Kerkorde GKN (1971)

Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland

Bron: 

Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, vastgesteld door de generale synode van Assen (1957) met de door volgende synoden daarin aangebrachte wijzigingen en aangevuld met een aantal annexe bepalingen uitgegeven op last van de generale synode van Sneek (1969) van deze Kerken (Kampen: Uitgeversmij J.H. Kok N.V, 1971)

Kerkorde GKN (1971) Wv

 

De uitgave van de herziene kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland die hiermede het licht ziet, dient ter vervanging van de voorlopige uitgave, waarvoor jarenlang door het Algemeen Kerkelijk Bureau werd zorg gedragen. Zij bevat, naast de tekst van de kerkorde zelf, ook nog een aantal annexe bepalingen, die in de loop der jaren door generale synoden vastgesteld werden. Wat de tekst betreft, zij er nog op gewezen dat deze, overeenkomstig de opdracht der synode, in formeel opzicht een definitieve revisie heeft ondergaan. Bij deze revisie hebben de artikelen der kerkorde nu een geheel doorlopende nummering ontvangen.

De verwijzing naar Bijlagen welke men bij diverse artikelen aantreft, is alleen van belang voor gebruikers van een andere uitgave, die binnen afzienbare tijd zal verschijnen. In deze grote uitgave worden allerlei synodale regelingen en andere voor de kerken belangrijke stukken opgenomen. Zij zal daarom met name aan ambtsdragers en aan bureaus der kerken te stade komen.

Daarnaast is er toch evenzeer plaats voor een uitgave van meer beperkte omvang, gelijk de onderhavige. Zij volstaat met het bieden van algemene informatie ten aanzien van de thans geldende kerkorde. Zij zal goede diensten kunnen bewijzen aan de brede kring van gewone leden der kerk, die belangstelling hebben voor de gang van zaken in de kerk.

Deputaten voor de kerkorde

Augustus 1971

Kerkorde GKN (1971) Inl

Inleiding

Kerkorde GKN (1971) Art. 1

Inleiding

Artikel
1

1. Naar het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40, dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden, wordt in deze kerkorde een aantal regelen gegeven voor het leven en werken van de kerk, met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is.
2. De voornaamste onderwerpen, die in de kerkorde achtereenvolgens ter sprake gebracht worden, zijn: de ambten van de kerk, de vergaderingen van de kerk, het werk van de kerk, het vermaan en de tucht van de kerk, en de betrekkingen van de kerk naar buiten.

 

Opmerking
Tot de Gereformeerde Kerken in Nederland worden ook gerekend de kerken, samenkomende in de ,,Synode der altreformierten Kirche in Niedersachsen" (welke naam 26 mei 1970 werd veranderd in ,,Evangelisch-altreformierte Kirche in Niedersachsen"), welke gevormd wordt door de classis Bentheim en de classis Oost-Friesland. Deze synode heeft onder bepaalde beperkingen de rechten van een particuliere synode. Een en andre is nader omschreven in de door de generale synode vastgestelde Regeling (Utrecht 1959, acta art. 104).

Kerkorde GKN (1971) H1.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H1.I.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
2

1. De ambten, waaraan in opdracht van Christus het dienstwerk in de kerk is toevertrouwd, zijn die van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken.
2. Deze ambten zijn van elkander onderscheiden, niet in waardigheid of eer, maar in opdracht en werk.

Kerkorde GKN (1971) Art. 3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
3

1. Niemand zal in de kerk enig ambt vervullen zonder daartoe op wettige wijze geroepen en daarin bevestigd te zijn.
2. Voor de roeping tot enig ambt komen slechts in aanmerking belijdende leden, die voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen.
3. Indien tot het ambt van dienaar des Woords een vrouwelijk belijdend lid wordt geroepen, zal haar in de regel een bijzondere opdracht worden gegeven.

Zie artikel 19

Kerkorde GKN (1971) Art. 4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
4

1. De roeping tot het vervullen van een ambt wordt uitgebracht door de kerkeraad.
2. De kerkeraad brengt deze roeping uit in de regel op grond van een onder zijn leiding gehouden verkiezing door de gemeente. Deze verkiezing geschiedt uit een aantal door de kerkeraad voorgestelde candidaten, dat in de regel het dubbele is van het aantal te vervullen plaatsen. De kerkeraad kan echter ook in een vacature slechts één candidaat voorstellen; hij zal dan mededeling aan de gemeente doen van de redenen, die hem daartoe genoopt hebben.
3. De kerkeraad kan de leden der gemeente tevoren in de gelegenheid stellen de aandacht te vestigen op voor het ambt geschike personen.
4. De verkiezing geschiedt, na gebed, door de stemgerechtigde leden der gemeente overeenkomstig de door de kerkeraad vastgestelde regeling.
5. De kerkeraad zal de namen van de beroepen ambtsdragers op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente voordragen om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging. Indien geen bezwaren zijn ingekomen, of de kerkeraad de ingebrachte bezwaren niet genoegzaam gegrond acht, zal de bevestiging in een kerkdienst plaats hebben, met gebruikmaking van de daarvoor vastgestelde formulieren.

Kerkorde GKN (1971) H1.II.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Kerkorde GKN (1971) Art. 5

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
5

1. Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.
2. Hij die een zodanige opleiding ontvangen heeft, hetzij aan de Theologisch Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de faculteit der godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit, kan zich, onder overlegging van de benodigde getuigschriften, aanmelden bij de classis waaronder de kerk van zijn woonplaats ressorteert, om zich te onderwerpen aan het praeparatoir examen. Wanneer hij dit examen met goed gevolg heeft afgelegd, zal de classis hem als proponent beroepbaar stellen. Een en ander zal geschieden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten aanzien van hem, die elders een theologische opleiding ontvangen heeft, zal de classis, bij welke hij zich aanmeldt, handelen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
4. Voor de uitzending als missionair dienaar des Woords is, naast de in lid 1 bedoelde opleiding, nog een bijzondere opleiding vereist aan het zendingsseminarie.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 5

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
5

Examens

A. De classis stelt als proponent beroepbaar en verleent de aanvrager hiervan acte, nadat aan het volgende is voldaan:

1. De aanvrager legt de volgende bescheiden over:
a. bewijs van met goed gevolg afgelegd candidaatsexamen, hetzij aan de Theologische Hogeschool, hetzij aan de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit;
b. een getuigschrift van de kerk of kerken tot welke hij gedurende de laatstverlopen twee jaren behoorde;
c. in geval van aan de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit ontvangen opleiding, getuigschrift van deze faculteit.

2. Een door de classis aangewezen commissie, bestaande uit twee predikanten en een ouderling, doet onderzoek naar de beweegredenen, die de aanvrager leidden om te staan naar het ambt van dienaar des Woords. Dit onderzoek vindt plaats, voordat de classis vergadert, en dient een bevredigend resultaat te hebben. Deze commissie gaat voorts na of de sub 1 bedoelde bescheiden in orde zijn en rapporteert over haar werkzaamheden aan de classis.

3. De classis doet, na gunstig advies van de commissie, onderzoek naar:
a. de geschiktheid voor de prediking, waartoe de aanvrager acht dagen tevoren bij de sub 2 bedoelde commissie een preek in drievoud moet inleveren, handelend over een tekst welke hem tenminste veertien dagen tevoren door de commissie werd opgegeven.
Er dient voor gezorgd te worden, dat een afschrift van de preek aan alle afgevaardigden naar de classicale vergadering wordt verzonden;
b. de vertrouwdheid met de leer en de belijdenis der kerk.

4. Na gebleken bevredigend resultaat van het onderzoek zal de aanvrager het ondertekeningsformulier van proponenten, nadat het hem is voorgelezen, ondertekenen. De classis zal hem hierna beroepbaar stellen.

5. Indien de candidaat bij de beroepbaarstelling belangrijke redenen blijkt te hebben om voorlopig niet een eventuele beroeping in overweging te nemen, zal de classis hiervan bij de beroepbaarstelling uitdrukkelijk mededeling doen en hem voor één jaar preekconsent verlenen. Dit consent kan telkens met een gelijke termijn worden verlengd, na aanvraag die drie maanden vóór het verstrijken van de termijn bij de classis moet worden ingediend; deze aanvraag moet met redenen zijn omkleed en vergezeld gaan van een getuigschrift van de kerk of kerken, tot welke hij gedurende de bedoelde periode heeft behoord.

6. De classis kan een proponent, die een op hem uitgebracht beroep afgewezen heeft, ter verantwoording roepen over de vraag of het hem ernst is met het voornemen te staan naar het ambt van dienaar des Woords.

B. De classis, waartoe een kerk behoort, welke een beroep heeft uitgebracht op een proponent zal de approbatie voor zijn bevestiging in het ambt van dienaar des Woords verlenen en daarvan acte aan hem geven, nadat aan het volgende is voldaan:

1. De beroepen predikant legt de volgende bescheiden over:
a. de wettige beroepsbrief en annexe bepalingen voor salaris, emolumenten en emeritaatsrechten;
b. een verklaring dat het beroep is aangenomen;
c. een getuigschrift van de kerk of kerken, tot welke hij gedurende de laatste twee jaren behoorde;
d. de verklaring van de kerkeraad dat de naam van de beroepene gedurende twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente is voorgedragen zonder dat wettige bezwaren werden ingebracht;
e. de acte van de classis, welke hem het recht verleende om te proponeren.

