerkelijke zaken wel beslissingen genomen. De synode van Clermont (1095) stelde den Godsvrede als algemeene kerkwet vast, en besloot tot een kruistocht. Gregorius XIII voerde, bij den bul van 1582, een nieuwen kalender, de zoogenaamde Gregoriaansche tijdrekening in, waartoe het concilie van Trente reeds opdracht gegeven had. De Roomsche concilies konden dat doen, omdat zij van het beginsel uitgingen, dat de kerk zeggenschap had over alle terreinen des levens, en dat allerlei levensgebied, kunst en wetenschap, staat en maatschappij in dienst der kerk stonden. Gevolg hiervan werd, dat er een tegenstelling kwam tusschen kerk en wereld, die stond onder de daemonische macht, en dat de kerk heel het leven moest wijden en heiligen. De Reformatie, en met name de Calvinistische hervorming, heeft echter den mensch weder geëerd als geschapen naar het beeld Gods, en de wereld als Gods wereld, en doen uitkomen, dat de algemeene genade Gods, die in de wereld bewarend en verlichtend werkt, wel moet onderscheiden van de herscheppende en zaligmakende werking van Gods bijzondere genade. Het maatschappelijke en staatkundige leven heeft een eigen gebied. Daarom moet de kerk ophouden, voogdes van het natuurlijke leven te zijn, en is zij niet anders dan vergadering van geloovigen. En uit dat beginsel vloeit voort, dat op de kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken mogen worden behandeld.

In buitengewone tijden is wel eens van dezen regel afgeweken. De politieke omstandigheden hebben ook de Gereformeerden wel eens genoodzaakt, als zij in kerkelijke vergadering bijeen waren, ook over politieke omstandigheden te handelen. Prins Willem drong er bij de Gereformeerden op aan, om samen te spreken over maatregelen tot keering

|210|

van het Roomsche geweld en het verkrijgen van godsdienstvrijheid. Maar wat in buitengewone tijden noodzakelijk kan zijn, mag in gewone tijden niet altijd geschieden. De kerk zou hiermede buiten haar gebied gaan, en het zou ook niet tot voordeel van de kerk zijn. Zoo heeft o.a. de vermenging van kerkelijke en wereldlijke zaken op de kerkelijke vergaderingen der Fransche Gereformeerden in de 16e eeuw zich droef gewroken. Zoo zou het ook thans verkeerd zijn van de kerk, wanneer zij besluiten nam over zaken, die op het terrein van de overheid, of ook van de wetenschap in engeren zin gelegen zijn. Wel heeft de kerk de roeping om het licht van Gods Woord te doen schijnen op heel het leven, om den eisch van Gods Woord aan overheid en volk voor te houden, om als een zuurdeesem te werken, opdat heel het leven doortrokken worde met het Evangelie, en het leven gericht worde naar de ordonnantiën Gods. Maar wanneer de kerk buiten haar gebied treedt, stuit zij practisch ook op allerlei moeilijkheid, en zal zij zelve hiervan geen voordeel inoogsten.

De bevoegdheid eener kerkelijke vergadering hangt samen met hare roeping om pilaar en vastigheid der waarheid te zijn; om de waarheid, die zij gelooft, te belijden, te propageeren en te handhaven; om naar de opdracht van Christus het Woord te verkondigen, te zorgen voor het welzijn der kerk, de opleiding der dienaren, de handhaving der ordeningen Gods; te waken voor de heiligheid der gemeente en den opbouw des geloofs, en daartoe alle goede middelen aan te wenden, die daartoe kunnen leiden.

In het bijzonder behoort tot de taak der Generale Synode te handelen over de zaken van orde en tucht, die op de mindere vergaderingen niet konden afgehandeld worden, terwijl voorts tot het terrein der synode gerekend moeten worden de dingen, die de kerken in het gemeen aangaan en door haar gemeenschappelijk behandeld moeten worden, namelijk het vaststellen en handhaven van de belijdenis en de kerkenordening, het maken van bepalingen omtrent de inrichting van den eeredienst en het vaststellen der formulieren van Doop, Avondmaal, enz., de opleiding tot den dienst des Woords, de zending, enz.

Hyperius brengt de zaken, die thuis behooren op de Generale Synode, terug tot deze zeven: 1. nauwkeurige verhandelingen over de stukken van de geloofsleer; 2. wederlegging van de valsche leerstellingen; 3. de ceremoniën die bij de bediening der sacramenten en elders in den dienst gebruikt worden; 4. de bestraffing van verkeerde zeden, in het bijzonder bij de dienaren; 5. de bijlegging van geschillen onder de dienaren ontstaan; 6. besluiten omtrent de heiligheid van wandel, zoowel van de dienaren des Woords als van de geloovigen; 7. onderzoek naar en beraadslaging over de vraag of en hoe men troost en hulp kan bieden

|211|

aan bedroefde en verdrukte kerken of menschen. Het komt ons voor, dat men de taak der synode aldus kan omschrijven, dat zij heeft te handelen over de leer, de regeering, de ceremoniën, benevens al die dingen, die in de mindere vergaderingen niet konden worden afgehandeld, gelijk ook Art. 44 der kerkenordening van 1578 dit alzoo uitdrukt.

Tot de bevoegdheid der synode behoort ongetwijfeld de vaststelling en handhaving van de belijdenis der kerk. De kerk in het algemeen heeft de roeping, pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en heeft wat zij gelooft en belijdt aangaande God, Zijn openbaring, den weg des heils, en den dienst Gods vast te leggen in de gemeenschappelijke confessie, die als accoord van het kerkelijk leven moet worden bewaard en gehandhaafd tegenover allen, die haar willen vervalschen of krachteloos maken. Wanneer er eenig geschil ontstaat over eenig stuk der waarheid, ’t welk niet kan beëindigd worden op de mindere vergaderingen, dan ligt het op den weg der kerken, in synode vergaderd, om den staat des geschils te onderzoeken en naar Gods Woord een uitspraak te doen. De Remonstranten hebben op de synode van Dordrecht verklaard, dat zij de leden der synode niet konden erkennen als rechters, dat zij als partij tegen partij wilden behandeld worden; dat bedenkingen tegen den Catechismus of Confessie vrij zouden kunnen worden ingebracht, zonder gevaar van censuur; dat er geen kerkelijke beslissing zou vallen, maar een minnelijke schikking zou worden gezocht; dat indien iemand zich niet bij de beslissing zou kunnen neerleggen, hem de vrijheid van geweten zou worden toegestaan. Doch de synode sprak geheel terecht als haar oordeel uit, dat zij bijeengeroepen was om het gevoelen der Remonstranten te onderzoeken, daarover vrijelijk te oordeelen en als rechter over de geschillen een uitspraak te doen. Ditzelfde standpunt nam ook de synode van Assen (1926) in. Toen Dr Geelkerken het recht der synode om over zijne leeringen een uitspraak te doen betwistte, heeft de synode uitgesproken, dat hare vergadering rechtmatig bijeengekomen was, en dat zij als rechtbank in hoogste ressort geroepen was om uitspraak te doen.

Ook maakt de Generale Synode de algemeene regelen voor de orde en de tucht in de kerken. Niet elke plaatselijke kerk of eenig deel der kerken gaat hierin geheel naar eigen goedvinden en willekeurig te werk, maar alle kerken hebben zich naar kerkverband verbonden om den algemeenen regel, die geacht werd het meest in overeenstemming met Gods Woord te zijn, en tot welzijn der kerken te strekken, te volgen. En het vaststellen van de algemeene regelen behoort tot de bevoegdheid van al de kerken, in synode vergaderd.

Voorts neemt de Generale Synode beslissing in zaken van appèl, en in die zaken van orde en tucht, die op de mindere vergadering niet tot een

|212|

goed einde konden worden gebracht. De wijze, waarop de synode in dezen moet handelen, hangt natuurlijk geheel af van den aard van het geschil en van de omstandigheden, die daarmede samenhangen. Het kan zijn, dat het der synode gelukt door vermaning of bestraffing de geschillen bij te leggen, of zij spreekt een oordeel uit in eenig geval en wijst daarbij den weg aan, hoe door een kerkeraad of classis moet worden gehandeld. In zeer bijzondere gevallen, wanneer een revolutionaire geest in eene kerk werkt of scheuring dreigt, kan het noodzakelijk blijken, dat de Generale Synode niet alleen een oordeel uitspreekt over eenig geschil, maar dat zij ook zelve kerkedienaren, predikanten, ouderlingen en diakenen schorst en tenslotte ook afzet in hun bediening.

Aan de beslissing der synode behooren de kerken en hare leden zich te onderwerpen. In het algemeen mag dit worden verondersteld, want de synode is eene vergadering der kerken, in wie de kerken zelf vertegenwoordigd zijn. Niet alsof de synode onfeilbaar is, en gevrijwaard voor dwalingen. Er is geen enkele kerkelijke vergadering, die met onfeilbaar gezag kan spreken. De oude uitdrukking Roma locuta est, causa finita est, d.w.z. Rome heeft gesproken, en daarmede is de zaak beëindigd, kan nooit door eenige Gereformeerde synode worden overgenomen. Het is herhaaldelijk voorgekomen, dat eene synode geheel onjuiste besluiten heeft genomen, en dat de beslissingen eener synode zeer verkeerde gevolgen voor de kerk hebben gehad. Juist daarom mag elke synode wel bedenken, dat zij niet in eenig geschil, waarover de gevoelens zeer verdeeld zijn, eene beslissing neemt, waardoor een groot deel van de leden der vergadering en dus ook van de kerken zich gekrenkt gevoelt, en waardoor de rust der kerken verstoord wordt, tenzij de synode overtuigd is, dat hare beslissing rust op den klaar uitgesproken wil des Heeren. Maar in het algemeen behoort als regel te gelden, dat de minderheid zich heeft te conformeeren naar de meerderheid, en dat wat door de meeste stemmen goedgevonden is voor vast en bondig gehouden wordt, „tenzij dat het bewezen wordt te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geen andere Generale Synode veranderd zijn.” Hoe dit bewijs tegenover de synode kan worden geleverd, is een tweede vraag, die niet zoo gemakkelijk in het algemeen te beantwoorden is. Maar zooals wij vroeger reeds gezien hebben, was er toch recht van beroep.

Ook de zorg voor den zendingsarbeid behoort tot het terrein der synode. Het ligt in den aard der zaak, dat de Generale Synode, die slechts een of meer weken in het jaar, of om de twee of drie jaren vergadert, niet zelve het zendingswerk in de praktijk kan ter hand nemen. Maar wijl zij is een vertegenwoordiging der kerken, geeft zij aan de beginselen, waarnaar de zendingsarbeid moet worden geregeld,

|213|

bepaalt het zendingsterrein, geeft de noodige aanwijzingen en instructies, opdat alles eerlijk en met orde geschiedt, en het werk der zending met kracht kan bevorderd worden. Desgelijks behoort het vaststellen van den evangelisatiearbeid en de algemeene beginselen, die daarbij moeten worden behartigd, bij de Generale Synode.

Het is mede de taak der synode, te waken voor de goede opleiding tot den dienst des Woords. Al kan het niet tot de kerk in hare ambten gerekend worden, zelf de opleiding harer predikanten ter hand te nemen, zij dient toch wel zorg te dragen in gehoorzaamheid aan ’s Heeren Woord, dat de kerk van goede, bekwame en geschikte dienaren, die wel onderwezen zijn in het Woord, en met de noodige kennis toegerust, voorzien wordt. Daartoe stelt zij de regelen en de eischen waaraan een persoon, die de kerk als predikant wenscht te dienen, beantwoorden moet, en richt of zelve een hoogeschool op voor de opleiding harer dienaren, of stelt zich in nadere verbinding met eene buiten haar staande hoogeschool.

De Generale Synode onderhoudt voorts den band der eenheid met al de kerken, die met haar op denzelfden bodem staan. Zij ontvangt afgevaardigden, en zendt hare deputaten naar bevriende kerken, zoodat hierin, hoe zwak ook, in de synode iets van de eenheid der algemeene christelijke kerk zichtbaar wordt.

Uit het bovenstaande — waaraan nog veel zou kunnen worden toegevoegd — blijkt de groote beteekenis van de Generale Synode. In haar komen alle kerken, die met elkander in verband leven, samen en nemen daar besluiten, en treffen daar regelingen, die voor het kerkelijke leven van groot gewicht zijn en voor alle kerken kracht bezitten. Door de synodale organisatie wordt — mits alles in gehoorzaamheid aan en in afhankelijkheid van den Heere Christus en zijn Woord wordt verricht — de eenheid, de kracht en de goede gang van het kerkelijk leven bevorderd. De noodzakelijkheid van een algemeene synode hebben de Gereformeerde kerken van den beginne gezien. Het convent van Wezel bepaalde reeds, dat „nadat de Heere de deur voor de prediking des Evangelies zal geopend hebben, zoo spoedig mogelijk alle kerken en alle dienaren der kerken met allen ijver er naar zullen streven, dat er gemeenschappelijk gelden bijeengebracht worden tot het samenroepen eener provinciale synode voor geheel Nederland, ten einde door een wettige synode kunne vastgesteld worden, wat in deze en alle andere zaken dient nagekomen te worden ten bate van de gemeenschappelijke inrichting der kerken en de onderhouding van een zoo voortreffelijk mogelijke orde.” Op die synode zouden — zoo gaan de Acta van Wezel voort — „alle mogelijke zaken die in het algemeen op alle kerken en den gemeenen dienst zien” behartigd worden. „Want het komt noch

|214|

met het gezag der Schrift noch met de billijkheid der wetten overeen, dat die dingen, welke gelijkelijk allen aangaan, door de eene of andere kerk alleen zouden worden vastgesteld, zonder dat de andere kerken gehoord zijn, op welke zij evenzeer betrekking hebben” (c. I. 3, 4.).

Bouwman, H. (1934) § 79

§ 79. Kerkelijke deputaten.

Aangezien de kerkelijke vergaderingen niet dag aan dag samenkomen, en niet zelve alle besluiten, die zij nemen, kunnen uitvoeren, benoemen zij deputaten, die uitvoeren wat hun door de vergadering is opgedragen. Zulke deputaten worden benoemd nu eens voor enkele zaken, dan voor een bepaald soort van zaken, soms met opdracht om alleen in een zaak te adviseeren, dan om zelf handelend op te treden.

Oorspronkelijk benoemde men voor elke zaak afzonderlijke deputaten. Zoo werden reeds te Emden Datheen en Taffin verkozen om de Nederlandsche Gereformeerde kerken op de Fransche synode te vertegenwoordigen, en werden voorts een 16-tal deputaten aangewezen, om Marnix behulpzaam te zijn in het verzamelen van gegevens voor de beschrijving van de historie der martelaarskerk 1). Eveneens bleek het voor de classes en de particuliere synoden noodig, voor bepaalde zaken deputaten te benoemen. Op de Zuid-Hollandsche synode van 1579 2) werd de vraag gedaan, of het niet noodig was, dat men in elke classis en synode „een of twee personen sal deputeren, dewelcke alle voorvallende saecken des classis aan den synode respective sullen uijtrichten, classem ende synode daeruijt vergaderen, ist nood, ende voort opsicht hebben sullen, dat een ijegelick zijn ampt doe”, en weldra had men in de meeste provinciën zulke deputaten benoemd. De praktijk van het kerkelijke leven eischte dit. Zeeland en ook andere provinciën volgden dit gebruik niet. En daarom was het terwille van de eenparigheid in alle provinciën noodig, een regeling dienaangaande in de kerkenordening op te nemen. De uitnemende diensten, die de deputaten der synode in de Arminiaansche twisten aan de kerken in Zuid-Holland hadden be­wezen, zullen ongetwijfeld hebben meegewerkt tot het besluit der Dordtsche synode, terwijl de synode het ook noodig keurde, de bevoegdheid dezer deputaten nauwkeurig te omschrijven, niet alleen om den laster van Hugo de Groot, die in zijn pietas ordinum (p. 112) op afkeurende wijze deze deputaten interreges (tusschen-regenten) had genoemd, tegen te gaan, maar ook om te voorkomen, dat uit deze


1) Acta v. Emden, Art. 3. 48-50.
2) Acta, Reitsma en Van Veen, II. 181.

|215|

gedeputeerden zich een kerkelijk bestuurscollege ontwikkelde 1). Opmerkelijk is het, dat de Dordtsche synode niet ingegaan is op een verzoek van Zuid-Holland, om ook geregeld deputaten der Generale Synode te benoemen. De Noord-Hollandsche afgevaardigden keurden dit af, omdat zij dit onnoodig achtten, aangezien naar hun inzien de synode best kon volstaan met voor de uitvoering harer besluiten eenige personen aan te wijzen, terwijl de rest door de particuliere synode kon worden uitgevoerd.

Het besluit der Dordtsche synode, in art. 49 der kerkenordening neergelegd, luidt: „Yeder Synodus sal oock eenighe deputeren, om alles wat de Synodus geordonneert heeft, te verrichten, soowel by de Hooge Overicheydt, als by de respective classen, onder haer sorterende, mede om t’ samen oft in minder ghetal over alle examina der aencomender Predicanten te staen; ende voorts in alle andere voorvallende swaricheden den classen de handt te bieden, opdat goede eenigheyt, ordre ende suyverheyt der leere behouden ende ghestabileert worden. Ende sullen dese van alle hare handelinghen goede notitie houden, om den Synodo rapport daer van te doen, ende soo het geeyscht wort, redenen te geven. Ooc en sullen sy niet ontslaghen wesen van haren dienst, voor ende alleer de Synodus selfs haer daer van ontslaet.”

De afgevaardigden eener synode, met een bepaalde opdracht of zending belast, werden in den regel gedeputeerden, deputaten of gecommitteerden genoemd. In Overijssel noemde men hen „volmachten.” In de Christelijke Gereformeerde kerk in Nederland en ook in N. Amerika gebruikte men het woord „commissie”, maar in vorige eeuwen kon hiervan geen sprake zijn, omdat het woord commissie bijna uitsluitend gebruikt werd voor: opdracht, last. Deputaten waren toen geen commissie, maar kregen een commissie. Thans evenwel beteekent het woord commissie ook 2) „eenige personen aan wie van overheidswege, door eene vergadering, door een bestuur een bepaalde opdracht wordt gegeven.” Het woord deputaten of gedeputeerden is echter daarom aan te bevelen boven het woord commissie, omdat de aldus benoemde personen in zich zelf een eenheid vormen, en op hun terrein een zelfstandigheid en vrijheid van handelen bezitten, terwijl het woord deputaten zeer juist aanduidt de personen, die afgevaardigd zijn om een bepaalde opdracht ten uitvoer te brengen.

De wijze van benoeming en de opdracht, aan synodale deputaten gegeven, was nog al verschillend. Zuid-Holland benoemde een viertal, waarvan ieder jaar de helft aftrad. In Noord-Holland waren twee


1) Voetius, Pol. Eccl. I. 112; Hooijer, Oude Kerkenordeningen, bl. 440; H.H. Kuyper, Postacta, bl. 127.
2) Van Dale’s Groot Woordenboek der Ned. taal, in voce.

|216|

deputaten gesteld, van wie elk jaar één aftrad. Ook in Gelderland was de diensttijd twee jaar. Friesland kende tweeërlei deputaten. Reeds in 1583 wordt op de synode van Franeker (Art. 18, 19) besloten een commissie van vijf predikanten te benoemen als deputaten ter remonstrantie van eenige zaken bij de overheid, en dit vijftal genoemde predikanten zou worden aangevuld met vijf ouderlingen, een uit elke classis, om „macht te hebben om in alle andere saecken, die die kercke Godes in onse vaderslant int generael dit jaer souden voervallen, met malcanderen souden moeghen resolveeren ende besluyten nae hetgene dat haer der kercke godes sall nut duncken.” Zij vormden dus een soort van synodus contracta. Later werd deze afvaardiging nog al eens veranderd. Op een bezwaar, dat dit streed met Gods Woord en naar „eenige hoocheit smaekte”, antwoordde de synode van de Wouden (1606), „dat sulx niet ghesyen of verstaen worde.” Ook in Groningen werden tweeërlei soort deputaten naast elkander benoemd, de eene voor een bepaalde zaak, de onderhandeling met de overheid, en de andere om in bijzondere zwarigheden de classes te helpen. De invloed van de overheid in de kerk, en de noodzakelijkheid om orde te scheppen in den eersten tijd na de reformatie, komt in deze bepalingen duidelijk uit. Uit de synodale acta van Gelderland, waar Johannes Fontanus tijdelijk als een superintendent werkzaam was, blijkt hoe noodig het was om vanwege de synode scherp toezicht te oefenen, tot alle classes konden vergaderen en het kerkelijk leven geregeld was. Uit kracht van de eenheid der kerken hadden de synoden het recht zulke maatregelen te nemen. Al was er dan ook gevaar, dat een al te breed uitgegroeid deputaatschap een hiërarchisch element in zich bevatte, de kerkelijke vergaderingen waakten hiertegen door hun slechts een tijdelijk mandaat te verleenen, en hun op te dragen op de volgende synode rapport van hun handelingen uit te brengen. Om die reden was Voetius volkomen in zijn recht om de beschuldiging van Hugo de Groot, die de kerkelijke deputaten tusschen-regenten noemde, af te wijzen.

 

Wat moeten wij onder deputaten verstaan? Voetius 1) geeft de volgende omschrijving: „Deputaten of afgevaardigden zijn degenen, die gekozen worden om een bepaalde kerkelijke zaak of aangelegenheid, of wel bepaalde zaken of aangelegenheden uit naam der geheele vergadering uit te richten. En zulke deputaten zijn, overeenkomstig het onderscheid der vergaderingen, of consistoriale of classicale of synodale deputaten. En dan voorts weder van tweeërlei aard: 1º die voor de eigene zaken en aangelegenheden, binnen het ressort van de classis


1) Pol. Eccl. III. 527.

|217|

of synode uit te richten, worden afgevaardigd, aan welke bepaaldelijk de naam van deputaten der classis of der synode gegeven wordt; 2º die tot het behandelen van zaken en aangelegenheden gezonden worden naar andere classes of synoden, waar hun dan een adviseerende stem wordt toegestaan, aan welke bepaaldelijk de naam van correspondenten gegeven wordt.”

Deputaten zijn dus afgevaardigden met een bepaalde opdracht. Zij worden benoemd door een kerkelijke vergadering, die in zich zelf geen macht bezitten, maar gebonden zijn aan de opdracht, hun verleend, en zijn daarom ook verantwoording schuldig aan de vergadering, die hen heeft benoemd. Al zijn de leden der vergadering een vergadering van lasthebbers, die bij het uiteengaan niet meer bestaat, uit kracht van het kerkverband en naar de orde der kerken komt op den bestemden tijd weder eene vergadering der kerkelijke afgevaardigden, en de deputaten zijn gehouden aan deze rapport uit te brengen, waarmee hun mandaat is geëindigd, tenzij zij in bijzondere gevallen voor een langeren tijd zijn benoemd. De autoriteit, om deputaten te benoemen en het werk dezer afgevaardigden te beoordeelen, berust uitsluitend bij de saamgekomen kerken. Geen macht buiten haar, geen overheid of patroon bezit in de kerkelijke zaken eenig gezag.

 

Wie zijn verkiesbaar als deputaat? Het spreekt vanzelf, dat voor dezen kerkelijken arbeid alleen personen verkozen behooren te worden, die in kerkelijke zaken bijzondere geschiktheid en ervaring bezitten, en die door hun karakter, leeftijd en kennis geschikt zijn om vertrouwen te wekken. In den regel worden daarvoor predikanten en ouderlingen benoemd, omdat zij, ervaren in de leer en in de regeering der kerk, de aangewezen mannen zijn, maar in bijzondere gevallen kunnen ook niet-ambtsdragers, letterkundigen, rechtsgeleerden of practisch begaafde mannen worden benoemd, omdat mag worden verwacht, dat zij van wege hun positie of bekwaamheid het meest geschikt zijn om een opdracht recht uit te voeren. De kerken moeten hiervoor dan ook geen bindende bepalingen maken, daar een vaststaande regeling het leven al te zeer bindt, en de kerken vrij moeten zijn in haar keus om de meest geschikte personen voor een bepaalde opdracht te benoemen.

In de eerste jaren na de Reformatie behielden de kerkelijke vergaderingen voor zich de vrijheid diegenen tot deputaat te kiezen, welke zij daartoe de geschiktste achtten, zooals blijkt uit een besluit der particuliere synode van Dordrecht (1598, art. 34), welke, toen een voorstel gedaan was om in de afvaardiging eenige verandering te brengen, besloot, dat zij hare vrijheid wilde behouden tot gedeputeerden te kiezen, die zij daarvoor de meest geschikte keurde. Men koos oudtijds bij vrije

|218|

stemming met gesloten briefjes. Later is hierin verandering gekomen, toen de kerkelijke deputaten voor hun arbeid een vastgesteld salaris ontvingen, hetzij van de kerkelijke vergadering, hetzij van de overheid. Behalve vacatiegeld voor het bijwonen der synoden kregen zij o.a. voor de visie van de autographa, of voor het bijwonen der peremptoire examens, zelfs voor het schrijven van brieven een vastgestelde som, zoodat in de 18de eeuw het voorkwam dat het inkomen van een deputaat in Zuid-Holland gemiddeld per jaar was 650 à 700 gulden, waarbij dan nog extra kwam voor den praeses ƒ 220.50 en voor den scriba ƒ 42.—. Geen wonder dat voor velen de benoeming tot deputaat een zeer begeerlijke zaak was, en dat allerlei middelen werden aangewend om een benoeming als deputaat te verkrijgen. Maar was dit jacht maken op deputaatschappen bewijs van de diepe inzinking van het geestelijk leven, het droeg eveneens bij tot het verval der kerk. Voor al zulke misbruiken moeten de kerk en de kerkelijke deputaten zich wachten. Al behooren de deputaten vergoeding te ontvangen voor de door hen gemaakte noodzakelijke onkosten, hun arbeid dient te geschieden uit liefde voor het welzijn der kerk, en elke kerkelijke vergadering moet geheel vrij blijven in de benoeming van hen, die zij voor de te vervullen taak de meest geschikte acht 1).

De benoeming van deputaten behoort te geschieden door de kerkelijke vergadering zelve, die door een vrije stemming of door haar adhaesie te hechten aan een voordracht van het moderamen de personen kan aanwijzen. Het spreekt van zelf, dat de praktijk hierin een woord meespreekt. Bij het verkiezen van een moderamen der synode is het gemakkelijk een geheel vrije stemming te houden uit de aanwezige leden der synode. Doch de benoeming van deputaten aan het einde der synodale zittingen kan bezwaarlijk door een schriftelijke stemming geschieden, omdat licht allerlei verwarring kan plaats grijpen en niet altoos de rechte personen worden aangewezen. De beste wijze van benoeming is wel deze, dat het moderamen voor de verschillende deputatiën een voordracht doet, dat deze voordracht minstens één dag voor de sluiting eener generale synode aan de vergadering wordt aangeboden, opdat de vergadering haar kan beoordeelen, desnoods anderen aan de voordracht kan toevoegen, zoodat tenslotte de benoeming tot stand komt òf door schriftelijke stemming òf door goedkeuring der voordracht. Op deze wijze worden eindelooze stemmingen voorkomen, en wordt het volle recht der synode gehandhaafd.

Wanneer nu de synode deputaten heeft benoemd, hebben deze niet het recht op eigen gezag anderen aan hun getal toe te voegen. Wel


1) Dr H.C. Rutgers, Kerkelijke Deputaten, bl. 39-64.

|219|

staat het hun vrij, wanneer zij dit voor de uitvoering van hun opdracht noodig oordeelen, het advies van anderen in te winnen, maar zij gaan buiten hun bevoegdheid, wanneer zij andere personen, die de synode niet gewild heeft, tot hun getal toevoegen. Daardoor wordt aan personen een bijzonderen invloed gegeven, welke de synode hun zeer waarschijnlijk niet heeft willen geven, wijl zij anders hen tot het getal der deputaten zou hebben toegevoegd.

 

De duur van den dienst der deputaten is in ’t algemeen van de vergadering, die benoemt, tot de volgende samenkomst, voor die van de particuliere synode één jaar en voor de generale deputaten drie jaar. In bijzondere gevallen kan van dezen regel worden afgeweken. Toen wegens de Arminiaansche twisten van 1608 tot 1618 geen synoden gehouden werden, bleven de in 1608 benoemde deputaten al die tien jaren fungeeren. Men drukte dit ook wel in de acta uit. Veelal volgden de particuliere synoden de gewoonte, dat de deputaten voor twee jaren zitting hadden, en dat alle jaren de helft aftrad, opdat de nieuwen in het werk zouden kunnen worden ingeleid. Soms ook werden zij benoemd „om de commissiën des synodi desen aenstaenden jaere wt te voeren” 1) en soms om te dienen „tot het naest te houden synodus” 2). De door de synode van Dordrecht gestelde regel (Art. 49), dat de deputaten dienen van synode tot synode, waarbij het dan in de vrijheid der synode ligt hen te continuëeren, is wel zeer aan te bevelen. Waarom zou de synode bepaalde deputaatschappen als die voor de zending, voor het verband met een instelling van Hooger Onderwijs, voor de correspondentie met de Hooge Overheid, enz. niet zoo geregeld mogelijk verlengen, indien de daartoe aangewezen mannen, die ingegroeid zijn in dien arbeid, hun werk naar behooren volbrengen? En het is de goede gewoonte, dat iemand, wanneer de synode hem aanwijst voor een deputaatschap, haar niet afwijst. Hij geeft zich voor dat werk, tenzij hij overwegende bezwaren mocht hebben, waarover hij  de vergadering laat oordeelen.

 

Het ligt niet op de lijn van het Gereformeerde kerkrecht om het kerkelijke leven in allerlei bijzonderheden te reglementeeren. De oudste synoden zijn hiervoor ook bewaard. Maar in de 18de eeuw begon men al meer belang te stellen in reglementeering, aan welke zucht de synode van ’s Gravenhage (1738, Art. 2) uiting gaf, door te besluiten „alle de pligten van D.D. Deputati” te verzamelen „onder den titel van de Kerkelijke Reglementen”. Dit neemt niet weg, dat de oude synoden wel in


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 203.
2) Reitsma en Van Veen, Acta II. 46.

|220|

korte bewoordingen de plichten van hare deputaten in het algemeen hebben omschreven. De meest algemeene regel werd gesteld door de synode van Edam 1), die deputaten benoemde „omme desen aenstaenden jare de synodale lasten uijt te voeren”. Anderen synoden, o.a. die van Groningen, 1603 2), en van Friesland, 1605 3), gaven een breed omschreven opdracht, terwijl de Generale synode van Dordrecht, 1618/19, in de door haar opgestelde kerkenordening eene korte omschrijving gaf, die eenigszins als model kan dienen, en die meer dan twee eeuwen als regel gegolden heeft. In Art. 49 dezer kerkenordening wordt bepaald, dat de deputaten hebben te verrichten wat hun door de synode wordt opgedragen, en voorts om de synode te vertegenwoordigen bij de Hooge Overheid, bij de classes, in het bijzonder om tegenwoordig te zijn bij de examens en haar in bepaalde gevallen met raad te dienen, en haar in voorvallende zwarigheden de hand te bieden, opdat de goede eenheid, orde en zuiverheid der leer behouden en bevestigd zou worden. Door de Generale synode van de Gereformeerde kerken in Nederland is dit artikel nog eenigszins verkort. De synode van 1892 liet weg de woorden: „zoowel bij de Hooge Overheid als”, terwijl in 1905 door de synode van Utrecht werden geschrapt de woorden: „bij de respectieve classen onder haer sorterende”, zoodat niet meer dan de algemeene bepaling in het begin van het artikel overbleef: „om alles wat de synode geordonneerd heeft te verrichten”, en Art. 49 sedert aldus luidt: „Iedere synode zal ook eenigen deputeeren, om alles wat de synode geordonneerd heeft te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de classes de hand te bieden, waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans, ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst, voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat.”

1. De taak der Deputaten in het algemeen wordt samengevat in deze weinige woorden uit te voeren wat de synode geordonneerd, d.w.z. hun opgedragen of bevolen heeft. In deze woorden ligt reeds heel de taak der deputaten opgesloten. De synode kan, omdat zij naar Gereformeerde opvatting niet een permanent bestuurslichaam is, niet alle door haar genomen besluiten uitvoeren. Daarom benoemt zij voor de uitvoering harer besluiten, of voor het vervullen van een opdracht, hetzij om een


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 362.
2) A.w. Acta VII. 70.
3) A.w. Acta VI. 154.

|221|

kwestie te onderzoeken en eenige zaak voor de behandeling op een volgende synode voor te bereiden, hetzij om de kerken in bijzondere gevallen te representeeren bij andere kerken of bij de overheid, of ook om de eenheid en het welzijn der kerken te bevorderen, hare deputaten, met een wel omschreven instructie, waaraan zij gebonden zijn.

Als regel geldt en dient te gelden, dat voor de onderscheidene zaken telkens afzonderlijke deputaten benoemd worden. En ofschoon een synode rekening moet houden met de geschiktheid der personen, is het aan te bevelen, dat zij niet al te veel opdrachten aan dezelfde personen geve, niet alleen om deze personen niet al te zeer te bezwaren, maar ook opdat hun invloed niet de rechte maat overschrijde. Deze algemeene bepaling geldt zoowel voor de particuliere als voor de generale synoden.

2. Deputaten voor de correspondentie met de Hooge Overheid.
De bijzondere verhouding, waarin de Gereformeerde Kerken na 1572 tot de overheid stonden, bracht mede, dat er door de synoden deputaten werden benoemd om met haar te handelen. De kerken wilden gaarne, dat de overheid de kerkenordening bevestigde, en had daartoe haar veel invloed in kerkelijke zaken gegeven; en omdat de overheid de beurs had, waaruit de tractementen vloeiden, kwam het dat de kerk zoveel had te vragen aan de Staten. Eerst werden voor ieder der zaken afzonderlijke deputaten benoemd, maar omdat er zoveele en zo velerlei zaken met de Staten te behandelen waren, was het onpractisch en omslachtig om voor allerlei kwesties nieuwe deputaten te benoemen, en zoo kwam het, dat men al meer aan dezelfde mannen opdroeg.

Voor een niet gering deel bestond het werk van deze deputaten in het indienen van requesten, dat de Staten zouden zorgen voor verbetering der tractementen en pensioenen, dat zij maatregelen zouden nemen tegen de Paapsche stoutigheden en de roepende zonden, en dat zij zouden waken tegen het inkomen van secten, zooals de Arminianen, de Socinianen, de Kwakers, de Hernhutters en anderen. Voorts werd aangedrongen op een generale huwelijksordinantie, en werd den Staten verzocht op te treden ten gunste van verdrukte geloofsgenooten. Bovendien waren er zoovele terreinen, waarop kerk en overheid elkander ontmoetten, dat er geregeld aanleiding was om de overheid te raadplegen en verzoeken tot haar te richten. Met groot geduld en aanhoudenden ijver hebben deputaten de verzoeken om hulp en de klachten over het niet handhaven der plakkaten aan de Regeering voorgelegd. En al werd hun arbeid niet altoos met goed gevolg bekroond, de invloed der kerken door hare deputaten bij de Regeering is zeer groot geweest.

Een bijzonder deel van den arbeid der deputaten bij de Hooge Overheid waren de audiënties bij de overheidspersonen, het aanbieden van gelukwenschen bij verjaardagen en heugelijke gebeurtenissen in de

|222|

gezinnen der stadhouders, welke gelegenheid de kerkelijke mannen wel eens aangrepen om bijzondere belangen in de gunst van den stadhouder aan te bevelen. Van niet minder beteekenis was de geregelde begroeting van den raadpensionaris, aan wien de deputaten gewoon waren geregeld te rapporteeren over hun arbeid, en zijn advies in te winnen over de in te dienen requesten bij de Staten. Van vrijwel denzelfden aard waren de bezoeken bij den Commissaris-politiek. De commissarissen-politiek hadden zeer veel te zeggen in de kerkelijke vergaderingen. De magistraat had zich het recht weten te verzekeren, hetwelk zelfs in de Kerkenordening (Art. 37) was vastgelegd, dat zij zich in den kerkeraad kon doen vertegenwoordigen, door een of twee harer leden, „wesende Lidtmaten der Ghemeente” met deliberatieve stem, zoodat de kerk daardoor voor goed onder den duim van de magistraat was gekomen, en er niet ten onrechte is gezegd dat de gemeenten beheerd werden op het stadhuis in de „Bierbank, daer de Magistraten op de Dorpen veeltijds hare saeken plegen te verrichten”. In al de provinciën, behalve Zeeland en Drenthe, werden geregeld Provinciale synoden gehouden, en deze vergaderingen werden ook bijgewoond door commissarissen-politiek. Zij werden gewoonlijk voor hun leven benoemd, doch ontvingen jaarlijks nieuwe commissies. „Rechtens bezaten zij een adviseerende stem, doch feitelijk een dictatoriaal gezag, en bemoeiden zich veelal met alle voorkomende zaken, als waren zij de bestuurders der kerk” 1). De synoden waagden het tenminste niet van hunne adviezen af te wijken, en wanneer deputaten een enkele maal met commissarissen in botsing kwamen, moesten zij wel gehoorzamen 2).

Omdat thans de verhouding van kerk en overheid een geheel andere is dan in de dagen der republiek, en de macht van de overheid met betrekking tot kerkelijke zaken is vervallen, is ook de taak van de Deputaten voor de Correspondentie met de Hooge Overheid een andere geworden. Hun taak is volgens de besluiten der synoden van 1893, art. 138 en van 1908, art. 52: 1. Alle stukken, die van de Regeering bij hen inkomen, bestemd voor de kerken, ter harer kennis te brengen; 2. alle veranderingen in de bij de Regeering berustende lijst door de kerken medegedeeld aan de Regeering bij haar te bevestigen, en van de veranderingen in die lijst mededeeling te doen aan de kerken; 3. „in buitengewone gevallen van rouw en vreugde, het Koninklijk huis betreffende, betuiging van deelneming in naam der kerken aan de Hooge Overheid te brengen; 4. aan de Hooge Overheid op eventueele vragen naar het gevoelen der kerken over bepaalde zaken antwoord te geven, voorzoover


1) Dr G.J. Vos, Gesch. d. Vad. kerk, 1888, bl. 150.
2) Dr H.C. Rutgers, Kerkel. Deputaten, bl. 93.

|223|

onze kerken zich (na 1892) over deze en dergelijke zaken hebben uitgesproken in Generale Synode, en van de eventueele vragen der Regeering en de daarop gegeven antwoorden mededeeling te doen.” 5. Het ontvangen en bewaren van alle mededeelingen en afschriften, betrekking hebbende op rechtsgedingen en alle belangrijke correspondentie, enz.

3. In de derde plaats is het de taak der Deputaten om aan de classes bij voorvallende zwarigheden hulp te verleenen, opdat de eenheid, de orde en de zuiverheid der leer behouden en bevestigd worden. Oorspronkelijk, vóórdat er nog synodale deputaten waren, was de behartiging dezer zaak aan de synodale classis opgedragen. De synode van Schoonhoven (1579, art. 12) besloot aan de classis, die geroepen was de synode saam te roepen, op te dragen, dat zij, zoo er eenige zwarigheid of oneenigheid voorviel in de classes, zou zorg dragen om of zelve of door hare deputaten deze te beëindigen, en dat zij zoo zij daarin zelve niet slaagt bevoegd is eene vervroegde synode samen te roepen. Deze last van deputaten werd later op aandrang der Staten uitgebreid. Zelfs machtigde de synode van Rotterdam in 1605 de deputaten om zich bij intercessie in alle in de kerken ontstane geschillen te mengen. Zij zette hierbij de eerste schrede op den weg, die er toe kon leiden, dat deputaten een soort superintendenten werden. En om dit te voorkomen bepaalde Dordrecht (1619), dat deputaten werd opgedragen „den classen de hand te bieden”, waardoor werd uitgedrukt, dat deputaten het verzoek der classen om hulp te bieden moesten afwachten, en zich niet als deputaten mochten bemoeien met zaken, waarin door partijen hun raad niet gevraagd was. Herhaaldelijk drongen de Staten er door hare commissarissen op aan, om de bevoegdheid van deputaten uit te breiden, opdat deze zelf terstond zich in alle geschillen mochten mengen en beslissen, maar de synoden wilden, ofschoon zij er prijs op stelden, dat de classen in alle gewichtige zwarigheden de hulp van deputaten zouden inroepen, aan het verlangen der Staten niet toegeven en handhaafden de bepaling, in Art. 49 der Dordtsche Kerkenordening gesteld 1), terwijl zelfs de synode van Brielle (1726) uitdrukkelijk een verklaring gaf van de Dordtsche bepaling in deze clausule: „welverstaande, dat hun Eerw. des verzogt worden door de resp. Classen”.

Aan deputaten mag geen bevoegdheid gegeven worden om zelfstandig uit eigen beweging zich in te laten met de beslechting van geschillen. Er zijn naar Gereformeerd kerkrecht slechts vier kerkelijke vergaderingen, die eene besturende en beslissende macht bezitten. Wanneer deputaten verder zouden gaan dan de Dordtsche Kerkenordening heeft


1) Acta v. d. Syn. v. Schoonhoven 1630, art. 33; ’s Gravenhage 1634, art. 32; Brielle 1726, art. 2; Dr H.C. Rutgers, Kerkel. Deputaten, bl. 156.

|224|

bepaald, zouden zij licht ontaarden in een soort bestuur. Dit neemt echter niet weg, dat de classen, wanneer zij de hulp van deputaten inroepen, deze zaak niet behooren af te doen zonder deputaten. Vooral geldt dit, wanneer in een zeer ingrijpende kerkelijke kwestie, zooals deze ontstond naar aanleiding van het optreden van Dr Geelkerken, in 1926, de Generale synode deputaten benoemt als commissie van advies aan kerkeraden en classen.

De synode van de Gereformeerde kerken van 1905 heeft voor deze kerken de breede Dordtsche redactie van Art. 49 verkort, en alleen laten staan: „en in voorvallende zwarigheden aan de classen de hand te bieden.” Naast de bijzondere zwarigheden bieden de deputaten der synode hulp in zaken, die bij de vastgestelde orde der kerken geregeld zijn, als: de losmaking van predikanten naar art. 11; de emeriteering van predikanten naar art. 13, bij de toelating van predikanten uit andere kerken, gelijk door de Gereformeerde kerken bepaald is voor een Hervormd predikant, die tot de Gereformeerde kerken wenscht over te gaan (1893, art. 166), en eveneens voor een predikant uit de Chr. Geref. kerk (1914, art. 79), die wenscht over te gaan, van predikanten, die den band met de Gereformeerde kerken verbreken en later wenschen terug te keeren (1899, art. 153), terwijl in sommige gevallen zelfs het oordeel van de volle particuliere synode vereischt is bij de toelating tot het ambt van afgezette predikanten (1927, Art. 96) en van predikanten, die moedwillig den dienst in de gemeente hebben verlaten (1930).

Deze deputaten zijn in den regel dezelfde, die ook over de peremptoire examens staan. In bijzondere gevallen kan echter de synode ook afzonderlijke deputaten benoemen, gelijk dan ook de Generale Synode van Utrecht (1905) bepaalde, dat voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten benoemd moeten worden.

4. Het bijwonen van de peremptoire examens der aankomende predikanten. De kerken hebben reeds heel vroeg deputaten der particuliere synode voor de examens gewild. Reeds op de Zuid-Hollandsche synode van 1579 was de vraag besproken of het niet noodig was, geregeld deputaten te benoemen 1), en weldra werden niet alleen in Zuid-Holland, maar ook in de meeste andere provinciën zulke gedeputeerden benoemd. De Leidsche classis bracht hiertegen bezwaar in, en oordeelde dat bij de examinatie van studenten, die aan de Leidsche academie bij mannen als Trelcatius, Junius en Gomarus, die geen enkele reden van wantrouwen hadden gegeven, hadden gestudeerd, geen synodale deputaten vereischt werden. De synode van Schoonhoven (1597, art. 18, 19, 24)


1) Reitsma en Van Veen, Acta II. 181.

|225|

oordeelde echter, dat de examinatie ten overstaan van deputaten synodi niet in strijd was met art. 18 der synode van 1586; dat ook de professoren noch de classen hierdoor in hun rechten verkort werden, maar dat de tegenwoordigheid der deputaten „diendt tot meerder verseeckertheydt van de beqaumheydt der dienaren”, en zij bepaalde „dat voortaen alle die dienaren des classis, zooveel doenlycken is, sich sullen laten vinden by de examinatie, ten eynde sy alle van de gelegentheydt des geexamineerden kennisse moghen draghen ende met ghemeene stemmen advyseren, item dat de lidtmaten des classis stemmen sullen, naerdat de ghedeputeerde des synodi eerst haer advys gegeven sullen hebben”. De synoden van Dordrecht (1598, art. 12), Leiden (1600, art. 48, 53) en Schiedam (1602, art. 15) bevestigden dit besluit. Enkele provinciën, o.a. Zeeland, volgden dit gebruik niet, en daarom heeft de synode van Dordrecht (1618/19), om eenparigheid te bevorderen, een artikel in de Kerkenordening opgenomen.

De reden, waarom de synoden zulke deputaten ad examina wilden, is hiermede duidelijk aangegeven. Een predikant wordt volgens art. 4 K.O. dienaar uit kracht van de roeping door de plaatselijke kerk. Maar uit kracht van het kerkverband wordt hij door alle kerken eerst als wettig dienaar erkend, en als dienaar op de meerdere vergaderingen toegelaten, en tevens bevoegd geacht zonder nader onderzoek in andere kerken te dienen, wanneer hij door de classis in tegenwoordigheid van de synodale deputaten is onderzocht. Opdat dus de kerken den vereischten waarborg hebben, dat de candidaat bekwaam en geschikt is, en opdat er eenheid zij in de gestelde eischen, is het noodig, dat vertegenwoordigers der synode bij het examen tegenwoordig zijn en hunne toestemming geven.

Er is wel eens over gesproken, dat terwille van de gelijkheid der exameneischen in plaats van deputaten der Particuliere Synode deputaten der Generale Synode moesten aanwezig zijn. Doch hiertegen gelden de volgende bezwaren: a. dat zulke deputaten al te veel overwicht in het kerkelijk leven, ook op de studie, zoowel in materieel als in formeel opzicht, zouden verkrijgen; b. dat zulke deputaten veel te veel werk zouden hebben en veel te veel tijd zouden verliezen door de afstanden, en deze maatregel ook te duur zou zijn; c. dat de generale synoden slechts alle drie jaren samenkomen, en beslissingen in voorkomende moeilijkheden te lang moeten wachten; d. dat te sterke centralisatie tot veel machtsaanmatiging en misbruik aanleiding zou kunnen geven.

De deputaten ad examina zijn niet aangesteld om examen af te nemen, maar om toezicht te houden op het examen en advies uit te brengen. Wel kunnen zij zoo noodig vragen stellen aan den candidaat,

|226|

maar de classis examineert. In tegenwoordigheid van deputaten wordt over het gehouden examen beraadslaagd, en nadat deputaten hun advies hebben uitgebracht, beslist de classis over al of niet toelaten van den candidaat tot de heilige bediening.

Komt de beslissing der classis overeen met het advies der deputaten, dan loopt de zaak gemakkelijk. Bezwaar zal ook wel niet ontstaan, wanneer deputaten tot toelating adviseeren en de classis iemand niet toelaat. Maar omgekeerd, wanneer de classis tegen het advies der deputaten wel toelaat, kan dit groote moeilijkheid opleveren. Blijkt het verschil alleen te bestaan over de kennis in een enkel vak, dan zou herexamen gewenscht kunnen zijn. Doch wanneer de classis tegen het advies der deputaten iemand zou toelaten, dan ligt het op den weg der deputaten de classis ernstig te waarschuwen, en daarvan te rapporteeren op de synode, die alsdan beslist hoe gehandeld moet worden. In afwachting van deze beslissing behoort het in dienst treden van den geëxamineerde uitgesteld te worden. In den regel zal in zulk een geval de synode haar deputaten handhaven en een nieuw examen gelasten. Dat eene classis zich niet zou voegen naar de uitspraak der synode, is ondenkbaar, want dan zou de classis hiermede het kerkverband verbreken, en zou de betrokken predikant buiten de classis niet erkend worden.

 

De bevoegdheid der deputaten.

Deputaten zijn afgevaardigden eener kerkelijke vergadering met opdracht om een bepaalde werkzaamheid of bepaalde werkzaamheden, die de vergadering zelve niet kon doen, namens haar te verrichten, of wel wat door haar besloten werd uit te voeren, met macht om te adviseeren, te vermanen, te waarschuwen, enz., maar niet met de macht om zelfstandig te handelen. Zij moeten en mogen hunne bemoeiingen niet uitstrekken tot kerkelijke zaken en aangelegenheden, waaromtrent zij geen opdracht hebben, opdat zij geen aanleiding geven te denken, dat zij bisschoppen of superintendenten zijn. Hiervoor hebben de Nederlandsche Gereformeerde kerken altoos beslist gewaarschuwd, gelijk onmiskenbaar blijkt uit Art. 1 van de Kerkenordening van Emden, welk artikel in de latere redacties steeds onveranderd gebleven is: „Geen kerk zal over eene andere kerk, geen dienaar over eenen anderen dienaar ... eenige heerschappij voeren.” Voetius 1) licht deze gedachte toe met de volgende vergelijkingen: „Als een dienaar of ouderling door den kerkeraad gezonden wordt om een van zijne mededienaren of medeouderlingen iets aan te zeggen of op te leggen, dan brengt dit niet


1) Pol. Eccl. IV. 146.

|227|

mede, dat hij daardoor verheven wordt of zich verheft boven zijnen mededienstknecht, of dat hij geacht wordt met een nieuw ambt van bisschoppelijkheid of hoogheid bekleed te worden, of dat eene nieuwe en bijzondere kerkelijke macht wordt ingevoerd. Desgelijks als de leden der gemeente, op voorgang van den kerkeraad, met hem, en als het ware in hem een lid excommuniceeren, dan brengt dat niet mede, dat zij zichzelven eene hoogheid of heerschende macht over hunne broeders toekennen.” En zoo ook brengt de zending van kerkelijke deputaten door een classis of eene synode benoemd niet mede, dat deze een bijzondere macht of een kerkelij ken rang bezitten, maar hunne werkzaam­heden hebben zich niet verder uit te strekken dan waarvoor zij een bepaalde opdracht bezitten, met inachtneming van de in de kerk levende orde en met verantwoording aan de hen zendende kerkelijke vergadering. Het ontbreekt dan ook niet aan voorbeelden in de acten der synoden, dat de deputaten verslag deden van hunne handelingen en dat de vergadering het werk van deputaten onderzocht en goedkeurde of ook daarin verandering aanbracht 1).

In zeer bijzondere en spoedeischende gevallen kunnen deputaten de classen of kerken te hulp komen, maar dan toch alleen in dien zin wanneer zij daartoe geroepen worden door de vergadering, die raad of steun behoeft. „Maar dan toch” — zooals Voetius zegt 2) — „alleen door raadgeving, en (om het zoo eens uit te drukken) door tusschenspraak en door aanteekening van verzet; om het dreigend gevaar, de zeer ernstige beroering of misschien wel verwoesting der kerken en de algeheele schending der orde te voorkomen, of althans zoolang tegen te houden, totdat de synode of classe kon worden samengeroepen.” Zoo heeft ook de synode van Assen (1926, art. 210) in het geval Dr Geelkerken een commissie van advies benoemd, aan wie het recht werd toegekend, zich — indien noodig — anderen te assumeeren, om waar dit noodig bleek, van advies te dienen. Doch de kerken waakten er doorgaans voor, dat zulke deputaten geen beslissende, maar alleen uitvoerende of raadgevende macht hebben. In concrete gevallen, in een moeilijke tuchtzaak, of wanneer een revolutionaire woeling de kerk dreigt te verwoesten, is wel eens aan een commissie een bijzondere macht toegekend om namelijk met synodale macht op te treden, zooals in de procedure tegen de Remonstranten wel is geschied, gelijk dan ook de Zuid-Hollandsche synode van Delft (art. 69) bepaalde: „Tegen alle welcke (predikanten die onwettig in den dienst waren gekomen, en door verkeerde leeringen ergernis hadden gegeven) persoonen de voors.


1) Reitsma en Van Veen, Acta VI, bl. 287; Rutgers, Acta, bl. 561, 571 v.v.
2) Pol. Eccl. IV. 145.

|228|

gedeputeerde handelen sullen met soodanigen authoriteyt, alsoff de synode selue ware tegenwoordich, naerdat sy sullen vinden te behooren, mits conditie nochtans, dat diegene, die haer by de wtsprake der gedeputeerden vinden gegraveert, sich sullen beroupen mogen ad synodum nationalem.”

Wanneer echter de kerken of classen niet luisteren en zich niet willen voegen naar den raad van synodale deputaten, dan kunnen deze niet eigenmachtig optreden, maar wel dringend raden en vermanen, en zoo noodig zich wenden tot de synodale of roepende kerk, met verzoek eene buitengewone synode samen te roepen. Zoo heeft ook de classis Amsterdam in 1926 op advies der Provinciale deputaten, gehoord het advies der hoogleeraren te Kampen en te Amsterdam, besloten „zich tot de Particuliere synode van Noord-Holland te wenden met het verzoek ten spoedigste een vervroegde Generale Synode te doen bijeenkomen, ten einde over deze zaak (van Dr Geelkerken) in haar geheel een beslissing te nemen” 1). Hoe gevaarlijk het echter is, dat de synode een al te ruime opdracht geeft aan hare deputaten, bleek in de Schotsche kerk 2). Men had in 1560 slechts 12 predikanten, waarvan 7 aangewezen werden voor de hoofdplaatsen, terwijl aan de 5 overige opgedragen werd rond te reizen, overal voor de organisatie van nieuwe gemeenten te zorgen en toezicht te houden op het leven en de uitoefening van het ambt der dienaren, om daarvan rapport uit te brengen aan de Generale Synode. Deze instelling van superintendenten was tijdelijk bedoeld. De synode achtte haar niet in strijd met het beginsel, dat alle dienaren gelijk zijn, aangezien die superintendenten geheel aan het toezicht der synode onderworpen waren. Voorts moest deze instelling slechts tijdelijk zijn. Toch bleek naderhand deze instelling verkeerde gevolgen te hebben. De superintendenten wilden hun macht uitbreiden. En later wees men, toen pogingen werden aangewend om in Schotland het episcopaat in te voeren, op deze instelling, en een zoon van een dezer superintendenten, die onder koning Jacobus I tot bisschop benoemd werd, zeide, dat hij niets anders deed dan zijn vader had gedaan.