2. De classis beoordeelt een preek van de proponent over een, door hemzelf gekozen, tekst. De proponent heeft veertien dagen van tevoren deze preek toegezonden aan de scriba van de classis, in een aantal dat door de scriba is opgegeven. Een door de classis ingestelde commissie tot regeling van de examens stelt een schriftelijke beoordeling van deze preek op.
De scriba zendt het benodigde aantal van de preek en de preekbeoordeling toe aan de kerken, de deputaten der particuliere synode en de examinatoren, ten minste drie dagen voordat de classis vergadert.
De classis beoordeelt deze preek in het bijzijn van de examinandus, die ook de preekbeoordeling van tevoren heeft ontvangen en aan wie het recht verleend mag worden om te repliceren. Daarna zal de classis in comité uitspreken, of zij bezwaar heeft het onderzoek voort te zetten. Na het toestemmend oordeel van de classis en de deputaten zal de candidaat peremptoir geëxamineerd worden.

3. Het peremptoir examen zal gaan over de volgende vakken:
Exegese van een gedeelte van het Oude Testament, dat hem tien dagen van tevoren is opgegeven, gedurende ten minste tien minuten.
Exegese van een gedeelte van het Nieuwe Testament, dat hem tien dagen van tevoren is opgegeven, gedurende ten minste tien minuten.
Kennis van de Heilige Schrift, gedurende ten minste tien minuten.
Dogmatiek, gedurende ten minste dertig minuten.
Ethiek, gedurende ten minste vijftien minuten.
Kerkgeschiedenis en kerkrecht, gedurende ten minste vijftien minuten.
Ambtelijke vakken, gedurende ten minste vijftien minuten.

4. Het peremptoir examen zal worden afgenomen ten overstaan van de classis en de deputaten der particuliere synode door examinatoren welke zullen worden aangewezen door de classis in overleg met die deputaten.
De classis bepaalt hoe lang aan de leden van de classis gelegenheid tot navraag zal worden gegeven, terwijl de tijd voor navraag door deputaten niet begrensd mag worden.
Nadat het examen is afgenomen zal in comité aan de examinatoren een waarderingsoordeel worden gevraagd, daarna zullen eerste de classis en tenslotte de deputaten zich uitspreken over de uitslag van het examen. Het examen moet voldoende zijn naar het overeenstemmend oordeel van classis en deputaten.

5. De beroepen proponent ondertekent het ondertekeningsformulier voor predikanten, nadat het hem is voorgelezen.

6. Hij verklaart zich bereid de pastorale begeleiding van een daartoe aangewezen mentor voro de tijd, door de generale synode bepaald, te aanvaarden.

Sneek 1969, art. 400

Het examen wordt kosteloos afgenomen, tenzij voor dit doel een buitengewone bijeenkomst van de classis blijkt vereist te zijn, in welk geval deze aan de aanvrager de kosten in rekening kan brengen tot een bedrag van ƒ 100,—.

Amsterdam 1967, art. 354

Voor het praeparatoir examen van degenen die niet aan de Theologische Hogeschool of de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit hun opleiding hebben ontvangen, zijn dezelfde regelen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aleer de classis, bij welke de aanvrager zich heeft gemeld, overgaat tot het afnemen van het praeparatoir examen, zij zorg draagt voor een bij hem in te stellen afzonderlijk onderzoek, dat in de plaats treedt van het candidaatsexamen aan een van de genoemde instellingen. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:

1. De classis richt zich tot de hoogleraren van de Theologische Hogeschool en die van de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit met het verzoek de aanvrager te examineren in de vakken van het candidaatsexamen, welke taak zij op verantwoording van de generale synode verrichten.

2. De bedoelde hoogleraren voldoen in onderling overleg aan dit verzoek op zodanige tijd en plaats als zij goed zullen achten, doch in elk geval binnen drie maanden, echter alleen, indien de aanvrager binnen- of buitenlandse getuigschriften kan overleggen, dat hij een zodanige algemene ontwikkeling verworven heeft, als geëist mag worden tot het afleggen van academische examens.

3. De bedoelde hoogleraren verstrekken aan de aanvrager, bij gunstige uitslag, een getuigschrift, dat als bewijs aan de classis moet worden overgelegd.

Amsterdam 1892, art. 2;
Leeuwarden 1920, art. 29;
Amsterdam 1936, art. 270

De classis zal alvorens iemand beroepbaar te stellen, zich vergewissen, dat het inderdaad zijn bedoeling is terstond een eventueel beroep op te volgen. Indien hij evenwel ernstige en belangrijke redenen blijkt te hebben om voorlopig niet een eventuele beroeping in overweging te nemen, zal de classis hiervan aan de kerken mededeling doen.
Indien een proponent door het afwijzen van op hem uitgebrachte beroepingen duidelijk blijk geeft van het hem verleende recht om te staan naar het ambt van dienaar des Woords, in werkelijkheid geen gebruik te willen maken, zal de classis die hem beroepbaar gesteld heeft, hem daarover onderhouden, tenzij hij genoegzame redenen kan aanvoeren voor een dergelijke afwijzende houding.

’s-Gravenhage 1949, art. 329

Voor het preekconsent van proponenten is het volgende bepaald:

1. Het met goed gevolg afgelegd praeparatoir examen geeft de bevoegdheid om gedurende één jaar in de kerken te proponeren.

2. Indien hij verlenging van deze bevoegdheid verlangt, kan de proponent drie maanden vóór het verstrijken van de termijn zulks verzoeken aan de classis, die hem die bevoegdheid verleende, zulks onder mededeling van de gronden voor zijn verzoek en onder overlegging van een getuigschrift van de kerk of kerken, tot welke hij sedert zijn praeparatoir examen heeft behoord.
Wanneer er naar het oordeel van de classis geen bezwaren bestaan, wordt de bevoegdheid tot proponeren door haar voor een jaar verlengd.

3. Het staat aan het oordeel van de classis, of er reden is aan herhaalde aanvragen om verlenging van die bevoegdheid op overeenkomstige wijze te voldoen.

Groningen 1927, art. 112;
Amsterdam 1936, art. 269

Pastorale begeleiding

Voor allen die voor het eerst het ambt van dienaar des Woords gaan bekleden, is een pastorale begeleidign ingesteld gedurende één jaar. Deze begeleiding wordt uitgevoerd door predikanten-mentoren, die, op voordracht van de desbetreffende deputaten, voor de tijd van twee jaren worden benoemd door de particuliere synoden. Deze predikanten-mentoren die daartoe een op deze taak gerichte training ontvangen, worden voor hun arbeid afzonderlijk gehonoreerd.

Sneek 1969, art. 338

Kerkorde GKN (1971) Art. 6

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
6

1. Van de regel, dat een deugdelijke theologische opleiding vereist is, kan alleen worden afgeweken, indien op overtuigende wijze blijkt, die iemand in die mate de gaven bezit, welk voor een dienaar des Woords onmisbaar zijn, dat hij ondanks het gemis van een zodanige opleiding geacht kan worden in staat te zijn de gemeente met stichting te dienen. Onder deze gaven zijn in het bijzonder te verstaan de gave van godsvrucht, van ootmoed, van wijsheid en van geestelijk onderscheidingsvermogen, benevens het vermogen om op duidelijke en opbouwende wijze het evangelie te verkondigen.
2. Mede aan de hand van overgelegde getuigschriften van de kerkeraad van de gemeente, waartoe hij die zich heeft aangemeld behoort, en van de classis waaronder de desbetreffende kerk ressorteert, zal de particuliere synode op grondige wijze onderzoeken, of hij de genoemde gaven bezit; zij spreekt daarna uit, of hij zich zal mogen onderwerpen aan het praeparatoir examen, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 6

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
6

Met betrekking tot het praeparatoir examen gelden de volgende bepalingen:

1. Het onderzoek strekt zich uit over dezelfde onderwerpen welke genoemd worden voor het praeparatoir examen volgens artikel 5, met dien verstande dat het onderzoek naar de bekwaamheid in de uitlegging van de Heilige Schrift niet geschiedt volgens de grondtekst, maar volgens de Nederlandse vertaling.

2. Wanneer het examen met goed gevolg is afgelegd, zal de aanvrager gedurende een door de classis vast te stellen periode welke zo nodig verlengd kan worden, moeten oefenen in de kerken van de classis, waartoe deze een van de dienaren des Woords uit haar midden aanwijst om hem de nodige leiding te geven.

3. Eerst wanneer die periode van oefening tot genoegzame tevredenheid van de classis is verlopen, zal deze hem op de gewone wijze beroepbaar stellen.

Dordrecht 1893, art. 175;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 7

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
7

1. De beroeping van een dienaar des Woords zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de beroepbaarheid van degenen, die andere dan de Gereformeerde Kerken in Nederland gedien hebben, alsmede van de bepaling inzake het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature. In geheel vacante kerken zal de beroeping niet geschieden zonder het raadplegen van de consulent.
2. Ingeval de beroepene reeds als dienaar des Woords een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden, dan nadat de classis, waaronder de vacante kerk ressorteert, op grond van het overgelegde wettige getuigenis van zijn vertrek uit de kerk en de classis, waaraan hij tevoren was verbonden, en van de overgelegde goede kerkelijke attestatie van zijn leer en leven, haar approbatie verleend heeft.
3. Ingeval de beroepene tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan heeft, zal de approbatie van de classis niet worden verleend an na een met goed gevolg ingesteld onderzoek naar zijn leer en leven, welk onderzoek zal geschieden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent het peremptoir examen. De classis zal geen beslissing nemen dan met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van hun meerderheid. De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 7

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
7

Omtrent de beroepbaarheid van predikanten uit andere kerken zowel in als buiten Nederland is het volgende bepaald:

1. Zij moeten overleggen een getuigschrift aangaande belijdenis en wandel van de kerk of kerken, tot wlke zij gedurende de laatstverlopen twee jaren behoorden, of bij gebreke daarvan een verklaring welke naar het oordeel van de classis genoegzaam bewijskrachtig is.

2. Zij moeten overleggen een bewijs aangaande hun beroeping tot de dienst des Woords in de kerk welke zij gediend hebben, alsmede desgevraagd getuigschriften waaruit blijkt dat zij een zodanige algemene ontwikkeling verworven hebben als geëist mag worden tot het afleggen van academische examens, alsook een zodanige theologische kennis als verwacht wordt van degenen, die in de Gereformeerde Kerken in Nederland aan eht praeparatoir en peremptoir examen worden onderworpen.

3. Zij moeten zich onderwerpen aan een door de classis met bijstand van de deputaten der particuliere synode in te stellen colloquium aangaande de leer, waarbij het onderzoek inzonderheid zal gaan over de kennis van de gereformeerde leer en kerkregering, met dien verstande dat indien iemand reeds eerder door de Gereformeerde Kerken in Nederland was toegelaten, volstaan kan worden met een eenvoudig onderzoek, of hij aan die leer getrouw is gebleven.

Dordrecht 1893, art. 165;
Groningen 1927, art. 161;
Amsterdam 1967, art. 354

Ingeval een predikant, die vroeger aan een gereformeerde kerk was verbonden, daarna evenwel de band emt de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft verbroken, naderhand weer verlangt beroepbaar te worden gesteld, zal de classis geen beslissing mogen nemen zonder het advies van de deputaten der particuliere synode en zonder ook het oordeel van de kerkeraad van de kerk waaraan hij indertijd was verbonden, te hebben ingewonnen.

Groningen 1899, art. 153;
Amsterdam 1967, art 354

Het voor de tweede maal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature zal niet zonder toestemming der classis mogen geschieden.

Dordrecht 1893, art. 164

Inzake de datum van ontslag geldt de volgende bepaling:
a. dat deze datum in de regel zal worden gesteld op de zaterdag, volgende op de dag waarop de beroepen dienaar des Woords afscheid zal hebben gepreekt; en dat indien hiervan wordt afgeweken, de datum met onderling goedvinden van beide kerken wordt vastgesteld;
b. dat in het getuigenis van het vertrek van de beroepen dienaar des Woords de overeengekomen datum zal worden vermeld;
c. dat van de overeengekomen datum af de beroepen dienaar des Woords geheel zal komen voor rekening van de kerk die hem beroepen heeft.

Amsterdam 1938, art. 71

Er wordt bij de kerken op aangedrongen:
a. haar beroepingswerk zo te regelen, dat — gewichtige uitzonderingen daargelaten, waarover de classis zal hebben te oordelen — geen beroep wordt uitgebracht op dienaren des Woords, die nog geen vier jaren in een gemeente hebben gestaan;
b. zoveel mogelijk te vermijden, dat een beroep wordt uitgebracht op een dienaar des Woords, die over een ander beroep dat hij ontvangen heeft, nog niet beslist heeft.

Groningen 1963, art. 321;
Amsterdam 1967, art. 354

Zie ook bij artikel 5

Kerkorde GKN (1971) Art. 8

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
8

1. Proponenten en dienaren des Woords, die beroepen worden als missionair dienaar des Woords, zullen moeten overleggen een getuigschrift van het zendingsseminarie, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent hun opleiding.
2. Vrijstelling van het overleggen van dat getuigschrift kan alleen verleend worden met bewilliging van de generale synode of van haar deputaten, die met de behartiging van de algemene zaken der zending belast zijn.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 9

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
9

1. De taak van de dienaar des Woords is de bediening van het Woord aan de gemeente en al naar de gelegenheid eveneens de verkondiging van het evangelie aan hen, die vervreemd zijn van het evangelie, aan de Joden en aan de niet-gekerstende volken; de bediening van de sacramenten; het uitspreken van de zegen; de leiding van alle overige ambtelijke werkzaamheden in de kerkdiensten, als in het bijzonder het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, het doen van bekendmakingen inzake vermaan en tucht, het bevestigen van ambtsdragers, het bevestigen van huwelijken; en het catechetisch onderricht.
2. Voorts is het zijn taak, tezamen met de ouderlingen, over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen ook op andere wijze dan door de openbare verkondiging van het evangelie voor Christus te winnen.
3. De kerkeraad kan aan een dienaar des Woords een bijzondere opdracht geven en op grond daarvan hem van ene deel van de in lid 1 en 2 bedoelde werkzaamheden vrijstellen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 10

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
10

Het zal geen dienaar des Woords vrijstaan binnen het ressort van enige kerk zonder bewilliging van haar kerkeraad voor te gaan in een samenkomst, welke geacht moet worden in enigerlei vorm het karakter van een kerkdienst te dragen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 11

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
11

1. Zolang een dienaar des Woords aan zijn gemeente verbonden is, zal deze in het onderhoud van hem en zijn gezin voorzien en zich van deze plicht niet ontslagen mogen rekenen, indien hij wegens ziekte of om een andere reden zijn werk tijdelijk niet kan verrichten.
2. Indien anderen dan de kerkeraad van de gemeente, waaraan een dienaar des Woords verbonden is, mede de verantwoordelijkheid dragen voor de werkzaamheden, welke hem opgedragen zijn, kan met zijn bewilliging, geheel of gedeeltelijk, op een andere dan de in lid 1 bedoelde wijze in het onderhoud van hem en zijn gezin worden voorzien.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 11

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
11

Bij de kerkeraden wordt er op aangedrongen het traktement, indien de plaatselijke omstandigheden dit toelaten, te bepalen boven het minimum en te komen tot een regeling die ten minste overeenkomt met de salarisschaal voor de leraren bij het middelbaar onderwijs.
Voorts die van kleine kerken aan te raden zo enigszins mogelijk te komen tot combinatie met andere kerken of tot een regeling, waarbij hun predikant voor een gedeelte van zijn tijd wordt afgestaan aan een naburige gemeente of voor een bijzondere taak in dienst van de kerken.
Bij de classicale vergaderingen wordt er op aangedrongen zich er van te verzekeren dat de kerken de richtlijnen naleven.

Rotterdam 1952, art. 313, 458;
Groningen 1963, art. 208, 482;
Middelburg 1965, art. 88;
Amsterdam 1967, art. 345;
Sneek 1969, art. 386, sub 10

Zie Bijlage I

Kerkorde GKN (1971) Art. 12

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
12

1. Indien een dienaar des Woords zijn gemeente niet langer met stichting kan dienen en er toch geen reden bestaat tot het oefenen van kerkelijke tucht, zal de kerkeraad hem van zijn dienst in de gemeente niet kunnen ontslaan zonder goedkeuring van de classis, die daarbij met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten handelt.
2. De classis kan, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, een beperkende bepaling vaststellen inzake het vervullen van tot zijn ambt behorende werkzaamheden, indien de dienaar des Woords naar haar oordeel de kerken niet met stichting zal kunnen dienen. Het opnemen van een dergelijke bepaling zal evenwel een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.
3. Zolang de dienaar des Woords niet elders beroepen is, blijft de kerkeraad die hem ontsloeg, binnen de door de generale synode bepaalde grenzen, verantwoordelijk voor de voorziening in het onderhoud van hem en zijn gezin.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 12

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
12

Overwogen worde alvorens tot ontslag te besluiten, een oplossing der gerezen moeilijkheden te bereiken door aan de desbetreffende dienaar des Woords gedurende enige tijd gehele of gedeeltelijke vrijstelling van werkzaamheden te geven, al of niet in de vorm van ziekteverlof.

Sneek 1969, art. 386

Door de kerkeraad zal van een zodanig ontslag uit de dienst in de gemeente mededeling worden gedaan aan de kerkeraden der andere kerken om op deze wijze de mogelijkheid te openen dat op de ontslagen dienaar des Woords een beroep wordt uitgebracht.

Middelburg 1965, art. 179;
Amsterdam 1967, art. 354

Zie Bijlage II

Kerkorde GKN (1971) Art. 13

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
13

1. Indien de kerkeraad en de classis, met medewerking en goedvinden van de deputaten van de particuliere synode, oordelen, dat een dienaar des Woords, zonder dat er goede grond is voor het verlenen van emeritaat of voor het oefenen van kerkelijke tucht, de bekwaamheid mist om enige gemeente met stichting te dienen, zal een volledig ontslag uit de dienst slechts kunnen volgen, wanneer de particuliere synode met een meerderheid van tenminste twee derden der uitgebrachte stemmen dat oordeel bevestigd en, in geval van appèl, de generale synode deze beslissing bekrachtigd heeft.
2. Ten behoeve van het onderhoud van hem die ontslagen is, en van zijn gezin zal, ook hangende het appèl, de kerkeraad hem een uitkering doen overeenkomstig een regeling, die bij de in lid 1 bedoelde beslissing wordt vastgesteld.