Bij de bepaling van de macht der deputaten behoort nauwkeurig gelet op de grenzen der bevoegdheid zoowel van de synode, die zendt, als van deputaten, die gezonden worden. Elke synode kan alleen beslissen in de zaken, die volgens de kerkenordening tot haar gebied behooren. En hieruit volgt, dat zij aan hare deputaten geen bevoegdheden schenken kan, welke haar zelven niet toekomen. Maar tevens kan


1) Memorieboek, 1926, bl. 11.
2) Brandes, John Knox, S. 243, 433.

|229|

de synode niet al hare macht, die zij als kerkelijke vergadering bezit, overdragen op hare deputaten. Er bestaat ook geen enkele bepaling van kerkorde of synode, die haar zulk een macht voor alle voorkomende zaken verleent. De deputaten behooren een wel omschreven last te ontvangen voor een bepaalde zaak. Doch hieruit volgt ook, dat deputaten niet voor langeren tijd benoemd moeten worden dan tot de naastvolgende synode, op welke zij van hunne handelingen rapport hebben te doen, en zich hebben te verantwoorden.

Op eigen gezag behooren deputaten geen zaak te doen. In den regel hebben dan ook deputaten geweigerd zich in te laten met zaken, waartoe zij geen last hadden ontvangen. Toch kan het geval zich voordoen, dat de hulp of raad van deputaten wordt ingeroepen. In zulke gevallen kunnen zij met mededeeling, dat zij hiervoor geen opdracht hebben ontvangen, wel als personen dienen van raad en advies, daarbij in aanmerking nemende wat naar hun overtuiging de synode in zulk een geval zou gedaan hebben. Ook kunnen zij, zooals ook wel geschiedt, de vragende kerken of personen verwijzen naar de meerdere vergaderingen, classen en synoden, die gehouden worden voor de synode samenkomt, en ook daar — desgevraagd — dienen van advies.

Het ligt in den aard der zaak, dat deputaten der particuliere synode voor het bijwonen van de examens, enz. en deputaten der Generale Synode, die volgens hun opdracht met de classen of synoden hebben te handelen, op de uitvoering van een besluit hebben aan te dringen of regelingen hebben te treffen, of die voor de behandeling eener zaak van orde en tucht zijn aangewezen, door eene mindere vergadering behooren te worden ontvangen, en in de gelegenheid te worden gesteld zich van hun opdracht te kwijten, maar zij hebben niet het recht zelf eene vergadering van classis of synode samen te roepen, wijl zij dan optreden als een bestuur, en dit geheel buiten hun competentie ligt 1). Wanneer dan ook eene synode aan hare deputaten het recht verleent, zooals de synode van Den Briel (1623, art. 7, 40) deed, om, bij het ontbreken of bij weigering van de deputaten der classis eene vergadering saam te roepen, zelf een vergadering te convoceeren, is dit geheel in strijd met het recht dat aan eene synode toekomt.

In bijzondere tijden, wanneer — zooals vroeger herhaaldelijk voorviel — de kerkelijke vergaderingen niet geregeld konden samenkomen, hebben kerkelijke mannen wel eens zelfstandig moeten handelen. Daardoor is historisch in Hongarije een speciale vorm van kerkregeering ontstaan, namelijk een samenweving van het bisschoppelijke ambt met het synodaal-presbyteriaal systeem, dat in onderscheiden tijdperken


1) Dr H.C. Rutgers, Kerkel. Deputaten, bl. 186-224.

|230|

zegenrijk voor de kerk aldaar heeft gewerkt, maar dat in gewone tijden ook een schadelijke zijde heeft. Doch in ons land was het gebruik, dat de synoden later, wanneer zij weder konden samenkomen, de handelingen harer deputaten goedkeurden.

Vroeger duurde het deputaatschap eener Provinciale synode twee jaar, en werd telken jare een ander benoemd, die met het lid dat zitting bleef houden het werk dat opgedragen werd verrichtte. In lateren tijd, en zoo ook thans in onze kerken, duurde het in den regel drie jaren van Generale tot Generale Synode, terwijl een deputaatschap eener particuliere synode duurt van de eene tot de andere synode, dus in den regel één jaar. Deputaten zijn en blijven aan hun last gebonden totdat de synode hen er van ontheft, gelijk art. 49 der K.O. zegt: „Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat.” Gewoonlijk wordt dit zoo opgevat, dat wanneer de synode is samengekomen de deputaten hun mandaat hebben verloren. Alzoo was de oude beschouwing niet, en alzoo is het niet naar de letter van art. 49 K.O., volgens hetwelk zij niet ontslagen zijn van hun werk, vóór de synode hen daarvan ontslaat.

 

Tot de deputaten der synode behooren ook de correspondenten, die in vroeger en tijd uit de meeste provinciën naar de provinciale en particuliere synoden gezonden werden. De oorzaak van de instelling dezer correspondentie tusschen de verschillende synoden ligt daarin, dat de Heeren Staten het samenkomen eener Nationale Synode verhinderden. In 1586 was op de Nationale synode van ’s Gravenhage nog verklaard: „De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, tenware dat er eenige dringende nood ware om den tijd korter te nemen.” Maar in 1589 werd de synode niet saamgeroepen. Niettegenstaande er dringende nood was, doordat allerlei dwalingen het kerkelijke leven onrustig maakten, bleef de Generale Synode uit. Daarom gingen de kerken omzien naar middelen om in het gebrek eener Nationale Synode te voorzien.

Reeds in 1591 gevoelde de particuliere synode van Zuid-Holland, dat er iets moest gedaan worden om betere correspondentie te verkrijgen (Art. 35). En de particuliere synode van Zuid-Holland, 1593 te Den Briel vergaderd, besloot (Art. 23) „onder correctie ende believen der heeren Staten ende van de Noordthollandsche synode, dat uyt elcke synode van Hollandt twee sullen gedeputeert werden om respectivelyck twee van d’ eene in d’ andere synodale vergaderinge te verschynen.” Zij zond twee afgevaardigden naar de N. Hollandsche synode om deze zaak aldaar te bespreken ten einde deze correspondentie „voortaen in alle synodale vergaderingen van Hollandt geëffectueert moge worden.”

|231|

Dit voorstel werd door N. Holland aanvaard, en in het volgende jaar zond zij ook hare afgevaardigden naar de Zuid-Hollandsche synode. Tusschen Overijssel en Gelderland bestond de correspondentie nog vroeger. Reeds in 1579 zochten die van Deventer, Kampen en Zwolle correspondentie met Gelderland, welke correspondentie echter later door Overijssel werd afgebroken, omdat de Geldersche broeders een keer op de synode van Overijssel een al te hoogen toon hadden aangeheven. Gelderland echter hield niet van het isolement, en zocht onder leiding van Johannes Fontanus betrekkingen aan te knoopen met Zuid-Holland. De Zuid-Hollandsche synode besloot tot correspondentie met Gelderland onder voorbehoud dat ook Noord-Holland toestemde. En bij die gelegenheid 1) werd gesproken om pogingen aan te wenden „dat men uyt alle Synoden deser Geunieerde Provintien eenen op elcken synode mocht sien te becommen om den standt der kercken int ghemeene te weten ende alsoo beter conformiteyt te houden.” Maar met het houden van correspondentie met andere provinciën behalve met Gelderland en Noord-Holland liep het niet zoo vlot, en daarom besloot de Zuid-Hollandsche synode de zaak voorshands te laten rusten 2). Tot op de synode van Dordrecht (1618/19) zijn de particuliere synoden van Noord- en Zuid-Holland en Gelderland vrij trouw in correspondentie gebleven, terwijl Groningen meermalen en Overijssel een enkele maal mede tegenwoordig was.

Juist, omdat de kerken door de correspondentie met elkander gemeen­schap konden hebben, en van elkanders toestand op de hoogte bleven en elkander konden sterken, is het te verstaan, dat de Zuid-Hollandsche synode het gravamen, dat er voor ’t vervolg correspondentie tusschen alle particuliere synoden zou zijn, doorzond naar de Generale synode van Dordrecht, onder dese restrictie „dat sulx niet en verhindere een nationalem Synodum, ende dat de gedeputeerde rapport doen van haer wedervaren aen den particulieren Synodum” 3). Op deze wijze is art. 48 van de Dordtsche Kerkenordening ontstaan. De correspondentie werd goedgekeurd, doch niet voorgeschreven. Er werd bepaald: „Het sal yegelijcken Synodo vrystaen, correspondentie te versoecken ende te houden met synen Benabuerden Synodo ofte Synodis in sulcker forme, als sy meest profijtich achten sullen voor de gemeene stichtinghe.”

Zoo is dan de correspondentie langzamerhand tusschen bijna al de provinciën gewoonte geworden. In 1624 trad Utrecht toe, in 1630 ook Friesland, waar de Staten aanvankelijk geen toestemming wilden geven. Zeeland's Staten wilden geen verlof geven, en Drenthe deed ook niet


1) Acta Syn. Den Haag 1599, Art. 14, 19.
2) Acta 1600, Art. 11.
3) Acta 1618, Art. 39.

|232|

mede. Maar overigens vinden wij tegen het einde van de zeventiende eeuw de namen van alle de correspondenten en de vermelding van de besluiten, door de andere synoden genomen, in de acten der provinciale synoden opgeteekend.

Welke rechten hadden de gedelegeerden der eene synode op de andere synode? De synode van Rotterdam (1594) 1) bepaalde, dat de gedeputeerden met de vergadering der andere provinciën zouden „delibereren ende adviseren, sonder te hebben stemmen om te decideren in eenige saecken, ten ware deselve haerluyden mede aenginge.” En dit alles bij provisie. Toch is deze regel wel de meest aanbevelenswaardige, overeenstemmend met die van de correspondentie met de buitenlandsche kerken. Het ligt voor de hand, dat afgevaardigden van zusterkerken wel in de gelegenheid gesteld worden hun oordeel te zeggen en te adviseeren over belangrijke kwesties, maar dat zij niet een beslissende stem hebben in zaken, die niet hun eigen kerken aangaan, want de beslissing in zaken van eigen kerken berust bij de kerken zelve. Op de synode van Dordrecht (1618/19) was aan de buitenlandsche afgevaardigden een beslissende stem toegestaan in zaken van de leer, want juist voor dat doel waren zij genoodigd, maar toen de beslissing over de zaak der Remonstranten was genomen, lieten de buitenlanders als van zelf het eindoordeel aan de Nederlandsche afgevaardigden 2).

De taak van de gedelegeerden na 1618 was om met de vergaderde synode eener provincie te beslissen in de handelingen aangaande de Bijbelvertaling, en om bij de H.H. Staten aan te dringen op afschaffing en wering van allerlei booze misbruiken in het volksleven. Ook hadden zij gelijk recht met de leden der synode, wanneer het ging over een onderzoek naar buitenlandsche kerken, en om hulp te verleenen aan verdrukte en vervolgde kerken en christenen. Ook kwam de invloed der gedelegeerden uit in de zaken der leer, en in de benoeming van predikanten bij het leger. Mede werd door de correspondentie bereikt de eenheid in de liturgie en de inrichting der kerkelijke vergaderingen. Op deze wijze was in de jaren tusschen 1618 en het einde der 18e eeuw de correspondentie eenige vergoeding voor het gemis van eene generale synode van al de Gereformeerde kerken in ons land.

Toen echter de Gereformeerde kerken in de 19de eeuw vrijgemaakt waren van het valsche juk eener haar opgelegde synode, en zij zelve in synode konden samenkomen, kon het hulpmiddel van de correspondentie naar art. 48 der kerkenordening wegvallen. De in dat artikel bedoelde correspondentie wordt veel beter onderhouden, wanneer de


1) Reitsma en Van Veen, Acta III. 19.
2) Voetius, Pol. Eccl. IV. 199.

|233|

kerken zelve in generale synode vergaderen. Alleen in bijzondere gevallen, wanneer de kerken uit onderscheidene provinciën samenwerken voor de Zending of anderszins, kunnen zij nog met een wel omschreven regeling met elkander gemeenschap houden. Doch deze correspondentie geschiedt naar een regeling, door de Generale Synode van de Gereformeerde kerken goedgekeurd.

Bouwman, H. (1934) § 80

Derde Afdeeling: De Kerk en de bediening van de Sacramenten en Ceremoniën.

Hoofdstuk I. De Doop.

 

§ 80. Doop en genadeverbond.

De doop is naar Gereformeerd belijden het teeken en zegel van het verbond der genade. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis drukt zich aldus uit: „Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus, die het einde der wet is”, in de plaats der besnijdenis „heeft verordend het Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, zijn merk en veldteeken dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader”. De doop is het sacrament der inlijving in de kerk van Christus. Dat wil niet zeggen, dat wij door den doop eerst lid worden van de kerk en deel krijgen aan het verbond der genade. Integendeel, de kinderen der geloovigen zijn als zoodanig leden van het lichaam van Christus, en hebben deswege het recht op het teeken en het zegel des verbonds. Doch de doop is de deur, waardoor wij ingaan in de gemeenschap der zichtbare kerk, en het merkteeken der christenen, het uitwendig teeken en zegel van de aanhoorigheid aan Christus ontvangen, en daarmee ook de verplichting op ons nemen, om als degenen, die Christus toebehooren, in heiligheid en godzaligheid voor den Heere te leven.

Om die reden is ook de rechte kennis van en het inleven in den doop voor de gezondheid en den bloei van het kerkelijke leven van de grootste beteekenis. Niet alleen is de doop voor allen, die hun zaligheid in

|234|

Christus zoeken, een heerlijke steun, dat God de Heere hun betuigt, dat Hij met hen een eeuwig verbond heeft opgericht, dat Hij hen heeft aangenomen tot Zijne kinderen, en erfgenamen des eeuwigen levens, dat zij gewasschen zijn in Christus’ bloed en geheiligd worden tot zijn dienst, maar de doop verplicht hen ook „tot eene nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden en in een nieuw godzalig leven wandelen”.

Maar hieruit vloeit tevens voort de roeping van de opzieners der gemeente om de jeugd der kerk als het eigendom des Heeren te verzorgen, te onderwijzen en te leiden in ’s Heeren wegen, en door de herderlijke zorg toe te bereiden tot de volle gemeenschap der sacramenten, terwijl daarmee ook ten nauwste samenhangt de oefening van opzicht en tucht door de opzieners, aan wie de sleutelen des hemelrijks zijn toebetrouwd. Hoe beter de doop verstaan en beleefd wordt, hoe zuiverder en krachtiger het leven der gemeente zich zal ontplooien.

 

De bediening des doops is niet maar een oude achtenswaardige plechtigheid, die de kerk onderhoudt uit eerbied voor het voorgeslacht, of ook omdat daarin zulk een schoone symboliek ligt opgesloten, maar de doop is eene instelling van Christus, die door de kerk moet worden onderhouden zoolang zij in deze bedeeling leeft. Christus heeft den doop als sacrament van het genadeverbond ingesteld, toen Hij vóór zijn hemelvaart aan zijne discipelen heeft opgedragen om het evangelie te prediken aan al de volken „dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes”.

De geloovigen werden door den doop, die in den eersten tijd door onderdompeling geschiedde, ingelijfd in de gemeenschap aan den dood en de opstanding van Christus, en werden dus in die gemeenschap de vergeving der zonden en het eeuwig leven deelachtig (Hand. 2: 38; 22: 16; Rom. 6: 3-11; Gal. 3: 27). Daarom kan de doop beschouwd worden als een afwassching der zonden, het symbolisch onderpand van de rechtvaardiging en van de vergeving der zonden (1 Cor. 6: 11), zooals ook tot Paulus gezegd was: „Sta op en laat u doopen en uwe zonden afwasschen” (Hand. 22: 16).

Deze weldaden worden aan den gedoopte niet op mechanische wijze in het water des doops zelve geschonken. De Roomsche kerk neemt wel zulk een verband aan, en leert dat de genade op geheimzinnige wijze in het water inzit en met het water aan den doopeling wordt medegedeeld. Alle zonden, zoowel erfelijke als dadelijke zonden, die

|235|

vóór den doop werden bedreven, de tijdelijke en de eeuwige straffen worden kwijtgescholden. Voorts wordt door de instorting van heiligmakende genade en de bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde de geestelijke vernieuwing en heiliging van den mensch tot stand gebracht. Daardoor wordt de erfsmet ganschelijk te niet gedaan. „In renatis nihil odit Deus” 1). Alleen de concupiscentia (de begeerlijkheid) blijft over, welke echter geen zonde is, maar wel prikkel der zonde kan worden.

De Lutherschen namen deze doopsbeschouwing met eenige wijziging over. Luther zelf heeft na 1524 het objectieve karakter van den doop tegenover de Wederdoopers zoo gehandhaafd, dat de genade door de sacramenten, als door hare organen en instrumenten, werkt. In zijn Grooten Catechismus zegt Luther 2): De doop „ist nicht allein ein natürlich Wasser, sondern ein göttlich, himlisch, heilig und selig Wasser”, en omdat het water in Gods Woord geheiligd is „ein Gottes Wasser”. En maakte Luther den doop niet los van het geloof, stelde hij het geloof noodig voor het ontvangen der genade, als orthodox gold later het gevoelen, dat de doopshandeling het geloof of tenminste een kiem des geloofs mededeelt, en dat in den kinderdoop de wedergeboorte tot stand komt 3).

Deze opvatting van Rome en van de Luthersche kerk maakt het sacrament los van het Woord, terwijl volgens de H. Schrift het sacrament is een teeken en zegel, gehecht aan het Woord, en daarvan losgemaakt alle waarde verliest (Matth. 28: 19; Hand. 8: 35-37). De H. Schrift leert, dat alleen hij den doop in zijn volle beteekenis kan ontvangen, die in Christus gelooft, gelijk de Heid. Catechismus belijdt (vr. 69): „dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest van de onreinigheid mijner ziele, dat is, van alle mijne zonden gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen ben”.

Calvijn heeft op grond van de H. Schrift de sacramenten beschreven als teekenen en zegelen van de beloften Gods in Zijn Woord, waardoor wij den rijkdom van Gods genade in Christus aanschouwen 4). Het sacrament dient echter niet om Gods Woord, dat in zich zelf vast en zeker is, te bevestigen, maar om ons zwak geloof te versterken. Ook moeten wij wel verstaan, dat het uitwendige teeken het geestelijke goed


1) Trid. 5, 4. f.; Cat. Rom. P. II, c. II.
2) J.T. Muller, Die symbol. Bücher d. ev. Luth. Kirche, 1900, S. 487.
3) Hutter XX, 10 f. „omnes infantes baptizatos vere regenerari et recipi ingratiam Dei... Infantes per baptismum virtute Spiritus sancti vera fide donari, vel inde patet, quod regenerantur.
4) Instit. IV. 14, 3.

|236|

niet in zich besloten houdt, het is de Geest Gods die levend maakt, maar die zich van het middel wil bedienen om ons de genade mede te deelen en ons geloof te sterken. Ongeloovigen ontvangen slechts het teeken, maar de geloovigen ontvangen met het teeken ook de beteekende zaak. Het geloof is dus voor het gebruiken der sacramenten onmisbaar.

Den kinderdoop hadden de Gereformeerden te verdedigen tegen de Anabaptisten, die leerden dat de kinderen niet konden gedoopt worden, omdat zij niet kunnen gelooven. Reeds Augustinus, die van oordeel was dat het geloof en de bekeering vóór den doop noodig waren, had deze leer ook toegepast op den kinderdoop; en wijl de kinderen zelf niet bewust konden gelooven, vervangt de doop zelf of de voorbede der kerk of het geloof der ouders het geloof, dat zij zelf nog niet kunnen oefenen. Augustinus had nog niet het rechte inzicht in het verbond der genade. Calvijn evenwel ontving het rechte licht over het genadeverbond. Met de Dooperschen leerde hij, dat de sacramenten voor de geloovigen verordend waren, maar tegenover hun subjectief standpunt, waardoor zij alleen hen als geloovigen erkenden, die zich als zoodanig openbaarden, beriep Calvijn zich op de H. Schrift, bepaaldelijk op haar leer van het genadeverbond. Voor den kinderdoop voert Calvijn als eersten grond aan de analogie met de besnijdenis. Besnijdenis en doop hebben in den grond dezelfde beteekenis. De uiterlijke teekenen verschillen wel, maar de beteekende zaak is dezelfde, namelijk de reiniging van de zonden door het bloed van Christus en de dooding van ons vleesch. En in verband hiermee wijst Calvijn op den eigenlijken rechtsgrond, waarop de kerk den doop toedient, namelijk het verbond der genade. Calvijn veronderstelt niet het persoonlijk geloof bij de kinderen, ofschoon hij tegenover Servet vasthoudt, dat het zaad des geloofs bij de kinderen aanwezig kan zijn 1). „De kinderen ontvangen” — zoo schreef hij aan Bullinger 2) — „niet op hetzelfde tijdsmoment met den doop den Geest der wedergeboorte. Want wie in hun prille jeugd gedoopt zijn, wederbaart God in de jonge jaren, of in den tijd der jongelingschap, soms ook in den ouderdom”. Waar het bij den doop op aankomt is dit, „dat hij het verbond, hetwelk God met hen gemaakt heeft, bevestige en versterke” 3). De ouders worden bij den doop versterkt in het geloof, dat hunne kinderen tot het verbond behooren. Naar den aard der liefde mogen de ouders van hunne kinderen, die geen ongeloof toonen, gelooven dat zij tot het volk van God behooren. Toch heeft de doop niet alleen waarde voor de ouders, maar ook voor de kinderen. „Zij worden door


1) Inst. IV. 16, 20.
2) Corp. Ref. VII. 704.
3) Inst. IV. 16, 21.

|237|

de inlijving in de kerk den anderen leden der kerk aanbevolen en bezitten, ouder geworden, in hunnen doop een prikkel om met ernst en ijver God te dienen” 1). In plaats dat voor hen het verbondsteeken eene verzegeling der voorafgaande wedergeboorte is, ontvangen zij het tot dooding des vleesches, die zij op lateren leeftijd zullen betrachten. Wanneer zij tot de jaren komen, dat zij in de waarheid des doops kunnen onderwezen worden, dan vinden zij in hunnen doop in de jeugd ontvangen een aansporing voor het heele leven tot het betrachten der vernieuwing 2). Op de ethische en paedagogische zijde van het verbond wordt dus de nadruk gelegd. Daarom moeten ook de doopheffers of getuigen de belofte afleggen, dat zij het te doopen kind zullen onderwijzen in de leer, en vermanen om te leven naar den regel van Christus, in zelfverloochening, toewijding tot den dienst van God en stichting van den naaste 3). Calvijn ontkent volstrekt niet, dat Gods Geest ook wel werkt in de kinderen en dat ook kinderen het geloof en de wedergeboorte kunnen deelachtig worden. Tegenover de Dooperschen houdt hij met beslistheid vol, dat God ook de kleine kinderen, indien ’t Hem zoo gelieft, wel met een klein vonkske van den vollen glans Zijner genade kan bestralen. Immers de kinderen worden gedoopt tot de bekeering en het geloof, die zij namaals hebben zullen. En ofschoon dit geloof en deze bekeering „in hen nog niet de rechte vorm hebben ontvangen (quae etsi nondum in illis formatae sunt), is toch door de verborgene werking des Geestes evenwel het zaad van beide in hen verborgen” 4). Maar al kan ook het zaad des geloofs in de jeugdige harten aanwezig zijn, de Dooperschen vergeten, dat de beteekende zaak altijd in orde des tijds aan het teeken moet voorafgaan 5), en daarom moet men „in den kinderdoop voor het tegenwoordige geen meerdere werking vereischen, dan dat hij het verbond door God met hen gemaakt versterkt en bevestigt”. De doop is dus het teeken en zegel des verbonds. „Door de weldaad dezer belofte (Gen. 17: 7) worden zij tot den doop ontvangen, omdat zij voor leden der kerk gerekend worden” 6). Deze gedachte wordt nog sterker uitgedrukt in de Institutie van 1555: „Daaruit volgt dat de kinderen der geloovigen niet deswege in hun jeugd gedoopt worden, opdat zij dan eerst (met den doop) zonen Gods worden, terwijl ze voorheen buiten de kerk stonden, maar eer worden zij door het plechtige teeken daarom in de kerk


1) Inst. IV. 16, 9.
2) Inst. IV. 16, 20, 21.
3) Formula Baptismi administrandi, bij Niemeyer, Coll. Conf. p. 183, La forme d’administrer Ie baptême, Corp. Ref. VI. 188.
4) Inst. IV. 16, 19, 20.
5) Inst. IV. 16, 21.
6) Corp. Ref. VII. 444.

|238|

opgenomen, omdat zij door de weldaad der belofte reeds tevoren tot het lichaam van Christus behoorden 1).

Eenstemmig leerden de Gereformeerden met Calvijn, dat de rechtsgrond voor den kinderdoop was het verbond der genade. De kinderen, geboren uit geloovige ouders, moesten worden gedoopt. Maar zoodra men nadacht over de vraag, wat het inzijn in het genadeverbond beteekende, ging men uiteen. Sommigen zooals à Lasco, Voetius e.a. leerden, dat de kinderen uit geloovige ouders geboren voor wedergeborenen moesten worden gehouden, en dat dit de grond is voor de doopsbediening, terwijl anderen, zooals Calvijn, erkenden dat God ook in de harten der kinderen de wedergeboorte werkte, maar in het midden lieten, wanneer God de wedergeboorte schonk. In den strijd tegen de Wederdoopers en tegen de Lutherschen werd door sommige theologen nog al sterk geaccentueerd, dat de kinderen der geloovigen voor wedergeborenen moeten gehouden worden,en dat hun daarom de doop toekomt, maar over het algemeen hielden de theologen in de eeuw der reformatie zich aan het gevoelen van Calvijn, gelijk ook de Fransche en Nederlandsche Belijdenissen, terwijl de Heidelbergsche Catechismus zoo duidelijk leert, dat men de jonge kinderen zal doopen „mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den doop, als door het teeken des verbonds, der christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is”.

In het Nieuwe Testament is volgens Col. 2: 11, 12 de besnijdenis vervangen door den doop. Ook de christenen zijn besneden, leert de Apostel Paulus, doch niet door eene besnijdenis, welke met handen geschied is, maar door een geestelijke besnijdenis, welke tot stand kwam door den dood en de opstanding van Christus en haar kracht ontving door de levensgemeenschap met Christus. Door den dood van Christus heen is de schuld en de onreinheid der zonde weggenomen, en heeft de besnijdenis hare beteekenis verloren. De besnijdenis toch duidde aan de onreinheid onzer menschelijke natuur, en wees heen naar de verzoening van Christus; de doop evenwel wijst terug op Christus’ volbracht werk, en verzekert, dat door Christus’ dood de schuld en de onreinheid der zonde is weggenomen, en dat de christen geheel innerlijk gereinigd is van de zonde. Indien dan onder de oude bedeeling de besnijdenis


1) Corp. Ref. I. 1038.

|239|

moest worden toegepast aan de kinderen, zou dan niet onder het Nieuwe Testament, in de bedeeling der vervulling, het sacrament der vervulling toekomen aan de kinderen des verbonds?

De doop verzegelt het verbond Gods. De kinderen zijn evengoed als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen. Niet wat wij van onze kinderen denken, maar wat God van hen zegt beslist in dezen. Onze kinderen zijn van de ontvangenis en van de geboorte aan onrein, en van nature der verdoemenis onderworpen, maar God getuigt in Zijn Woord, dat de kinderen der geloovigen de Zijnen zijn, omdat Hij ze krachtens Zijn verbond heeft willen aannemen en hun Zijne rijke beloften in Christus heeft willen schenken, en daarom komt ook den kinderen het teeken en het zegel van het genadeverbond toe.

Het genadeverbond is volgens Gods Woord de verhouding, waarin God Zich stelt tot den gevallen mensch in Christus om aan hem zijne barmhartigheid te verheerlijken. God belooft hem Zijn God te zijn en verplicht hem tot nieuwe gehoorzaamheid. Het genadeverbond wortelt in den eeuwigen liefderaad Gods tot behoudenis van Zijn volk, en het is zelf de onthulling van dien raad in den loop der historie. Reeds terstond bij den val stelde God Zich tot den zondigen mensch in eene betrekking van genade, en gaf de belofte van de toekomende verlossing. De roeping en de afzondering van Abraham was noodig voor de ontplooiing van den raad des heils. Toen de menschheid na den zondvloed afgleed van de rechte kennis en den zuiveren dienst Gods, riep God Abraham om met hem een nieuw begin te maken en hem te stellen tot den stamvader van een geslacht, dat drager der heilsbelofte zou zijn, en uit welk geslacht Christus, het hoofd des N. Verbonds, de verlosser der wereld zou geboren worden (Gen. 12: 1-3; 17: 1-7; Ef. 1: 4-7).

Het verbond is niet opgericht met enkele losse individuen, maar met het volk Gods in Christus, het hoofd zijner gemeente. Paulus zegt, dat het verbond, met Abraham opgericht, wezenlijk rustte in Christus. Hij verklaart de woorden tot Abraham (Gen. 12: 3) en tot Izaak gesproken (Gen. 21: 12) nader, dat het zaad, waarin alle geslachten der aarde zullen gezegend worden, is Christus. De volkomen vervulling der beloften Gods concentreert zich in Christus (Gal. 3: 16). God heeft een bepaald aantal personen uit het geheel van de zondaren Zich tot een eigendom aangenomen, om ze te brengen tot de verlossing en de zaligheid. Maar om deze verkorenen toe te brengen heeft God Zijn verbond opgericht. Dat verbond doorloopt een historie, sluit zich aan bij bepaalde geslachten, waaruit God Zijn volk vergadert en zet zich voort van kind tot kind. De apostel Paulus teekent in Rom. 5: 12-21 de twee bondshoofden Adam en Christus, leert dat God den organischen weg noodig keurde in het werk der verlossing en toont daarbij aan,

|240|

dat de genade Gods vooral in de bedeeling des Nieuwen Testaments veel overvloediger is geweest dan de zonde.

Indien de belofte des verbonds en de genade der wedergeboorte niet voor kinderen was, zouden de kinderen niet gedoopt mogen worden. Maar wij lezen in de H. Schrift, dat de wedergeboorte ook in de prilste jeugd kan plaats grijpen, zooals blijkt uit het voorbeeld van Johannes den Dooper (Luc. 1: 15), van Obadja (1 Kon. 18: 12), van Jeremia (Jeremia 1: 5) en van anderen (Ps. 22: 10, 11; 71: 6). Ook de kinderen hebben dus deel aan de belofte en aan de weldaden des H. Geestes (Hand. 2: 39). Zij zijn het heilige zaad, en naar den regel dat waar „de wortel heilig is, ook de takken heilig zijn” (Rom. 11: 16) kunnen ook de kinderen der geloovigen heilig genoemd worden (1 Cor. 7: 14). En indien God aan de kinderen dezelfde beloften geschonken heeft als aan de volwassenen, zou dan iemand durven beweren, dat deze niet zouden mogen gedoopt worden? Ook Christus heeft de kinderen beschouwd als deelgenooten des verbonds. Hij riep hen tot zich, omhelsde hen, legde hun de handen op, zegende hen, en sprak: „derzulken is het Koninkrijk Gods” (Matth. 18: 2; 19: 13; Marc. 10: 14; Luc. 18: 15). Ook de kinderen worden gerekend tot het volk Gods. Zij zijn geen heidenkinderen die, zooals Rome leert, eerst moeten geëxorceerd worden, maar kinderen des verbonds, die heilig zijn, „niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond” 1). Daarom worden zij ook gerekend tot de gemeente, ontvangen zij vermaningen en beloften (Hand. 26: 22; Ef. 6: 1; Col. 3: 20).

De H. Schrift rekent dus niet alleen de volwassenen, maar ook de kinderen tot het volk Gods. En zou men meenen, dat men bij de volwassenen meer zekerheid heeft dan bij de kinderen, dan vergist men zich wel zeer. Wij kunnen niet met absolute zekerheid zeggen of iemand een geloovige is, omdat wij in het hart niet kunnen lezen, doch alleen kunnen oordeelen over de kenmerken van belijdenis en wandel. Houden wij naar het oordeel der liefde de volwassenen, die Christus als hun Zaligmaker belijden, voor geloovigen, en laten wij hen toe tot de sacramenten, wij mogen ook de kinderen der geloovigen tot het volk Gods rekenen, omdat God hen rekent tot de Zijnen. Als God zegt: „Ik ben uw God”, dan is dit ook zoo, en als God zegt: „Ik ben uws zaads God”, dan mag geen enkel christen een ander oordeel uitspreken. Wij moeten daarom naar den aard der liefde, uit kracht van Gods verbond de kinderen der geloovigen voor des Heeren eigendom rekenen, tenzij deze later in zonde afzwerven en in hunne zonde sterven. Het komt hier volstrekt niet aan op het subjectieve oordeel van dezen of genen mensch,


1) Leerregels I. 17.

|241|

of deze van de oprechtheid van iemands geloof overtuigd is, maar het komt aan op wat God zegt in Zijn Woord.

Nu zijn er echter twee lijnen, de lijn door God getrokken, binnen welke alleen vallen de gekenden des Heeren, en de lijn door God uitgestippeld voor ons, welke wij kortzichtige menschen ook in de practijk moeten trekken, en binnen welke vallen de geloovige geslachten. De eerste lijn is voor ons verborgen, de laatste is ons geopenbaard. Het getal dergenen, die wij rekenen tot het verbond, is niet identisch met het getal der uitverkorenen. Wij kennen de bondgenooten alleen uit hun belijdenis en wandel. Wij moeten oordeelen naar den maatstaf, dien God ons geeft, en rekenen dan de geloovigen met hun zaad tot het verbond, ook al weten wij, dat wij ons kunnen vergissen, ook al blijkt het later dat niet allen, die wij rekenen tot het verbond, ware bondgenooten zijn. Het wezen van den doop ontvangt alleen hij, aan wien God Zijn belofte verzegelt en met het teeken de beteekende zaak, de vergeving der zonden en het eeuwige leven, schenkt. Maar wij scheiden niet tusschen de leden der gemeente, omdat wij dat niet kunnen, en omdat God ons zegt, dat wij moeten doopen de geloovigen en hun zaad.

Wij komen hier voor een mysterie te staan. Het staat vast, dat niemand anders tot het geloof komt dan die in Gods raadsbesluit ten eeuwigen leven is uitverkoren, en aan de andere zijde is het ook waar, dat God de lijn der verkiezing in het verbond openbaar laat worden en dat Hij de kinderen des verbonds rekent als het zaad Gods. Het staat vast, dat God de kinderen des verbonds, uit geloovige geslachten geboren, in het genadeverbond insluit, en anderzijds is het niet te loochenen, dat velen niet den geestelijken zegen des verbonds, de innerlijk herscheppende genade, deelachtig zijn. Twee lijnen loopen schijnbaar onverzoend naast elkander, namelijk, die van Gods souvereiniteit en van onze verantwoordelijkheid, van Gods eeuwige verkiezing en van den weg des verbonds. Er is wel een hoogere eenheid, maar deze is alleen bij God bekend. Ons zwak menschelijk oog kan ze niet aanschouwen. Wij hebben eenvoudig te aanvaarden wat God in Zijn Woord ons bekend maakt. Het verbond der genade neemt in zijn aardsche bedeeling ook dezulken op, die, ofschoon gedoopt in den naam van God Drieëenig, toch niet waarlijk in Christus Jezus gelooven. Daaruit blijkt dat het aantal van hen, die wij rekenen tot het genadeverbond, niet gelijk is met het aantal der uitverkorenen. Wie tot de schare der uitverkorenen behoort, is alleen bij God bekend. Wij weten het niet. Wij kunnen alleen rekenen met de vruchten der verkiezing, en uit belijdenis en wandel oordeelen, of iemand door ons mag worden gerekend tot het volk Gods. Indien iemand verklaart, dat hij een

|242|

geloovige is, en zijn leven daarmee niet in strijd is, dan kan en moet de kerk hem naar den aard der liefde als een bondgenoot rekenen, hem als geloovige toespreken en hem de teekenen des verbonds toedienen. Vergist de kerk zich in haar oordeel en is zulk een lid der kerk een schijngeloovige of een huichelaar, dan ligt die misleiding voor rekening van het betrokken lid der kerk, dat veinsde een waarachtig geloovige te zijn. De kerk gaat vrij uit, wanneer zij de zuivere bediening des Woords, der sacramenten en der tucht handhaaft, wanneer het haar ernst is om de gemeente zooveel mogelijk in overeenstemming te doen zijn met den eisch Gods. Maar zoo zij dit beginsel loslaat, en zoo zij niet durft gelooven, dat haar uitspraak in den hemel bevestigd wordt, dan staat zij niet recht. Onverzwakt heeft de kerk Gods Woord te gelooven en te handhaven. Zij moet haar standpunt nemen niet in de mysteriën, maar in het geopenbaarde Woord Gods, dat duidelijk zegt: „U komt de belofte toe, en uwen kinderen”. Absolute zekerheid, dat het ware geloof in een persoon aanwezig is, heeft de kerk niet en kan zij niet hebben. Daarom oordeelt zij ook niet over de inwendige dingen. Nooit is de kerk zeker, zoomin bij het sacrament des avondmaals als bij den doop, dat geen huichelaar het sacrament ontvangt. Wie persoonlijk absolute zekerheid wil hebben, dat allen, die de sacramenten gebruiken, ware bondgenooten zijn, gaat op het standpunt Gods staan, en kan geen bedienaar van het sacrament zijn. De kerk ontheiligt dan ook de sacramenten niet, wanneer zij een huichelaar of een ongeheiligde, die den schijn aanneemt een geloovige te zijn, toelaat, maar wel als zij den regel door God gesteld verloochent, en iemand, die als een onheilige leeft of die verklaart niet te gelooven in God naar Zijn Woord, rekent tot de schare der geloovigen.

De eigenlijke grond voor den doop is dan ook het verbond Gods. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis zegt (Art. 34): dat Christus „afgedaan hebbende de Besnijding, die met bloed geschiedde, in de plaats daarvan heeft verordend het sacrament des Doops, door hetwelk wij in de kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, zijn merk en veldteeken dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Zoo heeft Hij dan bevolen te doopen alle degenen, die de zijnen zijn”, d.w.z. degenen, die naar de merkteekenen, die God ons heeft gesteld, in het verbond Gods en Zijne gemeente begrepen zijn. De doop werkt de genade niet, maar hij sterkt en bezegelt haar. De doop kan niet anders geven dan wat het Woord reeds heeft geschonken, maar hij schenkt dezelfde weldaden als het Woord „op eene andere wijze en in een anderen vorm, zoodat het geloof, naar de mate welke God aan een

|243|

iegelijk geschonken heeft, er door bevestigd en versterkt wordt” 1).

Tegenover de Wederdoopers, die ontkenden dat de kleine kinderen kunnen gelooven, handhaafden de Gereformeerden uitdrukkelijk, dat de kleine kinderen wel het geloof kunnen deelachtig zijn, en beleden zij, dat de kinderen „alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen zijn”. Doch al moet het zaad der gemeente krachtens de belofte Gods gehouden worden voor geheiligden in Christus, het is toch niet juist te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen wordt toebediend op grond van hunne onderstelde wedergeboorte, zooals P. van Mastricht, Dr A. Kuyper en anderen leerden, en wel a omdat de grond voor den doop ligt in het bevel Gods, b omdat de uitdrukking doopen onder veronderstelling van wedergeboorte zou zeggen, dat aan de uitverkoren kinderen de wedergeboorte reeds vóór den doop is geschonken, hetgeen niet alleen niet is te bewijzen, maar ook nergens in Gods Woord is genoemd, en in vele gevallen met de practijk in strijd is. God is vrij in Zijn doen en schenkt meermalen aan het zaad des verbonds op gevorderden leeftijd levensvernieuwing en bekeering. En in de derde plaats c kan daaruit licht een verkeerde gevolgtrekking worden gemaakt. Want al houdt de kerk het zaad des verbonds voor geheiligden in Christus, dit wil toch niet zeggen, dat daarom elk kind waarlijk wedergeboren zou zijn, omdat Gods Woord ons leert, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn, en dat daarom in de prediking steeds op zelfonderzoek moet worden aangedrongen, aangezien wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.

Grond voor den doop is niet de wedergeboorte, maar het verbond Gods. Dr H. Bavinck getuigt terecht: „De Gereformeerden keerden daarom (om overdrijving en verzwakking van den doop te voorkomen) tot de Schrift terug en namen bij de verdediging van den kinderdoop eenparig hun standpunt in het verbond der genade, dat naar Gods belofte niet alleen de geloovigen, maar ook hun zaad omvatte. Niet wedergeboorte, geloof en bekeering, en veel minder ons vermoeden dienaangaande, maar alleen het verbond der genade gaf, beide bij vol­wassenen en bij kinderen, recht op den doop. Dat verbond was de vaste Schriftuurlijke objectieve grond, waarop alle Gereformeerden gemeenschappelijk en zonder onderscheid het recht van den kinderdoop deden rusten; een anderen dieperen, hechteren grond hadden zij niet” 2).

Hiermede is duidelijk het recht en de plicht van den doop betoogd. Indien de kinderen des verbonds ’s Heeren eigendom zijn, en moeten gerekend worden tot het volk des verbonds, zoo hebben zij evengoed


1) Dr H. Bavinck, Geref. Dogmatiek2 IV. 583.
2) Geref. Dogmatiek2 IV. 573.

|244|

recht op den doop als de volwassenen, die belijdenis doen. Volstrekte zekerheid dat zij ware geloovigen zijn hebben wij in beide gevallen niet. Maar naar het oordeel der liefde houden wij hen die geloofsbelijdenis doen voor geloovigen en deelen hun de sacramenten uit, en naar datzelfde oordeel der liefde rekenen wij de kinderen der gemeente tot de geloovigen, omdat zij met hunne ouders in het verbond der genade begrepen zijn.

Bouwman, H. (1934) § 81

§ 81. Doop en doopsformulier.

Het Doopsformulier der Nederlandsche Gereformeerde Kerken leert, dat „men de kinderen als erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond doopen” zal. Zij worden niet gedoopt, opdat zij erfgenamen der belofte zouden worden, maar omdat de belofte Gods: „Ik ben uw God en de God uws zaads” ook hun toekomt. Zij komen door den doop niet in het verbond, maar zij zijn in het verbond, en daarom moeten zij het teeken en het zegel des verbonds ontvangen. Niet dat de kinderen der gemeente beter of waardiger zijn in zich zelven dan de kinderen der heidenen. Zij zijn ook, evenals alle nakomelingen van Adam, kinderen des toorns en moeten, zullen zij zalig worden, wedergeboren worden.

Het Formulier voor de bediening des doops zegt: „Eerstelijk dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn, zoodat wij in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden”. Wanneer zij dus van anderen onderscheiden zijn, dan ligt dit niet in de vleeschelijke geboorte zelve, maar in het verbond, waarin zij door de vrijmachtige beschikking Gods komen te staan tot de belofte van het genadeverbond. Van een kind uit geloovige ouders, d.w.z. in de kerk van Christus geboren, weten wij dat de belofte Gods ook hem geldt, en daarom behoeven wij niet iets te veronderstellen bij den doop, maar wij weten dat dit kind onder Gods belofte ligt, omdat God ons daarvan de verzekering gegeven heeft. Niet alleen aan sommige kinderen, maar aan alle kinderen der geloovigen komt de belofte toe. Wij mogen daarom geen onderscheid maken, omdat wij niet kunnen zien, wie eenmaal waarlijk deel zal hebben aan de zaligheid van Christus en wie niet. Het is dan ook geheel verkeerd te zeggen: Voor dit kind heb ik een belofte, en voor dat kind niet, want dan zouden wij ons stellen in de plaats van God, die alleen onfeilbaar weet wie hij van eeuwigheid heeft liefgehad, en die op Zijn tijd en op Zijne wijze zal openbaren of iemand waarlijk in Christus is.

Daarom moet de kerk vasthouden aan de belofte zoolang het mogelijk

|245|

is. Sterft een kind in de jonge jaren, dan moeten wij vasthouden aan de belofte: „Ik ben uw God en uws zaads God”. En „de godzalige ouders moeten niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt”. Redenen van gegronden twijfel zijn er eerst dan, wanneer een kind des verbonds bij het opwassen moedwillig den weg des verbonds verlaat, en in zonde en ongeloof blijft volharden.

De doop leert ons, volgens het Formulier, „dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn, zoodat wij in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden”. Zoolang God het doode en weerbarstige hart niet verandert en de genegenheden niet omzet, is er geen lust en geen kracht om den Heere te vreezen. Maar God kan die genade des levens schenken. „Dat leert ons de ondergang en de besprenging met het water, waardoor ons de onreinheid onzer zonden wordt aangewezen”. Het water is het middel der afwassching en reiniging. En gelijk nu het water uitwendig het lichaam reinigt, alzoo reinigt het bloed van Christus de ziel van binnen „door den Heiligen Geest, haar besprengende en zuiverende van hare zonden, en ons wederbarende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods”. De herschepping wordt door den doop niet geschonken, want het is de Geest alleen die levend maakt. Maar de doop beeldt af en wijst heen naar den eenigen weg des behouds, en hij verzegelt de belofte van eeuwige redding voor allen die in Christus gelooven. Daarom worden wij ook door de bediening des doops ver­maand „een mishagen aan ons zelven te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reinigmaking en zaligheid buiten ons zelven te zoeken”.

In de tweede plaats worden door den doop de weldaden des verbonds of de beloften van het Evangelie verzegeld, namelijk de afwassching der zonden door Jezus Christus.

Wij hebben in den doop te doen met den Drieëenigen God, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn. De drie Goddelijke personen werken als in heilige harmonie samen om den bondgenoot de eeuwige zaligheid deelachtig te maken. Het is God de Vader, die in Christus het verbond opricht met Zijn volk, en in den doop het zegel hecht aan de belofte des verbonds. Het is de Zoon, die in den doop ons verzegelt „dat Hij ons wascht in zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden”. Ook het werk des Geestes wordt door den doop verzegeld. De Geest is het die ons door het geloof in Christus inlijft, die het leven van Christus ons deelachtig maakt, die reinigt van alle ongerechtigheid,

|246|

die de genade der bekeering en der heiligmaking schenkt en die toebereidt voor de eeuwige zaligheid.

Deze genadeweldaden, de wedergeboorte, de bekeering en de heiliging worden ons wel niet geschonken door den doop, want de doop zelve brengt geen verandering in den doopeling teweeg, maar de doop bezegelt en versterkt de genaderijke belofte Gods. Deze belofte geldt niet alleen voor enkele kinderen, maar voor alle gedoopten. Wel weten wij dat alleen de uitverkorenen de genade des Heeren deelachtig worden, maar wij weten van te voren niet wie uitverkoren zijn en handelen naar den regel des verbonds, dat den geloovigen en hun zaad de belofte toekomt. Eerst bij de uitkomst zien wij wie uitverkoren is. Het verbond heeft twee zijden, een geestelijk eeuwige en eene zichtbare openbaring in den tijd. Zooals wij het genadeverbond zien, neemt het in zijn schoot ook op die niet uitverkoren zijn, die hier op aarde openbaar worden of die eenmaal bij het gericht zullen worden afgescheiden van het volk Gods. Doch wij mogen geen scheiding maken, en hebben ons te houden aan de belofte des verbonds: „U komt de belofte toe en uwen kinderen”. Daarom behoort de kerk allen, die, overeenkomstig het Woord Gods, met hunne ouders aan het verbond der genade deel hebben, te doopen. Want die inzijn in het verbond behooren ook tot de gemeente van Christus, hetzij in ideëelen zin, dat is naar de gedachte Gods, hetzij in reëelen zin, door feitelijke wedergeboorte.

In de derde plaats herinnert het doopsformulier aan de roeping der gedoopten om naar eisch des verbonds den Heere te dienen. De volzalige en algenoegzame God buigt zich neer tot een hulpbehoevend en onwaardig schepsel, geeft hem beloften en verplicht hem tot gehoorzaamheid. God heeft recht, gehoorzaamheid te vragen van den mensch. Hij zou ophouden God te zijn, zoo Hij dezen eisch niet stelde. Tegenover het hoogste betoon van Gods genade is de mensch verplicht zich geheel en met alle krachten te wijden aan den dienst des Heeren. Eiken dag roept de doop hem toe, dat hij zich verbonden heeft in een nieuw godzalig leven te wandelen, en dat hij ontrouw is aan God, als hij den weg der zonde betreedt. Blijft hij ongehoorzaam en onttrekt hij zich aan ’s Heeren dienst, dan gaat hij door eigen schuld verloren. Niet dat de gedoopte uit eigen kracht den wil des Heeren kan volbrengen, maar de Heere wil hem daarvoor de kracht en de liefde schenken. De roeping moet dringen tot gebed en bekeering. Om die reden moeten wij het zaad der gemeente voortdurend wijzen op den eisch der bekeering. En wanneer de gedoopte zijn zwakheid en ellende ziet, en bekommerd vraagt: „Hoe kan ik den Heere liefhebben en dienen?”, dan spreekt het Formulier zoo vertroostend: „En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade

|247|

niet vertwijfelen, noch in de zonden blijven liggen, overmits de doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond met God hebben”. Deze belofte is dus een boodschap der vertroosting niet voor hen, die hun leven in de zonde hebben, maar die hun zwakheid en zonden hebben leeren kennen en behoefte hebben aan de vergevende en helpende genade des Heeren.

 

Nadat nu de leer des doops in het algemeen is uiteengezet, worden in het Formulier de gronden voor den kinderdoop aangegeven, en in ’t bijzonder tegenover de Dooperschen verdedigd. De Dooperschen voerden als bezwaar tegen den kinderdoop aan, dat de kleine kinderen niet verstaan wat door den doop beteekend en verzegeld wordt. Dit argument heeft evenwel geen kracht, want de gemeenschap aan het verbond der genade hangt niet af van de wetenschap, dat men een bondgenoot is. Immers dan zou ook het kind geen zondaar zijn, want het kind weet in zijn prilste jeugd niet, dat het in Adam gevallen en des doods schuldig is. En toch „worden alle menschen in zonden ontvangen, en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde” 1). Het bezwaar van de Dooperschen tegen den kinderdoop heeft veelvuldig een dieperen grond, omdat zij in den regel individualistisch zijn en de erfzonde ontkennen. En deze leer is in strijd met de Schrift, die verklaart, dat „gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens” (Rom. 5: 18). De kinderen mogen, zegt ons Formulier, niet van den doop worden uitgesloten om die reden, dat zij den doop niet verstaan, „aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden”.

Deze genade ziet niet op een mogelijke, maar op een werkelijke genade. Evenmin als de uitdrukking, dat onze kinderen „ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn”, in bloot uitwendigen zin verstaan mag worden, zonder te leeren, dat dit deelgenootschap aan de zonde een schrikkelijke werkelijkheid bevat, zoomin mogen wij stellen, dat de uitdrukking „in Christus tot genade aangenomen worden” niet in wezenlijken zin zou moeten worden verstaan. Het is dan ook geheel onjuist, wanneer Prof. De Bruin in zijn boekje: „Het Formulier van den Kinderdoop” zegt, dat door dit Formulier een uitwendige verbonds- en doopsbeschouwing geleerd wordt, en dat, wanneer er sprake is van geloovigen, daarmede alleen bedoeld worden de


1) Leerr. III. 3.

|248|

„leden der zichtbare kerk, die het geloof der kerk belijden, en dus in ruimeren zin des woords geloovigen heeten, tegenover de ongeloovigen, die Gods Woord verwerpen en zich als openbare vijanden der kerk gedragen”. De grondfout dezer leering is, dat men de kerk in hare historische openbaring niet wil en durft aanvaarden als het lichaam van Christus, en dat men de zichtbare en de onzichtbare kerk van elkander scheidt. Men vergeet, dat in het Doopsformulier aan het woord is niet de een of andere leeraar, niet een groep van menschen, maar de gemeente van Christus, de vergadering van geloovigen, die door Paulus in zijne brieven ook genoemd worden: de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen. Natuurlijk wil het Doopsformulier niet zeggen, dat alle kinderen der geloovigen waarlijk behouden worden, of dat de gedoopten reeds vóór hunnen doop wedergeboren waren, maar, zooals Calvijn zegt bij de verklaring van Rom. 5: 18: „zij hebben in het verbond het recht der aanneming, waardoor zij in de gemeenschap van Christus overgaan”, en zooals de apostel Paulus verklaart: „Niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend” (Rom. 9: 8). Het is uit kracht van die eenheid en eeuwigheid des verbonds, ondanks tijdelijke en voorbijgaande vormen, dat in de bedeeling des Nieuwen Testaments de geloovigen, hoewel geen vleeschelijke nazaten van Abraham, toch Abraham's kinderen genoemd worden. Daarom beroept het Formulier zich ook op het verbond Gods met Abraham, den vader der geloovigen, gelijk ook Petrus betuigt (Hand. 2: 39) met deze woorden: „Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal”.

De tweede bewijsgrond voor den kinderdoop is volgens het Formulier de besnijdenis. „Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden, hetwelk een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs was”. Het Formulier verwijst naar Rom. 4: 11, waar wordt medegedeeld, dat Abraham het teeken der besnijdenis ontvangen heeft tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs. Calvijn teekent bij dezen tekst aan: „De sacramenten zijn volgens dit woord van Paulus zegelen, waardoor èn de beloften Gods in zekeren zin in onze harten worden ingedrukt èn de zekerheid der genade wordt bevestigd”. En gelijk de Heere Jezus kinderen tot zich riep, hen omhelsde en zegende, zoo ook wil de Heere, dat men onder het N. Testament de kinderen als erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond zal doopen. Al de zegeningen Gods, die aan de besnijdenis verbonden waren, zijn op den doop overgegaan. Doch de genade is ook in dezen meer overvloedig geworden, want terwijl onder het Oude Testament alleen de jongens het teeken des verbonds ontvingen, ontvangen thans ook de meisjes het groote

|249|

voorrecht, het teeken des doops, als zegel en onderpand, dat zij zijn erfgenamen des verbonds.

 

Nadat nu in het Formulier de leer des doops naar Gereformeerd belijden is uiteengezet, volgt het gebed voor de bediening des doops. Het is een gebed niet van de doopouders alleen, maar van de gemeente, doch met het oog op de te doopen kinderen. Aan het gebed gaat vooraf een opwekking, opdat de gemeente het aangezicht des Heeren zoeke, opdat het sacrament worde uitgericht „tot Gods eer, tot onzen troost en tot stichting van de gemeente”. In dit gebed vraagt de gemeente: „Wij bidden u, bij uwe grondelooze barmhartigheid, dat gij dit uw kind genadig wilt aanzien, en door uw Heiligen Geest uw Zoon Jezus Christus inlijven; opdat het met Hem begraven worde door den doop in den dood, en met Hem moge opstaan in een nieuw leven; opdat het zijn kruis, Hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen moge, Hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hope en vurige liefde, enz.”