Kerkorde GKN (1971) Art. 14

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
14

Het zal een dienaar des Woords niet vrijstaan zijn ambt neer te leggen. Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven, om zich tot een andere staat des levens te begeven, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, oordelen dat daarvoor bijzondere en gewichtige redenen zijn.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 14

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
14

Aan iemand die moedwillig zijn ambt neerlegde zonder bewilliging en tegen het advies van kerkeraad en classis, mag niet anders dan om zeer bijzondere redenen weer de weg tot het ambt worden geopend. Deze bijzondere redenen moeten dan niet worden gezocht in de desbetreffende persoon en diens veranderde gezindheid, maar in een op goede gronden uit de kerken opkomende aandrang, die ook de instemming ontvangt van de bedoelde kerkeraad en classis.

Arnhem 1930, art. 164;
Middelburg 1933, art. 268;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 15

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
15

Een dienaar des Woords, die, met bewilliging van de kerkeraad, met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, arbeid aanvaardt, die wel een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar die voor hem een verhindering is om zijn taak in de gemeente te blijven verrichten, zal toch de eer en de naam van een dienaar behouden en ten aanzien van zijn ambtelijke positie aan de gemeente, welke hij het laatst diende, verbonden blijven.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 15

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
15

Dit artikel is van toepassing verklaard op een dienaar des Woords, die in een volledige dagtaak als godsdienstleraar aan middelbare of andere scholen benoemd wordt. Hij kan dan ook beroepen worden door de gemeente waar zich de betreffende school bevindt, terwijl eveneens een proponent die als zodanig benoemd wordt, door een dergelijke gemeente kan worden beroepen.

Sneek 1969, art. 325

Kerkorde GKN (1971) Art. 16

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
16

Een dienaar des Woords, die door de generale synode of in overeenstemming met door haar goedgekeurde bepalingen geroepen wordt tot arbeid in opdracht van of ten behoeve van de gezamenlijke kerken, die wel een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar die voor hem een verhindering is om zijn taak in de gemeente te blijven verrichten, zal geacht worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken en de eer en de naam van een dienaar behouden.

Zie Bijlage III

Kerkorde GKN (1971) Art. 17

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
17

1. Indien een dienaar des Woords tenminste veertig jaar zijn ambt vervuld heeft dan wel de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt heeft, of door ziekte of invaliditeit niet in staat is zijn taak te blijven verrichten, en wanneer hij of zijn kerkeraad een aanvraag tot emeritaat bij de classis indient, zal hij, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, door de classis met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten emeritus worden verklaard en de eer en de naam van een dienaar behouden.
2. De classis kan, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, aan de emeritaatsverlening van een dienaar des Woords een beperkende bepaling verbinden inzake het vervullen van tot dit ambt behorende werkzaamheden, indien hij, naar haar oordeel, de kerken niet met stichting zal kunnen dienen. Het opnemen van een dergelijke bepaling zal evenwel een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.
3. De gemeente, waaraan de dienaar des Woords verbonden is, zal, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, in het onderhoud blijven voorzien en, na zijn overlijden, in dat van de door hem nagelaten weduwe en wezen.
4. Het in lid 3 bepaalde geldt eveneens voor het onderhoud van de weduwe en wezen van een dienaar des Woords, die voor het verkrijgen van zijn emeritaat is overleden.
5. Van het in lid 1 bepaalde, dat een dienaar des Woords minstens veertig jaar zijn ambt vervuld dan wel de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt moet hebben, kan voor een missionaire dienaar des Woords worden afgeweken.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 17

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
17

Instructie voor de deputaten van de particuliere synode (artikel 56).

Deputaten moeten zich overtuigen:
a. dat er een aanvraag is om emertitaat;
b. dat indien de aanvraag uitgaat van de dienaar des Woords er eveneens een verklaring is van de kerkeraad dat deze daarin bewilligt;
c. dat de in de aanvraag genoemde reden voldoet aan het ter zake in artikel 17 bepaalde, en dat indien ziekte of invaliditeit de reden is, deze blijkt uit een verklaring van twee bevoegde deskundigen, van wie althans één werd aangewezen door de kerkeraad;
d. dat de classis de aanvrage gewettigd acht, eventueel nadat zij bij verschil tussen de overgelegde verklaringen of onduidelijkheid hierin het oordeel van een derde deskundige heeft ingeroepen;
e. dat de classis zich heeft vergewist dat de kerkeraad behoorlijke toezegging heeft gedaan in zake het onderhoud van de emeritus te verklaren dienaar des Woords en diens gezin, en dat daarbij gehandeld is in overeenstemming met de bepalingen vna de generale synode; en
f. dat van een en ander een behoorlijk ondertekend stuk is opgemaakt, waarvan gewaarmerkte afschriften aan kerk en dienaar des Woords zijn verstrekt.

Arnhem 1902, art. 144

Zie Bijlage IV

Kerkorde GKN (1971) Art. 18

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
18

Een emeritus-verklaarde dienaar des Woords kan, met bewilliging van de kerkeraad der gemeente, waaraan hij verbonden is en met goedkeuring van de classis, waartoe de desbetreffende kerk behoort, voor een bepaalde periode worden geroepen tot het verrichten van ambtelijke arbeid in bepaalde hiervoor in aanmerking komende kerken, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen. Hij zal dan geacht worden in die kerk het ambt van dienaar des Woords te vervullen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 18

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
18

Bepalingen:

1. Voor het beroepen van een emeritus-predikant in tijdelijke dienst komen alleen in aanmerking kerken welker zielental niet meer dan omstreeks 300 bedraagt, zulks met goedvinden van de classis waartoe de betreffende kerk behoort. Deze classis kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van die voorwaarde.

2. Bij het beroepen van een emeritus-predikant zal door de desbetreffende kerk de periode moeten worden genoemd, gedurende welke zijn dienstvervulling wordt verwacht. Deze periode mag zich uitstrekken over ten hoogste twee jaren. Daarna moet over eventuele verlenging telkens opnieuw een overeenkomstige beslissing vallen.

3. De kerkeraad van de gemeente waaraan de emeritus-predikant die beroepen wordt in tijdelijke dienst, verbonden is, zal aan zijn bewilliging geen voorwaarden mogen verbinden, welke in strijd komen met de kerkorde en met andere bepalingen van de generale synode. Met name zal de desbetreffende emeritus-predikant zijn rechten behouden op de volledige uitkering van zijn emeritaatsgelden.

Amsterdam 1967, art. 33

De synode acht het onjuist dat nu deze algemene regeling bestaat voor kleine vakante kerken, zodanige kerken nog op andere wijze een emeritus-predikant aan zich zouden trachten te verbinden voor het vervullen van een volledige ambtelijke opdracht in vaste dienst.

Amsterdam 1967, art. 33

Kerkorde GKN (1971) Art. 19

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
19

1. Wanneer een vrouwelijke dienaar des Woords in het huwelijk treedt en wanneer een gehuwde vrouw zich aanmeldt voor het proponentschap, zal met haar gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
2. Overigens zijn alle bepalingen met betrekking tot de dienaren des Woords van overeenkomstige toepassing op een vrouwelijke dienaar des Woords, tenzij anders bepaald wordt.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 19

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
19

Bepalingen:

1. Indien een vrouwelijke dienaar des Woords het voornemen heeft in het huwelijk te treden en zij geen gebruik wil maken van de mogelijkheid om naar artikel 14 der kerkorde van haar ambt te worden ontheven, zal zij van dat voornemen tijdig kennis geven aan de kerkeraad, opdat deze over de uit dat huwelijk voortvloeiende nieuwe situatie zich nader beraden en met haar in overleg treden kan.

2. Indien het overleg resulteert in de gemeenschappelijke overtuiging dat haar gehuwd-zijn geen belemmering behoeft te vormen voor de vervulling van de desbetreffende kerkelijke opdracht, kan deze worden bestendigd of naar behoefte worden gewijzigd, zulks met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

3. Bij het nemen van de onder 2 bedoelde beslissing kan de kerkeraad daaraan de voorwaarde verbinden dat een nieuw overleg noodzakelijk zal zijn, indien in een later stadium het gehuwd-zijn naar zijn oordeel wel een belemmering gaat vormen voor de vervulling van de desbetreffende kerkelijke opdracht.

4. Indien de kerkeraad overwegende bezwaren blijkt te hebben tegen bestendiging dan wel tegen wijziging van de desbetreffende kerkelijke opdracht, zal haar ontslag worden verleend uit de dienst, met behoud evenwel van de eer en de naam van een dienaar, zulks met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

5. Met betrekking tot een gehuwde vrouw die zich aanmeldt voor het proponentschap, is het onder 2, 3 en 4 bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Sneek 1969, art. 198

Kerkorde GKN (1971) H1.III.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Kerkorde GKN (1971) Art. 20

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
20

1. Voor de opleiding tot de dienst des Woords onderhouden de kerken gezamenlijk een Theologische Hogeschool.
2. Voor de verzorging van deze Hogeschool zal de generale synode een aantal deputaten benoemen en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden. Zij worden curatoren genoemd.
3. Alles wat betrekking heeft op de inrichting en leiding van deze Hogeschool, wordt geregeld in een afzonderlijk reglement en in de overige door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Zie Bijlage V

Kerkorde GKN (1971) Art. 21

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
21

Het verband met de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit wordt door deputaten van de generale synode onderhouden volgens de overeenkomst, aangegaan met de Vereniging voor wetenschappelijk Onderwijs op gereformeerde grondslag, in welke overeenkomst de wederzijdse rechten en verplichtingen omschreven zijn.

Zie Bijlage VI

Kerkorde GKN (1971) Art. 22

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
22

1. Om in de behoefte aan dienaren des Woords te voorzien, zullen de kerken, voor zoveel nodig, aan daarvoor in aanmerking komende studenten en dienaren des Woords financiële steun verlenen, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
2. Voor de behartiging van deze zaak zal de generale synode een aantal deputaten benoemen en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden.

Zie Bijlage VII

Kerkorde GKN (1971) H1.IV.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Kerkorde GKN (1971) Art. 23

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
23

1. De ouderlingen en diakenen zullen gedurende een door de kerkeraad vast te stellen periode zitting hebben. De kerkeraad kan deze periode voor eenmaal met één jaar verlengen; hij zal dan mededeling aan de gemeente doen van de redenen, die hem daartoe genoopt hebben.
2. In de regel zal ieder jaar een deel van hen aftreden. De aftredenden zullen niet terstond herkiesbaar zijn, tenzij naar het oordeel van de kerkeraad het welzijn van de gemeente het raadzaam maakt een of meer hunner opnieuw aan de gemeente ter verkiezing voor te stellen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 24

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
24

De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen voor Christus te winnen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 25

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
25

1. De taak van de diakenen is, aan de leden der gemeente, die in stoffelijk of in ander opzicht medeleven of hulp behoeven, de christelijke barmhartigheid te bewijzen door hen met raad en daad bij te staan, en ook aan anderen, zowel in eigen omgeving als elders in de wereld, naar vermogen deze barmhartigheid te bewijzen.
2. Zij zullen tot dat doel de gaven der gemeente inzamelen en beheren en daartoe eveneens andere goede middelen zoeken en aanwenden; ook zullen zij de leden der gemeente opwekken zich persoonlijk te beijveren in het bewijzen van de christelijke barmhartigheid.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 25

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

bij Artikel
25

Werelddiakonaat

De synode besluit:

1. in samenwerking met de leden-kerken van de Raad van Kerken in Nederland te bevorderen dat — naar eis van het Evangelie — mede door een verandering van mentaliteit en levensstijl van de christenen, de steeds dieper wordende kloof tussen de zgn. rijke en arme landen overbrugd wordt;

2.a. in het verband van de Raad van Kerken in Nederland en zo nodig zelfstandig er aan mede te werken dat het inzicht in de eisen van de sociale gerechtigheid naar bijbelse maatstaf wordt verdiept en de consequenties daarvan worden voorgelegd aan de overheden, de politieke partijen en de maatschappelijke organisaties zowel in nationaal als in internationaal verband; en de zorg voro deze zaak op te dragen aan de generale deputaten voor de zending en die voor de algemene diaconale arbeid;
b. in verband met de politieke aspecten van deze vraagstukken de gemeenteleden op te wekken zich van hun politieke verantwoordelijkheid ten aanzien van het ontwikkelingsvraagstuk bewust te zijn;

3. de kerken op te wekken krachtig te streven naar ten minste een verdubbeling van de huidige inkomsten voor het werelddiaconaat om hierdoor onder meer mogelijk te maken:
a. de financiering van de voorlichting; en
b. de financiering van speciale projecten, gericht op structuurveranderingen in de ontwikkelingslanden, zulks in samenwerking met de Wereldraad van Kerken en in de geest van de besluiten van de Assemblee van Uppsala (1968) en de voorstellen van de Consultatie van Montreux (1970).

Sneek 1969, art. 398

Zie Bijlage VIII en XXIII,2

Kerkorde GKN (1971) H1.V.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De ondertekening van de belijdenis

Kerkorde GKN (1971) Art. 26

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De ondertekening van de belijdenis

Artikel
26

1. De ouderlingen en de diakenen zullen in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, ten bewijze van hun volledige instemming met de belijdenis van de kerken de drie formulieren van enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen.
2. Degenen, die met goed gevolg het praeparatoir examen hebben afgelegd, zullen in de bijeenkomst van de classis, welke dat examen afgenomen heeft, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.
3. De dienaren des Woords zullen van diezelfde instemming blijk geven niet aleen door in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, de formulieren van enigheid te ondertekenen, maar bovendien door in de eerste bijeenkomst van de desbetreffende classis een afzonderlijk formulier te ondertekenen, dat door de generale synode is vastgesteld. Degenen, die tevoren niet in het ambt van dienaar des Woord gestaan hebben, zullen hetzelfde doen in de bijeenkomst van de classis, waarin zij het peremptoir examen met goed gevolg hebben afgelegd.
4. De hoogleraren in de theologie en de overige in artikel 16 bedoelde dienaren des Woords zullen, bij de aanvaarding van hun taak, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Zie Bijlage IX

Kerkorde GKN (1971) H2.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H2.I.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 27

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
27

1. De regering van de kerk en het opzicht en de tucht in de kerk zijn toevertrouwd aan haar vergaderingen.
2. Er zijn vier gewone vergaderingen: de kerkeraad, de classis, de particuliere synode en de generale synode. Van de kerkeraad worden de drie andere vergaderingen onderscheiden als meerdere vergaderingen.
3. Van deze gewone vergaderingen wordt onderscheiden de oecumenische synode, die een buitengewoon karakter draagt en waarop uitsluitend het in artikel 66 bepaalde van toepassing is.

Kerkorde GKN (1971) Art. 28

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
28

1. Deze vergaderingen hebben, elk naar eigen aard, een kerkelijk gezag, haar door Christus verleend.
2. Hetzelfde gezag, dat de classis heeft over de kerkeraad, heeft de particuliere synode over de classis en de generale synode over de particuliere synode.

Kerkorde GKN (1971) Art. 29

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
29

1. Deze vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandelen.
2. De behandeling van deze zaken zal steeds geschieden in overeenstemming met het kerkelijk karakter van deze vergaderingen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 30

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
30

1. Door een meerdere vergadering zullen behalve de zaken, die de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaan, uitsluitend zaken behandeld worden, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden en daarom door deze in de vorm van een vraag, van een instructie, van een bezwaarschrift of op andere wijze aan de orde worden gesteld, alsook zaken, ten aanzien waarvan een lid ener kerk of een vergadering bij haar in appèl is gekomen.
2. Zaken, welker behandeling tot de taak van een meerdere vergadering behoort, kunnen, behalve op grond van voorstellen van mindere vergaderingen, ook door die vergadering zelf aan de orde worden gesteld.

Kerkorde GKN (1971) Art. 31

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
31

1. De besluiten van de vergaderingen zullen steeds na gemeenschappelijk overleg en zoveel mogelijk met eenparige stemmen worden genomen. Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan zal de minderheid zich voegen naar het gevoelen der meerderheid. De besluiten van de vergaderingen dragen een bindend karakter.
2. Degenen, die enige uitspraak of handeling van een vergadering in strijd achten met de bepalingen van de kerkorde, of op andere wijze door zulk een uitspraak of handeling het welzijn der kerk geschaad achten, of menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, kunnen in appèl gaan bij de naastvolgende meerdere vergadering. Indien zij zulk een uitspraak of handeling in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord, zijn zij gehouden in appèl te gaan; in welk geval de vergadering, hangende dit appèl, hen niet zal verplichten tot het verrichten van of tot het medewerken aan enige handeling, die naar hun gevoelen tegen de bedoelde uitspraken zou ingaan, met dien verstande dat zij zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de desbetreffende vergadering gegeven aanwijzingen.
3. Ten aanzien van grensgeschillen tussen kerken reikt, voorzover niet meer dan één particuliere synode erbij betrokken is, het recht van appèl niet verder dan tot de particuliere synode.
4. Degenen, die bij een meerdere vergadering in appèl gaan, zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat appèl in acht te nemen.
5. Een vergadering kan in geval van appèl de uitvoering van een door haar genomen besluit opschorten.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 31

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

bij Artikel
31

Hoger beroep tegen enige uitspraak ener kerkelijke vergadering moet vóór de eerstvolgende samenkomst der meerdere vergadering, waarop men zich beroept, geschieden, met kennisgeving aan de scriba der vergadering, door welker besluit men zich bezwaard acht. Bij elke uitspraak moet hiervan worden kennis gegeven aan de belanghebbenden.

Dordrecht 1893, art. 185

In de beslissingen over gevallen waarin van het recht van appèl kennelijk misbruik is gemaakt, zal niet met een eenvoudige afwijzing van het ingesteld appèl worden volstaan, doch daaraan steeds worden toegevoegd een ernstige vermaning en bestraffing vanwege dat misbruik.