Bij een oppervlakkige lezing zou men kunnen denken, dat het Formulier bedoelde, dat de inlijving in Christus of de wedergeboorte door den doop geschiedt, en dat later daarvoor in de dankzegging na den doop gedankt werd. Maar dit zou geheel in strijd zijn met de Gereformeerde leer des doops, dat niet „het uiterlijk waterbad de afwassching der zonde zelve” is, „want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden” 1). Ook zou dit in tegenspraak zijn met het Formulier zelf, dat de kinderen der gemeente aanmerkt als het zaad Gods. Wij moeten hier denken aan een sacramenteele uitdrukking. De doop is het teeken en zegel van de afwassching der zonden en der inlijving in Christus, en wordt daarom ook wel genoemd het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des H. Geestes, een wijze van spreken, die herhaaldelijk in de H. Schrift voorkomt (Hand. 22: 16; Ef. 5: 26). De doop is een levendige voorstelling van de inlijving in Christus. En deze levendige voorstelling is gegeven in den vorm van een gebed, waarin de gemeente van den Heere smeekt, dat Hij aan het te doopen kind geven wil wat door den doop beteekend en verzegeld wordt, namelijk: de af sterving van den ouden mensch, de opstanding van den nieuwen mensch, het wandelen achter Jezus aan in deze bedeeling en de toekomstige vrijspraak en verheerlijking bij Jezus’ wederkomst.

 

Na de uiteenzetting van de leer des doops en het gebed voor de doopsbediening volgt de vermaning aan de ouders en die mede ten


1) Cat. vr. 72.

|250|

doop komen. De doopouders worden aangesproken met de woorden: „Geliefden in den Heere Christus”. Hierdoor worden zij aangemerkt als behoorende tot de gemeenschap der heiligen, tot de verbondsgemeente, als geloovigen. De kerk oordeelt over de leden der zichtbare kerk uit de kenmerken van belijdenis en wandel. Hoewel zij weet, dat er temidden van de kerk huichelaren zijn, oordeelt zij niet over het hart, maar naar de kenmerken, die God gesteld heeft, en zij rekent hen tot de leden der kerk, totdat hun op grond van leer of leven het recht van lidmaatschap wordt ontnomen.

Namens de kerk spreekt de bedienaar des doops de ouders toe: „Gij hebt gehoord dat de doop een ordening Gods is, om ons en onzen zade zijn verbond te verzegelen; daarom moeten wij hem tot dat einde, en niet uit gewoonte of bijgeloovigheid gebruiken”. In deze woorden wordt wat tevoren in het formulier aangaande den doop werd voorgesteld met korte woorden samengevat. De doop is een ordinantie Gods, met het doel om aan de leden der gemeente en hunne kinderen Gods verbond te verzegelen. En opdat het blijke, dat die overtuiging leeft in het hart, moeten de doopouders op de drie door de kerk gestelde vragen ongeveinsd antwoorden.

De eerste doopvraag luidt: „Eerstelijk, hoewel onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerlei ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent, dat zjj in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen?”

De woorden „in Christus geheiligd” hebben tot veel strijd aanleiding gegeven. Dit hing ten nauwste samen met den toestand van het kerkelijke leven. De theorie, dat de kerk is het lichaam van Christus, een vergadering van geloovigen, trachtten de Gereformeerden in den eersten tijd ook practisch te realiseeren. Relatief klopten theorie en practijk op elkander in den tijd, dat onze confessie en ons doopsformulier zijn opgesteld. Maar na 1572, toen de Gereformeerde kerk staatskerk was geworden, toen alle officiëele ambten en posten alleen openstonden voor hen, die van de Gereformeerde religie waren, toen de overheid de bevolking soms met geweld dwong om Gereformeerd te worden, en de tucht niet meer kon gehandhaafd worden, toen klopten theorie en practijk niet meer op elkander, en kwam er een schreiende tegenstelling tusschen de formulieren en den werkelijken toestand der kerk. Onze vaderen hebben de theorie zooveel mogelijk zuiver gehouden, maar in de practijk hebben zij de volkskerk aanvaard. De grenzen by den doop werden al te ruim getrokken. Men doopte alles wat ten doop werd aangeboden. Kinderen van hoereerders, geëxcommuniceerden, ketters, onverschilligen, openbare goddeloozen, Roomschen, enz. werden

|251|

niet geweerd, maar werden gedoopt, op voorwaarde, dat de kinderen door peters en meters onderwezen zouden worden in de zuivere leer des evangelies. Bij de Gereformeerden leefde het streven om heel het volk te trekken binnen de kerk. De natie moest een Gereformeerde natie zijn. Daarom trachtte men te bewerken, dat alle kinderen in de Gereformeerde kerk gedoopt werden. De overheid werkte daartoe mee. Bij landswet werd gelast, dat de kerk alle kinderen, ook van Roomschen, moest doopen. Ook de synoden werkten in de lijn, dat allen mochten gedoopt worden, mits er voor een goede christelijke opvoeding werd gezorgd. Op de synode van 1578 werd de vraag (vr. 27) gesteld: „of men allerlei menschenkinderen als van hoereerders, afgesnedenen, papisten en andere dergelijke zonder onderscheid doopen zal?” en geantwoord: „Overmits de doop den kinderen die int verbont Gods staen toekoemt, ende het ghewis is dat dese kinderen buyten het verbont niet en syn, soo salmense van den Doop niet weren, Alsoo nochtans datse op behoirlicker wyse ghedoopt werden ende van dien ghepresenteert, die op de afvraghinghe in de forme des Doops begrepen antwoorden ende de leere toestaen”. Op de synode van Harlingen (1590, Art. 24) besloot men: „wanneer die kinderen van luiden, die selve godloos ende vreemt van de Gereformeerde religie sijn ende dieselve niet willen te doope brengen, dan laeten tselve doen door niet minder godlooze luiden, als syselve zijn, sal men hem reguleeren na den 27en artickel des synodi van Dordrecht”. Als maar voldaan was aan den eisch eener christelijke opvoeding, dan mochten de kinderen, zelfs van ongedoopten, gedoopt worden, blijkens de besluiten der synoden van Leeuwarden (1592, Art. 17), van Haarlem (1600, Art. 21) en van Harderwijk (1603, Art. 29). Men vergete echter niet, dat hier geen sprake is van kinderen van geheel ongeloovige of heidensche ouders, maar van Mennonieten, die den doop nog niet ontvangen hadden, ook al waren zij geloovige christenen. Ook handelden onze vaderen wel zoo uit vrees, dat een kind bij de Roomschen gedoopt worden zou. En omdat men gaarne allen tot de Gereformeerde kerk wilde trekken, was men soms al te rekkelijk met de bediening des doops. Maar de ervaring leerde, dat de onderwijzing der gedoopten door de getuigen veelal zeer zwak was en dat de kerkelijke tucht hoe langer hoe meer verslapte. Willem Teellinck getuigde hiervan in zijn Nootwendich Vertoogh aangaende den tegenwoordigen bedroefden staet van Gods volck, c. 3: „Hoe jammerlijck gaet het met den Christelijcken Doop onder ons, hoe weijnige sijnder, die ter dege vernemen, na de ouders om haer de belofte van hare schuldighen plicht, over de Christelijcke opbrenginge harer kinderen te doen? ghelijck sulcx nochtans de ware leere, het formulier des Doops, ende verscheyden resolutien van Synoden,

|252|

medebrenghen. Ende over sulcx, hoe weynighe sijnder oock onder de Gedoopte, die opwassen als geheylichde christenen ende die als lidtmaten der Gemeynte worden aenghegaen? jae worden niet duysent en duysent kinderen onder ons gedoopt ende de kercke Gods inghelijft, die in haer opwassen noeyt en worden ghebracht tot de kennisse, ick late staen tot de betrachtinghe van den H. Doop: ende wasse soo op tot onnutte dienstknechten, welcke dat costelijck Talent des Doops, als in een sweetdoeck (sonder dat aen te legghen) daer henen weg legghen. Vele ouders segghen, sy en connen niet gherust sijn, voordat hare kinders gedoopt sijn, maar dat nu hare kinderen thien, twaalf jaren gedoopt sijn gheweest, ende doch van haren Doop geenderley grondich bescheet en hebben, daer over en sijn sy niet ongherust”. Uit deze woorden, door Teellinck in 1627 geschreven, blijkt dat in Middelburg wel alle kinderen werden gedoopt, maar dat de ouders weinig hun belofte bij den doop afgelegd nakwamen en dat vele volwassenen niet als gedoopten leefden.

Wat moesten zij doen, die met dezen toestand geen vrede hadden? Er waren er die om de kerk heilig te houden den weg van het separatisme insloegen zooals de Brownisten, die eene gemeente van enkel heiligen wilden, en later ook de Labadisten, die de doopsbediening wilden beperken tot kinderen van zulke ouders, van wie het vaststond, dat zij waarachtig bekeerd waren. Ook waren er die in de kerk bleven, maar die een oog hadden voor de verkeerde practijken, en daarom bezwaar hadden om allen, die ten doop werden aangeboden, zonder meer te doopen.

Onder dezen behoorde Jodocus van Lodensteyn, predikant te Utrecht (1620-1677). Hij had bezwaar kinderen te doopen van ouders, die onheilig leefden. Men mag niet alle kinderen doopen, maar alleen de heilige, dat is de kinderen, die heilig of geheiligd zijn door het geloof van een van beide ouders. Daarom maakte hij bezwaar tegen de woorden in de eerste doopvraag „of uwe kinderen in Christus geheiligd zijn”, en wilde hij, evenals zijn collega Gentman, het Formulier van den Doop niet lezen. Een predikant te Amersfoort bracht eveneens in het doopsformulier wijzigingen, waarover zijne ambtgenooten een vraag indienden bij de classis. Deze antwoordde daarop, dat men zich nauwkeurig moest houden aan het formulier, en bracht vervolgens deze vraag op de synode van Utrecht in 1675. En deze vergadering gaf hierop dit antwoord: „alsoo de formulieren zijn banden van eenicheyt der Kercke bij de gemeene kercke aangenomen, dat men daer soo blijven sall, dat den sin daer van niet werde gecontrarieert”. De aanklagers waren met dit besluit niet tevreden, omdat hierdoor aan ieder zijne vrijheid gelaten werd. En nu sprak de synode van 1676 (Art. 24) uit, dat men zich stipt moest houden aan het formulier, zonder eenige

|253|

verandering. Op zich zelf was dit een goed besluit, daar de formulieren het eigendom der kerk zijn, maar de fout der synode was, dat zij niet zorgde, dat de tucht werd gehandhaafd, en dus toeliet dat allen tot den doop mochten komen. Lodensteyn maakte hiertegen wel bezwaar, maar hij was in die dagen ziek, en is kort daarna gestorven 1). Zoo werd feitelijk de doop als sacrament losgelaten, en alleen als paedagogisch instituut gehandhaafd.

Door deze verkeerde voorstelling werd de kerk verwereldlijkt en werden de gewetens der teere zielen onderdrukt. Dit bleek duidelijk uit de geschiedenis van Ds A. de Herder van Bleiswijk. Hij meende, geen kinderen te mogen doopen van ouders, die „enkel natuurlicke menschen” waren, die „geen kennisse van de Leere der Waarheid in ’t gemeen”, noch van de „Leere des Doops in ’t bijzonder hadden” en van „openbare Godloozen, enkel levende na de maniere van de Booze Werelt, niets Christelijks in haar vertoonende”. De classis, tot wie hij zich gewend had, verklaarde, dat hij de orde, in de kerk gebruikelijk, moest volgen en toezien, dat zulk een kind door goede getuigen ten doop werd aangeboden. De Herder verklaarde zich bij dit besluit niet te kunnen neerleggen, en verdedigde zijn standpunt door te beweren, dat de belofte der geestelijke zegeningen slechts gold voor de kinderen der naastgeloovigen, nl. de eigen ouders van den doopeling en niet zijne voorouders. Franciscus Ridderus, de bekende predikant van Rotterdam, voerde hiertegen aan, dat volgens dezen regel de naaste ouders door hun ongeloof de genade Gods voor hunne kinderen zouden afsnijden. De fout van De Herder was niet, dat hij den doop wilde beperken tot kinderen van de naastgeloovige ouders, wijl Hand. 2: 39 hiervoor pleit, maar zijn fout bestond hierin, dat hij alleen voor geloovigen rekende, die door hem uit de vruchten des geloofs voor wedergeboren waren erkend. Immers de kerk heeft zich te houden aan den objectieven maatstaf van belijdenis en wandel. Gaat een dienaar verder, dan stelt hij zich zelf in de plaats van God, en treedt zelf als kenner der harten op. Maar hierin had De Herder gelijk, dat het kerkelijk oordeel niet losgemaakt mag worden van het geestelijk oordeel. In plaats nu dat de classis van Schieland door de bezwaren van De Herder genoopt werd, om aan de kerken aan te bevelen de tucht getrouw toe te passen, verbood de classis aan De Herder, die in een bepaald geval geweigerd had te doopen, in Bleiswijk te preeken. De Herder beantwoordde deze schorsing door zich te onttrekken aan de gemeenschap met de classis. Hij vertrok nu naar Rotterdam, waar hij in conventikelen voorging.


1) Dr P. Proost, Jodocus van Lodensteyn, bl. 162; Christophilus Eubulus (Jac. Koelman), De Poincten van nodige Reformatie, bl. 197.

|254|

Na de afzetting van De Herder vernam men geruimen tijd niets van openlijk ingebrachte bezwaren tegen het doopen van kinderen van ongodvruchtige ouders. Maar in 1720 gaf de Utrechtsche predikant J.R. Kelderman een geschrift uit van Gerhard Meyer, in leven predikant te Beerta: „De onderwerpen van den H. Doop nader bepaald”, in welk werkje Meyer onder kinderen van geloovigen verstond: kinderen van hen die „met het ware geloof van God begenadigd” zijn. De vraag waarom de strijd zich concentreerde was dus, of wij de kinderen, die ten doop worden gepresenteerd, hebben te beschouwen als alleen uitwendig tot de kerk te behooren, of als waarlijk in het verbond, in de gemeente, in Christus begrepen te zijn. Om aan de moeilijkheden te ontkomen brachten vele predikanten, in navolging van Lodensteyn, wijzigingen in het Formulier van den doop aan. Vooral tegen de woorden in de eerste doopvraag: „in Christus geheiligd” hadden velen bezwaar. Te Utrecht lieten de predikanten Brakonier, Van de Putt, Kelderman en Vos het woordje zijn uit de eerste doopvraag weg of lazen iets anders in de plaats daarvan. Ds Schuylenburg van Tienhoven las: geheiligd moeten zijn of moeten worden. Tegenover Prof. à Marck, die in zijn Exercitatio over 1 Cor. 7: 14 betoogde, dat het woord geheiligd aanduidt een uitwendige gemeenschap aan het verbond, merkten zij op, dat in de eerste doopvraag het woord geheiligd moet worden verstaan in den zin van „vernieuwd door den H. Geest”. Aangeklaagd op de Utrechtsche synode van 1727 legden zij op de volgende synode, in 1728, een gedrukte verantwoording en verdediging ter tafel, waarin zij aantoonden, dat volgens het Formulier een inwendige heiligheid vereischt werd om gedoopt te worden. En omdat bij de meeste ouders niet de minste teekenen aanwezig waren van het „in Christus geheiligd zijn”, hadden zij bezwaar om de vraag letterlijk te stellen, en verzochten zij dat aan de leeraren vrijheid werd gelaten „om in ’t doen van de bewuste vragen hun gemoed voor God te kwijten” 1). De synode, willende de rust en den vrede der kerk bewaren, droeg aan hare deputaten op, haar van advies te dienen. Maar anderen, ook in Holland en Friesland, mengden zich in het geschil. Een reeks van geschriften verscheen in 1729 over deze kwestie. De Utrechtsche strijd scheen geheel de kerk te zullen beroeren. Daarom mengden de Staten van Utrecht zich in dezen strijd, en verboden bij missive van 5 Sept. 1729 aan de


1) Joh. à Marck, Brief over de heiliginge van de kinderen der geloovigen in Christus, Leiden, Kallewier, 1729; Geschrift van Brakonier c.s., aan de synode van 1728, bl. 41. Bezwaarredenen om welke het stipte lezen van de eerste vraage in het formulier van den kinderdoop den bedienaren van het H. Evangelie door geen synodale besluyten behoorde te worden opgedrongen, Folkert Jansz., Harlingen, 1728. Zie ook Art. Kelderman in Biographisch Woordenboek sub voce.

|255|

synode verder over dit punt in kwestie te handelen. Er mocht ook op den preekstoel niets meer over dit geschilpunt gesproken worden, en men mocht er ook niet meer over schrijven. De zaak moest dus blijven zooals deze was, totdat H. Ed. Mog. hierover nader besloten. De kwestie werd dus niet beslist.

De Utrechtsche predikanten behielden hunne vrijheid. Van Ds Schuylenburg werd op de synode van 1735 medegedeeld, dat hij de doopvragen weer letterlijk las. Sedert kon ook op de synoden van andere provinciën, behalve in de provincie Groningen (in de stad Groningen werden de vragen in 1771 nog niet gedaan) 1), worden geconstateerd, dat de formulieren woordelijk gelezen werden.

In zulke moeilijkheden kwam de kerk, die teveel in zich had willen opnemen, die zich koppelde aan de overheid, en niet den moed had, om, staande in de vrijheid, naar eigen leven zich te openbaren, en de heiligheden des Heeren te handhaven.

In de tweede helft van de achttiende eeuw ontbrandde de strijd over de sacramenten opnieuw, waarin Appelius, predikant van Zuidbroek en Janssonius, predikant van Veendam, de hoofdpersonen waren. Genoemde strijd liep over de vraag of de sacramenten onderwerpelijk of voorwerpelijk de belofte Gods verzegelden. Ds van Eerde, predikant te Ten Boer en Janssonius beweerden, dat de sacramenten alleen voorwerpelijk de belofte Gods verzegelen en dat daarom ieder onergerlijk lidmaat recht had op de sacramenten. Ook een onbekeerde mocht ten avondmaal gaan, om van God de verzekering te ontvangen van het aanbod der genade aan ieder die geloofde. Appelius was daarentegen van oordeel, dat alleen de ware geloovigen het recht hadden op de sacramenten. Een onbegenadigde, die onergerlijk leefde, kon wel niet door den kerkeraad geweerd worden van het avondmaal, maar voor God en zijn geweten stond het hem niet vrij, tot de tafel des Heeren te naderen. Handhaafde Appelius dus op het stuk van het avondmaal de zuiver Gereformeerde leer, in zijn doopbeschouwing week hij af. De doop is, zoo leerde hij, eigenlijk niet een teeken en zegel voor dat kind, dat gedoopt wordt, ook niet voor de ouders, die het kind ten doop aanbieden — want dan zouden alleen waarachtig geloovigen hunne


1) De Raad der stad Groningen besloot bij resolutiën van 23 April 1659 en van 13 Juli 1676 aan het verzoek van den kerkeraad, om evenals in de andere provinciën de 3 doopvragen te doen, niet te voldoen. En toen in 1721 de kerkeraad de goedkeuring der regeering vroeg, dat hun, die gaarne de 3 doopvragen wilden beantwoorden, daartoe vrijheid gegeven zou worden, besloot de Raad 2 Aug. 1721 te blijven bij de resolutie van 1676. Toen nu op verzoek van onderscheidene ouders de vragen toch gesteld werden, werd bij resolutie van 6 Jan. 1722 dit uitdrukkelijk verboden. Zelfs in 1771 was het nog niet vergund de 3 vragen te stellen. W.A. Bachiene, Kerkel. Geographie IV. 100.

|256|

kinderen ten doop mogen aanbieden — maar voor de gemeente der ware geloovigen, in wier midden de doop bediend wordt. Het is dus feitelijk de gemeente, die het sacrament ontvangt in het lichaam van het kind. „Gelijk de besnijdenis van Abrahams zaad een sacrament was voor Abraham van het verbond, dat God met Abraham gemaakt had aangaande zijn zaad, zoo is de kinderdoop een sacrament en een zegel niet voor dat kind in het bijzonder, in wiens lichaam de doop bediend wordt, maar voor de gemeente, met welke God zijn verbond aangaande haar zaad gemaakt heeft, welke dit sacrament ontvangt in het lichaam van hare kinderen” 1). Dat kind heeft geen historisch geloof, dat door middel van den doop kan gesterkt worden. Het heeft aan het verbond geen toestemming gegeven, maar de gemeente, die het zaligmakend geloof bezit, heeft dat gedaan. Nu zijn de kinderen, uit de uiterlijke mondbelijders geboren, ook in den uitwendigen schoot der kerk geboren, en de waarachtige leden der kerk moeten zich deze kinderen aantrekken, voor hun opvoeding zorgen. Volgens Appelius was dus de doop voor allen, onverschillig of ze uit geloovige ouders geboren zijn. Appelius schikte zich dus ook naar de volkskerk, en kwam in strijd met de Gereformeerde belijdenis, die den doop beperkt tot de geloovigen en hunne kinderen.

Ds Woldringh van Westerlee, die tot nog toe geleerd had in den geest van Appelius, diende bij de classis van Oldambt 4 vragen in om licht te verkrijgen. Wijl de classis vreesde voor twist onder de broederen, besloot zij zich van antwoord te onthouden. Ds Janssonius evenwel, meenende dat Appelius zich op hatelijke wijze had uitgedrukt tegenover Ds van Eerde, schreef in 1764: „De waare aart der sacramenten” (Groningen 1764). Hij is van oordeel, dat uit heel het formulier niet blijkt, dat de opstellers wederbarende genade veronderstellen, maar dat zij uitwendige verbondsheiligheid willen uitdrukken. In de verklaring over het formulier van den H. Doop schrijft hü: „Onder geloovigen moeten niet alleen verstaan heilvattende geloovigen, in tegenoverstelling van onbekeerden, maar geloovigen in den ruimeren zin (allen die Jezus houden voor den Christus en den Bijbel voor Gods Woord), n.I. die in de belijdenis zuiver is, de leer van de ware kerk voor de waarachtige leer der zaligheid houdt, een oprecht historisch geloof heeft, en, ten blijk daarvan, zig houdt onder de prediking van de kerk, alwaar ’t woord zuiver verkondigd wordt”. De doop wordt bediend aan kinderen van ouders, die belijdenis doen van den waren godsdienst in onderscheiding van de secten, ook wanneer een van de ouders een


1) Brief behelzende de voornaamste gronden en de bijzondere meening van de hedendaagsehe leer der sacramenten, 1768, bl. 87, 88. Vervolg der Aanmerkingen, 1763, § 41.

|257|

geloovige is, ook vondelingen die, door de diaconie grootgebracht, in de christelijke leer worden opgevoed. Voorts kinderen van geëxcommuniceerden om ergerlijke zonden, mits getuigen gesteld worden als waarborgen dat de kinderen in de christelijke leer onderwezen worden. „De kinderen der geloovigen zijn heilig, omdat zij in de gemeenschap der heilige kerke geboren en uit derzelver schoot als hun algemeene moeder opgeschoten zijn, waarom zij mede tot de heilige kerk behooren. Door Gods beloften, aan de kinderen gedaan, als kinderen des verbonds, zijn zij den Heere geboren en geheiligd, d.i. onderscheiden van de kinderen der ongeloovigen, die de apostel onrein noemt”. Dit heiligen moet naar de H. Schrift opgevat worden in den zin van afzonderen, in onderscheiding van de inklevende heiligheid, verbondsheiligheid of betrekkelijke heiligheid. De kinderen der gemeente zijn niet als de heidenkinderen vreemdelingen van het verbond en de belofte, maar zij zijn het voorrecht deelachtig, ’t welk de Joden onder het O. Verbond ten deel viel, die ook in hun verharding door Jezus nog kinderen des koninkrijks genoemd werden. Zij worden dus genoodigd tot de zaligheid, en mogen toetreden tot de sacramenten 1).

Beide gevoelens over het woordje „geheiligd”, namelijk dat van à Marck en Janssonius aan de eene zijde, en dat van hunne bestrijders zijn blijven voortbestaan tot op dezen dag. Daarom is het noodig, de beteekenis van de woorden „in Christus geheiligd” in de eerste doopvraag historisch na te gaan. De voorstanders van het gevoelen, dat deze woorden in uitwendigen, voorwerpehjken, verbondsmatigen zin waren te verstaan, beroepen zich daarvoor ook op 1 Cor. 7: 14, waar Paulus zegt dat de kinderen van een geloovige vrouw, ook al is de man een ongeloovige, heilig zijn, want de ongeloovige is geheiligd door den geloovigen echtgenoot. Hier moet het woord „geheiligd” ongetwijfeld in voorwerpelijken zin worden verstaan. De ongeloovige echtgenoot zou anders niet ongeloovig kunnen heeten. Maar Paulus bedoelt hier volstrekt niet over den doop te spreken. Hij wil hier aantoonen, dat een


1) Naar aanleiding van dit werk werd een reeks van geschriften uitgegeven. Tegenstanders van Janssonius openbaarden zich o.a. in den Amsterdamschen predikant W. Peiffers: „Geloof svastigheid van een waar christen”, en Dr J.J. Kessler: „De leer en eer van Neerlands hervormde kerk en leeraars tegen de Weleerw. Heer Janssonius in het geschil over den waren aard van de heilige sacramenten verdedigd” (Amst. 1769). De felle aanvallen van dezen werden door Janssonius bestreden in de voorrede van de „Samenspraak over den waren aart der sacramenten” (Gron. 1770). In 1771 schreef Rudolf Ottinga nog tegen hem: „Onzijdige waarheidzoekende en vredelievende overdenkingen”, waarop Janssonius antwoordde in een Voorrede, groot 157 bladzijden, voor een „Vijftal leerredenen”  (Gron. 1772).
Uitvoerig is genoemde strijd behandeld in Biographisch Woordenboek dl. I, bl.210-213, i.v. Appelius, en dl. IV, bl. 513-516, i.v. Janssonius. Zie ook Ypey en Dermout, Gesch. N.H.K. III. 614 v.v.; Ypey, Chr. kerk 18de eeuw VII. 401; Dr B. Wielenga, Ons Doopsformulier bl. 272, en 2de uitgave, bl. 232; De Heraut No. 1509.

|258|

echtgenoot, die tot Christus bekeerd is geworden, daarom den anderen echtgenoot, die ongeloovig bleef, noch ook zijne kinderen behoeft te verlaten, of het huwelijk moet ontbinden. De geloovigen mogen wel geen juk aantrekken met een ongeloovige (2 Cor. 6: 14), maar zooals Calvijn terecht opmerkt: „die reeds gebonden is heeft geen vrije keuze meer”, en daarom kan Paulus in 1 Cor. 7: 14 een anderen raad geven als in 2 Cor. 6: 14. Als de ongeloovige gewillig is om bij den christelijken echtgenoot te wonen, dan moet de geloovige den ongeloovige niet verlaten, want de huwelijksgemeenschap wordt geheiligd door den geloovige. Deze heiliging is echter voor den ongeloovige, geestelijk gedacht, niet voordeelig, doch dient alleen daartoe, dat de geloovige door den band met hem niet wordt verontreinigd, en het huwelijk niet wordt ontheiligd. Om die reden kunnen ook de kinderen uit zulk een huwelijk geboren heilig genaamd worden, volgens den regel, dat, indien de wortel heilig is, ook de takken heilig zijn (Rom. 11: 16). In een gezin, waarin een van de beide echtgenooten bekeerd werd, geeft de christelijke belijdenis den toon aan. Zulk een gezin is een christelijk gezin. Dat de Apostel echter hier bij de woorden „daarom zijn uwe kinderen heilig” niet het oog heeft op een inwendige heiligheid als grond voor den doop der kinderen, blijkt wel duidelijk daaruit, dat hij zegt dat de ongeloovige man geheiligd is door de geloovige vrouw. Maar wel mag hieruit worden afgeleid, dat, wanneer het huwelijk geheiligd is door den geloovigen echtgenoot, ook de kinderen uit zulk een familie geboren geacht mogen worden den Heere toe te behooren, en daarom ook het teeken des verbonds mogen ontvangen. Als God hen heilig rekent, waarom zouden wij hun het teeken des verbonds weigeren?

Of echter de uitdrukking in de eerste doopvraag „in Christus geheiligd” bedoelt te zijn een aanhaling van 1 Cor. 7: 14, moet worden betwijfeld. Er staat in de vraag niet: of gij niet bekent, dat zij heilig zijn, maar dat zij in Christus geheiligd zijn. „Deze uitdrukking” — zegt Prof. Bavinck — „doet veeleer denken aan teksten als Joh. 17: 17; 1 Cor. 6: 11; Ef. 5: 26; Hebr. 2: 11; 10: 10 enz.” 1). En als nu de H. Schrift spreekt van: „Gij zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd” (1 Cor. 6: 11), en „In welken wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Christus” (Hebr. 10: 10), en als de gemeente wordt aangesproken met „heiligen”, „geheiligden in Christus”, dan wordt, ook al weet de Apostel, dat er in de gemeente zijn die niet in oprechtheid gelooven, hiermede een wezenlijke heiligheid bedoeld.

Dezelfde opvatting hadden ook de oudste Gereformeerde theologen. Eenparig hielden zij tegenover de Wederdoopers staande, dat de kinderen


1) De Bazuin, 1900, No. 19, 20.

|259|

ook zonder de uitwendige roeping des Woords door den Geest Gods kunnen worden wedergeboren. Caspar van der Heyden, een der opstellers van onze liturgie 1), zegt in zijn Cort en claer bewijs van den Heyligen Doop: „Gelijk onze kinderkens in Adam niet meer als dood gerekend worden, maar waarachtig dood zijn, zoo worden ze in Christus niet alleen als levend gerekend, maar worden in Christus als levende rankskens ingelijfd, alzoo ze zijns levens deelachtig kunnen wezen.” à Lasco stelde voor de Doopsbediening deze vraag: „Bekent gij ... dat onze kinderen, hoewel ze evenals wij allen naar hunne natuur zijn kinderen des toorns en des doods, toch reeds met ons om Christus’ wil in het verbond Gods begrepen zijn, (en) zelven met het van Christus ingestelde zegel van hunne aanneming en gerechtigheid, nl. van den doop, moeten verzegeld worden?” En Micron noemt in zijne doopvragen het kind, dat ten doop gepresenteerd wordt: „een zaedt der Ghemeynte, door de kracht des verbonts Gods”. Wat hij hiermede bedoelt, blijkt uit Antwoord 60 van zijn Catechismus 10): „Overmits dat de gemeente van hunne (der kinderen) zaligheid veel zekerder getuigenis heeft uit den Woorde Gods, dan men uit de belijdenis der volwassenen hebben kan, en hunne aangeborene krankheid, door welke zij niet gelooven, noch belijden kunnen, die wordt hun niet toegerekend, om Christus’ wil, in welken zij gezegend, dat is: heilig, gerechtig, rein en geloovig geacht worden, niet minder dan de volwassen geloovigen.” Ook Wtenhove 3) zegt: „Of gy dit kindt, dat gy hier bringet, achtet een geloiuich saadt te syne.” Ruardus Acronius antwoordde tegen de bedenking der Remonstranten — die meenden dat uit de woorden „in Christus geheiligd” kon worden besloten dat alle gedoopten zalig werden, of dat de leer dat vele „in Christus geheiligden” konden verloren gaan kon leiden tot een afval der heiligen — dat in den Catechismus niet gezegd werd, dat alle kinderen, die uit geloovige ouders geboren werden, den Geest der wedergeboorte hadden ontvangen, maar dat evenals wij alle volwassen geloovigen, die belijdenis des geloofs aflegden, naar het oordeel der liefde houden voor wedergeboren, zoolang zij niet het tegendeel openbaren, wij zoo ook oordeelen „van alle cleyne kinderen die van gheloovige ouders gheboren zijn ende ghedoopt werden, totter tydt toe dat sy haer selven in ’t opwassen anders betoonen, Hand. 2: 39; Rom. 9: 6, 7.” Ook de vijf artikelen belijden dat godzalige ouders niet mogen „twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt.” Zij zijn heilig uit kracht van het genadeverbond, en deze heiligheid wordt gedacht als


1) Dr M.F. van Lennep, G. van der Heyden 1530-1586, Amst. 1884, bl. 174, 286.
2) Ens, bl. 215; G. Kramer, Het verband van Doop en wedergeboorte, 1897, bl. 170.
3) Forme des dienstes der heiliger Doipe.

|260|

een wezenlijke heiligheid. Zoo belijdt ook de Heidelberger Catechismus dat de jonge kinderen zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt. Deze toezegging mag niet in algemeenen, voorwaardelijken zin worden opgevat. Zij houdt niet in, dat de verlossing en de heiliging aan de kinderen ten deel valt, later, indien zij gelooven. Maar zij is in het tegenwoordige bedoeld. Indien bedoeld was, dat de belofte den kinderen op lateren leeftijd, als zij geloofden, ten goede kwam, dan zou een krachtig wapen zijn ontnomen in den strijd voor den kinderdoop tegenover de Wederdoopers, en dit zou tevens het Remonstrantsche gevoelen steunen, dat de genade in haar toepassing afhankelijk is van het werk van den mensch.

De verklaring van het leerstuk des doops in het Doopsformulier wijst uit, dat deze opvatting juist is. De doop is een afwassching der zonden door Jezus Christus en wordt bediend in den naam van God Drieëenig. En in het onmiddellijk verband wordt dit bevestigd. De eerste vraag luidt toch: „hoewel onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent dat zij in Christus geheiligd zijn”. Van nature, zonder dat zij het weten, zijn de kinderen der verdoemenis onderworpen, en zoo zijn zij ook zonder het te weten uit genade tot kinderen Gods aangenomen. In het gebed voor de doopsbediening wordt gevraagd of God het te doopen kind in genade wil aanzien en „door uw Heiligen Geest uw Zoon Jezus Christus inlijven”, en in het Dankgebed wordt God geprezen, dat Gij ons en onzen kinderen, n.l. de geloovigen en hun zaad, al onze zonden vergeven hebt en „door uw Heiligen Geest tot lidmaten van uw eeniggeboren Zoon, en alzoo tot uwe kinderen aangenomen hebt”. Naar waarheid schreef Prof. Bavinck 1): „Heel de geest en de letter van het doopsformulier sluit dus uit, dat het geheiligd zijn in Christus slechts in uitwendigen, voorwerpelijken zin te verstaan zou zijn. De echte, ware, christelijke doop is altijd, zoowel bij kinderen als bij volwassenen, die doop, welke een zegel is van de afwassching der zonden en van de vernieuwing des H. Geestes. In beide gevallen komt het menigmaal voor, dat de dienaar slechts het teeken geeft, terwijl Christus bij afwezigheid, de beteekende zaak onthoudt. Maar dat doet hoegenaamd geen afbreuk aan het wezen van den doop. Evenals uit- en inwendige zijde van het genadeverbond, behooren teeken en beteekende zaak in den doop samen te gaan. Een


1) De Bazuin, 1900, No. 20.

|261|

zoogenoemd uitwendig genadeverbond, dat van het inwendige is losgemaakt, bestaat er niet”. „En een doop, die alleen het teeken geeft en niet de beteekende zaak, is geen doop. Wat God heeft samengevoegd, zal de mensch niet scheiden. Daaruit volgt niet, dat ieder, die gedoopt is, in der waarheid der verlossing van Christus deelachtig is”. Gelijk bij de volwassenen is er ook bij de kinderen kaf onder het koren. En dat niet allen, die wij rekenen tot het volk Gods, in der waarheid Gods kinderen zijn, vindt zijn verklaring in het vrije welbehagen Gods. Wij moeten de toepassing der genade aan God overlaten, doch hebben ons te houden aan Gods Woord, waarin Hij zegt, dat Hij Zijn verbond opricht met de geloovigen en hun zaad. En wij moeten voorts niet vergeten, dat in de eerste doopvraag niet gesproken wordt van elk kind, dat gedoopt wordt, hoofd voor hoofd, maar van onze kinderen. Daarom bouwen ook de Gereformeerde kerken hun zaligheid niet op den doop. Want al is de doop in zijn wezen bezegeling des geloofs, dit geeft voor den gedoopte op zich zelf geen grond voor de zaligheid. Want wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet gelooft, ook al ware hij gedoopt, zal verdoemd worden.

De verbondsheiligheid, waarvan de eerste doopvraag spreekt, moet dus in wezenlijken zin genomen worden, zooals ook de vader der Afscheiding, Hendrik de Cock, in zijn „Wederleggende beschouwing en ontwikkeling van het leerstuk des H. Doops” 1) zegt: „De heiligheid, waarvan hier gesproken en het lidmaatschap, waarop hier gedoeld wordt, is over het geheel geen inklevende heiligheid of lidmaatschap, steunende op de wedergeboorte, maar een betrekkelijke heiligheid of lidmaatschap, niet met uitsluiting echter, maar met insluiting van de ware heiligheid en het lidmaatschap, voortkomende uit Gods krachtig toegepaste genade, gelijk zulks het geval was onder anderen in Johannes den Dooper en Jeremias (Jerem. 1: 5 en Luc. 1), die van ’s moeders lijve al aan geheiligd waren, en die voortvloeit uit Gods genadige verkiezing, de kinderen der belofte hier voor het zaad gerekend naar den regel van Paulus (Rom. 9: 8), die van zich zei ven in dezen getuigt, dat God hem van zijns moeders lijf af heeft afgezonderd (Gal. 1: 15).” Daarom zegt ook de eerste doopvraag: „En daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen”. Het kind, dat gedoopt wordt, ontvangt het sacrament als lidmaat der gemeente. Het wordt niet lidmaat later door belijdenis, maar het is lidmaat, en daarom behoort het gedoopt te wezen.

Over de tweede en de derde doopvraag en over de doopsformule zullen wij later afzonderlijk handelen, wanneer wij handelen over de stipulatiën


1) Veendam, Mulder, 1837, bl. 44.

|262|

bij den doop en de doopshandeling. Thans maken wij slechts een enkele opmerking over de Dankzegging. Zij is ontleend aan het formulier van De Paltz. Zij is geheel in denzelfden toon gezet als het doopsformulier zelf. De gemeente prijst in de Dankzegging den Heere voor de genadeweldaden, aan haar en hare kinderen bewezen naar Zijn verbond en verkiezende liefde.

Daarom dankt de gemeente: „Almachtige barmhartige God en Vader! Wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen door het bloed van Uw lieven Zoon Jezus Christus alle onze zonden vergeven, en ons door Uw Heiligen Geest tot lidmaten van Uw eeniggeboren Zoon, en alzoo tot Uw kinderen aangenomen hebt, en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt”. De gemeente belijdt hier, dat zij door genade is het eigendomsvolk Gods, krachtens de belofte des verbonds. Daarmee wordt niet gezegd, dat al de leden der gemeente, zooals wij haar zien, waarlijk geloovigen zijn. Zooals wij het genadeverbond zien, neemt zij in haar schoot ook de mondbelijders op, maar omdat wij geen hartekenners zijn, maken wij geen scheiding en rekenen wij degenen, die in hun belijdenis en wandel zich openbaren naar den Woorde Gods, en niet afwijken van den weg des verbonds, tot het volk Gods. Onze vaderen stonden op den bodem van Gods Woord, en hielden de gemeente voor, dat de geloovigen zich niet mogen afmeten naar de wisselende stemming des gemoeds, of zich gronden op de wiegelende wateren des gevoels, maar dat zij moesten steunen op wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. In den heldenmoed des geloofs beleden zij wat God in Zijn getuigenis van de kerk en het verbond had bekend gemaakt, en het was hun vurig streven, dat ook de kerk in belijdenis en wandel zich als de gemeente van Christus zou openbaren.

In die bewustheid konden zij de Dankzegging met een gebed voor de gedoopte kinderen aldus besluiten: „Wij bidden U ook, door Hem, Uw lieven Zoon, dat Gij dit kind met Uw Heiligen Geest altijd wilt regeeren, opdat het christelijk en godzalig opgevoed worde, en in den Heere Jezus Christus wasse en toeneme, opdat het Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hem en ons allen bewezen hebt, moge bekennen, en in alle gerechtigheid, onder onzen eenigen leeraar, koning en hoogepriester, Jezus Christus, leve en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden en overwinnen moge, om U en Uw Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den eenigen en waarachtigen God, eeuwig te loven en te prijzen.”


NASCHRIFT.

De vader van ons Doopsformulier is Datheen. Hij heeft bij het opstellen daarvan geen oorspronkelijk werk geleverd, maar zich bediend

|263|

van het werk van Micronius, à Lasco, Calvijn en Olevianus, waarmee hij op zijne zwerftochten had kennis gemaakt. In Frankenthal zijnde heeft Datheen onze liturgie opgesteld. Gaspar van der Heyden heeft hem hierin ter zijde gestaan. De meening van M.F. van Lennep, dat van der Heyden de opsteller der liturgie is, rust op te zwakke gronden. In een schrijven van van der Heyden d.d. 17 Juni 1581 aan Arn. Cornelii verklaart hij, zich te verbazen dat de synode hem onverhoord zou censureeren, omdat hij de liturgische geschriften opnieuw had uitgegeven, en voegt er tot zijn verdediging bij, dat aan Datheen reeds drie jaren te voren de „correctura” van den Catechismus was opgedragen, en dat hij thans, omdat Datheen verhinderd was dit te doen, op verzoek van Datheen dit werk had ondernomen „ghelyck ick ook (zoo voegt hij er bij) tsyner begeerden anno 65 de kerckenordeningen eerst gestelt hebbe om met synen Psalmen gedruct te wesen.” De woorden, dat hij „de kerckenordeningen gestelt” heeft, beteekenen niet dat van der Heyden ze opgesteld heeft, maar dat hij ze samengesteld en vertaald heeft 1). Het eerste gedeelte van ons Doopsformulier tot het gebed is eene vertaling van het formulier van De Paltz, hetwelk op zijn beurt weer een bewerking is van het formulier van Calvijn en van Micronius. De opwekking tot het gebed is letterlijk van Micronius, terwijl het gebed zelf is ontleend aan het formulier van Zürich. De vragen zijn door Datheen naar het voorbeeld van à Lasco opgesteld, terwijl de dankzegging ontleend is aan het formulier van De Paltz, waarin het van à Lasco overgenomen was. Datheen, zorg dragende voor zijne Nederlandsche gemeente, vertaalde den Heidelbergschen Catechismus in het Nederlandsch, gaf deze vertaling tegelijk met zijne Psalmberijming in 1566 uit, en voegde de liturgie achter zijne Psalmen. Door den persoonlijken invloed van Datheen, en omdat zijn Psalmen bij het volk zeer geliefd waren, heeft zijn liturgie al heel spoedig de liturgie van Micron verdrongen, en weldra algemeen ingang gevonden. Dit werd bevorderd door het convent van Wezel (1568), dat Datheen tot zijn voorzitter koos en zijn psalmberijming en liturgie uitdrukkelijk aanbeval. Het Doopsformulier van Datheen werd weldra te lang bevonden, en daarom werd het op last van de synode van Dordrecht (1574) door G. van der Heyden belangrijk verkort, en dit formulier is op de provinciale synode te Rotterdam 2), in 1575 gehouden, voorgelezen en goedgekeurd. Het staat afgedrukt in de uitgave der liturgie van 1580, is met enkele wijzigingen opgenomen in de tweede editie der liturgie van 1591, en in dien gewijzigden vorm overgenomen in de editie


1) M.F. van Lennep, Gaspar van der Heyden, bl. 171; Dr H.H. Kuyper, Post-acta, bl. 303; Biographisch Woordenboek, Art. G. v.d. Heyden, III. 814.
2) Reitsma en Van Veen, Acta II. 158.

|264|

van 1611, en zoo is het in algemeen gebruik gekomen 1). Deze uitgave van 1611, de zoogenoemde standaard-editie, verschenen bij R. Schilders te Middelburg, dankt haar ontstaan aan de synode van Zeeland (1610), die een commissie benoemde om een correcte uitgave van de confessie te bezorgen, en die ook een nieuwe uitgave van de liturgie gaf 2). Deze editie van 1611 is door de synode van Dordrecht als uitgangspunt voor de revisie der formulieren gekozen, zoodat zij tot grondslag voor de latere uitgaven dienen moet. Deze editie is met de correcties van de Dordtsche synode van 1618/19 door Dr F.L. Rutgers ten grondslag gelegd aan de editie van 1897, die met de berijmde Psalmen en de Formulieren van Eenigheid bij de Flakkeesche Boekdrukkerij het licht zag, en welke uitgave algemeen bij de Gereformeerde Kerken in Nederland in gebruik gekomen is 3).


1) Dr H.H. Kuyper, Postacta, bl. 395.
2) Reitsma en Van Veen, Acta V. 104.
3) Zeer is het te betreuren, dat de reviseurs van Dordrecht hun taak zoo gemakkelijk hebben opgevat en dat door de Dordtsche synode geen officieel vastgestelde liturgie is gegeven. Vandaar was het mogelijk, dat de boekdrukkers naar willekeur de formulieren uitgaven. Zij drukten den tekst van Datheen van 1566 getrouwelijk, of naar eigen inzicht veranderd, na. Reeds in 1651 klaagde Trigland over de uitgevers: „Zy drucken eenvoudigh by haar neus lancks, manneken na manneken, zonder ondersoeck of het wel of qualyck is”. Ook later regende het klachten. Om die reden besloot de synode van Breda in 1730, een kerkelijk goedgekeurde uitgave te geven. Eerst wilde men de uitgave van 1611 ten grondslag leggen. Maar omdat de daarvoor benoemde commissie rapporteerde, dat de editie van Middelburg niet geschikt was voor eene nieuwe uitgave, de spelling en de taal verouderd waren, de schriftuurplaatsen naar de oude overzetting aangehaald, en de tekst te veel afweek van den algemeen gebruikelijken, besloot een volgende synode haar niet te gebruiken, maar de editie van 1639, te Amsterdam bij Cloppenburg uitgekomen, te volgen. Door bezorging van de Dordtsche predikanten Verster en Van Meurs zag deze uitgave in 1737 het licht (Van Langeraad, Theol. Tijdschrift, 1901, bl. 436). Zij is op last van de synode van de Ned. Herv. kerk door bezorging van Prof. Gooszen achter de uitgave jan de psalmen door Prof. Acquoy herdrukt. De editie van 1611, met de verbeteringen der Dordtsche reviseurs, is in 1897 door Prof. Rutgers uitgegeven. De Synode van de Gereformeerde kerken te Arnhem, 1902, sprak den wensch uit dat deze editie „algemeen in onze kerken in gebruik moge genomen worden” (Art. 27).

Bouwman, H. (1934) § 82

§ 82. De doopeling.

Eenstemmig leerden de Gereformeerden met Calvijn, dat de rechtsgrond voor den kinderdoop is het verbond der genade. De kinderen, uit geloovige ouders geboren, moeten worden gedoopt. De H. Schrift rekent de kinderen der geloovigen tot het verbond der genade, spreekt over hen als over volwassen geloovigen, en daarom mogen wij aan de kinderen niet onthouden wat wij aan de volwassenen schenken. Hun

|265|

komt de belofte Gods toe evengoed als den volwassenen, en daarom hebben zij recht op den doop.

Bij de toepassing van dezen regel moeten wij dus uitgaan van de vraag of een kind, dat ten doop wordt aangeboden, gerekend kan worden te behooren tot het verbond Gods en tot de gemeente. In de beoordeeling van sommige gevallen, wanneer de ouders in de wereld en in de zonde leefden, meenden vele Gereformeerden, dat men niet alleen moest nagaan of de ouders tot het verbond behooren, maar ook of er onder de voorouders vrome menschen waren. Want, zoo leerden zij, de belofte Gods omvat niet alleen het zaad der geloovigen in het eerste geslacht, maar zij wordt uitgestrekt tot duizend geslachten. Daarom behoort ook het nakroost van vrome voorouders tot het lichaam der kerk, ook al zijn de grootouders of ouders afvalligen geweest. Gevolg hiervan was, dat onze vaderen bij de doopsbediening zeer ruim waren. Men doopte bijna alles wat in het doophuis gebracht werd. Kinderen van hoereerders, geëxcommuniceerden, onverschilligen, openbare goddeloozen, ketters, Roomschen enz., werden niet geweerd, wanneer de doopvaders maar beloofden, dat de kinderen door peters en meters geleerd en opgevoed zouden worden in de zuivere leer des evangelies. Het genadeverbond liep door in de geslachten, ook al waren een of meer geslachten ontrouw.

Zoo werd op de synode van 1578 gevraagd (vr. 27): „Of men allerlei menschen kinderen als van hoereerders, afgesnedenen, papisten en andere dergeljjken zonder onderscheid doopen zal?” en geantwoord: „Overmits de doop den kinderen, die in het verbond Gods staan, toekomt, en het gewis is dat deze kinderen buiten het verbond niet zijn, zoo zal men ze van den doop niet weren; alzoo nochtans, dat zij op behoorlijke wijze gedoopt worden, en door dien gepresenteerd, die op de afvraging in het formulier des doops begrepen antwoorden en de leer toestaan”. Op de synode van Harlingen (1590, Art. 24) werd bepaald: „Wanneer die kinderen van luiden, die selve godloos ende vreemt van de Gere­formeerde religie sijn ende dieselve niet willen te doope brengen, dan laeten tselve doen door niet minder godloose luiden, als syselve sijn, sal men hem reguleeren na den 27en artickel des synodi van Dordrecht”. Goede getuigen werden dus als eisch gesteld. Maar was aan de voorwaarde voor een goede christelijke opvoeding voldaan, dan mochten de kinderen, zelfs die van ongedoopten, worden gedoopt, blijkens de synode van Leeuwarden (1592, Art. 17) en van Haarlem (1600, Art. 21). In deze laatste synode sprak men uit, dat men zich moest schikken naar vr. 27 van Dordrecht (1578), „overmits datter groot onderscheet is tusschen de kinderen, die buijten haere schuit van ongeloovige ouderen geboren worden, en die, die zelfs ongedoopt blijven door haere schult,

|266|

de sacramenten versmadende”, en die deswege ook door de kerk niet getrouwd werden. Tot recht verstand van dit besluit bedenke men, dat hier niet juist sprake is van geheel ongeloovige of heidensche ouders, maar veelal van Mennonieten, die den doop nog niet hadden ontvangen. In de genoemde gevallen bleef er dus nog een band, hoe zwak ook, met het geloof der ouders of voorouders. Tevens mag niet vergeten, dat onze vaderen handelden uit vrees, dat de kinderen bij de Roomschen zouden gedoopt worden. En zij wilden zooveel mogelijk allen trekken tot de volkskerk, en waren daarom wel eens al te rekkelijk bij de doopsbediening.

Hiermede in verband wilden de oude Gereformeerden zich bij de doopsbediening niet beperken tot de kinderen van de naastgeloovige ouders, maar gingen zij terug tot de grootouders, wanneer deze bekend stonden als geloovigen. In den strijd van Ridderus tegen De Herder in de classis Schieland werd door Ridderus verdedigd, dat, wanneer de ouders wereldsche en ongeloovige menschen waren, de kerk bij de vraag naar het recht van den doop voor de kinderen kon en moest teruggaan tot de grootouders, zoodat de kleinkinderen gerekend werden tot het zaad des verbonds. Men beriep zich hiervoor op uitspraken van het Oude Testament, o.a. op Jes. 59: 21, waar de Heere, sprekende van de dagen des N. Testaments, met zoovele woorden zegt: „mijn Geest, die op u is, en mijne woorden, die ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe.” Sommigen wilden met een beroep op dit woord voor het recht van den kinderdoop niet verder gaan dan tot de grootouders, doch deze uitlegging is willekeurig. Want allereerst besluit dit profetische woord met de uitdrukking „van nu aan tot in eeuwigheid toe”, maar in de tweede plaats handelt deze tekst niet over den doop en zijne begrenzing, maar over de belofte van het altijddurend bezit van des Heeren Geest en woorden. God zal Zijn verbond vernieuwen met Zijn volk, en Israël zal tot in de verste geslachten de zegeningen des verbonds ondervinden.

De voorstanders van deze ruime doopspraktijk, waarbij men alle kinderen temidden van een christelijk volk mocht doopen, indien maar de doopvader de belofte van een christelijke opvoeding aflegde, beroepen zich hiervoor ook op Calvijn. In 1559 vroeg Knox aan Calvijn of men den doop mocht bedienen aan onechte kinderen en aan kinderen van afgodendienaars (n.l. Roomschen) en afgesnedenen door den kerkelijken ban. Calvijn antwoordde 1): „omdat bij het rechte gebruiken


1) Brief van Calvijn aan Knox, 8 Nov. 1559, Corp. Ref. vol. XVII, p. 566; Schwarz, J. Calvins Lebenswerk, 1909, II, S. 284.

|267|

van den doop het gezag Gods moet gelden en Zijne instelling moet beslissen, wat recht is, moet men in de eerste plaats vragen, wie God met Zijn stem tot den doop roept. Nu omvat de belofte niet alleen het zaad van elk der geloovigen in het eerste geslacht, maar zij wordt ook uitgestrekt over duizend geslachten. Waardoor het ook geschied is, dat de onderbreking der vroomheid, die onder het pausdom is ingeslopen, de kracht en de uitwerking van den doop niet heeft weggenomen. Want men moet niet op den oorsprong letten, het wezen en de natuur van den doop moet uit de belofte worden afgeleid. Daarom behoort ook het nakroost van vrome voorouders tot het lichaam der kerk, ook al zijn de grootvaders of vaders afvalligen geweest”. „Overal waar de belijdenis van het christendom niet geheel en al uitgebluscht was, worden de kinderen van hun wettig recht beroofd, als zij van het gemeenschappelijk teeken worden geweerd”. „Intusschen is een gelofte noodig, dat geven wij toe. Niets is slechter, dan in het lichaam van Christus dezulken in te lijven, van wie wij in het geheel niet hopen mogen, dat zij zijne discipelen zijn zullen. Wanneer daarom geen verwante verschijnt, om voor de kerk een belofte af te leggen en de zorg voor de opvoeding op zich te nemen, zoo is de doopsbediening een komedie en het sacrament ontwijd. Wanneer echter een kind gebracht wordt met rechtmatige beloften, zoo zien wij geen reden het terug te wijzen. Daarbij komt, dat thans in de zich nieuw vormende kerk er andere verhoudingen zijn als in een reeds zuiver gevormde en geordende kerk. Want daar de kerk zich uit een ontzetting weer opnieuw vergadert, zoo moet het bezit van den doop, waar het van lange tijden her tot ons gekomen is, ook bewaard worden; in den loop des tijds moet de ingeslopen tuchteloosheid gebeterd worden, en moeten de ouders genoodzaakt worden, zelf hunne kinderen ten doop aan te bieden, en in de eerste linie hun peeten te zijn”. Uit deze laatste woorden blijkt de bedoeling van Calvijn. In een tijd, waarin de kerk tot reformatie komt, kan een onregelmatigheid worden geduld, maar in een geordenden toestand der kerk moet men zich aan den regel houden. Farel vroeg in 1553 advies over een geval, dat zich in zijne gemeente had voorgedaan. Een vrouw, lid der kerk, had haar dochter uitgehuwelijkt aan een Roomschen man, en nu was haar dochter overgegaan naar de Roomsche kerk. Toen een kind geboren werd, bood de grootmoeder het kind bij de Gereformeerden ten doop aan. Farel had den doop geweigerd op grond, dat het kind buiten het verbond stond, daar geen der ouders geloovig kon worden genoemd. Zijn ambtgenoot had evenwel opgemerkt dat de grootmoeder, die wel tot de kerk behoorde, de zorg voor het kind op zich wilde nemen, zoolang zij leefde. Farel hechtte hieraan weinig waarde. Calvijn, om advies gevraagd, antwoordde, dat het doopen van hen, die niet leden der kerk

|268|

zijn, een dwaasheid is en ongeoorloofd. De getuigen moeten de macht hebben, het kind in de waarheid op te voeden. Omdat het kind buiten het gezin van de grootmoeder staat, heeft zij geen recht of macht om het kind in de leer der waarheid op te voeden. Ook moet de grootmoeder schuldbelijdenis doen, dat zij haar kind aan een Roomsche gegeven heeft. Doet zij dit, dan kan het kind gedoopt worden, maar omdat hiervoor niet veel kans schijnt te zijn, mag het kind niet gedoopt worden 1). Calvijn stelt hier dus als voorwaarde voor den doop, dat het kind tot de gemeente moet behooren, en er waarborg voor een christelijke opvoeding bestaat.