Sneek 1939, art. 133

Kerkorde GKN (1971) Art. 32

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
32

1. Onverminderd het recht van appèl bestaat de mogelijkheid bij enige vergadering een verzoek tot revisie van een door haar gedane uitspraak in te dienen.
2. Geen vergadering is verplicht een verzoek tot revisie in behandeling te nemen, indien niet een element in geding wordt gebracht, dat bij het doen van de uitspraak, waarvan revisie wordt verlangd, buiten beschouwing was gebleven of onvoldoende was overwogen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 33

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
33

Indien iemand zich bezwaard gevoelt over een besluit of uitspraak van de generale synode, als naar zijn oordeel in strijd met duidelijke uitspraken van Gods Woord, zullen de vergaderingen jegens hem tolerantie gebruiken, tenzij zijn wijze van optreden een bedreiging zou inhouden voor de goede werking van de kerkelijke gemeenschap ter plaatse of in het kerkverband.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 33

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

bij Artikel
33

De kerkelijke vergaderingen kunnen een broeder in diens afwijkend gevoelen dragen,  evenwel op deze voorwaarden:
a. dat dit gevoelen geen fundamenteel punt der waarheid raakt;
b. dat deze broeder dit gevoelen niet propageert en bereid is zich door de kerk te laten onderwijzen.

Utrecht 1946, art. 220

Kerkorde GKN (1971) Art. 34

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
34

1. Elke vergadering zal haar bijeenkomsten met aanroeping van de naam Gods beginnen en beëindigen.
2. Zij zal in elke bijeenkomst aan haar leden de gelegenheid geven om zo nodig elkander onderling te vermanen, in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambten.
3. Zij zal een regeling maken voor haar werkzaamheden, waarin onder meer voorzieningen worden getroffen voor de archieven en het toezicht op en de contrôle van alle financiële handelingen door of namens haar uitgevoerd.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 34

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

bij Artikel
34

Bepalingen betreffende het archief van de generale synode:

1. De Gereformeerde Kerken in Nederland, samenkomende in generale synode, hebben te Utrecht ter plaatse van het Algemeen Kerkelijk Bureau het archief. De generale synode kan bepalen dat het archief, geheel of ten dele, tijdelijk elders wordt gedeponeerd.

2. De bewaring en verzorging van het archief wordt door de generale synode toevertrouwd aan een archivaris, die een behoorlijke instructie ontvangt en onder toezicht staat van ten minste drie door de generale synode benoemde deputaten.

3. In het archief worden, behalve de bij de vaststelling van deze bepalingen reeds aanwezige stukken uit het verleden, voorts gedeponeerd alle geschreven en gedrukte acta van de generale synoden, alsmede alle rapporten en andere stukken van haar commissies, voor zover deze niet in de acta opgenomen zijn of worden; alle stukken toegezonden aan deze synoden en de copieën van de stukken van haar uitgegaan;
voorts alle rapporten, notulen en andere schrifturen van deputaten, door de generale synode benoemd.
In afwijking van het in het vorige lid bepaalde worden alle stukken van de deputaten voor de zending opgenomen in een afzonderlijk archief, dat gevestigd is in het Zendingscentrum te Baarn.

4. Het raadplegen van de in het archief opgenomen stukken wordt slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan, welke aangegeven worden in de instructie van de archivaris.

Leeuwarden 1955, art. 153;
Amsterdam 1967, art. 354

Bepalingen betreffende het inleveren van stukken voor het archief:

1. Alle deputaten zullen in hun respectieve rapporten aan de synode een clausule opnemen, waarin zij mededelen, of zij buiten het door hen ingediende rapport met de eventueel daarbij gevoegde bijlagen, nog andere stukken onder hun berusting hebben en zo ja, van welke aard deze stukken zijn.

2. De deputaten, die wegens beëindiging van hun opdracht door de synode gedéchargeerd zijn, zullen, wanneer niet opnieuw voor dezelfde taak deputaten worden benoemd, terstond na hun décharge de zich onder hun berusting bevindende stukken, voorzover deze niet bij de scriba van de synode zijn ingeleverd, doen toekomen aan de archivaris.

3. Wanneer voor een bepaald doel na décharge van deputaten weer deputaten benoemd worden, zullen zij op dezelfde wijze handelen als de onder 2 bedoelde deputaten, met dien verstande echter dat zij de vrijheid hebben lopende stukken onder hun berusting te behouden. Zij zullen hiervan nauwkeurige opgave vertrekken aan de archivaris.

Leeuwarden 1955, art. 153;
Amsterdam 1967, art 354

Kerkorde GKN (1971) H2.II.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Kerkorde GKN (1971) Art. 35

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
35

1. In elke gemeente zal een kerkeraad zijn, die gevormd wordt door haar ambtsdragers.
2. Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, zal het vrij staan onderscheid te maken tussen de brede kerkeraad, waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkeraad, waarvan de diakenen geen deel uitmaken.

Kerkorde GKN (1971) Art. 36

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
36

1. De kerkeraad heeft de leiding der gemeente, in het bijzonder het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen.
2. Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen de brede en de smalle kerkeraad, zal het opzicht over en de tucht in de gemeente bij de smalle kerkeraad berusten.
3. In het in lid 2 bedoelde geval zullen de diakenen onder leiding van één van hen afzonderlijk bijeenkomen om de zaken, die tot hun taak behoren, te behandelen.
4. De diakenen doen verantwoording van hun beleid en beheer in de kerkeraad.

Kerkorde GKN (1971) Art. 37

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
37

1. Het praesidium van de kerkeraad berust bij de dienaar des Woords of, indien er in een gemeente meer dienaren zijn, in de regel beurtelings bij ieder van hen.
2. In geval een gemeente geen dienaar des Woords heeft, berust het praesidium bij een van de ouderlingen, daartoe door de kerkeraad aangewezen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 38

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
38

1. De kerkeraad zal in de regel ten minste éénmaal per maand bijeenkomen.
2. De kerkeraad zal in een bijeenkomst, voorafgaande aan het heilig Avondmaal en met het oog op de viering daarvan, aan zijn leden de vraag voorleggen, of er reden is elkander onderling te vermanen, in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambten.
3. De kerkeraad bepaalt in zijn regeling van werkzaamheden de wijze van samenroeping van een buitengewone bijeenkomst.

Kerkorde GKN (1971) Art. 39

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
39

1. In geval een kerk ten minste drie dienaren des Woords heeft, op geen van wie het in artikel 9, lid 3 bepaalde van toepassing is, kan de kerkeraad zijn taak ten dele toevertrouwen aan een aantal in te stellen wijkkerkeraden; zelf zal hij dan als kerkeraad voor algemene zaken optreden.
2. De kerkeraad voor algemene zaken zal worden gevormd door de dienaren des Woords alsmede een aantal ouderlingen en diakenen, die in de regel door de gemeente zijn verkozen en die tevens deel uitmaken van een der wijkkerkeraden, zulks met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. De aanwijzing van de aan de kerkeraad voor algemene zaken voor te behouden en van de aan de wijkkerkeraden toe te vertrouwen zaken zal geschieden bij plaatselijke regeling, zulks met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
4. Voor wat de aan hem toevertrouwde zaken betreft is op de wijkkerkeraad van toepassing hetgeen voor de kerkeraad is bepaald.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 39

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

bij Artikel
39

Richtlijnen voor de verhouding van de kerkeraad voor algemene zaken en de wijkkerkeraden.

1.a. Het zal niet geoorloofd zijn aan niet-ambtsdragers zitting te geven in de kerkeraad voor algemene zaken noch om deze samen te stellen door afvaardiging door en uit de wijkkerkeraden; de leden van beide college zullen hun opdracht ontvangen rechtstreeks door verkiezing en benoeming.
b. Candidering, verkiezing en benoeming van ambtsdragers, die uitsluitend zitting zullen hebben in één van de wijkkerkeraden, zal binnen de wijken geschieden.
c. De leden van de kerkeraad voor algemene zaken zullen worden gecandideerd door deze kerkeraad zelf na overleg met de wijkkerkeraden, waarin zij tevens zitting (zullen) hebben; zij zullen worden verkozen door de gemeente en benoemd door de kerkeraad voor algemene zaken. Van de regel dat zij verkozen zullen worden door de gehele gemeente mag alleen worden afgeweken, indien deze wijze van verkiezing naar het oordeel van de kerkeraad voor algemene zaken — na gunstig advies van de meerderheid van de wijkkerkeraden — niet op verantwoorde wijze kan plaats vinden. Zij zullen dan worden verkozen binnen de wijken, met dien verstande, dat toch de gehele gemeente de gelegenheid behoudt haar goedkeuring te hechten aan de bevestiging van de aldus verkozen ambtsdragers naar artikel 4, lid 5 der kerkorde.