De meeste Gereformeerden ten tijde der republiek hadden echter een zeer ruime doopspractijk. Zij beriepen zich op de uitspraken des Ouden Testaments, o.a. op Ezech. 16: 20, 21, waar de Heere ook de kinderen van afgodische Israëlieten nog noemt: „Mijne kinderen”, waardoor zij wilden bewijzen, dat ook thans alle kinderen des volks als „heilig” zullen worden beschouwd 2). Doch hierbij wordt voorbij gezien, dat het Israëlitische volk als volk des Heeren eigendom was, en dat naar ’s Heeren bevel alle Israëlieten moesten deelnemen aan de sacramenten. De schare der geloovigen werd toen nog niet als een zelfstandig geestelijk lichaam met een eigen instituut openbaar. De godsdienst was een nationale zaak, en heel de inrichting van den cultus was bij nationale wet geregeld. Volk en kerk waren één. Het verbond was opgesloten binnen de grenzen van ééne natie. Het godsdienstig leven, de dienst in het heiligdom droeg een symbolisch en schaduwachtig karakter. Die zelfstandige en eigen plaats verloor het volk met de komst van Christus; en met den Pinksterdag trad de kerk des Nieuwen Verbonds als een geestelijk organisch instituut in de plaats van het oude bondsvolk Israël. De gemeente is van nu af een vergadering van geloovigen, het huis Gods, het lichaam van Christus. De kerk is niet meer een gemengde schare, maar een gemeente, die uit Christus leeft, en zijne beloften deelachtig is. Ook de kinderen deelen in de beloften Gods. De kinderen der geloovigen worden beschouwd niet maar als uitwendig behoorend bij het volk Gods, maar als ’s Heeren kinderen. Zij zijn erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond, in Christus geheiligd, en moeten daarom als lidmaten zijner gemeente gedoopt worden.

De opvatting van vele oude Gereformeerden, alsof het Nederlandsche volk met God den Heere in een verbond stond, en dat dus alleen in zeer enkele gevallen, waarin een persoon of familie den christennaam


1) Corp. Ref. XIV. 567 v.; G. Kramer, Het verband van doop en wedergeboorte, bl. 131.
2) Maresius, Breve Systema, loc. uit. 51; à Marck, Merch, bl. 822; W. à Brakel, Red. Godsd., ed. Donner, I. 977.

|269|

weigerde en den doop niet begeerde, de doop moest worden nagelaten, is een huldiging van het valsche beginsel eener volkskerk, en daarom te verwerpen. Wel moet het streven der kerk zijn om heel het volk onder de heerschappij van Christus te brengen, en mag de kerk zich niet sectarisch afzonderen van het volksleven, maar daarmee is niet uitgesproken, dat het karakter der kerk is een volkskerk, alsof heel de natie behoort tot de kerk. Het is ook niet de bedoeling des Heeren, dat in de kerk onkruid en tarwe tezamen zullen opgroeien tot den oogst, want duidelijk wordt bij de verklaring der gelijkenis van het onkruid en de tarwe in Matth. 13: 38 gezegd: „de akker is de wereld”, terwijl de kerk is de vergadering der geloovigen. En al blijft in de gemeente steeds zonde en gebrek, al kunnen wij menschen de huichelaren niet kennen, tenzij God ze openbaar maakt, wij moeten de gemeente steeds blijven beschouwen als de verbondsgemeente. De kerk kan over het hart niet oordeelen, maar rekent met de openbaring des levens. Indien iemand verklaart, dat hij een geloovige is en zijn leven daarmee niet in strijd is, dan kan en moet de kerk hem naar den aard der liefde als een bondgenoot rekenen, hem als geloovige toespreken en hem de teekenen en zegelen des verbonds toedienen. Vergist de kerk zich hierin, is zulk een lid der kerk een schijngeloovige of een huichelaar, dan ligt die misleiding voor rekening van het betrokken lid der kerk, dat zich uitgaf voor een geloovige. De kerk gaat vrij uit, wanneer zij de zuivere bediening des Woords, der sacramenten en der tucht handhaaft, en zorg draagt dat de uiterlijke stand der gemeente zooveel mogelijk in overeenstemming is met de kerk als lichaam van Christus.

Om de lijn des verbonds en de heiligheid van het sacrament te handhaven, is het noodig, dat de kerk de grens nauwer trekke, en zich beperke tot het zaad der geloovigen, en wel in dien zin, dat de kerk alleen die kinderen doope, die haar bekend zijn als kinderen der geloovigen, naar den regel, in Hand. 2: 39 gesteld: „U komt de belofte toe en uwen kinderen”. Gelijk oud-Israël de belofte had ontvangen (Exod. 19: 4-6), zoo ook komt die belofte toe aan de geloovigen des N. Testaments in gemeenschap met de verbondsgemeente, en de belofte gaat over van geslacht tot geslacht.

 

Als algemeene regel geldt dus bij de bediening des doops, dat een geloovige recht heeft op de sacramenten, voor zich zelf op het avondmaal en voor zijn kind op den doop.

a. Hoe moet nu de kerk handelen met kinderen van ouders, die wel gedoopt zijn, maar geen belijdenis des geloofs deden?

De Brownisten maakten evenals de Labadisten bezwaar tegen het doopen van zulke kinderen, omdat zij van oordeel waren, dat zulke

|270|

ouders niet als geloovigen konden worden beschouwd. Zij wilden een gemeente van heiligen en waren van gevoelen, dat met den doop dezer kinderen moet worden gewacht, totdat het geloof eenigszins tot openbaring gekomen was. Het goede in dit streven was, dat zij de kerk heilig wilden houden, maar het verkeerde, dat zij geen oog hadden voor het verbond, dat zij als hartekenners optraden, dat zij alleen de zoodanigen rekenden tot de gemeente, van wie zij overtuigd waren, dat zij geloovigen en wedergeborenen waren. Zij dwaalden niet daarin, dat ook de zichtbare kerk moet zijn eene vergadering van geloovigen. Immers zoo wordt de kerk overal in het N. Testament voorgesteld. Ook de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, die in Art. 27 het oog heeft op de historische verschijning der kerk, erkent dat in de kerk, welke is eene vergadering „der ware christgeloovigen” hypocrieten zijn, „welke in de kerk onder de goeden vermengd zijn”, en verklaart dat die kerk niet te scheiden is van haar onzichtbaar verkregen leven, hetwelk vrucht is van de genade van Christus. Het Gereformeerde kerkbegrip is daarop aangelegd, om de zichtbare kerk naar de onzichtbare te oriënteeren, en de ware kerk zooveel mogelijk zichtbaar te doen zijn. Daarom gingen de Gereformeerden bij de bediening des doops niet verder dan de objectieve lijn van het genadeverbond. Zij hielden zich aan den maatstaf, door God in Zijn Woord gegeven, en bestreden het gevoelen der Labadisten, die dezen maatstaf onderwierpen aan de subjectieve keur van menschen. Al waren zij ook in de doopspractijk veel te laks, zij achtten terecht den doop van de kinderen der gedoopte leden noodig, op gronden die zij uit den aard van den doop afleidden. Zij oordeelden, dat de doop niet bediend werd om iemand lid der gemeente te maken, maar geheel anders om door den doop vast te stellen dat iemand lid der gemeente was vóór hij gedoopt werd, gelijk dan ook de eerste doopvraag luidt: „Bekent gij niet dat zij in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen?” Een gedoopt persoon geldt dus voor een geloovige naar den regel des verbonds, zoolang de kerk, op grond van de afwijking van het lid van den weg des Heeren, niet een ander oordeel heeft uitgesproken. En geldt hij dus voor de kerk als een geloovige, dan behoort ook zijn kind tot de kinderkens der geloovigen, en mag aan dat kind het sacrament des doops niet geweigerd worden. De regel was dus bij de Gereformeerden niet: wij doopen alleen kinderen van hen, die ten H. Avondmaal zijn toegelaten, maar kinderen van hen, die als zelf gedoopt, en nog niet onder het oordeel van afval en ongeloof staande, zelf als geloovigen te rekenen zijn. Dit beginsel is goed en werkt goed als maar de tucht in de kerk wordt gehandhaafd. Juist doordat de tucht niet gehandhaafd werd, is de kerk der vaderen diep bedorven. Er kwam een wilde hoop

|271|

menschen, die nooit tot de gehoorzaamheid des geloofs kwamen, geen belijdenis deden, nooit ten avondmaal kwamen, en toch binnen de kerkmuren geduld werden en ongemoeid bleven. Daardoor is het gekomen dat de uitwendige kerkvorm en het innerlijke kerkelijke wezen van elkander afraakten, dat de kerk geestelijk dood werd en dat het vrome volk het er niet meer in kon uithouden.

Daarom moet de kerk wel terdege bedenken, dat zij het leven in de kerk dient aan te kweeken. De kerk heeft te zorgen, wil zij het beslag op het volk niet verliezen, voor de opvoeding der gemeente en hare jonge leden. Naast de zuivere bediening des Woords en der sacramenten is het beslist noodig, dat de tucht in de gemeente gehandhaafd wordt. De tucht moet niet zijn een rigoristisch handelen met wat zwak is en dreigt af te dolen, maar een liefdevol zorgen en waken en vermanen om te behouden, een met al den drang der liefde werkzaam zijn om den zondaar van de dwaling zijns wegs te bekeeren. Zoo wordt de tucht, naast de onderwijzing, een heerlijk middel tot genezing en terechtbrenging des zondaars, en tot handhaving van het recht des Heeren in de gemeente. Maar wanneer een lid der gemeente in weerwil van allen arbeid der liefde weigert zich aan het juk van Christus te onderwerpen, en, verhard in het kwaad, zich onttrekt aan het opzicht der kerk en met de wereld af doolt, zijn de opzieners der kerk verplicht, hem uit de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alleen zoo kan het recht van Christus in zijne kerk worden gehandhaafd. Er moet dus een wacht betrokken worden bij de sacramenten. De positie van de kinderen der gemeente moet worden geregeld. De gedoopten, die nog geen belijdenis des geloofs deden, worden evengoed als de belijdende leden der gemeente gerekend tot de gemeente, en vallen evengoed als de volwassen en tot het avondmaal gerechtigde leden onder de tucht. Een gedoopte, die, tot den volwassen leeftijd gekomen, geen belijdenis doet, mag niet ongemoeid gelaten, hij moet zich buigen onder Gods Woord, zijn doop aanvaarden of tenslotte buiten het erfdeel des Heeren geplaatst worden. Wanneer iemand weigert belijdenis des geloofs te doen, dan spreekt hij daarmede uit, dat hij den Heere niet wil dienen, en wanneer hij volhardt in het kwaad, moet hij van de gemeente worden afgesneden. In dat geval kan hij zijn kind niet meer ten doop aanbieden. Niemand kan dit voor hem doen, omdat hij naar het oordeel der kerk het karakter van geloovige mist. Het kind van zulke afgesneden ouders, die goddeloos leven, kan niet gedoopt worden, totdat de ouders tot berouw komen, of het kind bij het opgroeien zelf tot geloof en bekeering komt.

Het niet-komen tot geloofsbelijdenis kan echter ook voortkomen uit een gebrekkig inzicht van den weg des verbonds. Er zijn in sommige

|272|

deelen, vooral in het Noorden van ons land, menschen die trouw met de gemeente medeleven, die voor hunne kinderen het onderwijs en de leiding der kerk begeeren, en die toch uit oorzaak van schuchterheid niet komen tot belijdenis en avondmaal. De oorzaak van dit verschijnsel is historisch te verklaren, allereerst uit de eigenaardigheid der volksziel, en in de tweede plaats uit de invloeden, die in den loop der eeuwen in ons kerkelijk leven werkten, vooral die van het Labadisme.

In het Noorden des lands staat het nuchtere denken, de objectieve beschouwing des heils meer op den voorgrond, zonder dat daar de warmte van het hart en de diepte des gevoels gemist wordt, terwijl in het midden en in het Zuiden des lands het subjectieve gevoel en de bevinding meer naar voren treedt. In het Noorden staan velen zeer schuchter voor het doen van de geloofsbelijdenis, omdat zij overtuigd zijn, dat zij waar en oprecht moeten zijn en dus niet eer geloofsbelijdenis kunnen en mogen doen, vóór zij zeker zijn dat de keuze om den Heere te dienen oprecht is. Maar hebben zij eenmaal den toegang tot het avondmaal gevraagd, dan komen zij uit den drang der liefde of uit gehoorzaamheid geregeld ten avondmaal. In het midden en in het Zuiden des lands hebben de jonge leden over het algemeen geen bezwaar tegen het doen van belijdenis, maar zij zijn zeer schuchter om toe te treden tot den disch des verbonds.

In de tweede plaats heeft de veruitwendiging der kerk en de daarop volgende reactie van het Labadisme grooten invloed uitgeoefend op de beschouwing van doop, belijdenis en avondmaal. Toen de doode orthodoxie eerst, en daarna het rationalisme heerschend werd in de kerk, kwam ook een verkeerde beschouwing van het leven des geloofs. Stelden de oppervlakkigen zich tevreden met een uitwendig kennen en aanvaarden van de leer der kerk, vele ernstige menschen zagen het wezen des geloofs in het vertrouwen, dat er in Christus uit genade voor zondaren zaligheid te verkrijgen is, waardoor nu ook wie dit vertrouwt tot Christus de toevlucht neemt met smeekingen en gebeden, om door hem gerechtvaardigd, geheiligd en gezaligd te worden. Zonder het te bedoelen kwamen deze zoogenaamde „fijnen” op de Roomsche lijn, en merkten de rechtvaardigheid aan als iets, dat door hun toevluchtnemen, door hun geloof moest verworven worden. Hongeren en dorsten was volgens hen een voorwaarde en een voorlooper van het geloof. Inplaats van een geloof, dat vrucht was van Gods herscheppende genade, een geloof dat „wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch”, leerden zij dat iemand niet mag vertrouwen, dat hij met God verzoend is, tenzij hij van te voren verzekerd is, dat hij een wedergeborene is. Zoo keerden zij de orde Gods om, en wilden bekeering en heiligmaking vóór en zonder het geloof. Zij zagen niet dat bekommernis over de zonde, dat

|273|

vluchten met den nood der ziel tot Christus geen voorwaarde, maar vrucht is van het waarachtig geloof.

Daarom konden deze menschen ook geen belijdenis des geloofs doen in de Gereformeerde kerken, omdat zij dan moesten belijden, dat Christus Jezus hun tot een Zaligmaker van God geschonken is. Om die reden konden zij ook hunne kinderen niet laten doopen, en durfden zij niet tot het avondmaal toegaan. In deze kringen werd de grond des geloofs verlegd van het objectieve naar het subjectieve. Het gevoel en de bevinding namen de plaats in van de persoonlijkheid en het kennend leven. Schortinghuis en anderen zochten hun steun te veel in het subjectieve gevoel, in „de waarheden in het herte”, in plaats van te bouwen op de belofte Gods in Christus. By de herstelling uit ongestalten wordt Begenadigde niet opnieuw ingeleid in de heerlijkheid des evangelies, maar in zijn vorige bevindingen, en zoo komt hij tot de erkentenis dat hij genade gevonden heeft en bekeerd is. Bij deze leer gaan de objectieve waarden van kerk en sacrament en geloofsbelijdenis verloren. De openbare godsdienstoefening is niet een oefening van de gemeenschap der heiligen, een samenkomen van God met Zijn volk, maar een welkome gelegenheid om de menigte te bereiken. Voor de verbondsleer was er bij de Labadisten en bij Schortinghuis geen plaats. De doop had weinig of geen beteekenis. Het avondmaal was volgens hen alleen voor enkelen, die waarachtig verzekerd zijn in het geloof, terwijl zij van de leer der geloofsbelijdenis, dat de sacramenten dienen tot versterking des geloofs, niet veel verstonden. De kerk was niet veel meer dan „een Babel van verwarringen”.

Geen wonder dat, toen in de 17de en de 18de eeuw de prediking van vele predikanten dor was, wel uitwendig in overeenstemming met de Gereformeerde belijdenis, maar zonder leven en kracht, veelal geheel buiten de bevinding der heiligen, vele vromen gaarne luisterden naar de stemmen, die in labadistische en mystieke kringen gehoord werden. Bij zulke predikanten, die de gemeente steenen gaven voor brood, durfde men geen belijdenis doen, zijne kinderen niet laten doopen en niet ten avondmaal gaan. Sommigen wilden zelfs den Catechismus niet gebruiken als leeerboek op de catechisaties, omdat deze stond op het standpunt van het persoonlijk belijdend geloof. Van een staan voor en leven naar de roeping Gods was er bij deze menschen geen sprake. Niet de hoogheid der roeping Gods dreef, maar de stem des gevoels. Dit was niet bevorderlijk voor het leven der gemeente, voor de handhaving van de zuivere bediening van Woord en sacramenten, voor den wandel in gehoorzaamheid aan den Woorde Gods.

Om die reden ligt het op den weg der kerk om met alle liefde en in alle teederheid in de prediking, op de catechisatiën en bij het

|274|

huisbezoek de zuivere leer des verbonds te verkondigen, en te arbeiden, dat de volwassen leden komen tot de belijdenis des geloofs, opdat zij daarmede ook voor hunne kinderen het recht op den doop mogen ontvangen. Blijft echter bij de ouders bezwaar, dan mag dit niet leiden tot een tuchtmiddel, in dien zin dat de kinderen van zulke ouders van den doop worden uitgesloten. Zulk een tuchtmiddel is niet in Gods Woord gegrond, en vindt geen steun in onze Belijdenis. Met nadruk wordt in het doopsformulier uitgesproken, dat wij moeten gelooven, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en onze catechismus leert, dat de jonge kinderen alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zjjne gemeente begrepen zijn. Om die reden mag de kerk aan de kinderen van gedoopte leden, die nog tot haar behooren, niet den doop onthouden, waarop zij recht hebben, ter oorzake van de ontrouw der ouders. Zoo sprak ook de Generale synode van 1908 (Art. 86) uit: „dat de kinderen van zulke ouders, die nog leden der kerk zijn, be­schouwd moeten worden als te behooren tot het zaad der kerk en dat deze derhalve recht op den doop hebben”.

Nu is er echter een bezwaar, dat de ouders, die nog niet tot de gehoorzaamheid des geloofs gekomen zijn, en dus nog niet volgerechtigde leden der kerk zijn, zelf hunne kinderen ten doop aanbieden. Om die reden verklaarde de synode, dat in zulke gevallen de stipulatiën niet met deze ouders kunnen worden aangegaan, en dat in zulke gevallen een of meer doopgetuigen moeten worden gevorderd, die naar het oordeel des kerkeraads voldoenden waarborg geven, dat de opvoeding van zulke kinderen beantwoorden zal aan den eisch des ver­bonds. De kerk moet niet alleen zekerheid hebben, dat het kind, hetwelk ten doop wordt aangeboden, een kind des verbonds is, maar ook waarborg dat de doopouders zelf instemmen met de belijdenis der kerk, opdat zij kan vertrouwen, dat de kinderen naar eisch des verbonds worden opgevoed. Daartoe dienen de stipulatiën, of de vragen, die gesteld worden, waarbij de ouders verklaren, dat zij de belofte van Gods verbond voor zich zelf en voor hun kind aanvaarden, en beloven dat zij dienovereenkomstig hun kind, als ’s Heeren kind, naar eisch des verbonds zullen opvoeden. In bijzondere gevallen stelden de oude Gereformeerden getuigen, die mede met de doopouders op de doopvragen antwoordden en door het afleggen van de doopsbelofte de verplichting op zich namen om het gedoopte kind in de christelijke leer te onderwijzen. De getuigen stonden naast of in de plaats der ouders. Was de vader vóór den doop overleden of geëxcommuniceerd, of behoorde hij niet tot de Gereformeerde kerk, zoo gold deze representatie voor geheel de opvoeding. Was hij wettig verhinderd, dan representeerde de getuige alleen bij den doop, zonder een verdere verplichting op zich te nemen.

|275|

Wanneer vader en moeder geen van beiden belijdenis des geloofs hadden afgelegd, moest het kind wel gedoopt worden, maar werden één of twee „onbesproken” lidmaten als getuigen gesteld 1). Indien de kerkeraad geen getuige kon vinden, werden bijzondere maatregelen genomen. Zoo oordeelde de classis van Delft in zulk een geval (6 April 1761): „dat vermits een kerkeraad het opzicht heeft over de gansche Gemeijnte den kerkeraad van Maasland in eadem qualitate de naaste betrekking heeft tot de opzigt over den doop van dit kind, en ’t geent zij hier in doen, ratione officii daarin handelen: weshalve deselue verzogt word nomine Synedrii twe Leeden uit haare vergadering over den doop van ’t voorseide kind te laaten adsisteren, en vervolgens na haar vermogen de toezigt over ’t zelve in de opvoeding in de Leere der waarheid te nemen” 2) .

Het vragen van getuigen rust niet op een goddelijk gebod, maar is toch wel aan te bevelen in het geval niet een van de ouders een tot het avondmaal toegelaten lid der kerk is. De kerk heeft in bijzondere gevallen getuigen gevraagd om te meer waarborg voor een christelijke opvoeding te hebben. Dit vragen van getuigen heeft voorts nog deze goede zijde, dat de gedoopte leden der kerk, die voor hunne kinderen den doop begeeren, zelf leeren verstaan, dat hun kerkelijke positie abnormaal en onvolkomen is. En wanneer in zeer bijzondere gevallen bij een doopsaanvrage zich geen getuige aanbiedt, om met de ouders op de doopvragen te antwoorden, dan neme de kerkeraad, die naar Gods Woord zelf de roeping heeft opzicht en tucht te oefenen over de gemeente, zulke maatregelen, dat het kind kan worden gedoopt, dat het voor de gemeente en voor de ouders blijke, dat hier een abnormaal geval is, en dat de ouders door onderwijs en vermaan bestendig herinnerd worden aan hunne verplichting als gedoopte leden der kerk, namelijk om zelf in nieuwe gehoorzaamheid te wandelen, en hun kinderen in de vreeze des Heeren op te voeden. De kerkeraad bepale dan, wanneer de doop voor een kind van zulke doopleden wordt aangevraagd, de ouders bij hun roeping, en stelle zelf een getuige, die op de doopvragen antwoordt.

De vraag, of deze ouders, die nog doopleden zijn, mede mogen antwoorden op de doopvragen, is verschillend beantwoord. Geoordeeld naar het beginsel kan hiertegen geen overwegend bezwaar worden ingebracht, omdat een verklaring van zulke ouders nog meer waarborg geeft voor een goede opvoeding, al draagt dit antwoorden niet het karakter van een aangaan der stipulaties.


1) Acta classis Delft, 4 April 1757, art. 22; 2 April 1792, art. 12.
2) H.J. Olthuis, De Doopspraktijk der Geref. kerken, bl. 205.

|276|

b. Hoe moet gehandeld met kinderen van geëxcommuniceerden?

Deze vraag heeft de Gereformeerde kerken van den beginne bezig gehouden 1). Reeds op de synode van 1574 werd op de vraag van Dordrecht, of men de kinderen der afgesnedenen van de gemeente doopen mag, geantwoord (vr. 9): „Ja, met conditie datmen de gheuaders vaster in de belofte, van die kinderen ghetrouwelick te onderwijsen, verbinde”. En op de vraag of men allerlei menschen „als van hoereerders, Afghesnedenen, Papisten ende anderen dierghelycken sonder onderscheyt doopen sal?” antwoordde de Nat. synode van Dordrecht (1578, part. vr. 27): „Ouermidts de doop den kinderen, die int verbont Gods staen, toekoemt, ende het ghewis is dat dese kinderen buyten het verbont niet en syn, soo salmense van den Doop niet weren, Alsoo nochtans datse op behoirlicker wyse ghedoopt werden ende van dien ghepresenteert die op de afvraginghe in de forme des Doops begrepen antwoorden ende de leere toestaen”. De oude Gereformeerden namen deze besluiten onder den invloed van de begeerte om heel het volk in de Gereformeerde kerk op te nemen. Zij rekenden de kinderen, tijdens de censuur en de excommunicatie der ouders verwekt, naar het oordeel der liefde niet buiten het verbond, want de ouders waren gedoopten en hadden niet geheel opgehouden christenen te zijn. Evenwel wilden zij een waarborg voor een Gereformeerde opvoeding der kinderen, en trachtten daartoe de getuigen, die moesten instemmen met de leer der kerk, te verbinden.

Onder de Gereformeerden heerschte op dit punt verschil van gevoelen. De Schotsche kerken waren op de synode van 1560 van oordeel, dat de kinderen van geëxcommuniceerden niet mochten gedoopt worden, vóór de ouders zelf berouw getoond hadden, of vóór de kinderen zelf volwassen geworden den doop begeerden. Calvijn was van gevoelen, zooals blijkt uit zijn brief aan Farel 2), dat kinderen van zulke ouders, die geheel met het christendom gebroken hebben, niet mogen gedoopt worden. Beza maakt (Ep. 10) onderscheid tusschen de geëxcommuniceerden, die in de kerk blijven en hen, die als openbare afvalligen de waarheid bestrijden. De kinderen van de eersten mogen wel, die van de laatsten niet gedoopt worden. Voetius 3) maakt onderscheid tusschen degenen, die wegens de zeden en hen, die wegens afval van het geloof waren geëxcommuniceerd. In het laatste geval zal de begeerte tot den doop der kinderen niet worden geuit. De kinderen, vóór de excommunicatie geboren, kunnen, wanneer een der afgesneden ouders het goedvindt, dat ze door den grootvader of verwante ten doop worden


1) Smetius, Ordonnantiën, 1669, bl. 106.
2) Kramer, Het verband van doop en wedergeboorte, bl. 131.
3) Pol. Eccl. I. 666.

|277|

aangeboden, worden gedoopt volgens den regel: „Indien de wortel heilig is, zijn ook de takken heilig”. Hottinger 1), à Marck 2), B. de Moor 3) en anderen verklaren dat de kinderen van geëxcommuniceerden niet van den doop moeten worden geweerd, wijl zij moeten gerekend worden voor kinderen van bondgenooten. En Maresius 4) zegt: „De doop moet niet geweigerd worden aan de kinderen van afgesnedenen door den ban, daar deze den christennaam nog niet geheel hebben afgezworen, en omdat de kinderen niet moeten dragen de ongerechtigheid der ouders”. Van een tegenovergesteld gevoelen waren P. van Mastricht 5) en W. à Brakel 6), welke laatste zegt: „Geen kinderen te doopen van ouders, die beiden geëxcommuniceerd zijn, na de excommunicatie geteeld, dewijl die voor heidenen moeten gehouden worden, Matth. 18: 17”. Allen hielden dus vast aan den regel, dat men geen kinderen zal doopen, tenzij men verzekerd is, dat zij zijn kinderen des verbonds 7), maar in de practijk waren velen zeer rekkelijk.

De juiste lijn werd aangegeven door Voetius en à Brakel. Immers de afgesnedene wordt naar luid van het „Formulier des Bans” uitgesloten „buiten de gemeente des Heeren, en is vreemd aan de gemeenschap van Christus, van de Heilige Sacramenten en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan Zijne gemeente belooft en bewijst, zoo lang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijne zonden”. Zijn beide ouders afgesneden, dan worden de kinderen, geboren na de excommunicatie, gerekend buiten de erve der gemeente en kunnen niet gerekend worden tot de gemeente, en mogen niet gedoopt worden, zoolang de ouders in hun onboetvaardigheid volharden. Het bezwaar, dat de kinderen niet mogen dragen de ongerechtigheid der ouders, klemt niet. Want allereerst bedoelen de woorden van Ezechiël 18 niet, wat Maresius er uit afleidt. De tijdgenooten van Ezechiël beklaagden zich er over, dat zij om der vaderen zonden leden, terwijl zij hun eigen zonden voorbijzagen. En daarom zegt de profeet, dat de Israëlieten om hun eigen zonden gestraft werden. En in de tweede plaats is het bezwaar van Maresius e.a. niet in overeenstemming met Gods Woord, omdat God wel ter dege de zonden der ouders bezoekt in hunne kinderen, terwijl Hij barmhartigheid doet aan duizenden dergenen, die Hem liefhebben en Zijne geboden onderhouden. Heel de weg des verbonds komt met dezen


1) Cursus theologicus, p. 620.
2) Compendium theol. christ., Amst. 1722, p. 594.
3) Comm. V. 505.
4) Breve Systema, 1649, p. 512.
5) Godgeleerdheit IV. c. 4, 13.
6) Red. Godsd. I. c. XXXIX, 23.
7) Acta Syn. Gouda 1620, Art. 71.

|278|

regel overeen (Deut. 24: 16; Ez. 18: 20-24; 33: 11). Wanneer nu het kind van een afgesnedene bij het opgroeien komt tot bekeering, dan kan hij na belijdenis des geloofs worden gedoopt. Eveneens staat voor den geëxcommuniceerde de weg om zijne kinderen ten doop aan te bieden open, indien hij met boetvaardigheid wederkeert. Voor de kerk geldt bij den doop de regel: „Indien de wortel heilig is, zijn ook de takken heilig” (Rom. 11: 16; 1 Cor. 7: 14; Hand. 2: 39).

c. Kinderen van gecensureerden, die nog lid van de gemeente zijn, behooren naar het algemeen gevoelen der oude Gereformeerden tot den doop te worden toegelaten. Perkins is van gevoelen, dat, voorzooveel zij naar het oordeel der kerk nog behooren tot de kerk, de kinderen moeten gedoopt, want voormaals zijn ook alle de kinderen der besnedene Joden, onder welke ook vele godlooze lieden waren, besneden geworden. Paulus zegt (Rom. 11: 16): „Indien de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heilig”. Zoo ook spreken Voetius 1), Walaeus 2), W. à Brakel 3) e.a. Dit oordeel der oude Gereformeerden moge wel niet onjuist zijn, maar het gaat niet aan om zich daarvoor te beroepen op het recht onder Israël, omdat daar de toegang tot het sacrament gebonden was aan het lid-zijn van het volk des verbonds, van Israël als volk, terwijl onder het Nieuwe Testament de kerk het karakter draagt van een vergadering der geloovigen. Zoolang dus de ouders, die vanwege hun onvroomheid in leer of leven gecensureerd zijn, nog leden der gemeente zijn, gelden hunne kinderen nog als kinderen der gemeente. Het is niet geoorloofd, dat de ambtsdragers naar hun persoonlijken indruk handelen, en de kinderen weren van den doop, omdat zij van oordeel zijn, dat de ouders onbekeerd zijn, maar zij moeten deze kinderen toelaten tot den doop, omdat zij geboren zijn in het verbond, uit ouders, die nog leden der gemeente zijn. Maar zoolang beide ouders gecensureerd zijn kunnen zij zelf hun kind niet ten doop aanbieden, omdat door de censuur hun rechten als lid der kerk zijn opgeschort, en moet als waarborg voor een goede opvoeding een getuige optreden. Is slechts een der ouders gecensureerd, dan kan de andere, die lid der gemeente is, het kind ten doop aanbieden.

d. Aangaande onwettige kinderen oordeelden de Gereformeerde godgeleerden,  evenals  de kerkelijke  vergaderingen 4),  eenparig  dat  zij moesten gedoopt worden, doch op voorwaarde dat de ouders berouw toonden of dat zij door getuigen ten doop werden aangeboden. Alleen


1) Pol. Eccl. I. 662.
2) Opera II. 353.
3) Red. Godsd. I. XXXI. 23.
4) Nat. Syn. 1578, p. vr. 27; Smetius, Syn. Ordonnantiën, 1699, bl. 106.

|279|

de Schotsche kerken maakten hierop een uitzondering. De theologen 1) sloten zich over het algemeen aan bij het advies van de Heidelberger theologische faculteit gegeven in 1571 aan een vorst, opgesteld door Zanchius, mede onderteekend door Boquinus en Tremellius, dat aldus besluit: „want ofschoon aan de onechte kinderen de doop niet zonder meer kan worden ontzegd, moeten zij echter niet worden gedoopt, indien zij door onboetvaardige ouders worden gepresenteerd. Het is ook niet eerbaar en nuttig in de kerk. En ofschoon het geoorloofd is, dat zoodanige onechte kinderen door andere vrome mannen ten doop worden aangeboden, toch is het beter dat de doop uitgesteld wordt, totdat de ouders berouw toonen, dan dat zij terstond gedoopt worden. Maar laat dit zoo spoedig mogelijk gebeuren vóór de kinderen sterven, niet terwille van de zaligheid der kinderen, maar voor het heil der dienaren, opdat zij niet den schijn geven het gebod ter verzegeling en toewijding der kinderen aan God te minachten” 2). Dat naar dit advies in den regel ook in onze kerken gehandeld werd, blijkt wel uit hetgeen Kelderman in 1720 schreef in een noot van het door hem uitgegeven werkje van Gerhard Meyer: „De onderwerpen van den H. Doop nader bepaald” (bl. 243): „met dit oordeel der Heidelberger godgeleerden, en van soveel anderen, komt de gewoonte overeen, die in sommige gemeenten van ons vaderland beoefend werd. Volgens dit gebruik is het niet geoorloofd, onegte kinderen, sonder blijken van der moeders boetueerdigheid ten Doop toe te laten. Immers dit is de aloude en standvastige Praktijk in dese onse Gemeente van Utrecht” 3).

De vraag aangaande den doop der kinderen, buiten het huwelijk verwekt, hield telkens de kerkelijke vergaderingen bezig. Voor den doop van dergelijke kinderen werden wel algemeene regelen opgesteld, maar in bijzondere gevallen liet men aan de kerkeraden volkomen vrijheid om te handelen, naar de omstandigheden dit vereischten. Uit een gravamen, op de synode van Zuid-Holland door de classis Dordrecht 4) ingediend, blijkt dat er minstens vier verschillende gevoelens waren: 1. Sommigen doopten de onechte kinderen op volkomen gelijke wijze als de andere „zonder ijets anders daartoe te vereijsschen”. 2. Anderen achtten het noodig, dat de kerkeraad of een predikant vooraf toestemming gaf. 3. Weer anderen stelden den doop uit, totdat de moeder vermaand was en zij „belijdenisse van haar zonden, betuyginge van berou, en belofte van een kuijsch en eerlijk leven in ’t toekomende”


1) Perkins, Al de werken I. 464; Alting, Theologica Problematica Nova, Loc. 14, p. 660.
2) Geciteerd bij Voetius, Pol. Ecel. I. 632.
3) Utrechts Syn. Handboekje, De Kruyff, bl. 57, 196.
4) Acta Syn. Z. Holl. 1713, art. 42.

|280|

gedaan had. 4. Ook waren er die den doop uitstelden totdat de moeder persoonlijk het kind kon presenteeren. Sommigen namen genoegen met deze „enkele praesentatie”, terwijl anderen bovendien eischten „een openbare bestraffinge van de moeder voor de gantsche gemeijnte”, „met betuijginge van berouw en belofte van beterschap” 1). In sommige classen en provinciën werd aan de moeder, wanneer zij lidmate was, het avondmaal ontzegd, terwijl in menige classis het gebruikelijk was, dat na de drie doopvragen een vierde werd gesteld of zij niet betuigde voor God en de gemeente, dat haar de begane zonde „van herten leed” was, en of zij beloofde en voornemens was zich „in het toekoomende voor zulk een ligtvaardigheid en zonde te wagten” 2). In Drenthe ging men al heel wonderlijk te werk, wanneer een ongehuwde moeder, uit bezwaar tegen de openbare bestraffing, weigerde in de kerk te komen. In de „Kerkenordre der landschap Drenthe” van 14 Maart 1730 (art. 58) was bepaald: „Kinderen, uit hoererye of overspel verwekt, zullen op instantie van de moeders gedoopt worden: Maar zal de moeder gehouden zyn, wanneer uit de kraam zal gegaan wezen, met haar gedoopte kind in de Kerke te komen; of, zo ras daar toe in staat is, opentlyke belydenisse van hare zonden te doen, en beterschap des levens te beloven: zullende op het eerstkomende Synode daar van een Formulier gemaakt worden. En ingeval de moeder mogte weigeren in de Kerke te komen, en deze belydenisse en beloften te doen, zal de Schults loci door twe Landschaps Soldaten dat vrouwspersoon met gewelt na de Kerke laten leiden”. Op de synode van Brielle werd in 1737 de vraag behandeld of men een onecht kind van een ongehuwde moeder, die ook zelve onecht en bovendien een ongedoopte was, mocht doopen. De synode besloot dat alleen dan de doop mocht bediend worden, als er twee lidmaten als getuigen gesteld werden. Algemeen nam men aan, dat een kind, uit hoererij geboren, kon worden gedoopt, indien de moeder geacht kon worden tot het verbond te behooren. Zoo verscheen te Oudewater een moeder op de kerkeraadsvergadering met het verzoek, dat haar zesde onechte kind mocht gedoopt worden. De kerkeraad was verontwaardigd over haar schandelijk gedrag en schaamtelooze houding en zond de moeder weg zonder bestraffing met diepe verachting. Maar het kind van deze moeder werd, omdat het een kind des verbonds was, als de andere kinderen der gemeente, gedoopt 3). Zelfs werden kinderen van ouders, die in concubinaat leefden, niet van den doop geweerd, doch hierbij werd aanbevolen dat de ouders bij den doop ernstig zouden worden


1) Acta class. Edam, 28 Mei 1736, § 17.
2) Acta class. Utrecht, 10, 11 Aug. 1722, Art. 10.
3) J.M. Margadant, Blikken in het kerkelijk en gemeentelijk leven onzer vaderen, Rotterdam, 1904, bl. 198.

|281|

vermaand, opdat zij „ijm hertzen geröret und dem h. Christo gewünnen werden” 1). Zelfs wanneer de ouders na gedane vermaning hardnekkig volhardden in hun zondig leven, moesten de kinderen gedoopt worden 2).

Ofschoon onze vaderen bij de doopsbediening aan onechte kinderen wel eens zijwegen insloegen, die niet kunnen gevolgd worden, was toch de regel, dat onechte kinderen van ouders, die in het verbond zijn, moesten gedoopt worden, de juiste. Wanneer de moeder of beide ouders berouw toonen en belijdenis des geloofs afleggen, kunnen de ouders zelf hun kind ten doop houden. Wanneer de ouders wel voor den kerke-raad schuldbelijdenis willen afleggen en beterschap des levens beloven, kan het kind worden gedoopt, omdat het een kind des verbonds is, mits door een doopgetuige de stipulatiën worden afgelegd. Indien echter de moeder, of beide ouders onboetvaardig zijn, kan het kind niet worden gedoopt, en moeten de ouders, die van hun zondig leven geen afstand willen doen, worden gecensureerd. Na schuldbelijdenis en betering des levens komt de overtreder weder in verzoende betrekking tot de gemeente, en kan het kind door hem ten doop worden aangeboden. Deze schuldbelijdenis moet kunnen worden ondersteld een waarachtige belijdenis te zijn, die ook den toegang ontsluit tot de sacramenten. Belijdenis van de ééne zonde veronderstelt in kerkelijken en mitsdien in geestelijken zin, dat iemand belijdenis van heel zijn zondig en schuldig bestaan heeft gedaan, en vergeving heeft leeren zoeken in het bloed des kruises. Een andere belijdenis kan de kerk niet als waarachtig erkennen. Genade is ook in dezen op recht gegrond. En daarom is de rechte weg, dat de kerkeraad er op werke, dat gedoopte leden, die in hoererij leefden, belijdenis van hun geloof in Christus doen, en dat daarna het kind wordt gedoopt. Bij deze openbare belijdenis wachte de kerk zich om de zonde zóó te bestraffen, dat de zondaren voor de volle gemeente beleedigd worden, of dat min kiesche bewoordingen bij de bestraffing worden gebruikt, maar houde zij in het oog, dat naast de ernstige bestraffing het woord der verzoening en vergeving worde gehoord. Daartoe gebruike de dienaar een van te voren door den kerkeraad vastgesteld formulier.

e. Kan een volwassene, die idioot of krankzinnig is, worden gedoopt?
Op deze vraag antwoorden de scholastici, in navolging van Thomas, bevestigend. Voetius zegt 3), dat hij, zonder te erkennen dat de doop voor de zaligheid noodig is, zich met dit gevoelen wel kan vereenigen, indien de persoon, voor wien de doop aangevraagd wordt, uit bondsouders is


1) Acta Syn. Appingedam (Reitsma en Van Veen, VII, bl. 173); Syn. v. Doesburch, 1583, Art. 19.
2) Kerkordening van Drenthe, 1638, art. 58.
3) Pol. Eccl. I. 655.

|282|

geboren en het duidelijk is gebleken, dat hij in zijn jeugd niet gedoopt is, en dat hij inderdaad onbekwaam is zich begrippen te vormen over menschelijke en goddelijke zaken, en dus niet zelf een eigen belijdenis kan doen. Hij moet dan gehouden worden voor en is gelijk te stellen met een klein kind der geloovigen. Hierbij moet in acht genomen worden, dat er waarborg bestaat, en er geen vrees is, dat hij zich bij de doopsbediening onstichtelijk gedraagt.

In overeenstemming hiermede besloot de synode van Noord-Holland (1646) 1), dat een jong man van 18 jaar als klein kind door een vroedvrouw gedoopt, en nu kinds zijnde, als kind mocht worden gedoopt. In een geval, dat een lid der kerk voor een persoon van „Menniste ouders”, die reeds 40 jaar oud was, den doop vroeg, werd bepaald, dat het aan te bevelen is dat deze broeder van zijn verzoek afstand doet. Daar deze broeder aan den wensch der synode voldeed, was hiermede deze zaak afgedaan 2). De reden, waarom deze raad door de synode gegeven werd, is in de Acta niet vermeld. Deze reden kan daarin gelegen zijn, dat het een kind van Doopsgezinde ouders was, wijl het niet zeker kon geacht worden, dat deze in het verbond waren, omdat vele wederdoopers de leer der Drieëenheid loochenden, en het voor den doop zeker moest zijn, dat iemand in het verbond geboren was. Kan dus een volwassen idioot, die in het verbond geboren en in zijn jeugd niet gedoopt is, worden gedoopt, daarbij moet wel bedacht, dat de toestand van zulk een persoon van dien aard behoort te zijn, dat hij zonder schade voor de stichting der gemeente tot het avondmaal en tot de doopsbediening kan worden toegelaten. Is zijn toestand van dien aard, dat hij naar aller gedachten nooit tot het avondmaal kan toegaan, dan moet hij ook niet tot den doop worden toegelaten 3).

In verband hiermee rijst de vraag of de doop aan monsters mag worden bediend. De canonici hebben onderscheiden tusschen eigenlijk gezegde monsters, wanschapen wezens, die zoo misvormd zijn, dat zij niet tot de menschen kunnen worden gerekend, en degenen, die in een of meer lichaamsdeelen misvormingen en groote afwijkingen vertoonen, maar die toch nog het wezen van een mensch dragen. Aan de eersten kan de doop niet, en aan de anderen wel toebediend 4).

Bij de vraag of men volwassen krankzinnigen, die wel in het verbond geboren, maar in de jeugd niet gedoopt zijn, kan doopen, moet men wel onderscheiden. Het is duidelijk, dat zij, die volslagen krankzinnig zijn


1) Acta d. Part. Syn. v. Z. Holland, ed. Knuttel, III, bl. 63.
2) Acta Syn. 1666, art. 39; 1667, art. 37.
3) Dr F.L. Rutgers, Kerkel. Adviezen II. 87.
4) J. Gerhardi, Loci theologici, Tom. IV, Loc. XX. 168, ed. Hinrichs IV, p. 347; Voetii, Pol. Eccl. I. 646;  Ranke, Der Mensch, 1887, I. 147.

|283|

en geen heldere oogenblikken hebben, niet tot den doop en tot het avondmaal kunnen worden toegelaten. Maar indien zij heldere tijden hebben, tijden waarin zij niet in de ziekteperiode zijn, maar volkomen normaal zijn, en er geen gevaar bestaat naar het oordeel der geneesheeren, dat zij bij de bediening van het sacrament de orde verstoren, dan is er geen gegronde reden waarom zij niet tot de belijdenis des geloofs, den doop en het avondmaal kunnen worden toegelaten.

f. Mogen volwassenen buiten hun toestemming, en kinderen zonder toestemming hunner ouders gedoopt worden?

De Roomsch-Katholieke kerk leert, dat volwassenen zelf den doop moeten aanvragen om de genade des sacraments deelachtig te worden. Aan de kinderen evenwel, die zelf hun toestemming niet kunnen geven, komt de kerk tegemoet en stelt voor hen peeten.

De Roomsche kerk leert, dat ieder mensch door God geroepen is den hemel in te gaan, en dat daarom ook ieder geroepen is het sacrament des doops, waardoor hij van de erfzonde wordt verlost, te ontvangen. Om die reden moeten de kinderen zoo vroeg mogelijk gedoopt worden, en kunnen christelijke ouders gedwongen worden, hunne kinderen te laten doopen. Kinderen van Joden en Heidenen evenwel kunnen niet gedoopt worden, tenzij het kind in doodsgevaar is, of een der ouders den doop verlangt, of de ouders van hun ouderrechten zijn beroofd, of ook het kind bij het opgroeien den doop begeert, en wanneer latere afval van het geloof niet te vreezen is, en het te verwachten is, dat het kind in de Roomsche leer wordt opgevoed 1). In het laatste geval, wanneer zij onder de macht van een christen of van een christelijke regeering staan, mogen ook volwassene Joden en Heidenen gedoopt worden.

De Gereformeerden zijn echter van oordeel, dat de kerk niet het recht heeft kinderen te doopen buiten de toestemming der ouders, want het kind is tot aan zijne meerderjarigheid onder de macht der ouders, voorzoover zij daarvan niet zijn ontheven of ontzet, terwijl er zonder toestemming van ouders of voogd geen waarborg is op een Gereformeerde opvoeding. Bovendien is het argument van de noodzakelijkheid des doops voor de zaligheid van geen beteekenis, omdat de H. Schrift leert dat niet de doop behoudt, maar het geloof in den Heere Christus.

De oude Gereformeerden, hoewel dezen regel toestemmend, ontzagen zich echter niet om Roomschen en Doopsgezinden te verplichten hunne kinderen in de Gereformeerde kerk te laten doopen. Zoo bepaalde de synode van Overijsel (1652, art. 48), dat de papisten hunne kinderen moeten „laten doopen in de Gereformeerde kerck op een boete van 25


1) J. Corblet, Histoire du sacrament, 1881, I. 893; Vering, Kirchenrecht, S. 828; Heiner, Kath. Kirchenrecht, 1913, II. 276.

|284|

goutgulden”. Uit het formulier des doops mocht dan worden uitgelaten het woordeken „alhier” (1650, art. 26). Deze praktijk, geboren uit een onjuiste kerk- en verbondsbeschouwing, kan niet worden goedgekeurd.

Anders staat het met den doop van kinderen, die, tot den volwassen leeftijd gekomen, tegen den wil der ouders den heiligen doop begeeren en belijdenis des geloofs voor de gemeente willen afleggen, omdat zij inzake de religie niet afhangen van de ouders, maar voor eigen rekening staan, en het woord der apostelen ook geldt van hen: „Men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen” (Hand. 5: 29).

g. Van groote beteekenis is de vraag: Hoe moet de kerk handelen met kinderen van hen, die buiten de kerk staan, heidenen, ongeloovigen, Mohammedanen, enz.?

De Gereformeerden waren over het algemeen van oordeel, dat kinderen van Joden, die Christus verwerpen, van Mohammedanen, die van een Drieëenig God niets willen weten, van Heidenen, die God niet kennen, en vreemdeling zijn van de verbonden der belofte, niet mogen worden gedoopt, omdat zij geen deel hebben aan de belofte des verbonds (Gen. 17: 7; Hand. 2: 39; 1 Cor. 7: 14). De Lutherschen, die met den uitwendigen doop de genade der wedergeboorte verbonden achten, en hem beschouwen als eene inlijving in de zichtbare kerk, gelijk de kleine Catechismus zegt: „Die Taufe wirket Vergebung der Sünden, erlöset vom Tod und Teufel, und gibt die ewige Seligkeit allen, die es glauben, wie die Worte und Verheiszung Gottes lauten”, zijn op dit punt veel rekkelijker, terwijl de Roomschen, die leeren dat iemand door den doop behouden wordt, zelfs wel kinderen willen doopen tegen den wil der ouders. De Gereformeerden waren, zooals wij gezien hebben, van oordeel, dat dit ongeoorloofd was.

Maar de vraag is gesteld of een kind, in een oorlog weggevoerd naar een ander land of door een barbaarschen vijand verkocht, zoodat zijn ouders niet weten waar hij is, of soms ook gestorven zijn, niet mag worden gedoopt, wanneer christenen, in wier macht hij gekomen is, beloven voor zijn opvoeding te zorgen? In barbaarsche tijden van vroeger en ook in heidenlanden deden zulke gevallen zich voor.

De Dordtsche synode van 1618/19 1) heeft zich in de 19e zitting over den doop der heidenkinderen in Indië beslist uitgesproken. Den 30en November 1618 kwam bij de Dordtsche synode in een vraag van Noord-Hollandsche afgevaardigden, welke spoedige behandeling eischte, omdat de schepen, die naar Indië zouden varen, reeds zeilree lagen. Deze vraag was reeds lang te voren door Ds Hulsebos ingezonden bij den kerkeraad


1) F.L. Rutgers, Het kerkverband der Ned. Geref. kerken, bl. 187-190; H.H. Kuyper, De Postacta, bl. 416; H. Kaajan, De Groote Synode van Dordrecht, bl. 97; De Proacta der Dordtsche Synode in 1618, 1914, c. 4, bl. 221 v.

|285|

van Amsterdam om advies. De kerkeraad zat blijkbaar met deze zaak verlegen en besloot den 15en Nov. 1618, toen zijne afgevaardigden Rolandus en Trigland reeds ter Generale synode waren, haar te zenden naar de synode. De vraag luidde: „Oftmen de kinderen der Heydenen in Oost-Indiën zal mogen doopen, die teenenmale overgegaen syn in de familie der christenen, ende die een christen hebben, die belouet, deseluige in de christelycke religie op te voeden”.

Een eigenlijke discussie over deze vraag werd niet gehouden, maar uit de adviezen, die werden voorgelezen, bleek, dat niet alle leden der synode eenstemmig waren. Wel was er eenstemmigheid over die heidenkinderen, die reeds tot dien leeftijd gekomen waren, dat zij onderwijs konden ontvangen. Zij moesten eerst onderwezen worden, belijdenis des geloofs doen, zelf den doop begeeren en ook doopgetuigen hebben, die hen nog verder in de christelijke religie konden onderwijzen. Zijn zij gedoopt, dan mogen zij niet door verkoop of iets anders weder door christenen in de macht der heidenen worden overgeleverd. Ook mogen zij wel tegen den wil hunner ouders gedoopt worden, omdat zij in zaken der religie niet afhangen van den wil hunner ouders, maar voor eigen rekening staan.

Geen eenparigheid van gevoelen was er echter over den doop der heidenkinderen, die, omdat zij nog jong waren, of omdat zij de taal niet kenden, door de christenen niet konden onderwezen worden. Sommigen, namelijk de Engelschen, de Hessen, de Bremers, de Professoren, de Zeeuwen, de Friezen, de Walen en de Stichtsche Contraremonstranten waren vóór doopen. Als gronden voerden zij hiervoor aan: Deze kinderen, indien zij wettig in de macht der christenen gekomen waren, zijn leden van het huisgezin der christenen geworden, en daarom rust op den vader van het gezin de plicht ook voor hun geestelijk heil te zorgen; ook Abraham kreeg in opdracht, kindertjes van gekochte slaven te besnijden (Gen. 17: 12, 13, 23). Die kinderen waren naar Gods bijzondere voorzienigheid uit het heidendom in den kring der kerk over-geplant, en behooren ook deel te krijgen aan de geestelijke goederen der kerk. Worden zij niet gedoopt, dan verkeeren zij met aanstoot in de huizen der christenen. Zij mogen dus gedoopt worden, echter — zoo verklaarden de professoren — onder deze voorwaarde, dat bekwame getuigen beloven deze kindertjes in de ware godsvrucht op te voeden of te doen opvoeden.

De andere afgevaardigden waren tegen den doop der heidenkinderen, en wel op deze gronden: De doop is het teeken des verbonds, en komt slechts toe aan de kinderen der geloovigen. De heidenkinderen zijn onrein (1 Cor. 7: 14) en staan buiten het verbond. De zaligheid is niet aan den doop verbonden. De apostelen hebben nooit andere personen gedoopt

|286|

dan diegenen, welke zij tevoren met de kennis der christelijke religie hadden vertrouwd gemaakt, en die, met hunne kinderen in de christelijke kerk opgenomen, het teeken van het sacrament des doops ontvingen. Het is ook niet bewezen, dat Abraham zulke kindertjes besneden heeft, waarvan ook de ouders niet besneden werden. Gen. 17: 23 pleit juist voor het tegendeel. Mozes werd geen heiden door de aanneming van Farao’s dochter, en zoo wordt een heiden geen christen, omdat hij door een christen is aangenomen. De menschelijke adoptie brengt de goddelijke niet mee.