2.a. De kerkeraad voor algemene zaken en de wijkkerkeraden zullen ieder voor zich zelfstandige bevoegdheid en een eigen verantwoordelijkheid hebben in de zaken, die aan hen zijn toevertrouwd.
b. Behoudens dat reeds in de namen „kerkeraad voor algemene zaken” en „wijkkerkeraad” een zekere algemene richtlijn is gelegen voor de verdeling van de werkzaamheden over deze beide, zullen de kerken zelf deze werkzaamheden kunnen verdelen naar plaatselijke behoefte, met dien verstande, dat de werkzaamheden van elk van beide in een plaatselijke regeling zo nauwkeurig mogelijk zullen worden omgeschreven en vastgesteld, waarbij niet mag ontbreken een bepaling, hoe te handelen in alles, waarin niet is voorzien.
c. In belangrijke zaken, anders dan die genoemd worden in artikel 43, lid 2 K.O., zal de kerkeraad voor algemene zaken geen besluit kunnen nemen dan met gunstig advies van de meerderheid van de wijkkerkeraden; de plaatselijke regeling zal een omschrijving bevatten van wat tot deze belangrijke zaken gerekend wordt.
d. Beroeping van predikanten zal plaats vinden door de kerkeraad voor algemene zaken in overleg met de betrokken wijkkerkeraad.
e. De diakenen van de respectieve wijkkerkeraden kunnen voor het behandelen van zaken van algemene aard, voorzover deze niet behoren tot de bevoegdheid van de kerkeraad voor algemene zaken, een algemene diaconale vergadering vormen, welker bevoegdheid in de plaatselijke regeling omschreven zal worden.

3.a. In alle zaken van opzicht en tucht binnen de wijken, met inbegrip van de tucht over ambtsdragers, die alleen in de wijkkerkeraad zitting hebben, zullen de wijkkerkeraden bevoegd zijn; wat betreft de tucht over ambtsdragers evenwel niet dan na overleg met de kerkeraad voor algemene zaken.
b. De tucht over ouderlingen en diakenen, die zitting hebben in de kerkeraad voor algemene zaken, zal worden geoefend door deze kerkeraad in overleg met de wijkkerkeraad, waarin zij  tevens zitting hebben; de tucht over predikanten door de kerkeraad voor algemene zaken eveneens in overleg met hun wijkkerkeraden en bovendien na overleg met de andere wijkkerkeraden.

4.a. De afvaardiging naar de classis zal geschieden door en uit de kerkeraad voor algemene zaken; deze afgevaardigden zullen naar behoefte kunnen worden bijgestaan door adviseurs uit de wijkkerkeraden die dan in de classicale vergadering voor de hen regarderende zaken een adviserende stem zullen hebben.
b. Zaken, die vallen binnen het raam van hun bevoegdheden, zullen de kerkeraad voor algemene zaken en de wijkkerkeraden zelfstandig aan de orde kunnen stellen op de meerdere vergadering en een eventueel beroep tegen door hen genomen besluiten zal niet bij één van de andere colleges van dezelfde kerk kunnen worden ingesteld, maar rechtstreeks bij de classis.

Utrecht 1959, art. 452;
Apeldoorn 1961, art. 92;
Groningen 1963, art. 167;
Middelburg 1965, art. 441

Kerkorde GKN (1971) Art. 40

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
40

Het zal aan een kerkeraad vrij staan de voorbereiding of afdoening van bepaalde zaken in handen te leggen van commissies of van wijkraden; hij zal er echter op toezien, dat aan dergelijke colleges niet het gezag wordt toegekend, hetwelk aan de gehele kerkeraad toekomt.

Kerkorde GKN (1971) Art. 41

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
41

1. Wanneer een kerk geen dienaar des Woords heeft, zal de kerkeraad aan de classis verzoeken, volgens de door haar vastgestelde regeling, een dienaar des Woords uit een der naburige kerken als consulent aan te wijzen, om voorzover nodig aan de kerkeraad leidign en raad te verschaffen.
2. De kerkeraad zal in belangrijke aangelegenheden, met name in wat betrekking heeft op de beroeping van een dienaar des Woords, de consulent raadplegen.
3. De consulent woont, indien hij daartoe is uitgenodigd, de bijeenkomsten van de kerkeraad bij; aan hem kan dan het praesidium worden opgedragen.
4. De consulent is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Kerkorde GKN (1971) Art. 42

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
42

1. Wanneer in een plaats een kerkeraad moet worden ingesteld, zal dit niet gebeuren dan met medewerking en goedvinden van de classis.
2. Een zodanige kerkeraad zal ten minste uit drie leden bestaan.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 42

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

bij Artikel
42

Er wordt van uitgegaan, dat de kerkeraad zelf aan de Hoge Overheid bericht doet van de instituering, met verzoek tot plaatsing op de lijst van De Gereformeerde Kerken in Nederland. De bevestiging van zulk een bericht geschiedt door de deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid, nadat hun gebleken is dat de desbetreffende classis haar goedkeuring heeft verleend.
Hetzelfde is van toepassing voor besluiten van een kerkeraad tot splitsing van de kerk, tot ineensmelting met een andere kerk, tot wijziging in de naam van de kerk en voor andere dergelijke besluiten.

Dordrecht 1893, art. 74;
Amsterdam 1967, art. 354

De aandacht van kerkeraden van pas geïnstitueerde of samengesmolten of uit combinatie getreden kerken wordt gevestigd op de noodzakelijkheid om spoedig na haar optreden of gewijzigd bestaan hiervan schriftelijk kennis te doen aan het dagelijks bestuur der burgerlijke gemeente.
Voorts van kerkeraden in het algemeen op de mogelijkheid dat zij voor kerkgebouwen en pastorieën welke op naam van hun kerken staan, overeenkomstig artikel 25 der Wet van 26 mei 1870, vrijdom van grondbelasting kunnen verkrijgen. Ook van kerkeraden en andere kerkelijke vergaderingen op de noodzakelijkheid, dat in adressen aan Hare Majesteit de Koningin, bij het bekendmaken van de geïnstitueerde kerk, wordt verwezen naar de kerkorde van De Gereformeerde Kerken in Nederland, gelijk zij herzien is en vastgesteld door de synode van Assen (1957).

Middelburg 1896, art. 178;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 43

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkeraad

Artikel
43

1. In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht over en de tucht in de gemeente, met name in zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben.
2. Onverminderd het in lid 1 bepaalde zal in kerken, waar wijkkerkeraden zijn ingesteld, in zaken waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, de kerkeraad voor algemene zaken geen besluit nemen zonder gunstig advies van alle wijkkerkeraden.

Kerkorde GKN (1971) H2.III.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 44

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
44

1. Elke meerdere vergadering bestaat uit ambtsdragers, die afgevaardigd zijn door de in haar bijeenkomende mindere vergaderingen.
2. De mindere vergaderingen zullen zorg dragen, dat haar afgevaardigden in het bezit zijn van deugdelijke credentiebrieven, op vertoon waarvan zij stemrecht hebben, met dien verstande dat dit recht hun niet toekomt in zaken, welke hen persoonlijk of de vergaderingen door welke zij afgevaardigd zijn, in het bijzonder aangaan.

Kerkorde GKN (1971) Art. 45

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
45

De diakenen, die afgevaardigd zijn naar een meerdere vergadering, zullen niet deelnemen aan de behandeling van zaken welke betrekking hebben op het opzicht en op de tucht.

Kerkorde GKN (1971) Art. 46

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
46

1. Elke meerdere vergadering zal worden samengeroepen door de kerk, welke daartoe in haar laatstgehouden bijeenkomst is aangewezen.
2. Op de kerkeraad van de samenroepende kerk rust de zorg voor de voorbereiding van de desbetreffende bijeenkomst. Hij kan daarbij advies vragen aan de classis, indien de particuliere synode, en aan de particuliere synode, indien de generale synode moet worden samengeroepen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 47

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
47

1. De mindere vergaderingen zullen aan de samenroepende kerk zoveel mogelijk tijdig mededeling doen van de zaken, die zij wensen behandeld te zien.
2. De samenroepende kerk stelt uit de in lid 1 bedoelde gegevens, uit opgave van deputaten en uit andere bij haar ingekomen stukken een voorlopig agendum samen.
3. De meerdere vergadering zelf stelt het definitief agendum vast, mede aan de hand van instructies, bezwaarschriften, vragen en mededelingen, die aan de afgevaardigden zijn medegegeven. Zij zal op het agendum geen stukken plaatsen, ingezonden door leden van de gemeenten, wanneer niet blijkt dat dit stukken tevoren aan het oordeel van een mindere vergadering onderworpen zijn.

Kerkorde GKN (1971) Art. 48

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel
48

1. De meerdere vergaderingen zullen, naast de praeses en de scriba, één of meer leden aanwijzen, die met hen het moderamen vormen.
2. De leden van het moderamen van de particuliere en de generale synode zullen door vrije verkiezing worden aangewezen.
3. De leden van het moderamen van de classis zullen naar de huishoudelijke regeling worden aangewezen, met dien verstande dat beurtelings alle dienaren des Woords als praeses zullen optreden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 49

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
49

1. Het ressort van een classis wordt gevormd tenminste door zes in elkanders nabijheid gelegen kerken.
2. Indien het aantal kerken meer dan twintig bedraagt, zal, en indien het meer dan twaalf bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een classis worden overgegaan.
3. Splitsing van het ressort van een classis en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de particuliere synode.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 49

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

bij Artikel
49

Aan particuliere synoden en classes, in welker ressort grote steden voorkomen, wordt geadviseerd om, zo mogelijk in nauw contact met andere kerkgenootschappen en met advies van deputaten voor „Kerkopbouw” een zodanige correctie in de begrenzing aan te brengen dat het classicaal ressort zoveel mogelijk met de grootsteedse agglomeratie samenvalt.