De synode besloot naar het laatstgenoemde gevoelen. Kinderen van heidenen, in christelijke gezinnen opgenomen, mochten, ofschoon zij door opneming of zelfs door adoptie in de gezinnen der christenen werden ingelijfd, niet worden gedoopt, voordat zij zoo oud waren, dat zij naar de mate hunner bevatting in de christelijke religie konden onderwezen worden en dit ook werden. Dan moesten geschikte doopgetuigen beloven, dat zij zouden zorgen, dat de kinderen verder werden onderwezen, en dat die kinderen niet van de gezinnen der christenen werden vervreemd. De meerderheid van de leden der synode had juist gezien. Het is merkwaardig — zegt Dr H.H. Kuyper 1) — „dat juist die afgevaardigden, die op de synode voortdurend een min of meer zwakke positie hebben ingenomen, nl. de Engelschen en de Bremers, adviseerden dat men deze kinderen wel doopen zou.” Het voorbeeld van Abraham, die niet alleen zijn eigen kinderen, maar ook de ingeborenen van zijn huis besneed, bracht verwarring in de denkbeelden, maar terecht werd er op gewezen, dat Abraham’s knechten en slaven, vóór zij besneden werden, waren bekend gemaakt met den waren God en het verbond van Jehova, en dat kinderen dezer mannen met hunne ouders besneden werden. Het beroep op 1 Cor. 7: 14 zette dan ook veler opinie weer vast. En zoo werd terecht beslist, dat alleen de kinderen des verbonds mochten worden gedoopt, en niet de in christelijke gezinnen geadopteerde heidenkinderen. Ook al zouden de kinderen der heidenen in christelijke gezinnen worden opgenomen, zouden zij daardoor niet tot het verbond der genade behooren.

Zoo had dan de Dordtsche synode de wacht bij het beginsel ook op het stuk des doops betrokken. In Indië was men met deze beslissing eerst niet ingenomen. Wel nam men dit beginsel op in de „Kerekenordeninge”, maar voegde er aan toe, dat men kleine kinderen, uit heidensche ouders geboren, en door christenen aangenomen, op verzoek van de ouders (omdat zij den doop vóór de belijdenis des geloofs niet konden ontvangen), met oplegging der handen in Gods genadige


1) Hamabdil, Van de Heiligheid van het Genadeverbond, Amst. 1907, bl. 39 v.

|287|

bewaring zou opdragen. Zelfs werd daarvoor eene „Forme 1) van oplegginge der handen en zegeninge” ontworpen. In Nederland werd dit afgekeurd, en de synode van Hoorn (1629) sprak uit, dat het voorgestelde moest worden nagelaten, omdat daaruit verkeerde gevolgtrekking kon worden gemaakt, en zulk een handoplegging niet kon gerechtvaardigd worden met beroep op de zegening der kinderen door Jezus. Later heeft men te Batavia ook het verkeerde van deze practijk ingezien, en erkend, dat de doop alleen aan kinderen van bondgenooten mocht worden bediend. Kwamen de ouders tot het christelijke geloof, dan konden ook hunne jonge kinderen den doop ontvangen.

h. In verband met de beslissing, door de Dordtsche synode genomen over den doop van de kinderen van hen, die buiten de Kerk staan, heidenen, Mohammedanen en ongeloovigen, is van beteekenis de vraag: Geeft adoptie van kinderen der ongeloovigen door christenen recht op den doop? De synode der Christelijke Gereformeerde kerk in Noord-Amerika, in 1930 te Grand-Rapids vergaderd, heeft een beslissing in deze kwestie genomen in dien zin, dat vondelingen en andere kinderen, van wier afkomst men niets weet of van wie men weet, dat zij niet geboren zijn uit geloovige ouders, maar die aangenomen zijn door christenen, wel mogen gedoopt worden, als er waarborg is voor een christelijke opvoeding. De synode was van oordeel, dat niet alleen kinderen der geloovigen tot het zaad des verbonds moeten worden gerekend, maar ook kinderen van ongeloovigen, die door christelijke ouders als hunne kinderen aangenomen zijn. Zij beriep zich voornamelijk op Gen. 17: 12, 13, volgens welke text Abraham niet alleen zijn zoon moest besnijden, maar ook „de ingeborene des huizes en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uwen zade”, waar het genadeverbond insluit allen, die in Abraham’s huis wonen; niet alleen de vleeschelijke nakomelingen van Abraham, maar ook de huisgenooten, die niet met Abraham verwant waren, moesten besneden worden. Prof. W. Heyns schreef tot toelichting van dit besluit in de Amerikaansche Wachter van 28 Oct. 1931: „Onze positie is, dat het geboren zijn uit geloovige ouders de regel en de opneming in het verbond van kinderen niet uit geloovige ouders geboren uitzondering is, maar dat die uitzondering metterdaad bestaat.” Met eenige variatie komt dit gevoelen overeen met dat van de minderheid van de leden der Dordtsche synode, en van sommige latere theologen. De Synopsis 2) oordeelde, dat kinderen, buiten de kerk geboren, maar die door wettige inlijving in een chris­telijk gezin waren overgegaan, recht op den doop hadden. Ook à Marck 3)


1) Dr Kaajan, De Proacta, bl. 156.
2) Disp. XLIV. 49.
3) J. à Marck, Het Merch, c. XXX. 19; B. de Moor, Comm. c. XXX, § XIX.

|288|

leert hetzelfde en beroept zich, evenals B. de Moor, op het voorbeeld van Abraham in Gen. 17, in aanmerking nemende de macht, aan de geloovigen geschonken, om de zoodanigen tot discipelen van Christus te maken, terwijl hij ook zijn steun zoekt in uitspraken der Schrift, waar vermeld wordt, dat geheele huisgezinnen gedoopt zijn. De Amerikaansche broeders volgden dus de lijn van genoemde godgeleerden, en van de minderheid in de Dordtsche synode.

Wij moeten daarom nagaan, of de Dordtsche synode werkelijk den rechten weg gewezen heeft, dan wel of de minderheid op die synode gelijk had.

Naar Gen. 15: 18 maakte God een verbond met Abraham, waarin Hij Zich verbond om aan Abraham en aan zijn geslacht het land Kanaan te geven. De eigenlijke inhoud van dit verbond wordt later duidelijker uitgesproken, wanneer de Heere Zich opnieuw openbaart, en zegt (17: 7): „En Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God en uwen zade na u.” Dan wordt aan Abraham en zijn zaad opnieuw het bezit van Kanaan beloofd. Deze verbondsbelofte was dus gebonden aan het nationale bestaan van Abraham’s zaad, en aan het bezit, dat Israël als Abraham’s zaad ten erfdeel zal ontvangen. Maar in die verbondssluiting lag iets hoogers dan het bezit van een land, want God zal ook de God zijn van Abraham en zijn zaad, en hen doen deelen in Zijn gunst. En opdat Abraham en zijn zaad den Heere zou gelooven en gehoorzamen, stelt de Heere den eisch, dat de bondgenooten het teeken des verbonds moeten ontvangen, opdat ze in ’s Heeren weg zouden ondervinden, dat God Zijn gunst openbaart aan allen die Hem vreezen.

Daarna wordt het bevel der besnijdenis uitgebreid tot het gansche huis van Abraham, ook tot hen, die niet van zijne familie waren. „De ingeborene des huizes, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uwen zade, de ingeborene uws huizes en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch, ten eeuwigen verbonde” (vs 12, 13). Abraham’s familie wordt hier gesteld als een voorbeeld voor het volk van Israël van lateren tijd. Het moest een heilig volk zijn, dat den Heere toebehoorde, en dat het teeken en zegel der aanhoorigheid aan den God des verbonds in zijn vleesch zou dragen. Abraham echter en zijn zaad is drager der heilsbelofte. Al werd ook Ismaël besneden, en wordt van hem gezegd, dat hij rijke zegeningen van God zou ontvangen, aangaande Izaak wordt door den Heere gesproken (vs 21): „Maar Mijn verbond zal Ik met Izaak oprichten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal”. Dit wijst reeds op het feit, dat God Zijn trouwverbond alleen

|289|

heeft opgericht met de geloovigen en hun zaad, gelijk ook Petrus betuigt op den Pinksterdag: „Want u komt de belofte toe en uwen kinderen.”

Nu leiden de Amerikaansche broeders uit het bevel Gods, dat ook de huisgenooten van Abraham moesten worden besneden, af, dat ook thans nog zij, die uit niet-christen-ouders geboren zijn, maar die in een christelijke familie opgenomen zijn en voor wie er dus waarborg is voor een christelijke opvoeding, wel mogen gedoopt worden. Prof. W. Heyns schrijft in De Wachter van 28 October 1931: „Naar wij meenen leert de Schrift, dat het den Heere behaagd heeft, de inlijving in Zijn Verbond te verbinden voor volwassenen aan persoonlijk geloof, en voor kinderen aan zoodanige relaties tot geloovigen, die voor hen waarborg bieden voor een verbondsmatige opvoeding. Zulk een relatie is die van uit geloovige ouders geboren te zijn allereerst, want eigen kind te zijn van geloovige ouders is zeker wel de beste waarborg voor een verbondsmatige opvoeding, maar die niet alleen. Er zijn ook andere relaties tot geloovigen, die een verbondsmatige opvoeding waarborgen. Zoo oudtijds die van slaaf te zijn van een geloovigen meester en aan zijn verbondsgezin blijvend verbonden, daarna ingelijfd te wezen en te staan onder de autoriteit, den invloed, de leering, vermaning en tucht van zulk een gezin. En zoo nu is de relatie van een kind tot geloovigen, die door adoptie tot stand wordt gebracht. Heeft niet de Heere in Abraham tot hoofd van het eerste verbondsgezin iemand gesteld, dien Hij gekend had, dat hij zijne kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, dat zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gericht, opdat aan zijn huis de verbondsbelofte ten volle vervuld mocht worden?”

Het komt ons voor, dat al wat Prof. Heyns uit Gen. 17: 12, 13 afleidt, niet geheel juist is. Wat Genesis ons mededeelt van het gezin van Abraham, wijst — dunkt ons — op iets anders. Reeds Voetius voerde tegen dit argument aan, dat het niet bewezen was, dat door Abraham kinderen waren besneden, wier vaders niet eerst besneden waren 1).

In Abraham's huis leefde de kennis en de vreeze des Heeren. En het zou geheel in strijd zijn met den gang der historie, dat Abraham’s knechten in het huis huns meesters afgodendienaars waren. Ook is het onmogelijk aan te nemen, dat Abraham zijne knechten gedwongen heeft tot zulk een bloedige operatie als de besnijdenis was. Ongetwijfeld zullen ook de knechten Abrahams met hun meester den eenigen waren God hebben gediend. Zij waren toch in de hoofdzaak ingeborenen des huizes, blijkens Gen. 14: 14, waar wij lezen, dat Abraham „wapende zijne onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, 318.” En het voorbeeld


1) Pol. Eccl. I. 657-660.

|290|

van Abraham’s trouwe knecht Eliëzer, die in gehoorzaamheid aan zijn meester naar Paddan Aram gaat om voor Izaak een vrouw te zoeken, toont duidelijk aan, dat deze een man van kinderlijk geloofsvertrouwen was, die in geheele overgegevenheid aan de zaak, die hij dient, ook den God van Abraham, den eenigen waren God, erkent en vreest.

Wanneer nu dit met genoegzamen grond mag worden aanvaard, valt de grond, waarop de Amerikaansche broeders bouwen, namelijk dat de knechten van Abraham alleen daarom werden besneden, omdat zij in een relatie stonden tot Abraham, en hunne kinderen een verbondsmatige opvoeding zouden genieten.

Het verwondert ons wel eenigszins, dat de Amerikaansche broeders niet gedacht hebben aan de volwassen slaven in Abraham’s huis, en er niet mee gerekend hebben, dat deze of besneden waren of eerst besneden werden vóór hunne kinderen werden besneden. Indien de ouders het geloof in Abraham's God beleden, en besneden waren, dan konden hunne kinderen ook besneden worden als kinderen van hen, die ’s Heeren Naam beleden. Er is dan in Gen. 17 volstrekt geen sprake van kinderen uit heidensche ouders geboren, die door Abraham waren opgenomen in zijn gezin, maar van volwassene mannen. Er staat in vs 27: „alle mannen zijns huizes, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden”. Zeer waarschijnlijk zullen ook wel terstond of kort daarna de kinderen besneden zijn, want de besnijdenis was het teeken des verbonds, en tevens van de aanhoorigheid aan de familie. Voor Izaak was de besnijdenis verbonden met de heilsbelofte, voor de knechten lezen wij daarvan niet. Maar nergens lezen wij, dat het teeken des verbonds gegeven wordt alleen om die reden, dat de kinderen der slaven als kinderen Abrahams worden aangenomen en dat dit mocht, omdat een verbondsmatige opvoeding was verzekerd.

Om de volle beteekenis te verstaan, waarom de knechten van Abraham moesten besneden worden, moet men bedenken, dat deze besnijdenis samenhangt met de nationale gedachte, dat Abraham de vader was van een volk, dat Kanaan tot zijn erfdeel zou ontvangen. Er staat in het veertiende vers: „En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuidsvleesch niet zal besneden worden, die ziel zal uit hare volken uitgeroeid worden: hij heeft mijn verbond verbroken”. Dit is hier zoo evenals dit het geval was met het pascha. Geen vreemdeling mocht het pascha eten, maar eerst wanneer hij door de besnijdenis in Israëls volk was ingelijfd, zal hij daarvan eten (Ex. 12: 44). Doch wanneer iemand die rein is nalaten zal pascha te houden, „zoo zal die ziel uit hare volken uitgeroeid worden” (Num. 9: 13). Al is dus het verbond, door God met Abraham opgericht, in zijn diepste wezen niet een nationaal

|291|

verbond, maar het verbond der genade, dat geldt voor alle tijden, dit neemt niet weg, dat het verbond Gods met Zijn volk Israël een nationaal karakter droeg. Alle mannelijke Israëlieten moesten het teeken des verbonds in hun vleesch dragen, als het bewijs der gehoorzaamheid aan God, en zegel van het deelgenootschap aan de weldaden des verbonds. Het geestelijk en het nationaal karakter des verbonds zijn bij Israël niet van elkander te scheiden. Israël had, uit Egypte getrokken en in de woestijn zijnde, den eisch des verbonds nagelaten. Toen het uit Egypte uitging, was al het volk besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn, was niet besneden. Het volk had als geheel immers bij Sinaï het verbond verbroken, en toen allen, die bij den uittocht uit Egypte den leeftijd van 20 jaren hadden bereikt, waren gestorven, moest het jongere geslacht, vóór het intrad in het beloofde land, van den vloek worden bevrijd, opdat de Heere aan Israël als Zijn volk de vervulling der belofte, aan Abraham gedaan, geven zou. Door die besnijdenis te Gilgal wilde de Heere de smaadheid van Zijn volk afwentelen (Joz. 5: 9).

Uit het feit, dat het verbond, met Abraham gesloten, hoewel het naar zijn wezen een eeuwig karakter droeg, in den uitwendigen vorm een nationaal karakter had, blijkt wel duidelijk, dat niet alles wat God aan Abraham verordende ook voor de gemeente des Nieuwen Testaments geldt. Het nationaal karakter des verbonds is weggevallen, en het wezen des verbonds is gebleven. De bedreiging met den dood voor wie Gods verbond onder den ouden dag overtrad bestaat thans niet meer, maar is met de grondgedachte van het evangelie in lijnrechten strijd. Niet mag de doop, zooals vroeger wel geschiedde door de christenvorsten, met dwang worden opgelegd en toegepast, maar in het Nieuwe Testament mogen alleen worden gedoopt wie in Christus gelooft en het zaad der geloovigen, gelijk de Heere den Apostelen deze opdracht gaf: „Gaat dan heen, onderwijst alle volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” Alleen de geloovigen behooren naar het bevel van Christus den doop te ontvangen, terwijl de belofte des verbonds, aan Abraham bekend gemaakt, ook het deel is van het zaad der gemeente, naar luid van de verklaring van den apostel Petrus: „Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen”. Van een doopen op grond van adoptie wordt in het Nieuwe Testament nergens gesproken.

De synode van Grand Rapids beroept zich ter bevestiging van haar bessluit niet alleen op Gen. 17: 12, 13, maar ook op uitspraken in de Mozaïsche wetten en in het N. Testament. De eerste der bewijsplaatsen is ontleend aan hetgeen Mozes aan Israël heeft bevolen omtrent de viering van het pascha, zooals dit in Ex. 12: 43-45 luidt: Voorts

|292|

zeide de Heere tot Mozes en Aaron: „Dit is de inzetting van het pascha: Geen vreemdelingszoon zal daarvan eten; doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten.” De slaven golden onder Israël als familiebezit en werden in huis opgenomen. In den regel werden zij ook besneden, en alzoo in de gemeente Israëls opgenomen. Indien zij besneden waren, mochten zij ook deelnemen aan de viering van het pascha, gelijk zij dan ook bij de vroolijke oogstfeesten mede mochten genieten van de blijdschap, die God aan Zijn volk had bereid (Deut. 12: 12, 18). De slaven golden als familieleden en werden in huis opgenomen. Men mag — zooals ook Orelli opmerkt in zijn artikel „Sklaverei bei den Hebräern” in de Realencyclopaedie van Herzog-Hauck — wel aannemen, dat niet alleen de in den dienst geboren slaven, maar ook in den regel de gekochte slaven besneden werden, en op deze wijze in de gemeenschap van het Israëlietische volk werden opgenomen. Dit behoorde tot het nationaal theocratisch karakter van het Israëlietisch volksbestaan. Israël moest een heilig volk zijn, dat als volk in alle deelen van het volksleven zich moest gedragen naar de wetten, door Jehovah gegeven.

Op welke wijze nu de volwassen slaven, die uit de heidenen met geld gekocht waren, door de besnijdenis in de volksgemeenschap werden ingelijfd, of zij vrijwillig toetraden tot de gemeenschap of gedwongen werden tot de besnijdenis, is ons niet medegedeeld. Maar wel wordt ons gezegd, dat, wanneer de slaaf de begeerte te kennen gaf om aan het pascha deel te nemen, hij eerst moest worden besneden. Daaruit kan men afleiden, dat er onder de slaven ook onbesnedenen waren. Maar het is onmogelijk uit Ex. 12: 43-45 af te leiden, dat het recht om tot het pascha toe te gaan berust op de verhouding van de slaven tot hun meester, maar eenig en alleen daarop, dat zij door de besnijdenis in Israël waren ingelijfd. En evenmin kan het recht van de kinderen, in het huis van den Israëliet geboren, gegrond worden op de betrekking tot den heer des huizes, maar omdat zij kinderen waren van hen, die tot het Israëlietisch volk behoorden. Wanneer de grond van het toegaan tot het sacrament gelegen was in de dienstbetrekking tot den meester, dan zou ook elke slaaf moeten worden besneden en zou hij zelfs ook, al was hij niet besneden, tot het pascha kunnen toegaan. En dit is absurd. Voorts zou — wanneer deze regel hier gesteld voor Israël als een goddelijke ordinantie moest worden beschouwd, die ook thans nog geldt — ook thans een ongeloovige, in dienstbetrekking bij een christelijken meester, ten avondmaal moeten gaan. Daarom baat een beroep op Ex. 12: 43-45, tot staving van het gevoelen der synode van Grand Rapids, niets, volstrekt niets.

Maar nu hebben de Amerikaansche broeders ook Nieuwtestamentische

|293|

plaatsen aangevoerd als steun voor hun gevoelen. Zij hebben gewezen op Schriftuurplaatsen, die leeren, dat de apostelen gedoopt hebben niet slechts hen, die het Evangelie aannemen, maar met hen geheel hun gezin, als de hunnen, als in Gods verbond opgenomen en Hem toegewijd. „Hun grond daarvoor” — zoo schrijft Prof. Heyns in De Wachter van 2 Dec. 1931 — „moet geweest zijn de verbondsordinantie van Gen. 17, mede vervat in Ex. 12: 43—45, want een andere grond daarvoor is er niet. En zoo moet hun doopen van geheele huisgezinnen aangenomen worden als een erkenning van de ordinantie van Gen. 17 als ook geldend voor het Nieuwe Testament. In het praeadvies werden genoemd Hand. 10: 44; 16: 33 en 16: 15.”

De eerste van deze texten, Hand. 10: 44—48, behoort niet tot de texten waar sprake is van het doopen van een geheel gezin, en kan als bewijsplaats niet worden aangevoerd. Hier wordt verhaald, dat, terwijl Petrus sprak in het huis van Cornelius, de Heilige Geest viel op allen die het woord hoorden. En toen Gods Geest de grensscheiding tusschen hen, die uit de Joden en uit de heidenen zijn, heeft opgeheven, toen werd ook de doop toebediend aan hen, die in hun vreugde den naam des Heeren prezen, als een bezegeling van Gods werk in hen gewrocht. De leden van Cornelius’ gezin, en de magen en vrienden werden niet op dien grond gedoopt, omdat zij in een bijzondere betrekking tot Cornelius stonden, maar omdat zij konden geacht wórden tot het genadeverbond te behooren. En de kinderen van deze menschen, die den naam des Heeren hadden beleden en gedoopt waren, konden gedoopt worden, omdat zij met hunne ouders tot het verbond behoorden. Dit bevestigt wat de Gereformeerde Kerken in Nederland steeds als regel hebben gehuldigd.

De tweede text in het praeadvies en in het besluit der synode genoemd is Hand. 16: 33, waar gehandeld wordt over den doop van den stokbewaarder en van al zijne huisgenooten. Of onder die „allen die in zijn huis waren” (vs 32) ook het dienstpersoneel moet worden verstaan, is niet met zekerheid te zeggen. In elk geval is zeker, dat de Geest des Heeren hier krachtig werkte, dat op de prediking de doop volgde, en dat de stokbewaarder zich verheugde, dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. De grond van den doop is in elk geval niet, dat de personen, die gedoopt werden, behoorden tot het gezin van den stokbewaarder, maar dat zij in Christus geloofden. Of er jonge kinderen waren in dit gezin, wordt ook niet gezegd. Veelal wordt deze geschiedenis als een bewijs voor het recht van den kinderdoop gebruikt, en het is ook zeer wel mogelijk, dat er kinderen in dit gezin waren. Maar al zouden er ook kinderen zijn gedoopt, dan zijn zij niet gedoopt, omdat zij tot den meester des huizes in een zekere relatie stonden, maar omdat zij beschouwd mochten worden als kinderen van geloovigen.

|294|

Deze beide texten bewijzen dus precies het tegendeel van wat de broeders in Amerika beweren. Als wij onbevangen de geschiedenis van den stokbewaarder lezen, kan men toch bezwaarlijk tot een andere conclusie komen dan dat de volwassenen gedoopt zijn op grond van hun belijdenis van den Christus, en dat, wanneer ook kinderen gedoopt zijn, deze daartoe recht hadden, omdat zij kinderen van geloovigen waren. En het is geheel naar den regel, niet van Gen. 17: 10-12, maar van Gen. 17: 7 en Hand. 2: 39.

De derde text, in het praeadvies genoemd, is Hand. 16: 15, waar gehandeld wordt over den doop van Lydia en haar huis. Ook hier wordt niet gezegd, welke personen tot haar gezin behoorden, maar waarschijnlijk moeten wij denken aan haar dienstpersoneel en de kinderen des huizes. Lydia wordt in vs 14 genoemd „eene vrouw, die God diende”, d.w.z. een heidin, die zich als proseliete bij de Joodsche gemeente had aangesloten, en in de verwachtingen der Joden leefde. Zeer waarschijnlijk had haar geloof het stempel gedrukt op heel haar gezin, evenals van Cornelius gezegd wordt, dat hij „was godzalig en vreezende God met geheel zijn huis” (Hand. 10: 2). Lydia’s hart werd onder de prediking van Paulus getroffen, zoodat zij Christus aanvaardde als haar Zaligmaker. En zij mocht tot haar blijdschap vernemen, dat ook haar huisgenooten met haar het Evangelie der zaligheid omhelsden, en dat zij met haar werden gedoopt. Er is geen enkel gegeven, dat haar slaven en slavinnen, op grond van hun aanhoorigheid tot het gezin van Lydia werden gedoopt, maar er is alle reden om aan te nemen, dat de leden van haar gezin, die met haar zich aan de Joodsche gemeente als proselieten hadden aangesloten, ook met de meesteres in Christus leerden gelooven, evenals dit het geval was met het huisgezin van Cornelius. In het meegaan van het huis van de meesteres openbaarde zich de groote kracht van het Evangelie door de genade des H. Geestes. De Heere werkt middellijk. Er is alle reden voor om aan te nemen, dat het gezin van Lydia, dat reeds door haar leering en voorbeeld oog had ontvangen voor de verwachting van den Messias, nu ook, door Paulus onderwezen, met blijdschap het Evangelie omhelsde. En het is onmogelijk aan te nemen dat de apostel Paulus, gedachtig aan het zendingsbevel van zijn Meester, het gezin van Lydia doopte, alleen omdat het behoorde tot haar huis.

Het komt ons voor, dat wij evenzoo al de texten moeten verklaren, waarin gesproken wordt van andere gezinnen, die met den huisvader in Christus geloofden en gedoopt werden (Hand. 18: 8; 1 Cor. 1: 16). Er is geen enkele aanwijzing, dat deze gezinnen alleen op grond van hun deelgenootschap aan het gezin zouden zijn gedoopt. Indien wij dat zouden stellen, zouden wij daarmee ook leeren, dat de apostelen in strijd

|295|

hebben gehandeld met den regel, door Christus zelf gegeven, dat zij overal het Evangelie hadden te verkondigen, en dat zij daarna den doop moesten bedienen aan hen, die dat Evangelie geloofden. Dan zou ook de band tusschen geloof en doop zijn losgemaakt.

Nergens wordt in de H. Schrift naast de regel, dat kinderen van geloovige ouders moeten worden gedoopt, een tweede of uitzonderingsregel gesteld, dat kinderen, uit niet-geloovige ouders geboren, door het opnemen in het gezin van een geloovige, deelgenoot worden van het verbond. Het is volkomen juist, wat door de meeste Nederlandsche afgevaardigden op de Dordtsche synode werd gezegd, dat de doop van kinderen, waarvan de ouders niet geloovig zijn, in strijd is met het gebruik der Apostolische kerk, en met duidelijke uitspraken van het Nieuwe Testament (Rom. 11: 16; Ef. 2: 12; 1 Cor. 7: 14).

In Rom. 11: 16 wordt gesproken van de heiligheid des verbonds. Het beeld van den wortel en de takken heeft betrekking op Abraham en zijn zaad. In welken staat van ellende het Israëlietische volk thans ook verkeert, het heeft een privilege boven andere volken, omdat het uit Abraham, den stamvader van een heilig geslacht, is gesproten. Deze heiligheid waarborgt volstrekt niet de persoonlijke zaligheid van elk der Israëlieten, want het meerendeel dezer heiligen gaat verloren. Maar indien wij hier denken aan de verbondsheiligheid, is het beeld duidelijk: „Indien de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heilig”. Kinderen, uit heidenen en ongeloovigen geboren, worden niet als heilig beschouwd, en mogen niet gedoopt worden, terwijl de kinderen van hen, die in het verbond zijn opgenomen, als heilige, den Heere toebehoorende, kinderen mogen worden gedoopt. Dit is voor den doop van kinderen afdoende. De doop dient niet om de kinderen te heiligen, maar de doop wordt bediend, omdat — zooals in de eerste doopvraag staat — onze kinderen „in Christus geheiligd zijn”.

In Ef. 2: 12 zegt de Apostel Paulus, dat de geloovigen eertijds, toen zij nog heidenen waren in het vleesch, waren „zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls en vreemdelingen van de verbonden der belofte”. Daarom konden zij eerst, nadat zij in Christus geloofd hadden, verzegeld worden door het sacrament des doops, en konden ook Kun kinderen worden gedoopt. Maar gesteld, dat kinderen van heidenen of van ongeloovigen, die buiten het verbond Gods staan, door christenen werden geadopteerd, dan zou hun verhouding tot het verbond daardoor niet veranderd worden. De adoptie brengt niet in het verbond.

Ook 1 Cor. 7: 14 pleit voor den doop van kinderen uit geloovige ouders. Paulus noemt de kinderen uit een gemengd gezin heilig, „want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein

|296|

maar nu zijn zij heilig”. Daaruit blijkt, dat de H. Schrift de kinderen van geloovigen „een heilig zaad” noemt, hetgeen van de kinderen van ongeloovigen niet kan gezegd worden.

Het woord „geheiligd” mag hier niet, zooals Prof. W. Heyns meent, in den zin van verbondsheiligheid worden opgevat, in dien zin, alsof God ons hier wil leeren, dat Hij ook als bondeling aanneemt, wie door huwelijksrelatie lid is van een verbondsgezin.

Deze uitlegging gaat tegen de bedoeling van den text in. In het verband zegt de apostel, dat wanneer een geloovig geworden man een ongeloovige vrouw heeft, en deze tevreden is bij hem te wonen, en de vrouw dus zich schikt naar den regel des gezins, hij dan zijn vrouw niet moet verlaten. En eveneens wanneer een geloovige vrouw een ongeloovigen man heeft, en deze aan zijn vrouw de plichten van een goed gezinden man vervult, en haar volle vrijheid van godsdienst laat, er geen bezwaar is tegen de echtelijke samenwoning. Wel mag een geloovige geen juk aantrekken met een ongeloovige, maar wanneer het huwelijk eenmaal gesloten is, mag de geloovige partij zich niet onttrekken aan het huwelijk, omdat de wederhelft heiden gebleven is. De geloovige behoeft niet te denken, dat het huwelijk daardoor onrein geworden is. Het geloof van den christen heiligt het huwelijk. Niet in dien zin, dat de ongeloovige nu ook door het geloof van den echtgenoot in het verbond is opgenomen. Daarvan wordt niets gezegd. En dit te denken is een dwaasheid, want dan zou zulk een ongeloovige ook deel hebben aan de goederen des verbonds. Doch de Apostel wil hier zeggen, dat de geloovige partij in het huwelijk de meerdere is, waar het de godsdienstige verhoudingen geldt, ook al is dit in de natuurlijke verhouding niet het geval. De heidensche of joodsche echtgenoot is geheiligd door en heeft zijn heiligheid in den persoon van den christelijken echtgenoot, zoodat het gezin gerekend wordt in de christelijke partij.

Voor de gemeente geeft dus het geloof van de christelijke partij den toon aan, en daarom worden de kinderen uit zulk een gezin gerekend tot het volk der geloovigen. En om nu de Corinthiërs te doen verstaan, tot welke ongerijmde gevolgen de loochening van. dit beginsel der heiliging zou leiden, zegt de Apostel: „want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig”. De kinderen uit een huwelijk, waarvan een der ouders een geloovige is, mogen niet voor heidenkinderen worden gehouden, maar behooren tot het verbond en de gemeente Gods, en moeten dus ook worden gedoopt. In 1 Cor. 7: 14 wordt dus volstrekt niet geleerd alsof God iemand als bondeling aanneemt die door zijn huwelijksrelatie lid is van een verbondsgezin. Deze gedachte kan onmogelijk tot steun dienen van de meening, dat iemand door adoptie deelgenoot van de verbondsgemeenschap kan worden.

|297|

De oude kerk heeft ook de adoptie als grond voor den doop niet gekend. In den Apostolischen tijd werden alleen gedoopt die den naam van Christus beleden, met hunne kinderen. In latere jaren, toen de kerk zich had georganiseerd, ging aan den doop van hen, die uit de heidenen tot de kerk overgingen, een lange catechumenentijd voor de onderwijzing in de christelijke leer vooraf. Voor een slaaf was de regel gesteld, dat, wanneer deze wenschte gedoopt te worden, eerst gevraagd werd of zijn meester geloovig was, en of deze zijn toestemming gaf. Wanneer wij de Acten der oude kerk lezen, zooals deze bij Migne en Hefele te vinden zijn, dan lezen wij van adoptie als grond voor den doop niets. Eerst later, toen de leer, dat de doop noodzakelijk is voor de zaligheid, opkwam, was het naar de orde, dat ook kinderen van Joden en heidenen, zelfs tegen de begeerte der ouders in, werden gedoopt. Maar de onregelmatigheden, die in den loop der eeuwen veelvuldig voorkwamen, mogen geen regel stellen.

Zoo moeten wij dan blijven bij den regel, door de Gereformeerden gesteld, dat de kinderen, uit geloovige ouders geboren, moeten worden gedoopt. De H. Schrift rekent de kinderen der geloovigen tot het verbond der genade, spreekt over hen als over volwassen geloovigen en daarom mogen wij aan de kinderen niet onthouden wat wij aan de volwassenen schenken. Hun komt de belofte toe evengoed als den volwassenen, en daarom hebben zij recht op den doop.

De Gereformeerden waren in hun doopspraktijk wel eens wat al te ruim, maar principieel handhaafden zij steeds het beginsel, dat naar de ordinantie van Christus alleen de kinderen der geloovigen moesten worden gedoopt. Daarnaast moesten de doopouders ook wel beloven, dat de gedoopte kinderen naar eisch des verbonds zouden worden opgevoed, doch deze vraag werd bij den doop eerst dan gedaan, wanneer geconstateerd was, dat het ten doop aangeboden kind een kind des verbonds was. Bij adoptie van kinderen van wier afkomst men niets weet, of van wie men weet, dat zij niet geboren zijn uit geloovige ouders, moge er wel waarborg zijn voor een christelijke opvoeding, maar deze waarborg is voor de doopsbediening niet voldoende. Adoptie van kinderen van ongeloovigen of heidenen door christenen geeft geen recht op den doop.

Dat alleen de kinderen der geloovigen recht hadden op den doop, spraken zij uit in vr. 74 van den Catechismus, dat de kinderen „door het teeken des verbonds der christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden”. In Art. 34 van de Nederlandsche Confessie wordt beleden: „En voorwaar, Christus heeft zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen”. In het Formulier des Doops wordt duidelijk geleerd, dat de geloovigen en hunne kinderen in het

|298|

verbond der genade begrepen zijn. De doop is een ordening Gods „om ons en onzen zade zijn verbond te verzegelen.” „De kinderen der christenen” „moeten uit kracht des verbonds gedoopt worden”. Evenzoo heet het in Art. 56 der Kerkenordening: „Het verbond Gods zal aan de kinderen der christenen, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden”. Zoo beleden de Nederlandsche Gereformeerden in overeenstemming met andere Gereformeerde kerken. Er is geen enkele aanwijzing voor, dat de oude Gereformeerde kerken van oordeel waren, dat adoptie recht geeft op den doop.

j. Aangaande de kinderen van de zoogenaamde heidenen of landloopers, rondtrekkende zigeuners, die als ketellappers, paardendokters, bedelaars, enz. het land afliepen, en door hun brutaliteit en dieverijen de menschen veel overlast aandeden, hebben de kerkelijke vergaderingen in de 16e en 17e eeuw zich herhaaldelijk uitgesproken. De synode van Gouda (1620, art. 71) bepaalde „dat men geen kinderen en sal doopen, ten sy saecken men versekert sy, dattet syn kinderen des verbonds, ende om hiervan kennis te becomen wert gestelt in de discretie van ijder kerck, om hierin te volgen den stichtelijxsten voet”. Onder deze rondtrekkende zigeuners bevonden zich ook christenen, zelfs landgenooten, die hunne kinderen, om telkens opnieuw het pillegeld te ontvangen, op verschillende plaatsen soms twee- of driemaal lieten doopen. Besloten werd op de synode te Harderwijk (1612, art. 33), dat, wanneer deze landloopers konden bewijzen, dat zij zelf gedoopt waren, en konden verklaren, dat hunne kinderen nog niet gedoopt waren op een andere plaats, „ende die olders beloven haere kinderen in de christelicke religie op te trecken, soo sal men se doopen, doch sonder gevaeders, tensij van haere compaignie, opdatt alsoo sooveel mogelyck die onbetaemelicke iteratie des heyl. doops voorgekommen worde.” Tevens moesten de ouders ernstig worden vermaand om van zulk een levenswijze afstand te doen, en in het zweet huns aanschijns eerlijk hun brood te verdienen. En toen later de zigeuners de gemeenten overlast bleven aandoen, en onderscheidene predikanten in Gelderland, die door de zwervers bedreigd en lastig gevallen werden, de kinderen doopten, zonder dat zij de verzekering hadden verkregen, dat de ouders gedoopt en de kinderen nog niet gedoopt waren, werd door de synode van Buuren (1685) bij de kerken er op aangedrongen, zich aan de gemaakte bepalingen te houden 1).

k. Over den doop van vondelingen is in onze kerken weinig gehandeld. In de oude christelijke kerk doopte men zulke kinderen, zooals blijkt uit een brief van Augustinus, bisschop van Canterbury, aan


1) Acta der Part. Syn. v. Zuid-Holland, ed. Knuttel, V. 534; De Kruyff, Utr. Handboekje, bl. 57.

|299|

Bonifacius geschreven, en de kerken hebben later over het algemeen zich hierbij aangesloten. De Roomsche kerk is van oordeel, dat de gevonden kinderen, waarvan de herkomst onbekend is, terstond moeten gedoopt worden. Voetius maakt in zijn Politica Ecclesiastica deze onderscheiding: „Indien zij zich bevinden in landen van de ongeloovigen, zie ik niet in, waarom verondersteld moet worden, dat zij gedoopt zijn. Indien zij in aangrenzende landen of in die landen zich bevinden, waar geloovigen en ongeloovigen vermengd leven, zie ik niet in welke reden de weegschaal meer naar de ontkennende dan naar de bevestigende zijde moet doen overhellen. Maar indien zij vertoeven in landen, slechts door christenen bewoond, geloof ik dat zij moeten gedoopt worden, tenzij het bewijs aanwezig is, dat zij gedoopt zijn.” Dit is ook het standpunt van de beste theologen 1) uit den bloeitijd onzer kerken, zooals van Amesius, Maresius, Essenius, à Marck, à Brakel e.a. à Marck wil de kinderen die te vondeling gelegd zijn onder ongeloovigen van den doop uitsluiten, terwijl Voetius er toe neigt om ook dan de vondelingen te doopen. à Brakel neemt een strenger standpunt in, zeggende dat „men niet doopen zal vondelingen in een land waar de kerk wel is, maar daarbij vervuld met Joden, Turken, Heidenen, Socinianen, en andere ketters, daar het zoowel kinderen van die als van bondelingen kunnen zijn.” Al de theologen namen dus aan dat zoolang er genoegzame grond bestond om aan te nemen, dat een kind uit christenouders geboren was, het moest gedoopt worden.

Dit standpunt is in het algemeen wel juist, maar dan moet er ook voldoende grond zijn, dat zij kinderen des verbonds zijn. En omdat in dezen tijd een groot deel van de bewoners der christenlanden buitenkerkelijk leeft, de kinderen niet laat doopen, en dus een ongedoopt geslacht is opgegroeid, kunnen wij in dezen tijd den weg, door de oude theologen gewezen, niet onvoorwaardelijk volgen. Indien daarom de ouders van een gevonden kind geheel onbekend zijn, en er in ’t geheel geen blijk van bepaalde afkomst is, kan een vondeling, ook al wordt hij door christenouders aangenomen, niet als kind gedoopt worden, aangezien de doop is ingesteld voor de geloovigen en hun zaad. Terecht zegt à Brakel: „De aanneming maakt niet, dat zij in het verbond komen.”


1) à Marck: „Kinderen, die te vondeling zijn gelegd onder christenen, zijn naar het oordeel der liefde voor kinderen van bondelingen te houden en behooren gedoopt te worden. Maar kinderen, die te vondeling gelegd zijn onder ongeloovigen, sluiten wij van den doop uit”; S. Maresius, Syst. theol., 1649, p. 512; Essenius, Disp. theol., p. 432; W. à Brakel, Red. Godsdienst I, c. XXXIX, § 23; S. van Emdre, Verhandeling over den Kinderdoop, 1783, bl. 21; G. Amesius, de Conscientia, Amst. 1630, p. 174, de baptismo V: „Exposititii, quorum arentes sunt ignoti si inter Christianos nati fuerint, ex charitate habendi sunt pro filiis Christianorum, si non sit justa causa contrarium praesumendi”.

|300|

De leden der gemeente, die een kind aannemen, kunnen niet treden in de rechten der ouders, en kunnen het kind niet ten doop houden. Wordt het echter bekend, dat de kinderen geboren zijn uit gedoopte ouders, die gestorven zijn of die hun kind gaarne afstaan, dan is er nog een band met het verbond, en kan zulk een kind, wanneer er waarborg is voor een christelijke opvoeding, gedoopt worden.

Wanneer echter iemand, tot den volwassen leeftijd gekomen, wenscht toegelaten te worden tot het H. Avondmaal, en hij niet weet of hij gedoopt is, en er ook zelfs na naarstig onderzoek volstrekt geen bewijs voor zijn doop kan aangevoerd worden, dan moet hij voor ongedoopt gehouden worden. Zoo oordeelden de synode van Amsterdam (1595, art. 48), syn. v. Edam (1619, art. 22), syn. v. Groningen (1631, art. 10). De kerken waren zoo vreesachtig voor herdoop, dat de synode van Gouda (1640, art. 50) aan een jonge dochter, van wie men na onderzoek niet kon vernemen, dat zij gedoopt was, en die begeert gedoopt te worden, den doop toestond, en daarbij verklaarde: „want ’t geene men niet en weet te zijn gedaen, geensints magh heeten herdaen.”

Bouwman, H. (1934) § 83

§ 83. De stipulatiën bij den Doop en de Doopshandeling.

1. De doopvragen.

a. In de eerste vraag gaat het om het goed recht van den doop. Er wordt gevraagd: Erkent gij, dat uw kind evenals alle kinderen in zonde ontvangen en geboren is en der verdoemenis onderworpen, maar in Christus geheiligd is, en daarom evenals alle kinderen der gemeente recht heeft op den doop. In de tweede vraag wordt geëischt instemming met de leer der kerk. De kerk heeft recht, deze vraag te stellen, omdat zij zekerheid noodig heeft aangaande de belijdenis, waarin het kind wordt opgevoed. En in de derde vraag eischt de kerk waarborg voor een christelijke opvoeding van het gedoopte kind.

Gelijk wij vroeger 1) gezien hebben, grondt zich het recht op den doop van het kind op het feit, dat het met zijn ouders in het verbond Gods begrepen is. Daarom moet ook het woord geheiligd niet alleen in uitwendigen zin worden opgevat, als eene algemeene afzondering van de wereld, maar als de verbondsheiligheid, ook in geestelijken zin opgevat. Zij zijn in Christus geheiligd, en ontvangen daarom den doop als een verzegeling, dat zij Christus toebehooren, om — zooals Art. 34 der Ned. Geloofsbelijdenis zegt — „geheellijk Hem toegeëigend te zijn,


1) Bl. 258-261.

|301|

zijn merk en veldteeken dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zal zijn, ons zijnde een genadig Vader”. Zoo hebben de oude theologen uit den tijd, dat het Formulier opgesteld is, deze uitdrukking verstaan; deze leer is in overeenstemming met Gods Woord en de Belijdenis 1). Dit wordt zeer duidelijk uitgedrukt in de Christelicke Ordinanciën van Micron, waar in de eerste doopvraag de vraag gesteld wordt: „Oft ghi dit Kint, dat ghy ten Doope syt presenteerende, een saedt der Ghemeinten, door de cracht des Verbondts Gods, bekent te wesen”. Dezelfde Micron geeft op de vraag, waarom van de kinderen niet evenals van de volwassenen de mondelinge belijdenis gevraagd wordt voor zij gedoopt worden, dit antwoord: „Overmits de gemeente van hun zaligheid veel zekerder getuigenis heeft uit den Woorde Gods, dan men uit de belijdenis der volwassenen hebben kan, en hunne aangeboren krankheid (door welke zij niet gelooven noch belijden kunnen) wordt hun niet toegerekend om Christus’ wil, in wien zij gezegend, dat is heilig, gerechtigd, rein en geloovig geacht worden, niet minder dan de volwassen geloovigen”. De kerk neemt, ofschoon zij weet uit Gods Woord, dat er ten allen tijde kaf onder het koren is, naar den aard der liefde aan, dat zij, die hun geloof in den Zaligmaker hebben beleden, eene waarachtige belijdenis hebben gedaan, en rekent hen voor geloovigen, tenzij uit hun leer en leven anders blijkt. En daarom wordt ook in de eerste doopvraag het recht van den kinderdoop geponeerd in de woorden: dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten der gemeente behooren gedoopt te wezen.

b. De tweede doopvraag luidt: „of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des christelijken geloofs begrepen is en in de christelijke kerk alhier geleerd wordt, niet bekent, de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen?”

De reden, waarom vóór den doop belijdenis des geloofs gevraagd wordt van hen, die het kind ten doop heffen, is historisch in aansluiting met de gewoonte, die van den beginne in de kerk leefde (Hand. 8: 37), dat de doopeling vóór den doop belijdenis aflegde van zijn geloof in Christus. In de tweede eeuw werd deze korte belijdenis uitgebreid tot die der twaalf artikelen. En omdat de doop inlijft in de christelijke kerk en alle christelijke kerken gemeenschappelijk de twaalf artikelen des geloofs belijden, wordt ook door de Gereformeerde kerken steeds vóór de bediening van het sacrament deze apostolische geloofsbelijdenis beleden. Evenwel werd de behoefte weldra sterker gevoeld om deze belijdenis bij den doop nader te preciseeren, en om van de doopouders


1) Kramer, Het verband van doop en wedergeboorte, bl. 150; Dr H. Bavinck, Dogmatiek IV. 266.

|302|

tevens te vragen instemming met de leer der kerk, in welke zij den doop voor hun kind vragen. De doopouders treden op voor het zaad der gemeente, en daarom is het in de orde, van hen te vragen, hoe zij zelf staan voor de leer der kerk. De kerk heeft recht, dit van hen te vragen, omdat zij waarborg moet hebben, dat het gedoopte kind naar de belijdenis der kerk wordt opgevoed.

Over de beteekenis van de woorden „en in de christelijke kerk alhier geleerd wordt” is verschil van gevoelen geweest. Sommigen hebben gemeend, dat alleen bedoeld werd de leer des doops, zooals deze in het Formulier uiteengezet wordt, zooals trouwens in de doopvragen van à Lasco werd uitgedrukt. Maar in Datheen’s doopvragen wordt duidelijk bedoeld de geheele leer der kerk, omdat hij er bij noemt „de leer die hier geleerd wordt en verder in het Oude en Nieuwe Testament en in de Artikelen des christelijken geloofs begrepen is”. De Remonstranten maakten bezwaar tegen het woord „alhier”, omdat zij niet instemden met de Gereformeerde belijdenis, en wilden lezen: „en diensvolgens in de christelijke kerk geleerd wordt”. Deze verandering is in de uitgaven van 1590 en 1611 opgenomen. Maar de Dordtsche synode heeft, naar het getuigenis van Trigland, het woordje alhier hersteld, en de tweede doopvraag geformuleerd, zooals deze nog bij ons in gebruik is. De doopouders betuigen dus bij de doopsbediening steeds hunne instemming met de H. Schrift en met de belijdenis der kerk, zooals deze in de Gereformeerde kerk geleerd wordt.

Deze tweede doopvraag plaatst dus de gemeente steeds voor het aangezicht Gods, of zij trouw staat voor het Woord en het verbond Gods. Zij roept de ambtsdragers der kerk, en den dienaar in ’t bijzonder, tot zelfonderzoek of zij getrouw zijn in den dienst des Heeren, en zij vraagt van de bondsouders om voor het aangezicht Gods in tegenwoordigheid der gemeente hunne belijdenis te vernieuwen. Hoe betamelijk is het dat de ouders, vóór zij met hunne kinderen komen tot den Doop, zich eerst in de eenzaamheid voorbereiden, opdat zij straks in de gemeente het verbond Gods vernieuwen, en de rijke ontferming Gods over hen en hunne kinderen aanbidden en prijzen.

In de tweede vraag wordt geëischt instemming met de leer der kerk. Waartoe dient dit? Is deze eisch een controle op de leden der kerk, die reeds belijdenis des geloofs gedaan hebben? Staat deze belijdenis gelijk met de eenmaal afgelegde geloofsbelijdenis? Deze kwestie, op zich zelve reeds belangrijk, is door Dr H.W. van der Vaart Smit in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift van Maart, September en November 1928 breedvoerig behandeld. Hij stelde daar de vraag „of de veel voorkomende practijk onzer vaderen, een kind in den eersten dienst des Woords na de geboorte te doen doopen, zonder op het herstel der moeder

|303|

te wachten, inderdaad uit den eisch van het reformatorisch beginsel geboren is”, of dat hierin niet een overblijfsel van het Roomsche zuurdeesem moest worden gezien? In de tweede plaats is hij van oordeel, dat de doop bediend wordt aan ouders en kinderen samen. „In elk sacrament toch zijn er twee deelen te onderscheiden, een verbondshandeling onzerzijds en een verbondsbevestiging van Gods zijde. In den volwassendoop is er daarom eerst een geloofsbelijdenis van de zijde desgenen, die gedoopt staat te worden. En als daarna de kerk in den naam des Heeren deze belijdenis als een ware geloofsbelijdenis accepteert, kan zij in den Naam des Heeren op grond van het Verbond Gods het teeken en zegel toedienen. Het sacrament begint echter niet, waar het teeken en zegel begint.” Het sacrament begint bij de geloofsbelijdenis, en wordt voortgezet in de beteekening en verzegeling van de verbondsweldaden Gods. Dit tweeërlei verdeelt zich in den kinderdoop over de ouders en hun kind. „Het eerste deel van het sacrament, de geloofsbelijdenis als opheffing der handen tot de verbondsweldaden Gods, kan niet door het kind, moet door de ouders geschieden. Het teeken en zegel valt op het kind”. En daaruit volgt volgens Dr van der Vaart Smit, dat de moeder bij het sacrament tegenwoordig moet zijn.

Bij rustig nadenken blijkt terstond, dat de conclusie van deze redeneering niet goed kan zijn, omdat het eerste deel der redeneering onjuist is. De geloofsbelijdenis is toch niet het eerste deel van het sacrament, maar alleen een noodzakelijk vereischte voor het ontvangen van den doop, omdat de doop ingesteld is voor de geloovigen. Johannes de Dooper predikte den doop der bekeering tot vergeving van zonden, hetgeen aanduidt, dat zij die den doop begeerden eerst blijken van levensverandering moesten geven, vóór zij het teeken en zegel der ver­geving van zonden konden ontvangen. De kamerling kon worden gedoopt nadat hij zijn geloof had beleden. Zoo ook moeten nog altoos zij, die van uit het heidendom of uit kringen, die vervreemd zijn van de kerk, tot het geloof in Christus komen, eerst belijdenis doen van hun geloof en bekeering; maar de jonge kinderen van christenouders moeten terstond na hunne geboorte het teeken en zegel des verbonds ontvangen, omdat God hen opgenomen heeft in het verbond. Het avondmaal eischt een geloof, dat het lichaam en bloed des Heeren kan onderscheiden, en daarom moet, vóór iemand kan toegaan tot het avondmaal, een geloofs-onderzoek voorafgaan, doch dit bewust geloof kan van de jonge kinderen niet verwacht worden 1). Zij ontvangen in hun prille jeugd het sacrament als teeken en zegel, dat zij als kinderen des verbonds des Heeren


1) Calvijn, Institutie IV. 16, 24-31.

|304|

eigendom zijn. De belijdenis, die de geloovigen afleggen voor zij toegaan tot het avondmaal, is ook niet een deel van het sacrament, maar uitdrukking van hun geloof, waarvan zij versterking verwachten; een belijdenis met mond en hart, ter verheerlijking Gods en tot het uitspreken van de gemeenschap der heiligen.

Ook bij den doop wordt door de ouders hun geloof beleden, maar niet in dien zin, zooals zij vroeger, toen zij zich openlijk temidden van de gemeente aan den Heere Christus verbonden, en toegang verkregen tot het sacrament des avondmaals, belijdenis deden. Die belijdenis was een persoonlijke en kan nooit in dien zin worden herhaald. Als de beantwoording der doopvragen gelijk stond met een persoonlijke geloofsbelijdenis, zou zij op gezette tijden van alle leden der kerk moeten worden gevraagd. Doch dit is niet het geval. Zij is te vergelijken met den eisch der kerk tot instemming met de belijdenis van hen die eenig ambt in de kerk bekleeden, en de bedoeling is in dit geval, dat de kerk een waarborg bezitte, dat de gedoopte kinderen in den weg des Heeren worden onderwezen. Om die reden is het ook geheel verkeerd uit deze belijdenis af te leiden, dat de moeder persoonlijk bij den doop moet tegenwoordig zijn. De tweede doopvraag mag niet losgemaakt van de andere vragen. Zij is een schakel tusschen de beide andere. Alleen als de ouders geloovigen zijn, kan op grond van Gods Woord (Hand. 2: 39) worden aanvaard, dat het kind tot het verbond behoort, en is er waarborg, dat het in de vreeze des Heeren zal worden opgevoed.

c. De derde doopvraag luidt: „Ten derde, of gij niet belooft en voor u neemt, dit kind, als het tot zijn verstand zal gekomen zijn (of: deze kinderen, als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn, een iegelijk het zijne), waarvan gij vader of getuige zijt, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen?”

In de oudste uitgaven werden de woorden „waarvan gij vader of getuige zijt” niet gevonden, maar sedert 1574 werd het de gewoonte, deze woorden te gebruiken, zooals zij in de Dordtsche uitgave zijn opgenomen.

Omdat de practijk van de vroege doopsbediening het medebracht, dat de vader alleen met het kind ten doop kwam, is in deze vraag alleen de vader genoemd. De oude Gereformeerden achtten het noodig, dat het verbond Gods zoo spoedig mogelijk in de kinderen moest worden verzegeld, en vonden de affectie der ouders, om den doop uit te stellen, tot de moeders zelve hare kinderen konden presenteeren, of het lange wachten op de getuigen, geen wettige reden voor het uitstellen van den doop 1).


1) Syn. 1574, art. 57.

|305|

De ouders beloven bij den doop, dat zij hunne kinderen in de leer der kerk naar hun vermogen zullen onderwijzen, of doen en helpen onderwijzen. De uitdrukking „onderwijzen” en „doen onderwijzen” ziet op de ouders; de woorden „helpen onderwijzen” zijn ingevoegd met het oog op de getuigen, die bij den doop hielpen. Een vader helpt niet onderwijzen, maar hij onderwijst zelf of doet onderwijzen. Daarom kunnen de woorden „helpen onderwijzen” wegvallen 1).

In deze belofte ligt opgesloten de roeping der ouders om hunne kinderen eene christelijke opvoeding te geven, en hen in de leer der waarheid te onderwijzen. De opvoeding in huis, het onderwijs op de catechisatiën en de christelijke scholen moet daartoe dienen. Een heerlijke, maar tevens gewichtige en moeilijke taak. De ouders moeten de kinderen leeren van den weg, dien ze te gaan hebben; zij hebben voor hun kind te bidden en het over te geven aan de barmhartigheden Gods, en zij hebben hun kind te regeeren en door wijze tucht zijne schreden te richten op het pad der gerechtigheid, opdat het kind straks met bewustheid en liefde zich geve in den dienst des Heeren.

De uitdrukking „voor u neemt” is door velen veranderd in „u voorneemt”, omdat zij van oordeel waren, dat het denkbeeld: voor zijne rekening nemen, zich tot iets verbinden niet uitgedrukt wordt door voor zich nemen, maar wel door zich voornemen, het besluit tot iets nemen. Anderen evenwel zijn van oordeel, dat deze verandering niet geoorloofd is, en dat de kracht en de beteekenis van het Formulier er door verminderd wordt. Het woord voornemen bestond reeds in de 16de eeuw in de beteekenis, die het heeft bij ons: vaststellen, besluiten (Luk. 21: 14; Hand. 5: 4; 19: 21; 20: 16; Rom. 1: 16). Doch hier staat niet alleen voornemen, maar voor zich nemen, op zich nemen, en dit woord past als het sterkere woord achter het zwakkere woord beloven. De ouders beloven niet alleen, dat zij hunne kinderen in de voorzeide leer opvoeden, maar zij nemen het ook op zich. Zeker is, dat de tegenwoordige beteekenis van „zich voornemen” zwakker is dan hier wordt gevraagd. Doch hoe men ook leest: „voor u neemt” of „u voorneemt”, steeds moet het opgevat worden in den zin van: „of gij ernstig van plan zijt”.

Indien de ouders bij den doop ontbreken, kunnen getuigen optreden.

De doopgetuigen kunnen uitteraard nimmer de plaats der ouders innemen. Zij bezitten volgens de burgerlijke wet geen recht en geen macht over de kinderen. Alleen de ouders en voogden zijn volgens de wet bevoegd, voor de opvoeding der kinderen te zorgen. Om die reden


1) Zie beneden.

|306|

kunnen de doopgetuigen geen waarborg geven aan de kerk voor een Gereformeerde opvoeding.

De H. Schrift kent geen doopgetuigen. Zij zijn niet tegelijk met de instelling des doops ontstaan. Eerst later werd het gewoonte, dat een volwassen heiden, die niet aan den bisschop der gemeente bekend was, door een christen werd begeleid, die voor den bisschop getuigenis aflegde, dat de persoon, die den doop aanvroeg en dus christen wenschte te worden, een eerbaar beroep uitoefende en uit goede beweegredenen wenschte gedoopt te worden. Voorts moest een getuige zorg dragen voor de onderwijzing van den doopeling in den tijd, dat deze zich voorbereidde voor den doop, en toezicht houden op zijn wandel. In de dagen van vervolging of ook wanneer het onzeker was, of iemand gedoopt was, hadden de doopgetuigen tot taak, getuigenis af te leggen, dat iemand werkelijk gedoopt was. Het kwam voor in dagen van vervolging, dat velen hun geloof verloochenden en beweerden, niet gedoopt te zijn. Ook wel gebeurde het in lateren tijd, toen de kerk tot eer en aanzien gekomen was, dat iemand, die niet gedoopt was, zich om des voordeels wil voor christen uitgaf. In al deze gevallen kon de waarheid, of iemand werkelijk gedoopt was, door getuigen uitgemaakt worden.

Dit werd anders bij den kinderdoop. Gewoonlijk traden de ouders op als doopgetuigen, zooals Augustinus meedeelt 1), maar hij verhaalt ook, dat slavenkinderen door hun heer, weeskinderen door derden, en vondelingen door gewijde maagden ten doop werden gehouden. Maar al spoedig kwam de gewoonte op, dat een kind niet door de ouders, maar door een vreemde ten doop geheven werd, en deze gewoonte werd tot wet verheven door het concilie van Mainz (813), waar bepaald werd, dat niemand bij zijn eigen zoon of dochter als doopheffer mocht optreden.

Dit besluit hangt samen met de Roomsche doopsbeschouwing. Na den tijd van Augustinus kwam de leer op, dat de kinderen van nature onrein zijn, en in zich zelf geen aanspraak hebben op den doop. Maar het geloof hunner ouders en het geloof der gansche gemeente komt hun ten goede. En de kerk wordt vertegenwoordigd bij den doop. De ouders zelf kunnen hunne kinderen niet ten doop houden. Zij zijn de oorzaak, dat de kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn. Daarom moeten anderen dan de ouders optreden als doopgetuigen. En naar de Roomsche leer wordt het kind bij den doop het eigendom der kerk, en ontvangt het de wedergeboorte.

Het doopgetuigenstelsel ontaardde echter al meer en meer. Het werd een eer voor de ouders, als er vele getuigen waren, en liefst menschen


1) ep. 98. 6.

|307|

van naam, stand en vermogen. De Catechismus Romanus klaagt er van 1): „van het ambt der getuigen is niets dan de ijdele naam overgebleven en de menschen vermoeden in de verte niet, wat heilige verplichting deze dienst voor de getuigen ten opzichte van hunne peetkinderen in zich sluit.” Hij scherpt vervolgens de verplichting van de peetouders opnieuw in, met beroep op den Areopagiet en Augustinus. Bovendien maakte het concilie van Trente een einde aan het stellen van meerdere getuigen, en schreef voor, dat slechts één peetvader, of één peetvader en ééne peetmoeder mocht worden gesteld. Om als peet te kunnen optreden moet iemand volgens het Roomsche kerkrecht zijn gedoopt en gevormd en volwassen zijn. Ongeloovigen en ketters zijn buitengesloten, en die niet goed bij zijn hoofd is.

De Luthersche kerk heeft de Roomsche voorstelling van het peetschap overgenomen, zóó zelfs, dat de ouders van het peetschap zijn buitengesloten. Ofschoon sommigen elk gedoopt christen toelaten als peet, en zelfs de kerkorde van Saksen (1580) een katholiek toelaat, veronderstellen de Luthersche kerkorden over het algemeen, dat de peeten van het evangelisch geloof moeten zijn. Meestal waren het uiterlijke motieven, die bewogen tot het kiezen der peeten. Ofschoon in de Luthersche kerk herhaaldelijk tegen het misbruik is gewaarschuwd, is de instelling van peeten tot een ledigen vorm ontaard. Terwijl daarom sommigen deze instelling geheel willen afschaffen, oordeelen anderen in onze dagen het gewenscht, haar te verbeteren en te vervormen tot een nuttig orgaan voor het leven der gemeente.

De Gereformeerden herstelden het recht en den plicht der ouders. Calvijn stelde op den voorgrond, dat de doop de zaak der ouders is, die zelf bij den doop moeten optreden en voor de opvoeding hunner kinderen hebben te zorgen. Hij nam in de kerkorde op, dat de aanbieding ten doop door den vader moet geschieden, en dat de stipulatiën met hem moeten aangegaan. Daarbij mogen wel getuigen toegelaten worden, maar zij zijn niet voorgeschreven en hunne tegenwoordigheid ontheft den vader niet van zijne verplichting. Tot getuigen mogen niet aangenomen worden minderjarigen, noch geëxcommuniceerden, maar alleen geloovige en trouwe leden der kerk, die waarborg geven, dat de kinderen in de leer der kerk onderwezen zullen worden. Zij moeten alleen bij ontstentenis van de ouders optreden, of na hun dood, om toezicht te houden op de opvoeding, of ook om de ouders te herinneren aan hunne belofte.

In dezen geest hebben de Gereformeerden later gehandeld. Strijd over de doopgetuigen is er zoo goed als niet geweest, In Londen echter is


1) II. 22.

|308|

moeite geweest. Daar was in 1564 Godfried van Wingen predikant geworden en had met goedvinden van den kerkeraad aan de gemeente bekend gemaakt, dat zij voortaan de kinderen ten doop moesten presenteeren met peters en meters. Sommigen verzetten zich tegen deze instelling, en noemden haar „een duyvelsche antichristische ceremonye, van den Paus Hyginus eerst inghevoert,” en begeerden, dat men zich met het getuigenis van de geheele gemeente zou vergenoegen 1). Hierop werd geantwoord, dat het „een goede en nutte ceremonie” was, naar het oordeel van „alle de ghereformeerde kercken”. Wijl de rust hiermee niet hersteld was en de ontevredenen zich op den bisschop van Londen beriepen, werd het oordeel van Marnix en Beza ingewonnen, die de handeling van den kerkeraad afkeurden als tirannie, niet berustende op het Woord.

In ons land bleven ook de doopgetuigen bestaan. Het convent van Wezel (c. VI. 3) zeide: „Wij laten het gebruik van bijzondere getuigen vrij.” De synode van Emden bepaalde (Art. 20): „Getuigen in den Doop te nemen, of niet te nemen, achten wij voor een middelmatig ding.” Volgens partic. vraag 10 konden tweeërlei getuigen toegelaten a zij die geen leden waren, om te getuigen, dat de doop had plaats gehad; b zij, die mede voor de opvoeding moesten zorgen, moesten echter lidmaten der gemeente zijn. De eerste soort doopgetuigen is spoedig weggevallen, wijl weldra de geheele gemeente bij den doop tegenwoordig was.

De synode van 1574 maakte onderscheid tusschen de verplichting van ouders en getuigen. De vaders moeten bij den doop hunner kinderen tegenwoordig zijn, om met de gevaders op de voorgestelde vragen te antwoorden. Omdat er geen gebod des Heeren is om getuigen te nemen, mag men niemand het stellen van getuigen opleggen. Nochtans is het een oud gebruik, tot een goed doel ingevoerd (Art. 61 en 62).

In 1578 werd ook duidelijk uitgesproken, dat de vader inzonderheid bij den doop tegenwoordig moet zijn, om zijn kind den Heere op te dragen en op de doopvragen te antwoorden (Art. 61). Evenzoo werd bepaald in 1581 (Art. 40), 1586 (Art. 51) en 1618/19 (Art. 57). De Dordtsche synode van 1618/19 noemde het nemen van doopgetuigen een gebruik, dat op zichzelve vrij was, en niet lichtelijk is te veranderen. De getuigen werden dus toegelaten, maar als onnoodig beschouwd, terwijl gewaarschuwd werd voor misbruik. Als men ze neemt, „betaamt het, dat men neme die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.”

Omdat het stellen van getuigen geen grond vindt in Gods Woord, beschouwden de oude Gereformeerden het stellen van doopgetuigen wel als een goed oud gebruik, om mede voor de opvoeding der kinderen te


1) Ruytinck, Geschiedenissen, bl. 60.

|309|

zorgen, maar dit gebruik behoort tot de middelmatige dingen; men zij voorzichtig en verandere het gebruik niet lichtvaardig. De ouders evenwel waren verplicht, de belofte bij den doop af te leggen. Naast hen of in hunne plaats stonden de getuigen, of zooals ook in het doopsformulier staat „degenen die mede ten doop komen.” In het eerste geval waren zij als familieleden of vrienden bij den doop tegenwoordig, om later, zoo noodig, te kunnen getuigen, dat deze werkelijk bediend was. Zij namen voorts de verplichting op zich, indien de ouders nalatig waren, hen te vermanen of ook zelf de kinderen te onderwijzen. Daartoe werd ook in de derde doopvraag opgenomen de uitdrukking „te doen of te helpen onderwijzen”. En in het tweede geval, waarin de getuigen plaatsvervangend optraden, namen zij het kind geheel en al voor hunne rekening en stonden borg voor de christelijke opvoeding.

Hoewel het niet te ontkennen valt, dat het stellen van getuigen in sommige gevallen een goede zijde had, genoot het niet de sympathie der gemeente, om het groote misbruik, dat er mee gepaard ging. Alle zorg werd besteed aan het uiterlijke vertoon bij den doop, terwijl het geestelijk karakter van den doop veelal niet werd verstaan. Vrienden en familieleden kwamen als getuigen mede ten doop, om na afloop met de familie feest te vieren. Ernstig werd tegen deze misbruiken geprotesteerd. Sommige predikanten, als Hoornbeek en Koelman, waren zelfs voor afschaffing dezer gewoonte. In bijzondere gevallen was het moeilijk, getuigen te vinden. Toen in 1760 zich te Maasland een geval van bloedschande voordeed, en de grootmoeder van het kind den doop vroeg, was de kerkeraad van oordeel, dat er geen genoegzame waarborg was voor eene christelijke opvoeding, wanneer de grootmoeder getuigde. Wijl er geen onbesproken lidmaten der gemeente waren, die in dit geval wilden optreden als getuigen, wendde de kerkeraad zich tot de classis. En de classis Delft, op 6 April 1761 samengekomen, gaf dezen verstandigen raad, dat „vermits een kerkenraad het opzicht heeft over de gansche Gemeijnte, den kerkenraad van Maasland in eadem qualitate de naaste betrekking heeft tot de opzigt over den doop van dit kind”, „weshalven dezelve versogt wordt nomine Synedrii twe Leeden uit haare vergadering over den doop van ’t voorseide kind te laaten assisteren, en vervolgens na haar vermogen de toezigt over ’t zelve in de opvoeding in de Leere der waarheid te nemen”.

De getuigen moesten dus, zoo de ouders niet voldeden aan de doopsbelofte, dezen daaraan herinneren. Zij deden voor de kerk den dienst als voogden. Juist daarom merkt Voetius 1) terecht op, dat dit gebruik van getuigen alle kracht en beteekenis verliest, zoo de staatswetten het


1) Pol. Eccl. I. 705.

|310|

aan vader en moeder niet toestaan om voogden aan te wijzen (Hoc tamen cavendum, ut potestas in susceptores translata rata sit legibus, aut privilegio, aut indulto illius Reipublicae, in qua vivimus. Si secus; omnia frustra stipulamur).

Langzamerhand raakte het stelsel van getuigen in de Gereformeerde kerken in onbruik. In Engeland hadden de Puriteinen reeds op de afschaffing aangedrongen.

In de 18e en 19e eeuw zijn de getuigen langzamerhand verdwenen. In de kerken der Scheiding was het algemeen de gewoonte, dat slechts dan de getuigen optraden, wanneer de ouders niet konden tegenwoordig zijn. Zoo ook in hoofdzaak in de vereenigde kerken sedert 1892. De doopgetuigen zijn dus langzamerhand op den achtergrond getreden. Zij kunnen de plaats der ouders niet vervangen. Zij bezitten geen recht over de kinderen, tenzij die hun volgens de wet gegeven is.

 

2. De naam bij den doop.

Het is in de verschillende kerken gebruikelijk, dat vóór de doopsbediening de naam van den doopeling wordt uitgesproken door den bedienaar van het sacrament. In eene enkele liturgie wordt het kind in het algemeen toegesproken: „Kind, ik doop u enz.”, maar bijna zonder uitzondering wordt de persoonsnaam genoemd. Zoo ook in ons doopsformulier, waar de hoofdletter N. aan de eigenlijke formule voorafgaat. Deze letter N. dient om aan te duiden, dat de bedienaar van het sacrament hier den naam des doopelings heeft in te vullen.

Welke naam moet worden uitgesproken, de persoonsnaam of de familienaam? Het ligt voor de hand, dat alleen de persoonsnaam wordt genoemd. Het ontvangen van den doop is een persoonlijke zaak. De persoon, die gedoopt wordt, wordt daarmede ingelijfd in de gemeenschap met God, en met het lichaam van Christus. Daarom spreekt men ook van den doopnaam in onderscheiding van den familienaam.

Dit gebruik dateert reeds uit den tijd, waarin meest volwassen personen tot het geloof kwamen en gedoopt werden. En de kerk heeft dit nagevolgd niet uit een valsch conservatisme, maar omdat in het noemen van den naam beteekenis zit. De naam is als het ware de hand, waarmee de God des verbonds het kind aangrijpt en inleidt in Zijne gemeenschap. God noemde in bijzondere tijden van de openbaring, wanneer Hij rijke beloften verzekerde aan Abraham, Izaak, Jacob, Mozes en andere heiligen, hen bij den naam en zoo ook noemt Hij den doopeling bij den naam, om hem te verzekeren van de waarheid Zijner dierbare beloften. Nu moge het waar zijn, dat het noemen van den naam door het kind niet gehoord wordt, en voor het kind dus ook geen uitwerking heeft, dit neemt volstrekt niet weg, dat Gods belofte komt niet tot hen, die

|311|

bij den doop tegenwoordig zijn, maar tot den persoon zelf, die wordt gedoopt.

Als bezwaar tegen dit algemeen aangenomen gebruik wordt ingebracht, dat de gemeente, vooral in groote kerken, volstrekt niet weet, welk kind gedoopt wordt. Ze ziet wel, dat er een kind gedoopt wordt, maar verder weet ze niets. Daarom zou men het beter achten, dat met den voornaam ook de geslachtsnaam werd uitgesproken.

Wij zijn van oordeel, dat dit bezwaar al heel weinig kracht heeft. Het moge waar zijn, dat in groote kerken het onbekend blijft, welk kind gedoopt wordt, zoo alleen de voornaam wordt genoemd, dit blijft ook veelszins het geval, wanneer ook de familienaam genoemd wordt bij den doop. Bovendien ziet de gemeente toch wel, welke doopouders met hunne kinderen ten doop komen. In kleine kerken en ook in groote dorpskerken kennen de leden der gemeente elkander allen, terwijl in groote stadskerken vele leden der gemeente aan een deel der gemeenteleden onbekend is, zoodat het uitspreken van den familienaam bij den doop voor de bekendheid van het te doopen kind al heel weinig geeft.

Wil men echter het bezwaar ondervangen, dat de leden der gemeente niet weten, welke kinderen gedoopt worden, dan zou vóór de doopsbediening de naam van het kind en van de ouders kunnen worden bekend gemaakt. Er is ook wel voorgesteld, dat de ouderling van dienst achtereenvolgens de doopouders bij namen en geslachtsnamen oproept om met hunne kinderen ten doopvont te treden, zoodat elk lid der gemeente kan hooren, welk kind den heiligen doop zal ontvangen. Maar op welke wijze dit bezwaar ook wordt opgelost, er is geen genoegzame reden voor, om af te wijken van het aloude gebruik der kerk, om den doopeling alleen bij zijn voornaam aan te spreken.

 

3. De doopsformule.

In de gemeenten, aan wie Paulus schreef, geschiedde de doop, evenals in de eerste Christengemeente, in den naam van Christus (1 Cor. 1: 12—16). De doop veronderstelt dus het geloof, en verplicht tot de aanhoorigheid aan Christus (1 Cor. 1: 12). De doop werd bediend in den naam (ἐν of ἐπι τῷ ὀνόματι of εἰς τὸ ὄνομα) van Christus. De beide eerste uitdrukkingen duiden aan, dat iets bij, onder het noemen of onder aanroeping van den naam geschiedt, terwijl εἰς τὸ ὄνομα wil zeggen: de toeëigening aan den persoon of de verhouding in welke iemand geplaatst wordt.

De doopsformule, in de Nederlandsche Gereformeerde kerken in gebruik, luidt: „Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” Deze formule moet letterlijk gevolgd worden, omdat

|312|

de kerk haar, op grond van de instelling des doops, mede om ketterij te weren, aldus heeft vastgesteld. Eerst moet de naam van den doopeling worden uitgesproken, daarna de doopsformule. „Ik doop u in (εἰς) den naam enz.” Het woordje in beteekent hier, dat de gedoopte gebracht wordt in verbinding met, in betrekking tot en in de gemeenschap met God, die Zich als de Drieëenige heeft geopenbaard; zoodat „doopen in den naam” wil zeggen: in verbinding met den naam, en niet op bevel van.

Van het zingen van een toepasselijk vers ná de doopsbediening door de gemeente spreekt het formulier niet; toch is het volstrekt niet af te keuren, mits het vers toepasselijk is op den doop, b.v. Ps. 105: 5.

 

4. Het teeken bij den doop.

Het teeken bij den doop is zuiver water. Johannes de Dooper zegt uitdrukkelijk, dat God hem gezonden had om te doopen met water (Joh. 1: 33). Christus zelf is met water gedoopt en heeft geen ander teeken verordend, terwijl de Apostel Paulus den doop noemt „het bad des waters” (Ef. 5: 26).

Niet zonder een bepaald doel heeft de Heere het water als teeken bij den doop verordend. Het water toch wordt gebruikt voor de wassching, reiniging van het lichaam. Het water is door de natuur zelve aangewezen als zinnebeeld der reiniging en verlossing. Wat het onreine, het vervuilende en verstikkende stof is voor het lichaam, dat is de zonde voor de ziel; en gelijk nu het water de onreinheid des lichaams wegneemt, zoo reinigt het bloed en de Geest van Christus van alle zonden.

De kerk heeft zich dan ook eenstemmig gehouden aan het gebruik van water bij den doop. Slechts weinige haeretici, een deel van de Gnostieken en de Manichaeën, wilden den doop door den H. Geest, door vuur, terwijl anderen, in navolging van hen, aanraking met vuur noodig achten, of zoo als de latere Katharen, den doopeling plaatsten tusschen twee brandende kaarsen, en hem slechts zegenden, zonder verderen doop. Sommige spiritualistische secten in de Middeleeuwen, die de sacramenten waardeloos achtten, verwierpen den waterdoop. Ook zijn er enkele personen geweest, die, in geval van nood, het geoorloofd achtten te doopen met wijn, melk, bier en olie, en eveneens sommigen, die in zulk een noodgeval het bestrijken met asch en zand voldoende rekenden 1). Innocentius III achtte het noodig, een doop, die uit gebrek aan water en wegens het gemis van een priester door een privaat persoon door


1) Corblet, Histoire du sacrement de Baptême I. 209; Schanz, Die Lehre von den heiligen Sacramenten, p. 217.

|313|

het bestrijken van hoofd en schouders met speeksel toebediend was, te veroordeelen, terwijl Thomas Aquinas leerde, dat de materie van het sacrament des doops was zuiver natuurlijk water, en dat het onverschillig was of het water koud of warm was. De kerken der Reformatie volgden in dezen de oude kerk. Wel waren er van de orthodoxe leeraars o.a. Beza, die van oordeel waren dat, indien water ontbreekt, ook een andere vloeistof mag gebruikt worden, maar zulk een geval is bijna ondenkbaar, en de kerken hebben nooit iets anders geleerd dan dat de doop bediend moet worden met zuiver water. De Roomsche kerk eischt, dat men, tenzij in geval van nood, gewijd water gebruikt, maar zulk een heiliging of bezwering van het water geeft aan dat water geen bijzondere waarde, en deze wijding moet als bijgeloovig verworpen worden.

Een vraag van meer beteekenis is, of de doop moet geschieden door onderdompeling dan wel door besprenging.

Het Grieksche woord voor doopen (βαπτίζειν) beteekent letterlijk indoopen, indompelen. Vast staat ook, dat de gewone vorm van doopen in de oude kerk was de indompeling. De doopeling werd ingedompeld in het water en na de onderdompeling daaruit weder opgetrokken. Deze indompeling had een diepe zinrijke beteekenis. Er werd door aangeduid de dood en de begrafenis van den ouden mensch met Christus, terwijl door het wederopkomen uit het water de opstanding van den nieuwen mensch met Christus werd afgebeeld (Rom. 6: 4; Col. 2: 12). Had de doop in den apostolischen tijd in den regel plaats door indompeling (Matth. 3: 6; Joh. 3: 23; Hand. 8: 38), waarschijnlijk werd in bijzondere gevallen ook de begieting of de besprenging met water voldoende geacht (Hand. 2: 41; 16: 33).

De doopeling moest, vóór hij inging in het water, zich eerst ontkleeden. De noodzakelijkheid van de naaktheid van den doopeling werd door de kerkvaders aangetoond met eene heenwijzing op de naaktheid van Adam, op onze geboorte en op onzen ingang in den hemel. Tevens werd gewezen op Christus, die naakt hing aan het kruis. Het dragen van eenig sieraad gedurende den doop was verboden 1).

Reeds vroegtijdig wordt ook de overgieting met water bij den doop in gevallen van nood als voldoende beschouwd. In de Didache, uit het begin der tweede eeuw, wordt gezegd: „wanneer gij geen stroomend water hebt, doop dan in ander water. Wanneer gij het niet kunt doen in koud water, doe het dan in warm water. Wanneer gij echter beide niet hebt, giet dan op het hoofd driemaal water in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes”. Cyprianus verdedigt in geval


1) Rietschel, Liturgik II. 46.

|314|

van krankheid den doop door begieting of besprenging met een beroep op Ezech. 36: 25: „En Ik zal rein water op u sprengen”. Deze doop der kranken door besprenging werd door de synode van Neo-Caesarea (314) voor geldig verklaard, maar door haar, evenals door latere kerkvergaderingen, werd de doop door onderdompeling als de volledige doop aangeprezen. En Thomas Aquinas zeide: „Veiliger is het doopen door indompeling, dewijl dit is naar het gewone gebruik”.

Sedert de twaalfde eeuw ontstond in het Westen de gewoonte te doopen door begieting met water. Het eerst schijnt dit gebruik in Engeland algemeen te zijn geworden. De indompeling bleef echter nog de meer algemeen gebruikte vorm. Eerst in de veertiende eeuw, toen de gelijkstelling van de indompeling en van de begieting of besprenging algemeen geworden was, heeft de kerk zich hierover uitgesproken. De synode van Ravenna (1311, c. 11) liet de keuze tusschen indompeling en besprenging vrij. Omdat de doop door indompeling niet ongevaarlijk was voor de gezondheid, heeft de besprenging en de begieting langzamerhand de dompeling verdrongen. Sedert de vijftiende eeuw komt de indompeling weinig meer voor.

De Grieksche kerk bleef vasthouden aan den doop door dompeling. „De doop geschiedt door driemaal herhaalde indooping van den doopeling, en met het gebruiken van de voorgeschrevene formule. De besprenging, in plaats van de indompeling, is, behalve in gevallen van krankheid of bij gebrek aan water, streng verboden” 1).

De Roomsche kerk heeft op het concilie van Trente het Westersche gebruik tegen de Grieken verdedigd. De Hervormers sloten zich bij het Westersche gebruik aan. Luther gaf aan indompeling de voorkeur, terwijl Calvijn de wijze van bediening als iets geheel onwezenlijks aan de vrijheid der kerken wilde overlaten. Alleen de Anabaptisten en de Methodisten maakten er een beginsel van, en keerden tot de onderdompeling terug.

Maken wij thans de conclusie dan zien wij: 1º Christus noch de Apostelen hebben een bepaald voorschrift omtrent besprenging of dompeling gegeven. Wel was het de gewoonte in de oude kerk, door onderdompeling te doopen, maar zeer waarschijnlijk werd in den Apostolischen tijd ook wel door begieting met water gedoopt. Dit zal wel geschied zijn bij den doop van de 3000 op éénen dag, den dag van het groote Pinksterfeest (Hand. 2: 41); toen Cornelius en de zijnen (Hand. 10: 47, 48), Lydia en haar huis en de stokbewaarder en al de zijnen (Hand. 16: 15, 33) gedoopt werden.

2º De kerk heeft van de oudste tijden af de besprenging of begieting


1) Milasch, Das Kirchenrecht der morgenländischen Kirche, S. 554.

|315|

geoorloofd geacht, en ook later, toen de besprenging meer algemeen werd, er nooit een kwestie van willen maken. Nog altoos acht de kerk den doop door onderdompeling goed en geoorloofd, maar het is alleen om gezondheidsredenen, en niet uit dogmatische overweging, dat in de Christelijke kerk (behalve de Grieksche, de Baptisten en de Baptistische Methodisten) de besprenging algemeen is.

3º Alle wijze van doopsbediening is geoorloofd, mits zij beantwoordt aan de instelling van Christus, en de beteekende zaak, de geestelijke reiniging, maar duidelijk door het teeken wordt uitgedrukt. Nu is de doop teeken en zegel van de wassching en reiniging onzer zonden door het bloed en den Geest van Christus. Onze Geloofsbelijdenis drukt dit zeer duidelijk uit in Art. 34: „Zoo heeft Hij dan bevolen te doopen alle degenen, die de zijnen zijn, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, alleen met rein water; ons daarmede te verstaan gevende, dat, gelijk het water de vuiligheid des lichaams afwascht, wanneer wij daarmede begoten worden, hetwelk op het lichaam desgenen, die den doop ontvangt, gezien wordt, en hem besprengt, alzoo het bloed van Christus hetzelve van binnen in de ziele doet, door den Heiligen Geest, haar besprengende en zuiverende van hare zonden, en ons wederbarende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods.” En wijl de doop zelf niet reinigt van de zonden, maar daarvan het teeken en zegel is, kan niet de hoeveelheid water, bij den doop gebruikt, den doop geldig of ongeldig maken, maar is het de vraag of de beteekende zaak door het teeken wordt uitgedrukt. Nu is er geen twijfel aan, de doop door indompeling drukt krachtiger en duidelijker de geestelijke reiniging uit. Maar toch wordt de beteekende zaak ook door het beeld van de besprenging uitgedrukt, zooals Ezech. 36: 25, waar de Heere spreekt: „Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden”, terwijl de geestelijke weldaad, de verlossing door het bloed van Christus, ook wordt aangeduid door de besprenging met het bloed van Christus (Hebr. 12: 24; 1 Petr. 1: 2). Dat sprengen van het water op het lichaam des doopelings beeldt af de toeëigening van het bloed van Christus tot wegneming van de schuld en de smet der zonde. Daaruit blijkt, dat de beteekende zaak bij den doop beide, bij besprenging en dompeling, uitkomt. Alleen het beeld van den dood en de opstanding komt minder goed uit bij de besprenging.

4º Opdat nu de beteekende zaak zoo goed mogelijk tot haar recht kome, moet er zooveel water gebruikt worden, dat het als beeld van de reiniging dienen kan. Enkele losse droppels, die in het geheel niet zich tot een stroomende massa kunnen vereenigen, laten alle denkbeeld van afwassching teloor gaan.

De plaats, waar het water moet uitgegoten worden, is niet met

|316|

zoovele woorden voorgeschreven, maar toch werd van de vroegste tijden af de begieting van het hoofd ten nauwste met de onderdompeling verbonden. In het Coemeterium van Kallistus bevinden zich twee beelden, die de doopshandeling afbeelden. De doopeling staat ontkleed tot aan de enkelen in het water, terwijl de dooper eenmaal het water over zijn hoofd, en de andere keer het hoofd en het lichaam begiet 1). De scholastieken wilden een onderdompeling, of tenminste een begieting van het voornaamste deel des lichaams (in digniori parte, i.e. in capite, Bonaventura), en de Catechismus Romanus bepaalt, dat niet elk willekeurig deel, maar het hoofd begoten moet worden. Dit werd door de Reformatoren terecht nagevolgd. Het voorhoofd is de plaats, waarachter het hersenleven, het centrum van het zieleleven zetelt. Is het hoofd bedekt met water, dan kan daardoor voorgesteld worden, dat de geheele mensch ondergaat in het waterbad.

Hoe vaak moet worden gestrengd? Eenmaal of driemaal? In de oude kerk was de drievoudige onderdompeling algemeen in gebruik. Uit het bovengenoemde citaat van de Didache blijkt, dat zij in de eerste helft van de tweede eeuw in de Syrische kerk was voorgeschreven. Tertullianus grondt de drievoudige indompeling op de drie personen der Triniteit: „Niet eenmaal maar driemaal worden wij met betrekking tot de afzonderlijke namen, in de afzonderlijke personen ingedompeld” 2). Ook Basilius de Groote brengt het driemaal dompelen in betrekking tot de Drieëenheid, terwijl Gregorius van Nyssa 3), Cyrillus van Jeruzalem 4), Athanasius 5), e.a. het in verband brengen met de drie dagen, die Christus in het graf geweest is. Volgens Pseudo-Ambrosius 6) volgde telkens, na de beantwoording van elk der drie vragen, een onderdompeling.

In de Grieksche kerk is de drievoudige dompeling voorgeschreven, maar de Latijnsche kerk heeft dit niet gedaan. De Roomsche kerk acht de drievoudige dompeling of besprenging volstrekt niet noodig voor de geldigheid van den doop 7). In de Spaansche kerk is het eenmaal doopen voorgeschreven, om tegen de Arianen de wezenseenheid der drie goddelijke personen ook uiterlijk tot erkenning te brengen.

De kerken der Reformatie achtten de vraag „eenmaal of driemaal besprengen” van weinig gewicht 8) en lieten het aan het plaatselijk gebruik over. In Frankrijk, en bij sommige Gereformeerde kerken in


1) L. von Sybel, Christliche Antike I. 237.
2) Adv. Prax., 26.
3) de bapt. Chr.
4) cat. myst. 2. 4.
5) de parab. script., quaest. 94.
6) de sacr., 2, 7.
7) Schanz, Die Lehre von den heil. Sacram., 228.
8) Calvijn, Inst. IV. 15, 19.

|317|

Engeland, in Hongarije, Genève en de Waalsche kerken besprenkelde men slechts eenmaal. In Hongarije giet de bedienaar, uit een gouden of zilveren kan, het water op het hoofd van het kind. De Gereformeerde kerken in Nederland achtten te Emden eens of driemaal doopen „voor een middelmatig en vrij ding”. Zoo ook oordeelden latere synoden, doch de synode van Dordrecht (1574) was van oordeel, dat ééne besprenging het raadzaamste en beste ware. Velen zagen in het driemaal besprengen een Roomsch zuurdeesem. Men moet echter al een wonderlijk gekleurde bril op hebben om dit te zien. Eenmaal sprengen kan aanduiden, dat Vader, Zoon en H. Geest een eenig goddelijk Wezen is, en driemaal, dat God drieëenig is.

Men oordeele elkander hierin niet, en handhave de vrijheid. Uit een liturgisch oogpunt worde echter ter harte genomen, dat de besprenging met het water gelijktijdig plaats vinde met het uitspreken van de doopsformule.

Bouwman, H. (1934) § 84

§ 84. De bedienaar van den Doop.

De bedienaar des doops is dezelfde als hij, die geroepen is tot de bediening des Woords. Woord en Sacrament behooren bij elkander. Het sacrament is het zegel op het Woord. De sacramenten geven geen andere beloften als die in het evangelie geopenbaard zijn, maar zij hebben ten doel de beloften des evangelies te verzegelen. Christus heeft het prediken des evangelies en het doopen aan dezelfde personen opgedragen (Matth. 28: 19) en nergens is in het N. Testament een aanwijzing, dat de bediening der sacramenten aan andere personen als aan de bedienaren des evangelies is toebetrouwd. Wel is, om te bewijzen dat ook vrouwen in geval van nood mogen doopen, gewezen op Zippora, die haar zoon besneed; maar dit bewijst niets omdat a.  het priesterschap en de levitische bediening toen nog niet was ingesteld; b. de besnijdenis in den regel door den huisvader werd verricht, maar ook door een ander Israëliet, alleen niet door een heiden, kon geschieden 1); c. haar daad nergens wordt goedgekeurd, al is het waar, dat de Heere afliet van het oordeel, dat Mozes en Zippora bedreigde, omdat zij haar zoon niet hadden laten besnijden.

Hierbij komt, zegt Calvijn, dat haar daad was „een onverschoonbare lichtvaardigheid, dat zij haar zoon besneed in tegenwoordigheid van haar man Mozes, die de voornaamste profeet Gods was” 2). De bediening


1) Keil, Handb. d. Bibl. Archäologie, 1875, S. 331.
2) Inst. IV. 15, 20-22.

|318|

van het Woord en van de sacramenten is door een onlosmakelijken band verbonden, zoodat niemand mag doopen dan die door wettige roeping aangewezen is om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen.

In de oude Christelijke Kerk was het doopen niet alleen het voorrecht der Apostelen, maar ook van allen, die arbeidden in het Woord (Hand. 2: 38; 8: 38; 9: 17; 10: 48; 1 Cor. 1: 14-17). De mannen, die uitgezonden waren om het evangelie te prediken, doopten degenen, die in Christus geloofden. En toen de kerken nader werden georganiseerd, werden bepaalde personen als voorgangers aangewezen, die het Woord en de sacramenten bedienden. Evenwel bepleit Tertullianus (✝ 220) 1), die een tegenstander van den kinderdoop was, het recht van de leeken om den doop te bedienen, maar hij wil toch terwille van de orde, dat de uitoefening van dat recht zich beperke tot de gevallen van noodzakelijkheid. Waarschijnlijk staat dit in verband met zijn Montanistische gevoelens, volgens welke het aan de geloovigen, ook aan de vrouwen, vergund was publiek op te treden. Eegel werd het al meer, dat alleen de bisschop den doop bediende en dat de presbyters alleen in tegenwoordigheid of in afwezigheid van,den bisschop het sacrament bedienden 2). Doch toen de bisschoppen al te zeer beziggehouden werden met anderen arbeid, lieten zij het doopen en de bediening des avondmaals over aan de priesters 3). Zoo kregen de presbyters in de landskerken naast de roeping om te prediken ook het recht om te doopen. De Middeleeuwsche scholastiek leerde, dat het doopen behoorde tot het ambt van den bisschop, omdat — gelijk Thomas zegt 4) — de bisschop de plaatsvervanger is der apostelen en de bisschop de bediening des doops kan opdragen aan de presbyters, die de plaats innemen van de 70 discipelen.

De gewone bedienaren des doops zijn in de Roomsch-Katholieke kerk dus de bisschoppen en de priesters, terwijl de diakenen, niet uit kracht van hun ambt, maar als helpers van den bisschop en den priester in bijzondere gevallen de opdracht om te doopen kunnen ontvangen. De priesters kunnen dus alleen ambtshalve den doop bedienen. Maar omdat de Roomsche kerk leert, dat de doop noodzakelijk is voor de zaligheid, erkende zij ook den nooddoop. Ligt een kind in doodsgevaar, en is er oogenblikkelijk geen geestelijke te bekomen, en vreest men dat het kind zonder doopsel zal sterven, dan mag, ja dan moet iedere leek, zelfs een niet-Roomsche of niet-Christen, het kind doopen. Voor dezen nooddoop gelden de volgende bepalingen: 1º dat daarbij niet al de gewone cere­moniën worden waargenomen; 2º dat gedoopt wordt in den naam des


1) De Baptismo, c. 17, 18; Cyprianus, ep. 73, 7.
2) Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands I. 224; Rietschel, Liturgik II, S. 39.
3) Corblet, Histoire du sacr. de Baptême, p. 300.
4) Summa theol., Pars III, quaest. LXVII, Art. 2.

|319|

Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; 3º  dat de dooper dat doet met de bedoeling om niets anders te doen dan wat de Katholieke kerk met het doopen doet. Wanneer het kind blijft leven, dan wordt de doopsbediening aangevuld met de gewone ceremoniën der kerk 1).

De Luthersche kerk 2) legt wel niet in den uitwendigen doop de goddelijke kracht der wedergeboorte en der vergeving van zonden ex opere operato, zooals de Roomsche kerk leert, maar zij bindt toch de genade aan het sacrament door de kracht des Woords, ten zegen van het geloof. Luther en de Luthersche symbolen denken het zich zóó, dat het geloof der kinderen door den doop in de kinderen wordt gewerkt, en wel door bemiddeling van het geloof en de voorbede der peeten. Het wezen van den doop is gelegen in de verbinding van het Woord met het water. De doop is de hand of het voertuig Gods, waardoor Hij Zijne genade den doopeling wezenlijk aanvankelijk mededeelt. Al is het ook dat de Lutherschen erkennen, dat God ook zonder den doop zaligmaken kan, zoo is de doop toch een genademiddel, dat eenige genade mededeelt, en daarom houden de Lutherschen vast aan den nooddoop, bediend door leeken, bakers, vroedvrouwen, of den vader. Gewoonlijk behoort echter de bediening des doops bij de bedienaren des Woords.

De Gereformeerden 3) verwerpen echter beslist, dat de doop voor de zaligheid noodig is. Niet het gemis des doops, wel de geringschatting des doops en het gemis van het geloof doet verloren gaan. Daarom leerden zij, dat de kerk aan niemand anders dan aan den predikant, die geroepen is tot de bediening van het Woord en de sacramenten, den doop mag opdragen. Zoo spreekt de Ned. Geloofsbelijdenis in Art. 30: „Wij gelooven dat deze ware kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord, namelijk dat er dienaars of herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen.” Eveneens spreken de Wezelsche Artikelen 4), geheel in overeenstemming met Calvijn 5): „Daar de sacramenten met de bediening des Woords door een onlosmakelijken band zijn verbonden, zoo betwijfelt niemand, dat zij tot het ambt der dienaren behooren.” De latere nationale synoden spraken in denzelfden geest. De Nationale synode van 1578 bepaalde 6), dat professoren in de theologie niet mochten prediken noch de sacramenten bedienen, tenzij zij tot den dienst des Woords beroepen waren. De doop, door een ouderling


1) Cat. Rom., Pars II, c. II, qu. 23; Trid. Sess. VII, can. IV.
2) Joh. Gerhard, Loci theol. Loc. XX, De sacro Baptismo, c. 19.
3) De Moor, Comm. XXX. 12. V. 413.
4) c. VI. 1.
5) Inst. IV. 15, 20-22.
6) Art. 51. Part. Vr. 29.

|320|

of door een privaat persoon bediend, is niet geldig. Indien echter een ouderling door „een kercke ofte een deel derselve” daartoe verzocht was, zoo moet men den doop niet herhalen „om dieswille dat hij eenighe forme van beroepinghe heeft.” Maar — zoo voegde deze synode er aan toe — dit is „niet te prysen noch na te volgen.” In de kruiskerken 1) kwam het doopen door een ouderling wel voor, omdat daar geen predikanten waren en dan werd een der bekwaamste personen in de gemeente aangewezen om met bewilliging der gemeente het Woord en de sacramenten te bedienen. Doch deze noodmaatregel mocht slechts tijdelijk geduld worden. Op de synode van 1586 en eveneens op de Generale synode van Dordrecht (1618/19) werd echter het doopen door een ouderling of diaken beslist verboden. Niemand mocht het Woord en de sacramenten bedienen dan die werkelijk daartoe beroepen was.

Deze regel moest vooral worden gehandhaafd tegenover de Wederdoopers en de Socinianen, die het leeraarsambt en den doop niet recht achtten, en tegenover de Roomschen en de Lutherschen, die in geval van nood de doopsbediening toestonden aan gewone leden der gemeente, aan vrouwen, en zelfs aan ketters, joden en heidenen. Met beslistheid spraken de Gereformeerden uit, dat zij, die doopten zonder tot het predikambt geroepen te zijn, aanspraak maakten op een eereambt, dat hun niet toekwam. De Synopsis 2) verklaart: „Want evenals de zegels der vorsten gewoonlijk niet aan de oorkonden der vorsten gehecht worden, dan door hen, die bij openbare machtiging daartoe zijn aangesteld, zoo ook kan niemand de openlijk verkondigde leer van het Evangelie Gods wettig met de sacramenten verzegelen dan die door een bijzondere roeping hiertoe geroepen en aangesteld is. Vandaar worden zij ook in ’t bijzonder genoemd herauten Gods en gezanten en dienaren van Christus, en insgelijks uitdeelers der verborgenheden Gods.” Terecht zegt Amesius 3): „Jus ministerii pendet ex vocatione.” En Voetius 4) past op hen, die zonder roeping het Woord en de sacramenten bedienen, toe het woord van Jeremia (23: 21): „Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij geloopen.” Zoo leerden ook Maresius 5), Turretinus 6), Joh. à Marck 7), B. de Moor 8), S. Oomius 9), W. à Brakel 10)


1) Colloquium der Ned. gemeenten in Engeland te Londen. Werken der Marnix- vereen. II. al. 1, bl. 33; Smetius, Syn. Ordonnanciën, 1e dr., bl. 105.
2) Synopsis Pur. Theol., Disp. XLIV, thes. XII.
3) Theol. medulla I, c. XXXIII, 12, 13.
4) Pol. Eccl. I. 631.
5) Syst. Theol. loc. XVIII, § 13.
6) Theol. Elenct. loc. XIV, qu. XIV.
7 ) Hoofdst. XXX, 13.
8) Comm. cap. XXX, § 12.
9) De practyke der Twee H. Sacramenten, Gron. 1683, bl. 31.
10) Red. Godsd. I, c. XXXIX, § 5.

|321|

en anderen. Ook de Gereformeerde kerken in Nederland van thans leeren, evenals de Ned. Hervormde kerk en de Christ. Gereformeerde kerk, dat alleen een wettig aangesteld predikant de sacramenten mag bedienen.

Is het echter ook geoorloofd, dat candidaten tot den heiligen dienst of proponenten doopen? De Gereformeerden waren op dit punt niet geheel eenstemmig. De Nationale synode van ’s Gravenhage bepaalde 1), dat proponenten die „wettelijck gheëxamineert ende bequaem ghekent inde Vniversiteijt ofte classe” waren, in de gemeente „openbaerlijck van den Predick-stoel” mochten voorgaan. Doch er werd aan toegevoegd dat zij niet de sacramenten mochten bedienen „totter tijt toe sy volcomenlijcken beroepen ende bevestight zijn.” Op de Nationale synode van 1618/19 werd opnieuw over deze kwestie gehandeld. Na een breed debat, waarin verschil openbaar werd of studenten en proponenten mochten prediken en doopen, besloot de synode, dat het den studenten in de theologie, onder wie de proponenten mede begrepen waren, niet geoorloofd was te doopen, maar of zij mochten preeken werd aan de vrijheid der kerken gelaten 2). Over het algemeen werd door de kerken hieraan streng de hand gehouden. In Zuid-Holland was zelfs aan proponenten verboden het lezen van het formulier op den predikstoel. In Gelderland werd een proponent, die het waagde de sacramenten te bedienen, voor eenen tijdt van allen kerckendienst geremoveert; in Groningen gecensureerd voor een jaar en zes weken 3).

Een uitzondering hierop maakten de Friesche kerken. Daar werd maar één examen afgenomen van de aanstaande predikanten, nl. het peremptoir examen. In de andere provinciën waren sedert het begin der 17e eeuw twee examens, het praeparatoir en het peremptoir. De Friesche kerken hadden als beginsel aangenomen, dat wie peremptoir toegelaten was daardoor ook toegelaten was tot den Dienst des Woords en der sacramenten. Hij had een algemeene zending en kon in alle kerken het Woord en de sacramenten bedienen, en alles doen wat tot het herdersambt behoort, ook vóór hij in een plaatselijke kerk is bevestigd. De Friesche kerken weken in dezen af van den regel, door de Gereformeerde kerken gesteld. Dit leidde tot moeilijkheden tusschen de Friesche kerken en die in andere provinciën. Het kostte moeite om de Friesche kerken van het verkeerde hunner handelwijze te overtuigen. Na herhaalde afwijzing van een verzoek van Groningen, dat Friesland


1) Rutgers, Acta, bl. 492.
2) G. Brandt, Historie der Reformatie III. 69-71; H.H. Kuyper, De Postacta, bl. 418.
3) Acta Part. syn. van Gouda 1601, Art. 14; Acta class. Nijmegen 1601, § 40, 41; Acta syn. van Groningen 1639, Art. 1; 1694, Art. 93.

|322|

zich zou conformeeren met de andere provinciën, dienden de correspondenten der kerken van alle provinciën gezamenlijk een gemotiveerd verzoek in om uniformiteit met betrekking tot het examen. Daar de Friezen hun oud gebruik niet wilden laten varen, dreigden tenslotte de correspondenten in 1679, dat de andere provinciën aan de Friesche candidaten het recht om te prediken en beroepen te worden in hun ressort zouden verbieden. Nu het geschil zoo hoog liep, traden de commissarissen-politiek op en werd er besloten een accomodatieplan te ontwerpen, waarbij bepaald werd, dat de Friesche kerk zal blijven bij haar oud gebruik, namelijk: a. dat de peremptoir geëxamineerden in Friesland zullen mogen prediken en de sacramenten bedienen; b. dat zij die in de andere provinciën praeparatoir geëxamineerd waren in Friesland gelijke rechten zouden hebben als de Friesche proponenten buiten hun gewest, te weten het recht om te prediken en om beroepen te kunnen worden, niet echter dat van het bedienen der sacramenten. Deze regel is gebleven en in de kerkelijke wetten van Friesland van 1806 kwam hij nog voor 1).

Voetius is van oordeel 2), dat aan een proponent, die kerkelijk is onderzocht en die geruimen tijd in een kerk heeft voorgegaan, wel in geval van nood de doopsbediening kan worden toegestaan, en dat een doop, door zoodanig iemand bediend, niet behoeft te worden herhaald. Want — zoo argumenteert Voetius — indien de doop, bediend door een mispaap, die geen gemeente dient, in onze kerken niet wordt herhaald, veel minder zou de doop, door een proponent bediend, behoeven te worden herhaald, daar zulk een bovendien nog overeenkomst heeft met een vicaris in Engeland en een diaken in sommige Duitsche kerken. Voetius heeft hier het oog op onregelmatige gevallen in bijzondere tijden, die, ofschoon minder principieel juist, toch niet geheel te veroordeelen zijn. Het spreekt vanzelf dat indien proponenten, zooals dit het geval is in sommige landen, een zekere zending hebben en met toestemming of op verzoek van de kerk doopen, men zulk een doop niet van onwaarde mag achten. In Hongarije b.v. worden de candidaten in de theologie door den senior van de classis ingeleid in de bediening. Zij ontvangen daarbij het recht om, op uitnoodiging van een kerk, het Woord en de sacramenten te bedienen, zonder dat zij nog als predikant aan een plaatselijke kerk verbonden zijn. De doop door deze proponenten bediend is naar kerkelijken regel wettig. De Gereformeerde kerken hier te lande hebben echter, uitgaande van het beginsel, dat een dienaar altijd aan een bepaalde kerk moet verbonden zijn, gehandhaafd, dat hij alleen door


1) E.J. Diest Lorgion, N.H.K. in Friesland, bl. 108; S. Cuperus, Kerkelijk leven der Hervormden in Friesland I, bl. 65; W. à Brakel, Red. Godsd. I., c. XXVII, 14.
2) Pol. Eccl. I. 640.

|323|

de wettige roeping eener plaatselijke kerk bevoegd is, Woord en sacrament te bedienen.

Mag een plaatsvervanger van den gewonen predikant, hetzij een theologisch hoogleeraar of een emeritus of iemand anders, die wel wettig toegelaten is tot het ambt, maar in een bepaalde kerk geen bevoegdheid bezit, wel aldaar het sacrament bedienen? Waarom niet? Indien hij maar van de kerk ter plaatse de macht daartoe heeft ontvangen. Of iemand, die door het kerkverband tot de heilige bediening is toegelaten, in een plaatselijke kerk mag optreden, is aan de prudentie van den kerkeraad ter plaatse overgelaten. Treedt hij op verzoek of met goedkeuring van den kerkeraad op, dan staat hij voor dat geval in de ambtelijke bediening van die kerk.

Hoe sterk de Gereformeerden ook vasthielden aan den regel, dat de bediening des doops alleen mocht geschieden door hen die tot de bediening des Woords geroepen waren, toch kwam het herhaaldelijk voor, met name in Gelderland, dat een schoolmeester of koster zich verstoutte om te prediken en den doop te bedienen 1). De classis Amsterdam vernam in 1599 en 1600, dat ongeordende personen, door de reeders als ziekentroosters op hunne schepen geplaatst, op hun reis enkele personen gedoopt hadden. De classis riep bij hun terugkeer deze mannen voor zich, en deze verklaarden dat de schepelingen en de bevelhebbers hen hiertoe genoodzaakt hadden. De classis ging er nu toe over de zieken­troosters te autoriseeren, dat zij mochten vermanen en doopen. De synoden van Noord-Holland (1643 en 1644) kwamen echter hiertegen in verzet, en verklaarden dat men dien doop voor „geener weerde” zou rekenen. Toen Ds Hulsebos in 1618 aan den kerkeraad van Amsterdam de vraag richtte of de doop, bediend door kooplieden, ambtenaren en andere niet door de kerk geautoriseerde personen, mocht erkend worden, en de kerkeraad deze vraag had doorgezonden naar de Generale synode te Dordrecht vergaderd, diende de afgevaardigde van Amsterdam dit verzoek niet in „om de eere van onzen kerkeraad als zijnde des voorstellens onweerdigh, want het buyten dispute is, dat soodanige doop geenen doop en can verstrecken.” Men mag hieruit als zeker aanvaarden, dat in den kring der Dordtsche synode evenals bij de particuliere synoden de overtuiging leefde, dat de doop van personen, die door de kerk daartoe niet gemachtigd zijn, geen doop is 2).

Mag een doop door vrouwen bediend erkend worden? De Roomschen en de Lutherschen erkennen in het geval van noodzakelijkheid den doop, door leeken bediend. Zij doen dit in navolging van velen in de oude kerk.


1) Reitsma en Van Veen, Acta IV. 39, 91, 157, 308; VI. 311, 433.
2) Troostenburg de Bruyn, De Herv. kerk in N.O. Indië, bl. 100, 404; Dr G.J. Vos, Amstels kerkelijk leven, bl. 195, 197; Syn. van Alkmaar 1644, Art. 42.

|324|

Tertullianus, die het recht der leeken om te prediken en te doopen erkent, ontkende dat de vrouwen dit recht bezaten. Later toen geleerd werd, dat de doop voor de zaligheid noodig was, werd ook in geval van nood aan de vrouwen de doop toegestaan. De Anglicanen achten den vrouwendoop wel ongeoorloofd, maar toch wettig. De Gereformeerden zijn van oordeel, dat hij ongeoorloofd en onwettig is. Deze nooddoop werd ook wel geedoop of gadoop genoemd. Voetius meent dat dit woord is een samentrekking en verbastering van het Duitsche gacht- of jachtauf en beteekent haastige doop. Verdam ziet in ga een anderen vorm van snel, gauw, en verklaart in „Middel Nederlandsch Woordenboek” geedoop als een schielijke, een haastig toegediende doop, en een ga-gedoopte iemand, die zulk een doop heeft ontvangen. Het lag voor de hand, dat deze ga-doop vooral door vroedvrouwen werd bediend. Vele menschen waren gehecht aan de Roomsche gebruiken, en daarom veroorloofden de vroedvrouwen zich de vrijheid om te doopen, gelijk Grevinchoven 1) schreef, „gebruyckende daertoe ijdele Ceremoniën ende afgheloovighe Ghebeden, of doen het om te behagen den superstitieusen Menschen des Pausdoms, ende om hun eyghen bate willen, datse een stuc geldts moghen ghewinnen, of sy doen het wt een haet, ende weerwille teghen den Kercken-dienaren ende Religie.” De kerkelijke vergaderingen keurden dien vrouwendoop af en achtten dien zonder waarde. Op de synode van Enkhuizen (1573, art. 5) werd reeds gezegd: „het gaetdoopen der kynderen van den vroedvrouwen geenssins een rechte doope en is ende daeromme voer den dienaeren geen zwaricheyt en is alsulcke gedoopte kynderen rechtelyck te doopen,” welke uitspraak op de synode van Dordrecht (1574, vr. 10) is bevestigd in dien zin, dat men een kind door een vrouw gedoopt in de kerk moet doopen, „ouermidts dat vrouwendoop gheen Doop en is”. Bij den voortduur was het evenwel noodig om op de kerkelijke vergaderingen te waarschuwen tegen vrouwendoop; herhaaldelijk werden plakkaten door de overheid daartegen afgekondigd 2).

Maar kunnen zij, die in de Roomsche en de Luthersche kerk door vrouwen of leeken gedoopt zijn, door ons wel als gedoopt worden beschouwd? Beza en Cartwright achten zulk een doop van nul en geener waarde. Cartwright zeide in zijn vermaning aan het Engelsche parlement, dat „de doop (afwassching) der vrouwen volstrekt niet meer bij den doop doet, dan eenige andere en gewone dagelijksche wassching”. Maar Voetius merkt terecht op 3) , dat de vrouwen in de Roomsche en Luthersche kerken een opdracht hebben om in geval van noodzakelijkheid


1) Grondelyc bericht vanden Doope ende Wederdoope, Rott. 1599, c. XXXVI, bl. 39.
2) Groot Placaet-boeck, ’s Grav. 1658, I. 234.
3) Pol. Eccl. I. 634.

|325|

te doopen, en dat dus de vrouwen daar in een buitengewoon geval geroepen zijn om te doopen, en hij herinnert daarbij aan den rechtsregel: Multa fieri non debent, quae tamen facta valent (vele dingen moeten niet geschieden, die echter als zij geschied zijn van kracht zijn). Het was onrecht dat Laban zijn oudste dochter aan Jacob tot vrouw gaf, maar toen Jacob met Lea getrouwd was, was dat huwelijk wettig. Daarom moet ook de vrouwendoop in de Roomsche en de Luthersche kerk anders worden beoordeeld dan in de Gereformeerde kerk, want bij de Gereformeerden hebben de vrouwen evenmin als andere leden, die geen ambtelijke aanstelling hebben, een opdracht.

Mag een Gereformeerd arts of verpleegster wel een Roomschen nooddoop bedienen? Het antwoord hierop kan slechts ontkennend zijn. Een man of vrouw van Gereformeerde belijdenis weet dat iemand, die geenerlei opdracht van Christus door middel van de gemeente heeft ontvangen, geen christelijken doop kan bedienen, maar slechts een schijnvertooning daarvan. En wanneer zij toch gevolg gaven aan den aandrang van Roomsche zijde, zouden zij de heiligheid van de instellingen door Christus ingesteld aantasten, en zouden zij hun eigen belijdenis verloochenen, door voet te geven aan de Roomsche leer, dat de doop voor de zaligheid noodig is. Het weigeren zou misschien in een bepaald geval moeilijk kunnen zijn, maar onze menschen hebben zich niet te voegen naar de Roomsche leer, maar naar den regel der Gereformeerde kerken, die eenstemmig leeren, dat de doop alleen mag worden bediend door hen, die van Christus’ wege een zending hebben om het woord en de sacramenten te bedienen. Practisch zal het ook wel niet noodig zijn, daar van Roomsche zijde ook steeds wel kan gezorgd worden, dat iemand, die de Roomsche beschouwing huldigt, tegen­woordig of in de buurt is.

Mag iemand, wanneer in zijn woonplaats of in de nabijheid geen Gereformeerde kerk is, en geen Gereformeerd dienaar den doop kan verrichten, zijn kind wel doen doopen door een predikant van een andere kerk? In zulke gevallen zou hij zijn kind wel kunnen laten doopen door een dienaar, die vasthoudt aan de Gereformeerde belijdenis. De Gereformeerden erkennen, dat er buiten hun kerkverband wel Gereformeerde kerken zijn. In Indië is het herhaaldelijk voorgekomen, dat, wanneer een Gereformeerd predikant niet aanwezig was, de ouders aan een missionaris of aan een predikant van de staatskerk verzochten den doop aan hun kind te bedienen. Nu echter thans door het besluit der synode van 1917 en 1920 ook onder de verstrooiden in Indië gewerkt wordt, mag worden aangenomen, dat een doop slechts in zeer zeldzame gevallen door een niet-Gereformeerde behoeft te worden bediend.

|326|

De vraag of de ouders hunne kinderen door andersdenkenden mogen laten doopen is reeds zeer oud. Toen in 1562 bij magistraatsbesluit in Frankfort aan de Gereformeerde vluchtelingen alle openlijke dienst des Woords en der Sacramenten verboden was, kwam de vraag op of de kinderen der Gereformeerden aldaar ongedoopt moesten blijven, dan wel of zij den doop mochten vragen bij de Lutherschen. Een deel der Gereformeerden, onder leiding van Van der Heyden 1), achtte het ongeoorloofd, den doop en het avondmaal aan te nemen uit de handen van de Luthersche predikanten, die hen als scheurmakers beschouwden. Datheen en anderen evenwel oordeelden, dat de Luthersche kerk een zusterkerk was, en dat het daarom geoorloofd was in bepaalde gevallen de kinderen bij de Lutherschen ten doop aan te bieden. Calvijn, om advies gevraagd, antwoordde in een brief van 27 October, voor het geval, wanneer de Gereformeerde ouders een openlijke en volledige belijdenis afleggen, dat zij het met de dwalingen der Lutherschen niet eens zijn, dan „zie ik niet in waarom men hen moet veroordeelen, die gedwongen zijn hunne kinderen van de daartoe verordende en gestelde predikanten te laten doopen, hoewel zij niet met hen overeenstemmen. Een andere zaak is het met het avondmaal, dat niemand uit hun hand mag ontvangen, zonder de heilige leer smadelijk te verloochenen”. Voetius en à Marck zeggen dat de doop der Lutherschen geoorloofd zou zijn, indien de bedienaar de superstitieuse gebruiken afwezig wilde laten. Maar indien zij aan den doop woorden of gebruiken zouden willen toevoegen, die in strijd zijn met de Gereformeerde belijdenis, dan is het beter met den doop te wachten. Den doop te vragen bij Remonstrantsche predikers achtte Voetius bedenkelijk, daar zij „van kwaad tot erger” vervallen waren. Bij een Roomschen pastoor mag men in geen geval een kind laten doopen, daar men door zulk een doop te vragen heel de Roomsche hiërarchie voor dragelijk zou achten, en omdat de Roomsche kerk zulk een kind voor Roomsch houdt. Bij de haeretici, die het fundament van de christelijke religie loochenen, en van de oorspronkelijke wijze van den doop naar inhoud en vorm zijn afgeweken, mag men zijn kind volstrekt niet laten doopen. In al de bovengenoemde gevallen — zoo oordeelden de Gereformeerde theologen 2) — is het gewenscht den doop tot beter tijd en gelegenheid uit te stellen. Stierf een kind intusschen ongedoopt, dan behoefden de ouders niet ongerust te zijn, want niet het gemis, maar de verachting van den doop maakt den mensch de weldaden des verbonds onwaardig. Thans is deze vraag nog van beteekenis voor


1) Van Lennep, Gaspar van der Heyden, bl. 82.
2) Walaeus, Opera, Lugd. Bat. 1647, I, p. 484; Voetius, Pol. Eccl. I. 635, 639; à Marck, Het Merch, c. XXX, § 14; M. Vitringa, Doctrina VII. 85.

|327|

Gereformeerden, die in eenig land of streek der wereld wonen, waar geen Gereformeerde prediking is. Zij kunnen dan den doop voor hunne kinderen vragen bij een kerk, die hun het naast is, wanneer tenminste in die kerk de doop in beteekenis en vorm naar de instelling van Christus wordt bediend.

Kan een kerkedienaar, die zelf niet is gedoopt, wettig den doop toedienen en is zijn doop wettig? In de kerk der Middeleeuwen hield men zich wel veel met deze vraag bezig. De vraag rees of de doop van zulke menschen, die door een Jood of heiden of door een priester die zelf den doop niet had ontvangen gedoopt waren, wel geldig was. Men was niet eenstemmig. Terwijl Theodorus, aartsbisschop van Canterbury (overl. 690), in zijn „Boeteboek” verordende, dat zulk een persoon moest herdoopt worden, verklaarde het concilie van Compiègne, gehouden in 747, het tegendeel. Paus Gregorius III schreef aan Bonifacius, dat personen, die gedoopt zouden zijn door heidenen, gedoopt moesten worden, en Nicolaas I (858-867) verklaarde in zijn antwoord aan de Bulgaren, dat zulk een doop wettig was, indien hij bediend was met de instellingswoorden. De kerk der Middeleeuwen vereenigde zich met dit gevoelen, dat een heiden die doopte niet de intentie der kerk kon bezitten, terwijl een priester, die niet gedoopt is door een verzuim, waarvan hij zelf niet de schuld draagt, die intentie wel kan hebben 1).

Na de Reformatie werd deze vraag ook besproken door de dogmatici en de canonici. Gerhard 2) was van oordeel dat zulk een doop in geval van nood wel geoorloofd was, met een beroep op Johannes den Dooper. Maar Voetius 3) merkt hiertegen terecht op, dat Johannes de Dooper onmiddellijk door God geroepen was, hetgeen van een niet-gedoopten bedienaar des doops niet gezegd kan worden. Hij ontkent dan ook de wettigheid van zulk een doop. Indien evenwel iemand, die ongedoopt is zonder dit te weten, bedienaar des Woords en der sacramenten geworden was, zou de doop door hem bediend wettig kunnen gerekend, en hijzelf gedoopt worden.

Van weinig beteekenis is de vraag of een doop in scherts of in spel bediend wettig is. Rufinus verhaalt 4), dat de jonge Athanasius, met andere kinderen spelend aan den oever der zee, uit spel kinderen doopte, en dat bisschop Alexander, die zelf dit spel gezien had, nadat hij onderzocht de wijze waarop die doop had plaats gehad, met den


1) Thom. Aquinas, Summa III. qu. 67, art. 5; Augustin. Cont. epist. Parmen. c. XIII de Bapt. c. 53 en Lib. II; Corblet, Hist. du Sacrement de Baptême I. 352.
2) Gerhard, Loci Theol. Lib. XX, § 67.
3) Pol. Eccl. I. 642.
4) Hist. Eccl. Lib. I, c. XIV; Voetius, Pol. Eccl. I. 643; Corblet, Hist. du Sacrement de Baptême I. 365.

|328|

raad der geestelijken besloten had, dat zij, die de vragen, welke gewoonlijk in de kerk gedaan werden, recht hadden beantwoord, en formeel op de juiste wijze waren gedoopt, niet herdoopt behoefden te worden.

Dit verhaal schijnt evenwel niet waarschijnlijk. De chronologie is er mee in strijd. Athanasius was in 313, toen Alexander bisschop werd, reeds 17 jaar oud, en kon toen niet meer meedoen met het kinderspel. Bovendien Theodoretus, Gregorius van Nazianza en Epiphanius, die veel verhalen van het leven van den beroemden patriarch van Alexandrië, vermelden van dit voorval niets. Socrates en Sozomenes, die het verhaal van Rufinus overnemen, schijnen er weinig vertrouwen aan te hechten. De canonici hebben er echter breed over gehandeld, en geleerd dat zulk een doop, indien hij alleen uit spel of scherts bediend was, niet geldig was, maar indien de bedoeling was wel te spelen, maar ook te doopen, de doop wel van kracht was. Voor de Gereformeerden is zulk een doop in elk geval ongeldig.

Kan een stomme den doop bedienen? De Roomsche scholastieken hebben dit verdedigd, en daarvoor aangevoerd dat zoo iemand door teekenen of door geschrift wel de doopsformule zou kunnen tot uitdrukking brengen. Doch de Gereformeerden ontkennen dit, omdat aan een stomme de bediening des Woords niet kan worden toebetrouwd, en hij de doopsformule niet kan uitspreken.

Mag iemand, die de rechterhand mist, met zijn linkerhand doopen? Deze vraag, zegt Voetius, is eigenlijk het antwoord niet waard. Wanneer iemand zijn rechterhand mist, wordt hij niet gedwongen de heilige bediening vaarwel te zeggen, en kan hij de linkerhand gebruiken. Evenwel kan een persoon van zijn geboorte af zoo verminkt zijn, dat hij niet geschikt is voor de uitoefening der heilige bediening. Onder Israël waren van den priesterlijken dienst uitgesloten allen die een lichamelijk gebrek hadden, „geen blinde of kreupele, niemand die een gebroken been of arm heeft, geen bultenaar, dwerg of druipoog, niemand die schurft, uitslag of een beenbreuk heeft” mag tot den dienst in het heiligdom naderen (Lev. 21: 17-23). Het Aäronietische priesterschap, dat in den hoogepriester zijn hoogte bereikte, was schaduw of symbool van wat in den Middelaar eenmaal in werkelijkheid zou wezen (Hebr. 6: 20; 7: 26). Het schaduwachtige, dat ook in de uitwendige volkomenheid en heiligheid der priesters moest uitkomen, is in Christus vervuld. Dit neemt echter niet weg, dat ook een zekere misvormigheid voor de rechte bediening in het heilige een hindernis kan zijn. Om die reden heeft de Roomsche kerk de zoodanigen, die door eenig lichamelijk gebrek gehinderd zouden worden in de uitoefening van de ambtelijke functies, of die door hun uitwendige de lachlust of ergernis zouden kunnen

|329|

wekken, van de wijding uitgesloten 1). Doch ofschoon voor den moeilijken ambtelijken dienst het wel noodig is dat iemand begiftigd is met een gezond en krachtig gestel, zonder al te groote lichamelijke gebreken, hebben de Gereformeerde kerken het niet noodig noch gewenscht geacht hiervoor bindende bepalingen te maken.

Mag een vader in geval van noodzakelijkheid zijn eigen kind doopen? De Roomschen leeren dat er een band van verwantschap komt tusschen hem, die doopt, en den vader en de moeder van den doopeling, en dat daarom de vader, die zijn kind doopt, een hindernis legt in de huwelijksverhouding, doch dat in een geval van noodzakelijkheid dit kan worden toegestaan. In een beslissing van paus Johannes VIII werd vergund, dat een vader, die zijn kind in doodsgevaar had gedoopt, vrijmoedig de echtelijke samenwoning met zijn vrouw mocht voortzetten 2).

In de Oostersche kerk, waar de priesters mogen huwen, is het hun in sommige gevallen verboden hunne kinderen te doopen. Sommige canonici bij de Oosterschen achten dit volstrekt niet ongeoorloofd. De Gereformeerden echter achten den doop door een vader, die zelf bedienaar des Woords is, natuurlijk niet ongeoorloofd. In de meeste gevallen doopt dan ook de vader, die zelf bedienaar des Woords is, zijn eigen kind. Doch in die gevallen, waarin de vader, die niet in de heilige bediening stond, bij afwezigheid van een predikant, zijn eigen kind doopte, werden strenge straffen toegepast door de overheid, of ook stelde de kerk zulk een vader onder censuur 3).

De Gereformeerden waren tegenstanders van den herdoop. Indien vaststond, dat „de vorm” en „de substantiëele dingen des doops” behouden waren, namelijk het doopen met water in den naam van den Drieëenigen God, mocht de doop niet herhaald worden. De godgeleerde faculteit van Groningen gaf in 1658 op een vraag betreffende den doop door Wederdoopers aan de synode van Bolsward dit antwoord: „Indien hij gedoopt is onder de zoodanigen, welke althans de H. Drie-eenheid of de Godheid en menschheid van Christus, zijne voldoening en weldaden niet ontkennen of bestrijden, en derhalve tot dusverre wezenlijke bestanddeelen bewaren en eenige schaduw van roeping hebben, zoo schijnt zijn doop verdragen te moeten worden en mag niet worden herhaald”. Zoo besloot ook de synode van Appingedam in 1666. Zelfs vond de synode van Groningen in 1685 geen vrijmoedigheid, den doop, door den Sociniaan Ukowallist bediend, die leerde dat de doop een tijdelijke instelling is, en de kinderdoop een niets beteekenende handeling is,


1) Acta s. Sedis V. 1, p. 80; V. III, p. 528; V. IV, p. 430; Vering, Lehrb. d. Kirchenrechts, 1881, S. 422.
2) Corblet, Hist. du Sacrement de Baptême I. 325.
3) Olthuis, De Doopspractijk, bl. 31.

|330|

te vernieuwen. En „de Kerkelijke Wetten van Vriesland” bevatten een bepaling: „Een persoon, bij de Mennonieten gedoopt, en zich begeevende tot de Gereformeerde Gemeente zal men volgens oud gebruik der kerken niet herdoopen”. Indien personen, die niet wisten of zij gedoopt waren, en dit ook na nauwkeurig onderzoek niet te weten konden komen, den doop vroegen, dan werd geen bezwaar gemaakt om hun verzoek toe te staan (syn. v. Amsterdam 1595, art. 48; syn. v. Edam 1619, art. 22; syn. v. Groningen 1631, art. 10; syn. v. Gouda 1640, art. 50).

Mag iemand in geval van nood zich zelf doopen? Op deze vraag antwoorden wij met Polanus en Voetius 1) ontkennend, omdat een niet-gedoopte niet kan optreden als bedienaar des Woords en der Sacramenten. Het bezwaar hiertegen ingebracht, dat toch iemand ook wel zichzelven het avondmaal kan bedienen, klemt niet, omdat de bedienaar des avondmaals is een gedoopte, die in het verbond is ingeleid en bevestigd, en die voor de heilige bediening is aangesteld, en omdat hij hierin volgt het voorbeeld van Jezus, die wel zichzelven het avondmaal bediende, maar zich liet doopen door Johannes.

Mag de doop bediend worden door twee personen, van wie de eene de doopsformule uitspreekt en de andere doopt? Sommige Roomsche scholastici en casuïsten hebben betoogd dat het een ware doop was, indien iemand van het gebruik zijner handen beroofd de woorden uitsprak, en dat een stomme doopte. Maar terecht heeft Voetius 2) gezegd, dat al zulke moeilijkheden voortkomen uit de verbeelding van hen, die den doop absoluut noodig achten tot zaligheid. Bovendien zijn de bezwaren van Thomas, Duns Scotus e.a., waarbij ook Joh. Gerhard 3) zich aansluit, van gewicht, 1 dat in de genoemde gevallen eigenlijk niemand van hen doopt, noch hij die het woord spreekt, noch hij die besprengt, omdat beide bij elkander behooren, en 2 dat hij, die de woorden uitspreekt: „ik doop u” en dit toch niet doet, liegt.

Voetius stelt ook de vraag of de doop door een dronken predikant bediend voor geldig kan gehouden, en antwoordt hierop ontkennend: want wie zou wijn uit een vuil en beschimmeld vat willen schenken? Balduinus 4) heeft hiervan gezegd, dat, wanneer hij naar behooren de woorden had uitgesproken en den doop had bediend, de doop dan geldig was, maar dat de doop ongeldig was, wanneer de bedienaar door dronkenschap niet wist wat hij deed, en zij die een kind ten doop aanboden twijfelden of het kind wel waarlijk gedoopt was. Ofschoon hierin


1) Polanus, Syntagmata, Lib. VI, c. 55; Voetius, Pol. Eccl. I. 638.
2) Pol. Eccl. I. 642.
3) Loci Theol., Tom. IV, Loc. 20, § 68.
4) Lib. 4, cap. 8, cas. 1.

|331|

wel een juiste gedachte gelegen is, is dit van Gereformeerd standpunt gedacht een ijdele speculatie, omdat het niet te denken is, dat in een Gereformeerde kerk, waar de doopsbediening plaats heeft tijdens de bediening des Woords, zulk een bediening door een dronken, evenmin als door een krankzinnig, predikant zou kunnen plaats vinden.

 

Is de doop, in kettersche gemeenschap bediend, geldig?

Over deze vraag moest met allen ernst gehandeld worden, zoodra de kerk tegenover het gevoelen van afgedoolden of ketters zich bewust werd van hare eenheid en katholiciteit, toen de eigenschappen van de onzichtbare op de zichtbare kerk werden overgebracht, en men de werkzaamheid van den H. Geest bond aan deze zichtbare kerk en de sacramenten. Reeds Clemens van Alexandrië noemt den doop der ketters geen eigenlijken en echten doop. Toen in Klein-Azië de Montanisten vele aanhangers kregen, waren er onder de klein-Aziatische bisschoppen, die twijfelden aan de echtheid van den Montanistendoop, en de synode van Iconium en Synnada in Phrygië, bijeengekomen om deze zaak tot beslissing te brengen, besloten dat elke doop buiten de kerk geschied als volstrekt ongeldig zou worden beschouwd.

In Rome evenwel werden de ketters, die tot de kerk overgingen, alleen met handoplegging in haar schoot opgenomen en dit gebruik gold daar voor apostolisch. De Westersche en ook de Noord-Afrikaansche kerken, die van Rome uit gesticht waren, stemden hierin met Rome overeen. Maar toen het Montanisme in Noord-Afrika ingang vond, gingen ook daar stemmen op tegen den ketterdoop. Tertullianus verklaart, met beroep op de evangeliën, dat de ketters geen gemeenschap hebben met den eenen God en den eenen Christus, en daarom ook niet met den éénen doop, en dat men om die reden bij hen de doop niet kan ontvangen. Een synode te Carthago, onder voorzitting van Agrippinus, gehouden tusschen 200 en 220, verklaarde den doop in de gemeenschap der ketters voor ongeldig. Dientengevolge kon Cyprianus spreken van duizende ketters, die bij hun overgang naar de katholieke kerk den doop ontvingen.

Zoo stonden dan de Klein-Aziatische kerken met bisschop Firmilianus uit Cappadocië als vertegenwoordiger, en Noord-Afrika, met Carthago’s bisschop Cyprianus als woordvoerder, tegenover Rome. Cyprianus ging uit van deze gedachte: Buiten de kerk is geen zaligheid. Daar de doop tot zaligheid dient, kan buiten de kerk geen doop worden bediend. De ketters staan buiten de kerk, derhalve is hun doop geen doop. Of de doop met de doopsformule bediend is, doet niets ter zake. „Er is maar één doop, die der katholieke kerk, en degenen die van het onrein of overspelig water komen om gewasschen te worden door het

|332|

ware water des heils, worden door ons niet herdoopt, maar gedoopt” 1).

De Westersche kerk evenwel erkende den ketterdoop. Bisschop Stephanus (253-257) oordeelde, dat de geldigheid van den doop afhing van het recht gebruik van de doopsformule. Indien iemand in een kettersche gemeenschap gedoopt is in den naam van God Drieëenig of in den naam van Jezus, dan moet zulk een doop door de katholieke kerk worden erkend, en slechts, evenals bij de boetelingen, door handoplegging bij den overgang tot de kerk worden voltooid (qui in nomine Jesu Christi ubicumque et quomodocumque baptizantur, innovati et sanctificati judicentur).

Heftig werd tusschen Stephanus en Cyprianus gestreden. Een drietal synoden in Noord-Afrika, in 255 en 256 gehouden, stemden in met het gevoelen van Cyprianus, dat niemand kan gedoopt worden buiten de kerk, daar er slechts ééne doop is en wel in de heilige kerk. Het sacrament hangt af van de waardigheid des bedienaars. Cyprianus zond gezanten naar Firmilianus, die zijne instemming met Carthago’s bisschop betuigde. Stephanus echter bedreigde zijn tegenstanders als anabaptisten met den ban, die echter op verzoek van Dionysius van Alexandrië niet werd voltrokken. De strijd werd niet opgelost, en geraakte van de baan door den dood van Stephanus tijdens de vervolging onder Valerianus (257). Langzamerhand zegevierde echter de opvatting van Rome en op de Gallische synode te Arles in 314 werd de bepaling vastgesteld 2), die voor alle tijden als regel heeft gegolden, dat „indien iemand uit de ketterij komt tot de kerk, men hem ondervragen zal in de belijdenis, en indien het blijkt dat hij in den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes is gedoopt, zal hem alleen de hand opgelegd worden, opdat hij den H. Geest ontvange”.

In den Donatistischen strijd kwam de kwestie van den ketterdoop in een ander stadium. De Donatisten trokken de leer van Cyprianus consequent door, en leerden dat niet alleen de doop, bediend door een ketter buiten de kerk, onwettig was, maar ook de doop bediend door een priester in de kerk, wanneer deze in doodzonde gevallen was. De geldigheid van den doop hing dus af van den persoon, die den doop bediende. Wie zelf geen genade bezit, kan geen genade mededeelen. Wel trokken zij deze leering niet consequent door, en bewerkte zelfs de Donatist Tyconius op de synode van 380 dat deze verklaarde, dat de herdoop niet absoluut noodig was, maar daartegenover bleef Parmenianus volhouden, dat vleeschelijken geen geestelijke zonen kunnen baren, en dooden niet levend maken.


1) ep. 70.
2) Hefele, Conciliengeschichte I. 209.

|333|

Augustinus leerde evenwel, dat de wettigheid van den doop niet afhangt van den mensch, die hem bedient, maar van de instelling van Christus. De heiligheid van den doop kan ook niet door de onheiligheid van den bedienaar worden vernietigd, wijl de goddelijke kracht inwoont in den doop. De mensch doopt niet, maar Christus doopt, en de waardigheid of de onwaardigheid van het werktuig, waarvan Christus zich bedient, doet evenmin iets af of toe tot den doop, als de waardigheid van hem, die den doop ontvangt. Het ongeloof van den doopeling doet ook het sacrament niet te niet. Sterft een gedoopte onbekeerd, dan dient de doop tot verzwaring van zijn oordeel. Komt hij na afdwaling tot bekeering, dan behoeft de doop niet hernieuwd te worden, zijn vroegere doop blijft van kracht. Evenals een Romeinsch soldaat, wien het veldteeken op zijn arm is ingebrand, rechtens soldaat is van Rome, ook al is hij overgeloopen tot den vijand, zoo blijft de gedoopte altijd gedoopt. Dat de doop afhankelijk zou zijn van de waardigheid van dien, die hem ontvangt, zou alles onzeker maken. De ongeloovigen in de kerk behooren niet tot de ware gemeenschap des huizes, en zijn niet beter dan de schismatici. Maar evenals deze hebben ook zij geen nieuwen doop noodig, wanneer zij tot bekeering komen. Wat de scheurmakers hindert om de zaligheid te ontvangen, is de liefde, die hun ontbreekt. De Geest werkt in de schismatieke gemeenschap niet als de Geest der liefde. „Caritas autem compagem fecit, compages complectitur unitatem, unitas servat caritatem” (in Ps. 30).

In het Oosten heeft deze leer van Augustinus geen invloed uitgeoefend. Hier bleef de houding met betrekking tot den ketterdoop zwevend, afhangend van het min of meer haeretisch karakter der secte. Maar in het Westen gaf deze leer van Augustinus de richting aan. Petrus Lombardus zegt 1), dat zij, die door de haeretici gedoopt zijn „met inachtneming van het karakter en den vorm des doops door Christus ingesteld, niet moeten herdoopt worden, maar alleen door de handoplegging moeten worden verzoend, opdat zij den H. Geest ontvangen”. Ook Thomas Aquinas 2) legt nadruk op het onverdelgbare karakter des doops. De ketters hebben wel het sacrament, maar niet de zaak des sacraments, de zegenrijke werking, wijl men, van de ketters het sacrament ontvangend, juist hierdoor de werking tot het heil hindert, tot deze door de terugkeer tot de kerk mogelijk wordt. En Trente bepaalde 3): „Indien iemand zegt dat de doop door ketters bediend in den naam van Vader, Zoon en H. Geest, met de bedoeling om te doen wat de kerk doet, geen ware doop is, hij zij vervloekt!” Hierdoor kon de Roomsche kerk blijvend haar


1) Lib. Sent. IV, Dist. 6, A.
2) Summa III, au. 66, Art. 9.
3) Sess. III, c. 4.

|334|

aanspraak doen gelden op al de gedoopten. Wijl echter het bezwaar tegen de uitspraak van Trente werd ingebracht, of de vereischte intentie wel bij de Protestanten aanwezig was, werd op de synode te Evreux (1576), op grond van een beslissing van Pius V (1566-1572), bepaald, dat den Protestanten de algemeene intentie niet kan worden ontzegd, en dat daarom de doop, door hen bediend in den rechten vorm en met de rechte materie, als ware doop kan worden erkend. Alleen is het noodig dat de bijzondere ceremoniën, die bij den Roomschen doop plaats grijpen, bij den ketterdoop evenals bij den nooddoop plaats grijpen. Omdat de Roomsche kerk zichzelve vereenzelvigt met de ééne ware kerk, en alle andere kerken voor secten houdt, had dit besluit deze consequentie, dat zij eiken doop, met water en met de rechte doopsformule bediend, wettig keurt afgezien van den persoon, die hem bedient. Zelfs trekt de Roomsche kerk dit zoover, dat zij zelfs de wettigheid van een doop, bediend door een Turk, Jood of Heiden erkent, mits de vorm des doops zuiver is. En in de tweede plaats leert zij, dat — omdat de doop is een middel ter inlijving in de kerk, en er maar één ware kerk is — alle gedoopten lid zijn van de eene ware kerk, en desnoods met geweld tot die kerk moeten gebracht worden.

De Reformatoren hebben van den beginne het oecumenisch karakter van den doop gehandhaafd. Luther, die de kerk overal vindt waar het Woord is, heeft in „De Babylonische ballingschap” erkend, dat de doop der Middeleeuwsche kerk nog ongeschonden was bewaard. Hij bestreed het argument der Wederdoopers, dat de doop in de Roomsche kerk zoo vaak was misbruikt, met deze woorden: „Doe het verkeerde weg, dan is alles goed”. Ook Calvijn zegt 1) dat de kerk, toen zij door de tyrannie van den antichrist werd onderdrukt, heeft bewaard „het getuigenis des verbonds, namelijk den doop, dewelke door zijn mond en woord geheiligd zijnde, in spijt van alle goddeloosheid der menschen, haar kracht behoudt”. Dit kon Calvijn doen, omdat hij niet, zooals Rome, de zichtbare en de onzichtbare kerk vermengde en vereenzelvigde, maar wel onderscheidde en aannam, dat de algemeene kerk zich niet maar in ééne kerk openbaarde, maar in alle kerken waarin iets van Gods Woord was ge­bleven. Niet alleen bestond zij in de Gereformeerde kerk, maar ook in de Anglicaansche en Luthersche kerk, terwijl hij ook erkende „de teekenen en voetstappen der kerk”, die de Heere in de Roomsche kerk had doen overblijven 2), en „dat onder het pausdom kerken zijn, in zooverre dat de Heere de overblijfselen van zijn volk” had bewaard. Zoolang de andere kerken de fundamenteele waarheden niet geheel hadden


1) Inst. IV. 2, 11.
2) Inst. IV. 2, 11, 12.

|335|

prijsgegeven, waren zij, hoewel verbasterd, toch nog kerken van Christus. De Reformatie beoogde niet een nieuwe kerk te stichten, maar hervorming van de verbasterde kerk. Daarom werd de doop en het ambt voor allen, die met de reformatie medegingen, erkend.

Doch de Gereformeerden maakten den doop, evenals Augustinus gedaan had, niet los van de kerk en het ambt. Zij behoefden dat niet te doen, wijl zij de andere kerken nog erkenden als openbaringen van het lichaam van Christus. En voorts, Christus heeft den doop gebonden niet alleen aan den vorm, maar ook aan het ambt (Matth. 28: 19; Marc. 16: 15, 16). Hieruit moest volgen, dat de doop niet alleen in den zuiveren vorm, maar ook, om wettig te zijn, moest worden bediend door een ambtsdrager, die door de kerk was belast om te prediken en te doopen. En tevens volgde hieruit, dat de gemeenschap, temidden waarvan de doop werd bediend, moest kunnen worden beschouwd als eene kerk, die staat op den bodem der christelijke belijdenis, d.w.z. de belijdenis van den drieëenigen God. Zoo hebben reeds de oude concilies bij de erkenning van den ketterdoop onderscheid gemaakt tusschen de ketters, die, zooals de Paulicianen en de Sabellianen, de triniteit loochenden, en ketters als de Donatisten en de Novatianen, die vasthielden aan de hoofdwaarheden van het christendom. De Gereformeerden volgden het pad der oude christelijke kerk, en erkenden den doop van zulke kerken, die het fundament der christelijke kerk niet aantastten. Zulke kettersche gemeenschappen mochten wel niet worden gesteund door zijn kind daar te laten doopen, doch wanneer de doop geschied was, gold de doop.

De Nederlandsche Geloofsbelijdenis (Art. 34) veroordeelde den herdoop, in en buiten de kerk bediend. Ook de Gereformeerde theologen verdedigden algemeen dit gevoelen. De Synopsis 52) zegt: „Indien zij echter gedoopt zijn door de haeretici, die den vorm des doops ongeschonden bewaren, en de fundamenteele dogmata van den doop niet direct omverwerpen, ontkennen wij, dat hun doop door de orthodoxe dienaars moet worden vernieuwd. Met betrekking tot anderen, die deze direct loochenen, of den vorm des doops veranderen, is dit een ander geval, gelijk op de synode van Nicaea over de Paulicianen is geoordeeld. In dit geval wordt de ware doop niet herhaald, maar wijl hij als een valsche en geene doop is toebediend door eene kerk, die niet een ware is, wordt de ware en echte doop in de kerk van Christus er voor in de plaats gesteld”. Zoo getuigen ook Voetius 2), P. van Mastricht 3),


1) Disp. XLIV. 14.
2) Pol. Eccl. I. 635.
3) Besch. en Prakt. Godgeleerdheit III. 618.

|336|

W. à Brakel 1), F. Turretino 2) , à Marck 3), De Moor 4), Vitringa 5) en anderen. In overeenstemming hiermee besloot de Gen. synode van Dordrecht (1619) in haar 162ste zitting: „Men zal den doop der Papen, die in dese landen omswerven, ende der Mennonisten niet onbedachtelick itereeren; maar naerstelick onderstaen off zy de forme ende substantiële dinghen des doops onderhouden; het welcke bevonden zynde by haer te geschieden, en zal den doop geensints moghen geitereert worden. Ende insgelyckx zal men oordeelen vanden doop die bedient is door een geëxcommuniceert dienaar, zoo hy enighe ordinaire beroepinghe van enighe vergaderinge heeft”. Een antwoord van gelijke strekking gaf de godgeleerde faculteit van Groningen in 1658 op de vraag betreffende de geldigheid van den doop, bediend door Wederdoopers, aan de synode van Bolsward. De faculteit schreef: „Indien hij gedoopt is onder de zoodanigen, welke althans de H. Drieëenheid of de Godheid en de menschheid van Christus, zijne voldoening en weldaden niet ontkennen of bestrijden, en derhalve tot dusverre wezenlijke bestanddeelen bewaren en eenige schaduw van roeping hebben, zoo schijnt zijn doop verdragen te moeten worden, en mag niet worden herhaald”. De doop, bediend door voorgangers der Mennonieten, mocht ook volgens onderscheidene kerkelijke besluiten worden erkend 6). Hoe breed de Gereformeerden in de practijk waren, blijkt uit een besluit der synode van Groningen, die in 1685 geen vrijmoedigheid had, den doop bediend door den Sociniaan Ukowallist te vernieuwen door dien in naam der Drieëenheid. Ook de kerken der Afscheiding namen het standpunt der oude Gereformeerden in 7). Eveneens besloot de Generale synode van Arnhem (1931, art. 92, Bijlage XVII) op denzelfden grond den doop der Darbisten te erkennen.

Uit het bovenvermelde blijkt als het gevoelen der Gereformeerden, dat de geldigheid des doops afhangt van drie factoren, of de doop bediend is naar de instelling van Christus, d.w.z. met water en met aanroeping van den naam van den drieëenigen God. Maar niet alleen de vorm des doops moet gehandhaafd, doch ook moet de doop om wettig te zijn gebonden worden aan het ambt, bediend worden in de kerk des Heeren, en door een ambtsdrager, die door de kerk met die macht is bekleed. De doop is gegeven aan de kerk, en alleen de kerk heeft het recht tot doopen. Maar daaruit vloeit ook voort, dat de doop door een


1) Red. Godsd. XXXIX. 9.
2) Instit. Theol. Elenct. III, Loc. 29, 15.
3) Compendium, XXX. 14.
4) Comm. V. 506.
5) Doctr. VII. 150.
6) Acta Groningen 1666, Art. 45; 1685, Art. 1; Kerkelijke wetten van Vriesland, 1777, bl. 150; Blaupot ten Cate, Gesch. d. Doopsgezinden in Friesland, bl. 160-163.
7) Syn. 1860, Art. 105; 1872, Art. 17; 1882, Bijlage XIII, Art. 35.

|337|

particulier persoon, zonder opdracht van de kerk, geen doop is. De vraag is niet of de persoon, die den doop bediend had, naar onze opvatting wettig ambtsdrager was, maar of hij naar het recht, in die kerk geldig, het recht had om te doopen. Zoo ja, dan geldt de doop; zoo neen, dan geldt de doop niet. Daarom werd ook terecht op de vraag of men een kind door een vrouw gedoopt in de kerk doopen zal, door de synode van Dordrecht (1574, part. vr. 10) geantwoord: „Ja, overmidts dat vrouwendoop gheen doop is”. Immers dat kind was in de Gereformeerde kerk geboren, en onze kerk geeft aan een vrouw geen macht om te doopen. In overeenstemming hiermee besloot de synode van 1578 (part. vr. 29), dat de doop door een privaat persoon niet „van waarde” is. Maar als een ouderling door een kerk of door een deel der kerk verzocht is den doop te bedienen, zal men den doop niet herhalen, omdat „hy eenighe forme van beroepinghe heeft”, hoewel het niet is te prijzen noch na te volgen. Nog sterker sprak de synode van Middelburg (1581, part. vr. 49) over den doop van vagabundeerende priesters, d.w.z. priesters, die geen vaste aanstelling hebben in de Roomsche kerk, dat de doop door hen bediend niet zal worden herhaald omdat zij een zekere „beroepinghe hebben vander Roomsche Kercke ende niet gheheel voor private personen ghehouden connen worden”. Maar de doop van degenen die in de Roomsche kerk geen aanstelling hebben „is van nul ende onweerdt te houden”. Zelfs de nooddoop der Luthersche kerk wordt erkend, omdat de Luthersche kerk den vader machtigt, wanneer zijn kind op sterven ligt, het kind te doopen.

De geldigheid des doops hangt bij de Gereformeerden af van de vervulling dezer drie eischen:

1º dat de doop moet bediend zijn naar de instelling van Christus, d. w. z. met water en met aanroeping van den naam des Drieëenigen Gods;

2º dat die doop moet bediend zijn in eene kerk, die de belijdenis der Drieëenheid vasthoudt, en dus niet opgehouden heeft kerk te zijn;

3º dat die doop moet bediend zijn door een persoon, die in dien kring, waarin hij optreedt, als ambtsdrager wordt erkend of althans kerkelijke macht tot doopen ontving.

 

De vraag aangaande de erkenning van den doop in andere gemeenschappen brengt ons in de practijk in aanraking met allerlei gevallen, waarin een beslissing moet genomen worden. Meermalen is na een kerkelijk geschil en bij het ontstaan van een nieuwe kerkformatie de vraag gesteld of de doop in zulke gemeenschappen bediend wel wettig was. Voorts zijn er allerlei godsdienstige kringen, die een zeer zwakke kerkelijke formatie dragen, en zich zelfs geen kerk willen noemen,

|338|

terwijl er ook secten zijn, die in vele gewichtige leerstukken afwijken, en toch nog den doop handhaven. Herhaaldelijk is op kerkelijke vergaderingen de vraag behandeld of deze bedienaren des doops een wettige roeping hadden, en of hun doop kon worden erkend?

De Roomsche kerk heeft in dezen hare houding bepaald. Zij wil geen herdoop, en doopt in twijfelachtige gevallen conditioneel. Volgens een antwoord van de H. Congregatie der inquisitie d.d. 20 Nov. 1878 moet men eerst een onderzoek instellen naar de waarde van den ontvangen doop, elk geval op zichzelf onderzoeken. Blijkt het dat de doop van geen waarde is, dan moet men doopen zonder een voorwaardelijke formule. Indien echter het onderzoek geen voldoende resultaat oplevert, of indien er twijfel is omtrent de waarde van den doop, dan moet men in het geheim doopen en onder conditie. Het is op zichzelf niet noodzakelijk deze voorwaarde uit te drukken, het is voldoende dat zij bestaat in de intentie van den bedienaar. Maar toch is het beter in zulke gevallen de conditie uit te spreken, zooals onderscheiden synoden die hebben vastgesteld: „Ik herdoop u niet, maar indien gij niet gedoopt zijt doop ik u in den naam enz.” 1).

De synode der Ned. Herv. Kerk heeft in de dagen der Scheiding en der Doleantie een afwijkend standpunt ingenomen. In 1837 besloot genoemde synode den doop der Afgescheidenen niet te kunnen erkennen zoolang zij geen wettig erkende kerkgemeente vormen. Toen in 1843 aan dien eisch voldaan was, volgde ook de officiëele erkenning door de Nederlandsch Hervormde Kerk. Eveneens antwoordde de synode der Ned. Hervormde Kerk naar aanleiding van een besluit van den kerkeraad te Amsterdam, „dat zij geen doop als wettig erkennen kan, die niet in een erkend kerkgenootschap door wettig geordende leeraars bediend is, overeenkomstig de historische uitspraken onzer kerk, en dat, zoolang zoodanige kerkelijke vereenigingen zich niet tot een zelfstandig kerkgenootschap hebben geconstitueerd, de kinderen, door hen gedoopt, als niet gedoopt moeten worden beschouwd”. De echtheid van den doop werd dus afhankelijk gesteld van de erkenning der kerk door de overheid. Deze houding van de Hervormde synode getuigde niet alleen van bekrompen kerkisme, maar tevens dat zij meer waarde hechtte aan de erkenning van de kerk door de wereldlijke overheid, dan aan het recht en de roeping door Christus aan zijne kerk gegeven. Geen wonder dat velen in de Hervormde kerk hiertegen protesteerden en dat Prof. van Toorenenbergen in 1889 het synodaal besluit „allerbedenkelijkst”, een huldiging van een „caesaropapisme” en „ongegrond” achtte.

In de kerken der Scheiding waren er ook steeds, die bezwaar hadden


1) J. Corblet, Histoire du sacrement de baptême, p. 295, 351.

|339|

den doop te erkennen van de van haar afwijkende kerkelijke groepen. Op de synode der Christelijk Afgescheiden Gereformeerde kerk te Hoogeveen (1860) werd de vraag gesteld of de doop der leeraars onder het kruis enz. als wettig mag worden beschouwd. De synode nam een tweeslachtig standpunt in. Hoewel zij aan den eenen kant het bestaansrecht van de kerken onder het kruis en hun doop erkende, verwierp zij toch ook den herdoop niet beslist, en sprak uit (Art. 105): „De Synode laat den doop door de broeders onder het kruis bediend geheel voor hun eigen rekening; dezulken, die bij hen gedoopt zijn en tot ons overkomen, zullen niet genoodzaakt zijn onder ons den doop te ontvangen; wanneer echter de zoodanigen voor zichzelven bezwaar hebben in hunne en hunner kinderen doop, zoodat zij zich als ongedoopt beschouwen, zal hun de doop onder ons niet geweigerd worden. Indien evenwel de leeraar der plaats bezwaar heeft tegen de bediening des doops aan de zoodanigen, wordt, hoe hierin te handelen, aan het oordeel der klassis overgelaten”. De volgende synoden der Christelijke Gereformeerde kerk waren meer beslist. Hare besluiten waren geheel in overeenstemming met het gevoelen der Gereformeerden van vroeger en van thans 1). Tegenover het gevoelen van sommigen, die den doop der Roomsche kerk en der Modernen in de Hervormde kerk voor onwettig wilden verklaren, sprak de synode van 1882 uit: „De synode besluit dat de doop van genootschappen of vereenigingen, die formeel met de belijdenis van het trinitarisch geloof gebroken hebben, niet kan erkend worden. Doch dat overigens met handhaving van de bepalingen der synode van Groningen (1872, Art. 17), en in aansluiting aan de beginselen van Calvijn, aan de belijdenisschriften der Gereformeerde kerk, en in overeenstemming met de besluiten der synoden van 1571 tot 1618/19, personen, die, hetzij als kinderen, hetzij als volwassenen, den doop ontvangen hebben buiten de Christelijke Gereformeerde kerk, zoo zij tot haar overkomen, als gedoopten zijn te beschouwen, ingeval zij gedoopt zijn in of vanwege een vergadering van Christenen, door een, door zulk een vergadering ge­roepen en erkend, dienaar des Woords, met water, en in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes”.

In dienzelfden geest sprak de synode van de Gereformeerde kerken te Groningen (1899, Art. 116) uit: „De Synode bepale, dat de doop van genootschappen, vereenigingen of personen, die formeel met het trinitarisch geloof gebroken hebben en deze breuke ook feitelijk doen uitkomen, zoo dikwijls hun een kind ten doop gepresenteerd wordt, niet meer als doop erkend kan worden. Doch overigens erkenne zij iederen doop, hetzij aan kinderen of bejaarden bediend, ingeval deze gedoopt


1) Syn. 1872, Art. 17; 1882, Art. 35, Bijlage XIII.

|340|

zijn in of vanwege een kring van christenen, door een door zulk een kring geroepen en erkend dienaar des Woords, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes”. Tevens bepaalde deze synode (Art. 117) „met het oog op de misbruiken in het stuk van den H. Doop o. a. binnen den kring van het Hervormd kerkgenootschap, dat de kerken, zoo dikwijls iemand zich als gedoopte bij haar aandient tot het afleggen van belijdenis des geloofs en toelating tot het H. Avondmaal, onderzoeken of zoo iemand wettiglijk gedoopt is”.

Dit onderzoek was noodig geworden, omdat eenige predikanten begonnen af te wijken van het gebruiken der aloude doopsformule. Reeds in 1868 had de Hervormde synode het wenschelijke en het noodzakelijke uitgesproken van de doopsbediening naar de gebruikelijke formule, maar de synode van 1870 legde de aanvulling van Art. 14 van het „Reglement voor de kerkeraden” terzijde, omdat zij van oordeel was dat zulk een bepaling in de kerkelijke reglementen overbodig was, omdat de willekeurige afwijkingen van de aan Matth. 28: 19 ontleende formule bij de doopsbediening, waartegen voorziening bij de wet verlangd wordt, zooveel haar bekend geworden is, te weinige in getal en te onbeduidend zijn om zulk een nadere wetsbepaling te wettigen en dat zulk een wets­bepaling ook daarom overbodig is, omdat de oude, in de christelijke kerk vrij eenparig gevolgde doopsformule, „ofschoon verschillend opgevat, bij mannen van de meest uiteenloopende richting op den duur voorspraak en goedkeuring vindt, en zelfs zij, die tegen de vaststelling eener wetsbepaling ijveren, van de formule niet alleen zelve getrouw gebruik maken, maar ook prijs stellen op het behoud der verlangde eenparigheid”. Hoewel de Hervormde synode afwijking van de doopsformule niet goedkeurde, liet zij haar toch ongestraft toe, zoodat door sommige predikanten gedoopt werd in den naam van geloof, hoop en liefde, of met andere formules, welke in strijd waren met de trinitarische doopsformule, tengevolge waarvan zulk een doop niet als wettig kon worden beschouwd. Tot 1896 bleef deze kwestie rusten. In dat jaar kwamen echter bij de synode onderscheiden voorstellen om in Art. 14 van het „Reglement voor de kerkeraden” op te nemen de verplichting om de trinitarische doopsformule „in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes” te gebruiken. Zij waren het gevolg van de handelwijze van een predikant, die bij eene doopsbediening in zijne gemeente in plaats van de gewone woorden gezegd had: „ik doop u met den wensch en de bede dat gij moogt worden een kind van God en een volgeling van Jezus, Amen”, en tevens hiervan, dat leerlingen van Ds Bommezijn van Sneek geweigerd hadden bij het doen van belijdenis gedoopt te worden. Op voorstel der rapporteerende commissie werd met 12 tegen 7 stemmen besloten het verplicht gebruik der doopsformule niet te reglementeeren. Doch er werd met 10 tegen 8 stemmen

|341|

een voorstel aangenomen van Dr A.W. Bronsveld, om een circulaire te richten aan de kerkeraden om toe te zien, dat bij de Doopsbediening de woorden ontleend aan Matth. 28: 19 worden uitgesproken 1). Zoo werd dan door de Hervormde synode het misbruik afgesneden, zonder dat zij als grond voor de noodzakelijkheid van het gebruiken der doopsformule aanvoerde de instelling des Heeren.

Als bezwaar tegen de geldigheid van den doop in de Hervormde kerk is wel eens ingebracht, dat de Hervormde kerk als geheel niet is een kerk, maar een kerkgenootschap, en dat de organisatie van dat genootschap niet Gereformeerd maar collegialistisch is. Nu is het waar, dat het collegialistische stelsel, dat het vereenigingsrecht toepast op de kerk, dat de kerk gelijkstelt met een vereeniging van gelijkgezinden, en het recht van Christus als Koning der kerk aantast, niets anders is dan de toepassing van de denkbeelden der revolutie op de kerk van Christus en de huldiging van de volkssouvereiniteit in de kerk. Maar al is dit volkomen waar, dit neemt niet weg, dat door de valsche organisatie, die in 1816 aan de Gereformeerde kerken in ons land werd opgelegd, het wezen der kerk niet vernietigd werd. Wel is waar dat de besturen der kerk, door het tolereeren van valsche leeringen en door het eeren van de kerkelijke reglementen boven Gods Woord en de belijdenis der kerk, godvreezende predikanten, die ijverden voor de eer en het recht van Christus als Koning in de kerk, smadelijk hebben uitgeworpen, zoodat de verdrukten wel den indruk moesten bekomen, dat hunne vervolgers valsche herders en de Hervormde kerk een valsche kerk was. Doch hoe onschriftmatig ook de organisatie is, hoevele gegronde bezwaren tegen vele handelingen der kerkbesturen kunnen worden ingebracht, hoe gedeformeerd ook de kerk en hoe weinig beantwoordend aan het hooge ideaal in Gods Woord gesteld, daarmede mag toch niet worden gezegd, dat in haar niets van de kerk is overgebleven. Er zijn plaatselijk nog vele kerken waar Gods Woord zuiver verkondigd wordt, en waar, al kan de tucht niet ten volle gehandhaafd worden, er toch een streven is om te doen wat in de vrijheid gelaten is. En in de tweede plaats wordt de Hervormde kerk niet geheel beroofd van haar karakter als kerk, omdat de belijdenis niet gehandhaafd wordt. Officieel is de belijdenis nooit afgeschaft, maar in de practijk is er leervrijheid. Van beteekenis is evenwel dat, hoezeer ook door de leervrijheid aan allerlei leer vrij spel wordt gelaten, toch nooit de leer der Drieëenheid officieel is geloochend, noch de Doopsbediening officieel is veranderd. De Hervormde kerk heeft daarentegen in latere jaren de kerkeraden herinnerd


1) Hand. d.  Synode 1896, bl. 251-276, 442-444, 772, 773;  Douwes en Feith, Kerkelijk wetboek, 1909, bl. 99.

|342|

aan hun roeping om toe te zien dat de woorden van Matth. 28: 19 gebruikt worden. Eerst dan wanneer de Hervormde kerk officieel de trinitarische belijdenis ophief en ze door een antitrinitarische verving, of wanneer zij geheel en al in het modernisme verzonk met een modernistisch symbool, dan zou zij ophouden christelijke kerk te zijn, en zou de doop door haar bediend onwettig kunnen worden genoemd.

Ook is wel eens als bezwaar aangevoerd tegen de erkenning van den doop, in de Hervormde kerk bediend, dat de Hervormde kerk is een schijnkerk. Maar men vergete niet dat de term „schijnkerk” wel eens gebruikt is om het onwaarachtige van de Hervormd-synodale organisatie aan te duiden, maar daarmede is niet gezegd, dat er in de Hervormde kerk niets van de kerk is overgebleven, en het feit niet teniet gedaan, dat er plaatselijk nog wel ware kerken gevonden worden.

Ook het ambt in de Hervormde kerk kan niet als onwettig worden beschouwd. Deze bedenking moest nog veel sterker gelden in de dagen der Reformatie voor de pastoors, die door de bisschoppen, die hun gezag ontleenden aan den paus, waren aangesteld. En toch heeft Calvijn volstrekt niet geaarzeld te verklaren, dat de paus nog wel ter dege een ambt bezat, en dat hij, hoe onwettig hij ook in het ambt gekomen was, indien hij zijn dwaling afzwoer, in het ambt zou blijven en wettig zou worden erkend in de Gereformeerde kerk. En heeft de Heere Christus niet Kajafas, hoe onwettig deze ook aan het ambt gekomen was, erkend als wettig hoogepriester, voor wiens rechterstoel hij zich verantwoordde? Trouwens het sprak voor de mannen der zestiende eeuw als vanzelf, dat het ambt en het sacrament voor allen, die met de reformatie medegingen, werden erkend. En de leidslieden der reformatorische bewegingen in 1834 en 1886 hebben er niet aan gedacht, de wettigheid der ambtelijke handelingen van hen, die in de Hervormde kerk als bedienaren van het sacrament waren aangesteld, te betwijfelen.

En eindelijk is ook wel als bezwaar ingebracht tegen den doop in de Hervormde kerk, dat deze ook wordt bediend aan ongeloovigen, die buiten het verbond staan, terwijl toch volgens het formulier de doop moet bediend worden aan de kinderen van geloovigen. En nu is het helaas een groot gebrek in de Hervormde kerk dat er geen leertucht is, dat men de ongeloovigen niet kan weren van de sacramenten, en dat men hen, die verklaren een geheel andere voorstelling van Christus te hebben dan die Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis leert, niet kan weren van den doop en van het avondmaal. Maar al is deze toestand zondig, daarom mag men den doop der kinderen van zulke ouders niet voor onwettig rekenen. Het was onwettig dat Laban aan Jacob Lea gaf als vrouw in plaats van Rachel, maar daarmede was het huwelijk van Jacob met Lea niet onwettig. Het was verkeerd van

|343|

Zippora dat zij haar kind besneed, maar het blijkt toch uit het vervolg, dat deze besnijdenis door den Heere werd goedgekeurd, dat de Heere afliet van het oordeel, dat Mozes en Zippora dreigde, omdat zij hun zoon niet hadden besneden. De vorm is dus geen bijzaak. En daarom mag niemand, hoeveel ongeregelds en verkeerds ook kleeft aan de Hervormde kerk, de aan de dienaren opgedragen handelingen voor onwettig achten en de in die kerk gedoopte kinderen voor ongedoopt houden.

Bouwman, H. (1934) § 85

§ 85. De tijd van den Doop.

Bij de instelling des doops werd niet bepaald, wanneer iemand moest gedoopt worden. In den Apostolischen tijd was het de regel, dat iemand den doop ontving, wanneer hij in Christus geloofde en Hem als zijn Heer en Zaligmaker erkende (Hand. 2: 37-41; 8: 12, 36-38; 10: 47; 16: 15, 33). Een bijzondere tijd van voorbereiding en onderwijzing in de christelijke religie was in den apostolischen tijd niet voorwaarde voor het ontvangen van den doop. Op een formeele godsdienstoefening of een samenkomst der geloovigen werd niet altoos gewacht. De doop had plaats zoodra daartoe de gelegenheid was, in het veld, bij een stroom, in een private woning — gelijk blijkt uit de geschiedenis van den kamerling, den stokbewaarder — zonder andere voorgeschreven gebruiken of gewoonten dan het gebruik van den naam des Drieëenigen Gods. Hoe meer het getal wies van hen, die zich aanboden ten doop, des te meer bleek een onderzoek noodig. In den allereersten tijd kon iemand volstaan met de korte belijdenis dat Jezus is de Christus, maar later, toen er ketterijen en dwalingen ontstonden, en velen tengevolge van druk en vervolging afvielen, werd noodig, dat een tijd van beproeving en onderwijzing aan den doop voorafging. Reeds in een liturgisch geschrift voor het jaar 150, de Didache, vinden wij een instructie voor de proselyten, die zich voor den doop voorbereidden.

Zoo ontstond dan in de tweede eeuw het catechumenaat, de voorbereiding voor den doop door het onderwijs. De duur van het catechumenaat was zeer onderscheiden. Een korte proeftijd was voldoende, wanneer maar de kennis der waarheid genoegzaam en de oprechtheid der bekeering onverdacht was, doch in tijden van vervolging en om bijzondere reden werd de proeftijd soms over maanden en jaren uitgebreid. Al bleef de kerk erkennen, dat ten allen tijde de bediening des doops mogelijk was, kwamen er weldra bepaalde tijden voor den doop. Als doopdagen werden bij voorkeur aangewezen de gedenkdagen van Christus en van de martelaren. Vooral de Paasch- en de Pinkstervigilie waren bijzondere doopstijden voor de catechumenen. Voor den kinderdoop

|344|

en voor den doop van zieken gaf echter bisschop Siricius ook op andere tijden gelegenheid. Bij de bekeering der Avaren in de 9de eeuw werden geheel omgekeerd de volwassen heidenen na een onderwijzing van 8 à 14 dagen op een Zaterdagavond gedoopt, terwijl de kinderen slechts op Paasch- of Pinksterfeest mochten gedoopt worden.

Toen de Germaansche stammen gekerstend waren en de kinderdoop algemeen geworden was, verdwenen van zelf de vroeger gestelde doopstijden. Thomas Aquinas heeft de grondbeginselen opgesteld, die in de Roomsche kerk den regel aangeven. De kinderen moeten, omdat zij geen onderwijs kunnen ontvangen, omdat doodsgevaar steeds dreigend is, en omdat de doop tot zaligheid noodig is, zoo spoedig mogelijk na de geboorte gedoopt worden; bij volwassenen echter moet de doop worden verschoven, tot zij genoegzaam in de christelijke religie zijn onderwezen 1). Overigens hadden reeds Tertullianus 2), Augustinus 3), Gregorius van Nazianza 4) en andere kerkleeraars altijd geleerd, dat de doop aan geen vasten dag gebonden was. En terwijl Thomas en het Rituale Romanum wel de vrijheid laat om den doop ten allen tijde, vooral in dagen van doodsgevaar, te bedienen, leggen zij toch evenals de Catechismus Romanus bijzonder nadruk op de doopsbediening op de plechtige hooge feesten van Paschen en Pinksteren. Thans herinnert nog de waterwijding op Paschen en Pinksteren en het gebruik, dat in Rome en in de kathedralen eenige Joden gedoopt worden, aan de oude doopstijden 5).

Zoodra de catechumeen na ontvangen onderwijs zijn geloof en zijn bereidwilligheid, om de verordeningen der kerk op te volgen, uitgesproken had, werd terstond een liturgische handeling aan hem voltrokken. Het teeken des kruises werd hem met de hand aan het voorhoofd gemaakt, en de hand werd hem opgelegd. Daardoor werd hij uit de heerschappij van het heidendom ontrukt, onder de catechumenen opgenomen en aangeduid als iemand die tot de gemeente behoort. Later werd het teekenen met het teeken des kruises nogmaals aan de verschillende lichaamsdeelen voltrokken. Onmiddellijk verbonden met het toedienen van het teeken des kruises en de handoplegging was het aanbieden van het zout, dat beschouwd werd als een inwijdingshandeling van de catechumenen en als een surrogaat voor het avondmaal, waartoe hij nog geen toegang had.

De overgang uit het catechumenaat tot den tijd der onmiddellijke


1) Summa, p. III, qu. 68, art. 3.
2) de bapt. 19.
3) Sermo 210, c. 1, 2.
4) orat. 40.
5) Herzog-Hauck, R.E.3 Th. XIX, S. 442.

|345|

voorbereiding voor den doop vormde het inschrijven van de namen der proselyten in het kerkelijke register (nomen dare). In den regel behielden de doopcandidaten denzelfden naam, dien zij tot nog toe gedragen hadden. Zij konden echter ook wel een nieuwen naam aannemen, hetwelk inzonderheid dan geschiedde als de naam aan heidensche godennamen herinnerde. Was bij de Joden de naamgeving met de besnijdenis verbonden (Luk. 1: 59; 2: 21), zoo had de naamgeving bij de Romeinen voor de jongens plaats op den achtsten, voor de meisjes op den negenden dag na de geboorte, bij de Atheners op den 7den en den 10den dag. Het lag voor de hand, dat men bij de christenkinderen de naamgeving aan den doop verbond 1).

In den tijd der voorbereiding voor den doop kreeg ook het exorcisme een beteekenisvolle plaats. Men meende, in aansluiting met de wonderen des Heeren Christus, dat de daemonen-bezwering bij bijzondere krankheden noodig was. Van de derde eeuw af werd het exorcisme algemeen voor allen, die uit het heidendom met zijn afgodendienst tot de kerk kwamen, en leefde het geloof, dat daardoor de duivel uitgedreven werd. En toen de kinderdoop meer algemeen werd, werd dit exorcisme ook op de kinderen toegepast. Men ging uit van de gedachte, dat elk mensch van zijne geboorte af uit kracht van de erfzonde door den Satan bezeten was. Ook werd de gewoonte, die bij het begin van het catechumenaat plaats greep, namelijk de aanblazing in het aangezicht, met een bepaalde exorceerende formule, bij den kinderdoop overgenomen, terwijl tevens daaraan verbonden werd de opening der ooren, waarbij de dooper de ooren en den neus van den doopeling aanraakte, en daarbij sprak: Effatha, d.i. word geopend. Gedurende den geheelen tijd der voorbereiding voor den doop werd de doopcandidaat onderwezen op grond van den regel des geloofs. Omdat de doopsbelijdenis onder de mysteriën werd gerekend, werd de geloofsregel mondeling mede­gedeeld. Deze mondelinge overgave van het symbool droeg den naam van traditio symboli. De doopcandidaten moesten deze belijdenis nauwkeurig en letterlijk in hun geheugen inprenten. En nadat de doopcandidaten, gehuld in een geitenvel en barrevoets, opnieuw geëxorceerd werden, volgde eindelijk voor de openlijke doopsbediening de redditio symboli, d.i. het uitspreken van de geloofsbelijdenis van een verhoogde plaats, in eene plechtige vergadering van de geheele gemeente 2). Hun, die erg schuchter waren, werd ook het uitspreken van het symbool voor de priesters alleen toegestaan.

Toen in de derde en vierde eeuw de kinderdoop meer algemeen werd,


1) G. Rietschel, Lehrbuch der Liturgik, 1909, II, S. 23.
2) Augustinus, Confessiones VIII. 2. 5.

|346|

kwam bij velen het streven op, den doop zoolang mogelijk uit te stellen. Ofschoon de overtuiging dat de doop noodzakelijk was tot zaligheid vast stond, waren velen meer bevreesd den doop onwaardig te ontvangen dan hem te missen. De doop werd door velen niet beschouwd als een inwijding in den christenstand, maar als een voltooiing daarvan. Omdat de zonde door den doop werd weggenomen en de zonde na den doop begaan moeilijk door boetedoeningen enz. kon worden vergeven, stelden velen den doop zoolang mogelijk uit. Veelal vergenoegde men zich er dan ook mede, het jonggeboren kind te doen inschrijven op de rol der catechumenen, en hem het zout op de lippen en het teeken des kruises op het voorhoofd te doen ontvangen. Menig christen achtte het gewenscht den doop zijner kinderen uit te stellen tot de dagen der zwaarste verzoeking in de jeugd voorbij waren, opdat zij minder gevaar liepen den doop door de zonden te ontheiligen, en omdat men meende dat de schuld van de zonden na den doop bedreven veel gevaarlijker en zwaarder was, dan die vóór den doop, waardoor de schuld der zonde werd afgewasschen, waren gedaan. Anderen stelden den doop uit, omdat zij wilden gedoopt worden door bepaalde bisschoppen, op een bepaalde plaats, b.v. in den Jordaan. Weer anderen vreesden voor de strenge straffen, bedreigd op de zonden na den doop bedreven, en stelden daarom den doop tot zondevergeving zoolang mogelijk uit, terwijl er ook waren, die in uitstel een vrijbrief voor de zonde meenden te hebben. Ook speelden schroom voor het heilige en misverstand een groote rol. Zoo werden Chrysostomus en Hieronymus, die beiden uit een christelijke familie gesproten waren, eerst als volwassenen gedoopt. Ambrosius en Nectarius ontvingen eerst den doop nadat zij tot bisschop verkozen waren. Augustinus was reeds 32 jaren oud, toen hij gedoopt werd, en Gregorius van Nazianza, ofschoon zelf zoon van een bisschop, 30 jaar. Men krijgt den indruk alsof tot in de vijfde eeuw over het algemeen het gevoelen heerschte, dat voor hen, die in een wereldsch beroep leefden, het catechumenen-christendom de meest passende vorm was. Daaraan beantwoordend valt voor velen de doop samen met hun overgang tot een ascetisch of monnikachtig leven 1).

Toen de kinderdoop algemeen was geworden, wees de kerk nog niet een bepaalden tijd voor de doopsbediening aan. Sommigen lieten hun kind doopen op den achtsten dag na de geboorte, anderen stelden dien uit. Van de vijfde tot de achtste eeuw stelde men gaarne den doop zoolang uit tot de doopeling zelf kon antwoorden op de liturgische vragen. Na de elfde eeuw ontstond de gewoonte, de kinderen zoo spoedig mogelijk na de geboorte te doopen. Er bleven echter hierop nog steeds


1) Corblet, Histoire du sacrement de baptême I. 476 v.

|347|

uitzonderingen. Het concilie van Trente bepaalde — en deze regel geldt nog in de Roomsche kerk — dat de doop zoo spoedig mogelijk moest worden bediend. Deze uitdrukking „zoo spoedig mogelijk” (quam primum) is verschillend uitgelegd. Er zijn er geweest, die haar zoo uitlegden, dat de doop op den dag der geboorte moest worden bediend, anderen binnen 24 uren, weer anderen 2 of 3 dagen na de geboorte. Terwijl er casuïsten waren, die in een uitstel van 5 of 6 dagen zonde zagen, vonden anderen dat eerst een uitstel van een maand of van tien of elf dagen voor zonde moest worden gerekend. Dit laatste gevoelen is volgens Liguori het meest gevolgde 1).

De Roomsche kerk leert om die reden den vroegen doop, omdat de doop is de deur des heils, het middel tot wedergeboorte en vergeving van zonden. De erfzonde en alle voor den doop begane persoonlijke zonden worden uitgedelgd, en haar karakter van schuld en straf wordt weggenomen 2). Op grond hiervan is het noodig, dat het kind zoo spoedig mogelijk na de geboorte, liefst nog op denzelfden dag gedoopt wordt.

Dit gebruik bestond in de dagen der Reformatie en de Hervormers hadden geen enkele reden om het af te schaffen. Zij wilden geen minachters van den doop heeten, en konden daarom ook niet bepalen, dat de doop tot lateren tijd moest worden uitgesteld. Bovendien mochten zij geen enkelen schijn op zich laden, dat zij met het gevoelen der Wederdoopers instemden, en konden zij de groote waardij van den doop handhaven door hun verbondsleer. De Gereformeerden leerden, dat God Zijn verbond had opgericht met Zijn volk, en dat de kinderen der geloovigen evengoed als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente waren begrepen en dat zij daarom recht hadden op den doop. Daarmede hadden de Gereformeerden geen Roomsch element in hun leer opgenomen. Met het handhaven van den vroegen doop wilden zij niet te kennen geven, dat de doop noodzakelijk is ter zaligheid en dat de ongedoopte kinderen niet het heil in Christus kunnen deelachtig worden. Maar zij handhaafden dien vroegen doop, omdat zij teer stonden voor God, en gehoorzaam Zijn bevel wilden opvolgen. Wel leerden de Gereformeerden, dat de doop is het teeken en het zegel van de afwassching der zonden, en wordt ook sacramenteel verzekerd dat de Heere „ons wascht in zijn bloed van alle onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden”, maar daarmede werd niet gezegd dat allen, die uitwendig het teeken des doops


1) Corblet, A.w. I. 496.
2) Thomas, Summa III, qu. 69, a 7. c; qu. 69 a 1, 2; qu. 39 a 5.

|348|

ontvingen, behouden worden. Integendeel hoe noodig ook de doopsbediening als instelling des Heeren is, de doop is niet beslist noodig tot zaligheid. Wanneer een kind ongedoopt sterft, behoeft men niet daarom te vreezen, dat het kind de zaligheid zou derven. En daarom behoeven ook de ouders hun kind niet terstond na de geboorte te doen doopen.

Maar al is er door de Gereformeerden geen tijd voor de doopsbediening bepaald, zij waren desniettemin voorstanders van den vroegen doop, omdat dit het meest in overeenstemming was met het gebod Gods. Wij mogen in verband hiermede niet vergeten, dat ook oude gewoonten en bijgeloovigheden in de eerste jaren na de Reformatie vele ouders bewogen hunne kinderen zoo vroeg mogelijk ten doop aan te bieden. Menige bepaling in het kerkelijke leven b.v. omtrent den huisdoop, welke in enkele gevallen werd toegestaan, was een concessie aan zulke ouders, die uit Roomsch bijgeloof den doop terstond na de geboorte begeerden, of er dien dag kerk was of niet, en indien de predikant dan weigerde den doop te bedienen, dreigden naar den pastoor te loopen. Maar de Reformatoren zelf werden door een hoogeren drijfveer gedreven, namelijk de gehoorzaamheid aan het gebod Gods en de opbouw van de ge­meente. Daarom werden ook zij die de doopsbediening willekeurig uitstelden gestraft. Toen Calvijn zich te verdedigen had tegen de beschuldiging van Luthersche zijde, dat men in Gereformeerde kringen geen nooddoop toeliet, en de kinderen daardoor ongedoopt kwamen te sterven, antwoordde hij 1): „Zekerlijk indien iemand zijne kinderen niet tijdig ten doop brengt, dan wordt hij gestrengelijk wegens dit verzuim gekastijd. Elken dag staat de kerk open (voor den doop). Indien iemands kind zonder doop komt te sterven, omdat hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, dan wordt hij gestraft.” Om die reden werd in Genève ook dagelijks gelegenheid tot doopsbediening gegeven, daar ook telken dage het Woord werd bediend. In de Kerkenordening voor het platteland (1547) luidt het in het eerste artikel: „Dat de doop elken dag bediend worde, door middel dat er nu en dan gepredikt worde” 2). Calvijn was van oordeel, dat de sterke begeerte naar de doopsbediening, ook in de dagen der week, volstrekt niet te verwerpen was, mits die begeerte maar niet voortsproot uit een mauvaise confiance, een verkeerd vertrouwen op den doop 3). En ook het feit dat Guido de Bres, de opsteller van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, zijn eerstgeboren kind Israël den dag ná de geboorte liet doopen, mag wel als bewijs worden aangemerkt, dat de voormannen in de dagen der Reformatie uitstel van den doop verkeerd achtten, en dat zij dit deden, niet uit


1) Sec. defensio contra Westphalum, Opera IX. 101.
2) Calv. Opera X. 53.
3) Calv. Opera XIV. 61.

|349|

Roomsch bijgeloof, maar uit den drang naar gehoorzaamheid aan God.

In alle oude liturgieën en kerkenordeningen van Gereformeerde herkomst wordt dan ook voorgeschreven, dat de doop zoo spoedig mogelijk zal worden bediend. Evenwel wilden zij den doop niet bedienen, afgescheiden van de prediking. De gemeente moest verstaan, welk heil in Christus werd beteekend en verzegeld. Eeeds op het convent van Wezel (1568, c. VI) werd dit uitgesproken. En de synode van Dordrecht (1574, Art. 57) bepaalde: „Het verbondt Gods sal inden kinderen soo haest als men den Doop Christelicken becomen can, met den Doope verseghelt worden, ten sy saecke datter eenighe sware oorsaecke sij, om den Doop eenen tijdt langh wt te stellen, van welcke de Consistorie oordeelen sal. Maar die affectie der ouderen, die den Doop harer kinderen begheeren wt te stellen ter tijdt toe dat de moeders selue haer kinderen presenteeren, ofte op die gheuaders langhe wachten, en achten de broeders gheen wettelicke oorsaecke te syn om den Doop wt te stellen”. Op de latere nationale synoden werd aangaande den tijd der doopsbediening hetzelfde bepaald als te Dordrecht in 1618/19: „Het verbond Gods zal aan de kinderen der christenen met den doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden.” Het laatste deel van de bepaling van art. 57 der synode van 1574, aangaande de affectie der ouders om den doop uit te stellen, werd weggelaten, niet omdat de synode goedvond den doop uit te stellen, maar omdat in de woorden „zoo haast als men de bediening des doops hebben kan” de regel gesteld was.

Hieruit blijkt duidelijk, dat de Gereformeerden den regel stelden, dat de doop zoo spoedig mogelijk dient bediend te worden. Een bepaalde tijd is nooit voorgeschreven. Voetius 1) geeft hiervoor als reden aan, dat noch de tijd waarop een kind zal geboren worden, noch de tijd waarop het sterven zal met zekerheid door ons van te voren kan geweten worden. En hij leidt daaruit deze conclusie af: „Zonder nadere bepaling moet dus de doop bij de eerste gelegenheid de beste worden gezocht, en door de kerk worden bediend wegens het bevel Gods, en om de goddelijke verzegeling van de genade des verbonds door den doop deelachtig te worden”. En hij beroept zich daarvoor op sommige kerkvaders, o.a. op Gregorius van Nazianza, die in zijn 40ste Oratie zegt: „Geen enkele tijd moet door u ongepast en ongeschikt voor den doop worden geacht, daar geen enkel tijdsmoment zonder gevaar des doods is”. Amesius antwoordt op de vraag: „Of het doopsel der kinderen naar goedvinden der ouders kan uitgesteld worden?”: „De doop der kinderen mag zonder gewichtige en eenigszins dwingende reden niet


1) Pol. Eccl. I. 724.

|350|

uitgesteld worden: 1º  omdat de billijkheid, volgens welke de achtste dag tot de besnijdenis was verordend, dusdanig uitstel verhindert; 2º omdat dit uitstel nauwelijks kan onderscheiden of verschoond worden van geringschatting en versmading dezer instelling; 3º omdat dit uitstel werkelijk strijdt met de waardigheid om belijdenis te doen, als ook eindelijk met den troost der ouders, te weten aangaande hunne kinderen, dat zij aan God plechtig toegeëigend en gewijd zijn”. En Petrus van Mastricht zegt van den tijd des doops: „De tijd is voor diegenen, die dit sacrament ontvangen zullen, hetzij zij volwassen zijn, hetzij kleine kinderen, in de Heilige Schrift niet juist zoozeer bepaald, dan dat elkeen op ’t allerzorgvuldigste zorg moet dragen, dat de doop, zoo ras het voegzaam is en met orde geschieden kan, verkregen worde (Hand. 22: 16; 16: 33)”.

Ofschoon volgens kerkelijke besluiten het kind zoo spoedig mogelijk moest gedoopt worden, moesten de kerken herhaaldelijk waarschuwen tegen willekeurig uitstel van den doop. De doopmalen en kinderbieren waren in Gelderland, Overijsel en Groningen mede oorzaak, dat de kerken vermanend moesten optreden. Vooral in Gelderland werd geklaagd, dat vele ouders hunne kinderen „niet alleen eenige weken en maanden, maar ook jaren tot werkelijke verachting van den H. Doop” ongedoopt lieten liggen. Omdat de doopmalen kostbaar waren, liet men wel eens enkele kinderen tegelijk doopen, om met één doopmaal te kunnen volstaan 1). De synoden van Overijsel drongen herhaaldelijk aan bij de overheid om dit kwaad bij plakkaat tegen te gaan 2). In de provincie Groningen ging het op de doopmalen en „kinderbieren” soms zoo overdadig toe, dat de gasten niet zelden dronken thuis kwamen. De deputaten der Groninger synode klaagden in 1630 over de brasserijen bij den stadhouder en de gedeputeerden, met verzoek om dergelijke zonden tegen te gaan. In Holland werden ook door de burgerlijke regeering maatregelen genomen om de weelderige doopmalen af te schaffen. De synode van Delft (1618, art. 81) bracht een gravamen betreffende het „delay ofte uitstel van ’t doopen” op de nationale synode van Dordrecht (1618/19) en deze synode deed niet anders dan het vroegere besluit hernieuwen. De meeste ouders, de kleine burgers en geringe lieden, eerbiedigden de besluiten, maar bij de deftige burgers kwam het in gebruik het kind eerst na de begankenis, d.w.z. na het herstel van de moeder, en haar eersten kerkgang, ten doop te heffen. De doop had plaats in de kerk vóór of na de predikatie, meestal in den namiddagdienst, doch nooit zonder predikatie. De namiddagdienst was


1) Reitsma en Van Veen, Acta IV. 41, 69, 123, 135, 303, 346.
2) Reitsma en Van Veen, Acta V. 297.

|351|

bijzonder in eere. Dan kwamen niet alleen de burgerij, maar ook de adel en de patriciërs 1). Door de deftige burgerij werd veelal vijf à zes weken met den doop gewacht vóór het kind gedoopt werd, terwijl het natuurlijk ook gebeurde, dat de doop moest uitgesteld worden wegens de ongesteldheid van het kind, of de slechte wegen ten platte lande 2).

Vooral de Zondag, de dag der openbare godsdienstoefeningen, was voor de doopsbediening aangewezen. Doch ook werd de doop in de weekdiensten bediend. Reeds in de Kerkordening van de Paltz van 1553 had men hiervan gezegd: „Daarom zullen de kinderen op iederen geschikten tijd, als het behoorlijk van hunnentwege begeerd is en zij in de kerken voor de Dienaars des Woords gebracht zijn, door de predikanten gedoopt worden, en zulks zal inzonderheid geschieden op Zondag, feestdag of anders in de week, wanneer de gemeente Gods bijeen is, opdat ieder zijn eigen doop wete te herdenken, en opdat de christelijke gemeente eenpariglijk den naam Gods over het kind aanroepe”. En zoo werden ook in ons land hiervoor regelen gesteld. Op vele plaatsen, vooral in kleinere dorpen, die nog geen eigen predikant hadden, kon niet eiken Zondag een godsdienstoefening worden gehouden. Wanneer nu de doop alleen in de gewone godsdienstoefening mocht worden bediend, dan zouden vele ouders lang hebben moeten wachten. En dit was tegen de bedoeling der kerk. Juist daarom bepaalde de synode van 1574 (art. 59): „In plaatsen, waar zelden predikatiën geschieden en nochtans kinderen te doopen zijn, zal een tijd geordineerd worden dat men de kinderen in de kerk brengt. En men zal een teeken met de klok geven om het volk samen te roepen en een korte vermaning voor den doop te doen”. De kerken trachtten overal zoo mogelijk gelegenheid tot doopsbediening te geven, opdat de kinderen zoo vroeg mogelijk zouden gedoopt worden, en opdat de zwakken in het geloof en zij die kerkelijk niet zoo vast stonden, zich niet zouden gedrongen gevoelen tot den doop der Roomschen of der sectariërs de toevlucht te nemen, gelijk ook Voetius 3) duidelijk aantoont.

Hoezeer men aan den wensch, om spoedig na de geboorte den doop voor het kind te ontvangen, tegemoet kwam, blijkt uit een besluit der classis Delft (9 Sept. 1585), dat op alle dagen der week de doop mocht bediend worden, mits de predikant een dag te voren met den wensch der ouders in kennis werd gesteld. Op sommige plaatsen werden nevens den Zondag één of twee dagen in de week als doopdagen gesteld. Van deze


1) Schotel, De openbare eeredienst, 1870, bl. 429. Het Oud-Hollandsch Huisgezin der zeventiende eeuw, 2e uitgave door H.C. Rogge, bl. 44.
2) Syn. Assen 1619, sess. 5; Utrecht 1640, sess. 7, § 29, en 1641, sess. 6, § 8, en 1649, sess. 6, § 9.
3) Pol. Eccl. I. 729.

|352|

toegevendheid werd wel eens misbruik gemaakt. De Utrechtsche synode van 1621 achtte zich tenminste verplicht 1), aan de bepaling, dat men op alle tijden van den dag den doop mocht vragen, toe te voegen: „doch niet in den donkeren avond, des nachts of op andere ontijden”.

Om aan de begeerte naar een spoedigen doop tegemoet te komen, liet men ook toe, dat men zijne kinderen in bijzondere gevallen in een andere gemeente liet doopen. Uit het doopboek van Oldebroek blijkt, dat men den predikant, die in een andere gemeente een vacaturedienst verrichtte, nareisde, omdat de doop geen uitstel kon lijden. Werd een predikant plotseling ongesteld, dan liet men hem den doop voor zijn bed, in tegenwoordigheid van den kerkeraad bedienen, of men ging naar een naburige kerk ten doop 2). Uit dit alles blijkt, dat de Gereformeerden steeds den doop zoo spoedig mogelijk bedienden. Volgens het doopboek van Kampen, dateerend van 1803, werden de kinderen in hoofdzaak tusschen den eersten en den achtsten dag gedoopt. Evenzoo blijkt uit de doopregisters van de Amsterdamsche kerk, dat aldaar slechts bij uitzondering een kind later dan op den achtsten dag den doop ontving.

De synode der Ned. Hervormde kerk van 1817 heeft hierin verandering aangebracht. Tengevolge van het Nationalisme met zijn innerlijken afkeer van alle heilige mystiek, gevoelde de toonaangevende richting dier dagen niets meer voor de geestelijke beteekenis der sacramenten, en verlaagde ze tot plechtige handelingen der kerk om den godsdienst aan te kweeken. Om nu de innerlijke leegheid te bedekken, werd het gevoel te hulp geroepen. Men dacht plechtigheden uit om op het gevoel te werken en de aandoeningen op te wekken. Het Avondmaal moest gehouden worden op Goeden Vrij dag, liefst in schemerdonker of bij kaarslicht. In verband hiermede werd verordend, dat de doopgelegenheden moesten verminderd worden, dat de moeder moest tegenwoordig zijn, opdat de plechtigheid zou verhoogd worden en meer indruk zou maken. De doop moest niet in een weekbeurt plaats hebben. „Waar de talrijkheid der Gemeenten niet vereischt, dat dezelve iederen Zondag plaats heeft, zullen de Predikanten, in overleg met de Kerkeraden, op bepaalde tijden, opzettelijke Doopspredikatiën houden, en de ouders liefderijk trachten te overreden, om die gelegenheid voor den Doop hunner kinderen af te wachten, vooral ook de herstelling der moeder, opdat die met het Kind ten doop kome” 3). Bewegelijke vermaningen zouden worden gedaan, en hartroerende toespraken gehouden, opdat de aandoeningen zouden


1) De Kruijff, Utr. Synod. handb., bl. 56.
2) Doopboek van Oldebroek, 26 Aug. 1804, 3 Febr. 1805; cl. Edam, 19 April 1694; H.J. Olthuis, De Doopspractijk, bl. 119.
3) Heringa, Kerkelijke raadgever en raadvrager II. 441; H.J. Royaards, Heden-daagsch Kerkregt II. 285.

|353|

worden opgewekt, en het volk tot tranens toe zou bewogen worden. Dientengevolge werd van den goeden ouden Gereformeerden regel afgeweken, en werd in den regel gewacht, tot de moeder hersteld was en de doopplechtigheid kon bijwonen. Hier en daar hield men zich nog aan den ouden regel. Ook in vele families, die met de Scheiding medegingen en in onderscheidene kerken der Scheiding bleef de vroegdoop in eere. In latere jaren werd het ook hier algemeen gewoonte om te wachten tot de moeder hersteld was, terwijl er eveneens kerken waren, die één vasten doopdienst in de maand hadden. Dr A. Kuyper en Dr F.L. Rutgers, de vaders van de Doleantie, drongen er zeer sterk op aan om het goede beginsel, door de Gereformeerde vaderen der zestiende eeuw geleerd, te herstellen, en de doopsbediening zoo spoedig mogelijk te doen plaats hebben. Vooral Dr Kuyper trad sterk op tegen de begeerte van vele ouders, die den doop begeerden uit te stellen tot den tijd dat de moeder hersteld bij den doop tegenwoordig kon zijn en zelve haar kind zou presenteeren. Sommigen zijner volgelingen dreven dit goede beginsel zoo eenzijdig door, dat zij het uitstel van den doop tot eenige weken na de geboorte van het kind voor een ernstige zonde rekenden, en dat zij van oordeel waren dat de moeder, zelfs wanneer zij tegenwoordig was bij den doop, niet mocht antwoorden op de vragen. Velen werden door zulke eenzijdige drijverij onaangenaam gestemd, en stelden hiertegenover dat er veel voor was, te wachten met de doopsbediening tot de moeder zelve kon tegenwoordig zijn, allereerst omdat de moeder, die het kind onder haar hart gedragen had, door een zeer nauwen band zich aan haar kind gebonden gevoelde, en tevens omdat de moeder een zeer groot aandeel in de opvoeding had, en daarom bij de doopsbediening niet mocht uitgeschakeld. Prof. Rutgers nam het op voor hen, die een milder standpunt innamen. Ofschoon ook hij sterk voorstander van den vroegdoop was, komt hij er in een advies van 1896 1) voor uit, dat hij het beslist oneens is met hen, die het wachten op het herstel der moeder, opdat zij bij den doop van haar kind tegenwoordig zij, als noodeloos en zondig uitstel beschouwen, waaruit geringschatting van den doop zou blijken. In elk geval mag tegen een uitstel van enkele weken niet met dwangmaatregelen worden opgetreden, ook niet met die verkeerde maatregel, dat men de moeder niet toelaat de doopvragen te beantwoorden. Nu eenmaal in breeden kring het wachten tot het herstel der moeder volksgewoonte is geworden, gaat het niet aan om in zulk een teere zaak hardelijk in te grijpen, maar moet de kerk de gemeente recht onderwijzen, opdat de heerlijke beteekenis van verbond en doop recht verstaan wordt. Het wachten op het herstel van de moeder kan op zichzelf geen


1) Kerkelijke Adviezen II. 23.

|354|

zonde genoemd worden, maar kan toch licht leiden tot noodeloos uitstel. Daarom oordeelde Prof. Rutgers ook zoo scherp over de bepalingen der Hervormde synode inzake de afschaffing van de doopsbediening in de weekbeurten en over de vaste doopdagen. „Immers de gemeente wordt gevormd en onderwezen niet slechts door het gesprokene woord, maar ook door de kerkelijke praktijk; en wanneer er strijd is tusschen die beide, dan heeft zelfs de praktijk op den duur geen invloed. Zeg wat ge wilt over de hooge beteekenis en de groote waarde van het door God ingestelde Bondszegel; indien ge terzelfder tijd den Doop verbiedt, als de samenkomst der gemeente toch gelegenheid geeft dien te ontvangen, en dus tot noodeloos uitstel dwingt, dan zal uwe leering krachteloos blijken. Als een aardsch Koning iets beveelt, en als voor wereldsche goederen een bewijs en onderpand te verkrijgen is, dan zal ieder zich wel haasten zooveel hij kan. En wanneer nu bij den Doop de gemeente zulken haast, tengevolge van de kerkelijke praktijk, wel moet afleeren, dan leert zij daarmede tevens af, te gelooven, dat de Doop voor hare kinderen een van God ingesteld Bondszegel is. Ongeveer op dezelfde wijze als waarop haar wordt ingeprent, dat de Doop niet tot zaligheid noodig is, doordat in de kerkelijke praktijk eigenlijke huisdoop niet wordt toegelaten” 1).

Het is wenschelijk, dat de kerken den regel, door de oude Gereformeerden gevolgd, zoo goed mogelijk volgen. Zij hebben wel geen bepaalden doopdag gesteld, en lieten de volle vrijheid daarvan, mits maar de doop zoo spoedig mogelijk werd bediend. Zij bevalen over het algemeen aan, zoo mogelijk de eerste gelegenheid, die zich voordeed, te kiezen als den tijd, voor de bediening des doops. Deze weg is de meest aanbevelenswaardige. Zeker, Gods Woord geeft geen uitgesproken gebod voor den tijd der doopsbediening. Dit is ook niet noodig. Maar als de Heere onder het oude verbond den achtsten dag wilde verordenen als den dag der besnijdenis, is het wel noodig, dat de gemeente in de rijkere bedeeling des Nieuwen Testaments, uit dankbare liefde jegens den God des Verbonds, zoo spoedig mogelijk aan de roepstem des Heeren voldoe. Er is geen enkel wezenlijk bezwaar in te brengen tegen de doopsbediening in de eerste week na de geboorte van het kind. Natuurlijk kan, ook wanneer de ouders gaarne hun kind den eersten rustdag willen doen doopen, dit niet altoos geschieden. Ongesteldheid van het kind, ongunstig weder en ontstentenis van een dienaar des Woords kunnen beletselen zijn. Maar dit doet aan den regel geen afbreuk.

Het is waar, de doop deelt geen afzonderlijke genade mede, geen wedergeboorte of levensvernieuwing, maar wel wil de Heere door den


1) Kerkelijke Adviezen II. 21.

|355|

doop het verbond verzegelen, en daardoor het geloof versterken. Om die reden heeft ook de gemeente recht op de geloofsverzegeling, en op het volgen van den regel, dat de doop zoo spoedig mogelijk bediend wordt. Ook wordt in dezen weg een bezwaar weggenomen voor de ouders die hun kind door den dood moeten afstaan. Ook al weten zij, dat de doop aan den eeuwigen staat van hun kind niets verandert, en dat hun kind niet om het gemis van den doop verloren gaat, kan, indien zij den doop willekeurig hebben vertraagd, toch hun geweten onrustig kloppen, en kan hun hart zich bezwaard gevoelen. Doch in den weg van een gehoorzaam opvolgen van Gods geboden behoeft dit bezwaar hen niet te kwellen en kunnen zij, wanneer hun hart leeft in des Heeren werk, den troost des verbonds genieten. En opdat de regel voor een spoedige doopsbediening kan worden gevolgd, is het noodig dat elke kerk zoo mogelijk telken rustdag, en zoo er weekdiensten gehouden worden, ook in de week de gelegenheid voor de doopsbediening openstelle.

De moeder behoeft niet bij den doop tegenwoordig te zijn, daar de doop een verbondshandeling is, waarbij de vader het gezin vertegenwoordigt. Wanneer de vader niet een volgerechtigd lid der gemeente is en de moeder wel, moet natuurlijk gewacht worden tot de moeder haar kind kan presenteeren, maar wanneer de vader dit kan doen, is het niet noodig het herstel der moeder af te wachten. Dat wil niet zeggen, dat met de moeder bij den doop niet moet gerekend worden. De H. Schrift eert de vrouw en de moeder zeer hoog, en de kerk heeft niet het recht haar gering te achten. Zij is toch de moeder en bekleedt een gewichtige plaats in de opvoeding. Maar ook al kan de moeder persoonlijk niet tegenwoordig zijn, en al is zij aan haar leger gebonden, toch is zij, als zij den doop recht verstaat, in den geest tegenwoordig, wanneer de Heere Zijn verbond bezegelt en haar kind in de vergadering der gemeente den doop ontvangt, en spreekt zij in en met haar man het „Amen” uit op de goddelijke beloften en verplichtingen, en zij dankt even innig haren God voor den rijkdom Zijner goedertierenheid aan haar en haar gezin bewezen als dat zij zelve bij den doop tegenwoordig was.

Doch al behoeft de moeder niet tegenwoordig te zijn, zij mag wel tegenwoordig zijn. En indien de moeder tegenwoordig is bij de doopsbediening, dan zou het een krenkend onrecht zijn, wanneer zij niet in de gelegenheid wordt gesteld, op de doopvragen te antwoorden. De duidelijke en teedere onderwijzing en de voorzichtig wijze leiding in dezen maakt de gemeente gezond en krachtig en dient mede tot opbouw der gemeente en den opbloei van het geestelijke leven.

Bouwman, H. (1934) § 86

|356|

§ 86. De plaats van den Doop.

In den eersten tijd der christelijke kerk doopte men overal waar water was, in de stroomen, in de rivieren, in de zee, in meren en vijvers, bij de bronnen, en wanneer de noodzakelijkheid dit vereischte, in de catacomben, in de gevangenissen en in de particuliere huizen. Jezus werd gedoopt in den Jordaan, de kamerling in een stroom, de stokbewaarder in de gevangenis. Het voorbeeld van den Heere Jezus bewoog in de eerste eeuwen velen om een rivier of ander stroomend water te kiezen voor den doop 1). Toen het christendom vrijheid van de uitoefening van de religie gekregen had, haastte men zich terstond om afzonderlijke doopkerken op te richten. Men bouwde deze gaarne op plaatsen in de nabijheid van een beek of een rivier of waar een bron ontsproot. Dit bouwen van doopkerken was in het Westen noodig, omdat de doop daar niet steeds in de open lucht kon worden bediend vanwege de koude, en voorts omdat in dien tijd alleen de bisschop voor de doopsbediening in de dioecese gerechtigd was. Toen het aantal christenen zoo sterk was toegenomen, dat de bisschop niet meer alleen den doop kon bedienen, en dit recht ook aan de priesters werd verleend, verrezen op meerdere plaatsen doopkerken, terwijl vooral sedert de negende eeuw men ophield afzonderlijke doopkerken te bouwen, en de doopsbediening bijna zonder uitzondering geschiedde in de parochiekerken. De doop in private woningen werd verboden. Het kostte wel moeite om de christenen overal er aan te gewennen, dat de doop alleen in de kerken mocht worden bediend, maar eindelijk zegevierden toch de kerkelijke vergaderingen, en werd in het Rituale Romanum dit beginsel aldus geformuleerd, dat de kerk is de plaats der doopsbediening, en dat zij alleen in private plaatsen mag plaats hebben in gevallen van noodzakelijkheid 2). Ook in de Grieksche kerk geldt deze regel 3), maar hier geschiedt de doop veelal in huis, wanneer het kind zwak of het weder zeer ruw is. Het doopbekken op een draagbaar onderstel wordt door den priester meegebracht, want het kind moet in een doopbekken, dat de vereischte diepte heeft, gedoopt worden. Het kind wordt geheel naakt in rechte houding, met het aangezicht naar het Oosten, driemaal ondergedompeld. De doop is dus in de Grieksche en in de Roomsche kerk niet verbonden aan de bediening des Woords.

De Reformatie zocht den band tusschen de doopsbediening en de


1) Justinus, Apologie; Tertullianus, de Bapt. 4; Clemens, Recognit. l. IV, c. 32.
2) Rit. Rom., tit. II, c. 1, 28, 29.
3) Kattenbusch, Lehrb. d. vergl. Konfessionskunde I, S. 406 f.; Sokolow, Darstellung des Gottesdienstes der orth.-kath. Kirche des Morgenlandes, 1893, S. 125.

|357|

openbare vergadering der gemeente te herstellen. Maar wijl Luther geloofde, dat de doop een genademiddel was, voor de zaligheid noodig, kwam vanzelf de huisdoop in gevallen van noodzakelijkheid op. De gewoonte om in huis ook gezonde kinderen te doopen ontstond in de 17e eeuw en werd in de 18e algemeen, vooral onder invloed van het al sterker wordend standsverschil 1), waardoor de adel en de hoogere standen zich van de boeren- en burgerstanden wilden onderscheiden, tengevolge waarvan het trouwen in huis, huisdoop, afzonderlijke begrafenisgewoonten en huiscommunie plaatsvonden. Ook in de Gereformeerde en de Roomsche kerk slopen deze verkeerde gebruiken in. Wel kwamen hiertegen, vooral in de 19e eeuw, bezwaren in, maar de misstanden werden niet overwonnen. In de Luthersche kerk van dezen tijd is, zooals Rietschel opmerkt 2), de doopsbediening bijna geheel van haar kerkelijk karakter beroofd, en wordt in de breede lagen des volks de doopsbediening beschouwd als een plechtigheid, die eigenlijk alleen betrekking heeft op den dooper en het kind, waaraan alleen de peeten deelnemen. De doop wordt in den regel in de kerken bediend, wanneer er geen gemeentegodsdienst is, zoodat, wanneer er geen nieuwsgierigen tegenwoordig zijn, de kerk ledig is. Daarbij komt nog de vaste en onoverwinnelijke gewoonte, dat de ouders wegblijven van den doop. De moeder is niet tegenwoordig, omdat de doop spoedig na de geboorte plaats grijpt, terwijl onder den invloed van de magische beschouwing van het sacrament het wegblijven van den vader tot een vaste gewoonte is geworden.

De Gereformeerden daarentegen zijn van oordeel, dat de plaats van den doop wel niet op zich zelve waarde geeft aan den doop, alsof de doop krachteloos zou zijn, die niet in de vergadering der geloovigen is bediend, maar dat terwille van de orde, ter voorkoming van misbruik, en tevens omdat de doopsbediening is een deel van den kerkedienst, het noodig is dat de doop in de vergadering der geloovigen publiek moet worden bediend. Calvijn schreef hierover aan Alciati in Genève (11 Oct. 1554): „Doch moet één ding vóór alles bedacht worden. Omdat dit sacrament is de heilige plechtige opneming in de kerk Gods en het getuigenis van ons hemelsch burgerrecht, dat allen bezitten, die God tot Zijne kinderen aangenomen heeft, zoo mag de doop niet bediend worden dan in de vergadering der geloovigen. Niet dat daarvoor juist een tempel vereischt wordt, maar er moet toch minstens een zeker aantal geloovigen samengekomen zijn, die de kerk voorstelt, en dat de bedienaar des doops als dienaar des Woords moet erkend zijn. Want


1) Drews, Der Einfluss der gesellschaftlichen Zustande auf d. kirchl. Leben, Tüb. 1906.
2) G. Rietschel, Lehrb. d. Liturgik II, 1909, S. 112.

|358|

indien men een kind doopte in het geheim, zonder getuigen, dan zou dat niet overeenkomen met de orde, door Christus ingesteld, noch met het voorbeeld der apostelen. Alzoo is noodig, dat het kind gedoopt wordt in een gemeenschap, die zich voor goed van de besmetting des pausdoms heeft afgezonderd.”

De theologen van Genève antwoordden 1) op de vraag: „Of in een geval van noodzakelijkheid de dienaars des goddelijken Woords moeten of kunnen gaan naar de bijzondere woningen en daar kinderen doopen, in het bijzonder geroepen door de ouders dier kinderen onder voorwendsel van het bevel van Christus op te volgen en tot hun vertroosting?”: „Wij raden, dat in de publiek geïnstitueerde kerken de doop niet anders bediend wordt dan in een openbare samenkomst, wanneer de geloovigen op den gewonen tijd zijn samengekomen om het Woord Gods te hooren; en dat, deels, opdat de sacramenten, zooals in het paus-dom geschied is, niet van het Woord Gods worden afgescheiden, en weder in zekere magische plechtigheden vervormd worden; deels opdat het grove bijgeloof omtrent de absolute noodzakelijkheid van den uiterlijken doop uit de harten der menschen worde uitgeroeid. Want het is zeker dat niet het gemis, maar de verachting van den uitwendigen doop iemand des eeuwigen doods schuldig maakt. Dergelijke verachting treft evenwel niet hen, die met inachtneming van de orde der kerk, zonder hun schuld, hunne kinderen die moeten gedoopt worden niet ten doop hebben kunnen aanbieden”.

Ook andere Gereformeerde theologen stemmen met dit gevoelen in, terwijl dit beginsel ook door de oude Nederlandsche synoden gehandhaafd werd 2). Reeds te Wezel werd uitgesproken, dat de doop zal bediend worden nergens anders, noch op eenige andere wijze dan in de samenkomsten der kerk bij de prediking, en op de synode van Dordrecht (1578, Art. 60) werd dit bevestigd: „Men zal den doop niet bedienen dan in de predikatie”. De redenen, daarvoor aangevoerd, waren: 1º Wanneer de doop bediend werd ook buiten de samenkomsten der gemeente, zou er groote verwarring, wanorde en misbruik kunnen ontstaan; 2º de bediening van den doop is deel van den kerkedienst, welke niet minder dan andere deelen van den eeredienst publiek moet worden uitgeoefend; 3º de kinderen worden evengoed als de volwassenen door den doop in de gemeenschap der kerk ingelijfd, en dit mag niet geschieden zonder medewerking van de kerk 3). De doop wordt toch in onze Geloofsbelijdenis genoemd een teeken en zegel, „waardoor wij in


1) Zanchius, Epistolae, Lib. I; Voetii, Pol. I. 729.
2) Dordrecht 1578, art. 60; Middelburg 1581, art. 39; Den Haag 1586, art. 50; Dordrecht 1618/19, art. 56.
3) Voetius, Pol. Eccl. I. 726-29; Vitringa, Doctrina VII. 172.

|359|

de kerk Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheel Hem toegeëigend te zijn” en deelgenooten van het verbond en de genade. Maar deze orde werd door onze kerken niet gesteld, dat zij geen enkele uitzondering wilden toelaten voor de kerken onder het kruis, of voor de geloovigen, die verstrooid onder hun vijanden leefden of voor de eerste beginselen der kerken. Maar dan moesten er zooals reeds te Wezel werd verklaard eenige geloovigen bij tegenwoordig zijn. De Gereformeerden leerden dus volstrekt niet, dat de doop, bediend buiten de openbare vergadering der gemeente, onwettig was, maar dat deze bediening slechts in gevallen van noodzakelijkheid geoorloofd was. Daarin was zelfs in de oude kerkenordeningen voorzien.

Of de vergadering der gemeente in een daarvoor bestemd kerkgebouw, of in een schuur, of in een huis, of in de open lucht gehouden wordt, doet er in het wezen niets toe of af. Bij de opkomst van de Reformatie, toen men nog geen eigen gebouwen had, doopte men in particuliere huizen. Op den 25sten Juni 1572 werden te Dordrecht vier kinderen gedoopt onder de groote linde, die in de Kloveniersdoelen stond 1). Kinderen van soldaten werden wel in de legerplaats gedoopt, daar ook vrouwen der soldaten in of nabij de legerplaats woonden, gelijk ook in het leger wel het avondmaal werd bediend 2). Zoo werden ook aan boord kinderen door den scheepspredikant gedoopt. Toen de Gereformeerde kerk gevestigd was in ons land, waren de leden der kerk gehouden, hunne kinderen te laten doopen in de kerk ter plaatse waar zij woonden. Het was verboden zijn kind te laten doopen in een naburige kerk, wanneer in eigen kerk een predikant was, tenzij de predikant ter plaatse daarvoor consent gaf. Wanneer er geldige redenen waren, b.v. ziekte of afwezigheid van den predikant, zoodat er geen godsdienstoefening gehouden werd, of de wegen onbegaanbaar waren, kon men verlof verkrijgen om het kind in een gunstiger gelegen plaats te laten doopen, waarvan natuurlijk aanteekening werd gehouden. Voor schipperskinderen gold de uitzondering, dat zij konden gedoopt worden ter plaatse waar zij tijdelijk vertoefden, terwijl ook wel voor schippers, die verhinderd waren hunne kinderen in de gewone godsdienstoefening en op Zondag of in de week te laten doopen, een buitengewone dienst werd toegestaan 3). Een verzoek van een volwassene, die zich schaamde om in de volle vergadering der gemeente gedoopt te worden, en die verzocht den doop te ontvangen in den kerkeraad, werd door de synode


1) Schotel, Kerkelijk Dordrecht, 1841, bl. 57.
2) Voetius, Pol. Eccl. III. 416; Acta d. Syn. v. Zuid-Holland 1641, art. 4, 30; 1642, art. 23; 1643, art. 24; Syn. ’s Gravenhage 1591, art. 36.
3) Olthuis, Doopspraktijk, bl. 120.

|360|

van Dordrecht (1578, vr. 28) afgewezen. Hij zal daarover vermaand worden. Doch hem werd toegestaan in een andere gemeente, waar men hem niet kende, gedoopt te worden. Doch hij moet daarvoor ontvangen een goed getuigenis van de plaats, waarin hij woonachtig is 1). In zeer bijzondere gevallen werd, om menschen, die zwak stonden in het geloof, opdat zij niet tot den doop der Roomschen of der sectariërs de toevlucht zouden nemen, tegemoet te komen, wel eens buiten de gewone diensten op Zondag of in de week, een privaat-publieke dienst georganiseerd, waarin de doop evenwel niet zonder eenige verklaring van Gods Woord werd bediend. En in plaatsen, waar zelden gepredikt werd en nochtans kinderen moesten gedoopt worden, werd een tijd bepaald, dat men daar de kinderen ten doop kon aanbieden. „Ende men sal een teijken met der clocke gheuen, t’ volck te samen roepen, ende een corte predick van den Doope doen” 2). De regel bleef echter gehandhaafd, dat er geen doop mocht worden bediend zonder prediking des Woords 3), en buiten de vergadering der geloovigen.

De huisdoop werd door de Gereformeerde kerken niet goedgekeurd. De Luthersche kerk heeft den huisdoop toegestaan in alle gevallen waarin de bedienaar het noodig keurt. De Roomsche kerk erkent den huisdoop voor vorstenkinderen, zieken en gevangenen. De Gereformeerden wilden niet een uitzondering maken op den regel voor vorstenkinderen, doch wel voor zieken en veroordeelden. Het convent van Wezel (c. VI. 2) oordeelde het goed, dat in bijzondere gevallen, vooral in den aanvang der kerk, rekening gehouden werd met de zwakheid der menschen, en stond toe om „de kinderen, die met krankheid bezocht zijn, aan huis te doopen", maar dat er eenige geloovigen bij moesten komen, om zoodoende eenigermate „een vergadering van geloovigen” te hebben. Telkens bij vernieuwing kwam de vraag op de synoden of men in geval van krankheid wel aan huis kon doopen, maar ook telkenmale maanden de synoden aan tot voorzichtigheid om niet toe te geven aan de superstitie, en om bij den regel te blijven 4). Later kreeg men moeite met misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, en in de gevangenis wilden gedoopt worden, en met zieken, die, in stervensnood zijnde, den doop aan huis begeerden. De Zuid-Hollandsche synode van Delft (1586, Art. 39), door de Noord-Hollandsche om advies gevraagd, was van oordeel, dat men in zulke gevallen den huisdoop kon toestaan. Evenwel


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 215; II. 72; III. 152; VII. 203.
2) Voetius, Pol. Eccl. I. 729; Syn. v. Dordrecht 1574, art. 59; Acta v. Wezel, c. VI, art. 2.
3) Syn. 1574, art. 58; 1578, art. 28, 60.
4) Syn. v. Zutphen 1580, art. 9; Vlissingen 1581, part. vr. 3; Groningen 1607, sess. 3.

|361|

moest men eerst zoodanige personen onderrichten uit Gods Woord, dat de zaligheid niet aan den doop gebonden is. Blijven zij echter bij hunne begeerte volharden, dan mag de doop bediend worden, met voorafgaande goedkeuring van den kerkeraad en in tegenwoordigheid van een goed aantal geloovigen, en nadat degene die begeert gedoopt te worden beloofd heeft, dat hij, wanneer hij mocht herstellen, tot het avondmaal zou komen. Op de synode van Dordrecht (1618/19) werd opnieuw over deze kwestie gehandeld. De Noord-Hollandsche afgevaardigden gaven thans een zeer beslist advies. Zij wilden blijven bij het gevoelen van de drie nationale synoden, dat de doop alleen in de publieke diensten zou worden bediend, en dat men degenen, die zoodanigen doop begeer­den, uit Gods Woord zou onderwijzen, dat de doop niet, zooals dit in het pausdom geschied is, van de prediking van Gods Woord mag worden gescheiden, en dat de bijgeloovige gedachte van de absolute noodzakelijkheid van den doop uit de harten der menschen moet uitgeroeid worden. De synode van Dordrecht evenwel nam, misschien onder den invloed van Zuid-Holland en van Utrecht, een toegeeflijker standpunt in en stond den huisdoop in gevallen van grooten nood toe, mits in tegenwoordigheid van den kerkeraad, als representeerende de gemeente. De synode heeft dit besluit niet in de Acta opgenomen, waarschijnlijk uit vrees voor misbruik. De kerkeraad moest beoordeelen wanneer het geval van nood aanwezig was 1). Van deze vergunning der Dordtsche synode werd weinig gebruik gemaakt. Zelfs ten tijde van de pest, die in 1636 woedde, toen verzocht werd kinderen van pestlijders, ter voorkoming van besmetting van anderen, niet in de kerk, maar onder den blauwen hemel te doopen, week men van de gewone orde niet af 2). In 1690 werd te ’s Gravenhage 3) een Jood, die ter dood veroordeeld was, na belijdenis op zijn verzoek met goedvinden des kerkeraads gedoopt. In een geval, dat voor zieke kinderen huisdoop gevraagd werd, omdat er gevaar bestond dat zij bij „de papen” ter doop gebracht werden, besloot de synode van Gouda (1620, Art. 71), dat dit door de kerkenorde verboden werd. De Geldersche synode (1580, p. 17) wilde beslist van geen huisdoop weten. Ook wanneer in bijzondere gevallen, b.v. als de doopsheeren dit wenschten, huisdoop niet wel te vermijden was, werd daartoe een bijzondere dienst, waarin leden der gemeente met den