Amsterdam 1967, art. 310

Kerkorde GKN (1971) Art. 50

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
50

1. Naar de classis zal de kerkeraad van elke kerk een dienaar des Woords, een ouderling en een diaken afvaardigen, of indien de kerk vacant is, twee ouderlingen en een diaken.
2. Ambtsdragers, die niet afgevaardigd zijn, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 51

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
51

1. De classis zal ten minste eens in het kwartaal samenkomen ter behandeling van de voorkomende zaken.
2. Het behoort met name tot haar taak toe te zien, dat de kerken haar roeping en taak nakomen, zoals die in de kerkorde staan omschreven; advies en hulp te bieden aan de kerkeraden, in het bijzonder deze bij gebleken behoefte in staat te stellen een dienaar des Woords te beroepen; en de grenzen tussen de kerken van haar ressort vast te stellen.
3. De taak van het afgeven en het in ontvangst nemen van het getuigenis van vertrek alsmede van het verlenen van approbatie met betrekking tot dienaren des Woords kan de classis, voor de periode tussen haar gewone bijeenkomsten, toevertrouwen aan twee of meer kerken. Deze kerken zullen van de daartoe te houden bijeenkomst kennis geven aan de overige kerken, in geval van ingebrachte wettige bezwaren geen beslissing nemen en voorts van haar handelingen op de eerstvolgende bijeenkomst der classis verantwoording afleggen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 51

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

bij Artikel
51

Richtlijnen voor de steunverlening aan hulpbehoevende kerken

1. Geen steun wordt verleend aan kerken, welker ledental minder dan 300 zielen bedraagt, tenzij de betrokken kerk een combinatie heeft aangegaan of een regeling heeft getroffen, waarbij haar predikant voor een gedeelte van zijn tijd aan een naburige gemeente of voor een bijzondere taak wordt afgestaan.

2. Geen steun wordt verleend, wanneer de gemiddelde bijdragen der leden van de desbetreffende kerk voor de kerkelijke arbeid lager liggen dan het landelijk gemiddelde, zoals dit blijkt uit de laatst bekende gegevens van het Algemeen Kerkelijk Bureau.

3. Van het onder 1 bepaalde kan worden afgeweken, wanneer de classis en de particuliere synode hebben uitgesproken dat een combinatie of regeling als aldaar bedoeld (nog) niet mogelijk is, met dien verstande dat generale deputaten de bevoegdheid hebben te bepalen dat deze uitzondering voor de desbetreffende kerk slechts zal gelden voor een door hen te bepalen aantal jaren. Wanneer er in die kerk een vacature bestaat, zal de steunverlening slechts worden voortgezet, indien classis, particuliere synode en generale deputaten als hun oordeel hebben uitgesproken, dat daartoe genoegzame aanleiding bestaat.

4. Bij de aanvraag om steun aan classis en particuliere synode moet worden gevoegd een door de kerkeraad, onder goedkeuring van de classis, vastgestelde taakomschrijving voor de desbetreffende predikant. Door de generale deputaten kan slechts steun worden verstrekt, wanneer uit deze taakomschrijving blijkt dat de omvang van de te verrichten werkzaamheden voldoet aan de door deputaten in acht te nemen normen, waarbij gelet zal worden zowel op het zielental der kerk als op taken buiten deze kerk, zoals met betrekking tot de evangelisatie, geestelijke verzorging in inrichtingen en dergelijke.

Groningen 1963, art. 468;
Amsterdam 1967, art. 245

Kerkorde GKN (1971) Art. 52

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel
52

1. De classis zal ieder jaar in een van haar bijeenkomsten ten minste twee van de meest ervaren en geschikte dienaren des Woords aanwijzen, om in alle kerken visitatie te verrichten. Zij kan naast deze dienaren des Woords een voor die taak bekwame ouderling aanwijzen.
2. De visitatoren zullen onderzoeken, of de ambtsdragers zowel persoonlijk als gezamenlijk hun taak getrouw vervullen, zich aan de zuivere leer houden, de bepalingen van de kerkorde en de overige besluiten der meerdere vergaderingen onderhouden en naar vermogen het hunne doen om met woord en daad de opbouw en de uitbreiding der gemeente te bevorderen. Voorts zullen zij nalatigen broederlijk vermanen, en allen met raad en daad bijstaan.
3. De visitatoren zullen van hun bevindingen schriftelijk rapport uitbrengen aan de classis.

Kerkorde GKN (1971) Art. 53

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
53

1. Het ressort van een particuliere synode wordt gevormd door de kerken van ten minste drie in elkanders nabijheid gelegen classes.
2. Indien het aantal classicale ressorten meer dan zes bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een particuliere synode worden overgegaan.
3. Splitsing van het ressort van een particuliere synode en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de generale synode.

Kerkorde GKN (1971) Art. 54

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
54

Naar de particuliere synode zal elke classis twee dienaren des Woords, twee ouderlingen en een diaken afvaardigen, of indien er niet meer dan vier classes zijn en zulks door die synode bepaald is, drie dienaren des Woords, drie ouderlingen en twee diakenen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 55

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
55

1. De particuliere synode zal ieder jaar eenmaal worden samengeroepen in gewone bijeenkomst ter behandeling van de voorkomende zaken.
2. Zij kan ook in buitengewone bijeenkomst worden samengeroepen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 56

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
56

1. De particuliere synode zal enige dienaren des Woords, uit elke classis één, aanwijzen als deputaten, met de opdracht:
a. de classes desgevraagd in moeilijkheden bij te staan en van advies te dienen;
b. de vereiste medewerking te verlenen bij het afnemen van de peremptoire examens;
c. de vereiste medewerking te verlenen bij alles wat betrekking heeft op elke vorm van ontslag uit de dienst, overgang tot een andere staat des levens, emeritusverklaring, en afzetting van dienaren des Woords.
2. Deze en alle overige door de particuliere synode met wel omschreven opdrachten benoemde deputaten zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende particuliere synode en zijn aan deze ook overigens verantwoording schuldig.

Kerkorde GKN (1971) Art. 57

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel
57

1. Het zal aan elke particuliere synode vrij staan, samen te werken met andere particuliere synoden of met classes van andere particuliere synoden, zulks evenwel niet zonder goedvinden van deze synoden, ter behartiging van belangen, die deze vergaderingen in het bijzonder aangaan, of tot het verrichten van gezamenlijke arbeid van evangelisatie, zending of anderszins.
2. Van een dergelijke samenwerking zal steeds aan de eerstvolgende generale synode kennis worden gegeven.
3. Geschillen ter zake zullen aan de beslissing van de generale synode onderworpen worden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 58

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
58

Het ressort van de generale synode wordt gevormd door de gezamenlijke kerken van de particuliere synoden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 59

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
59

1. Naar de generale synode zal elke particuliere synode twee dienaren des Woords, twee ouderlingen en een diaken afvaardigen.
2. De hoogleraren van de Theologische Hogeschool en van de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit zullen, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zitting hebben als praeadviserende leden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 60

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
60

1. De generale synode zal om de twee jaar samenkomen.
2. Als samenroepende kerk wordt in de regel beurtelings uit elk van de particuliere ressorten der particuliere synoden in Nederland een kerk aangewezen.
3. De synode kan haar zittingen verdagen, met dien verstande, dat de voortgezette zittingen zich niet mogen uitstrekken over een periode, welke verder gaat dan de tijd, waarop de particuliere synoden, die de afgevaardigden benoemd hebben, opnieuw haar gewone bijeenkomst plegen te houden.

Zie Bijlage X

Kerkorde GKN (1971) Art. 61

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
61

1. Het oordeel over de vraag, of het nodig is de generale synode te doen samenkomen binnen de twee jaren, zal staan aan de particuliere synode, tot welke de samenroepende kerk behoort.
2. De samenroepende kerk is evenwel tot samenroeping verplicht, indien het verzoek daartoe ingediend wordt ten minste door vijf classes, welke behoren ten minste tot twee particuliere synoden, of door een deputaatschap, dat daartoe door de synode gemachtigd is.

Kerkorde GKN (1971) Art. 62

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
62

1. Tot de taak van de generale synode behoort met name de aanwijzing van de door de kerken te gebruiken Bijbelvertaling alsook de vaststelling van de belijdenisgeschriften, van de kerkorde, van het psalm- en gezangboek, van de liturgische formulieren en van de orde van dienst.
2. De generale synode zal ten aanzien van deze zaken geen definitieve beslissingen nemen, zonder de mindere vergaderingen in de gelegenheid te hebben gesteld van haar gevoelen blijk te geven. Voorts zal een dergelijke belissing een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (1971) Art. 63

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
63

De leden van het moderamen van de generale synode zullen, na de sluiting van haar zitting, als haar deputaten de kerken vertegenwoordigen of doen vertegenwoordigen in alle gevallen, waarvoor geen andere deputaten aangewezen zijn, en waarin zij dit wenselijk achten, en voorts alles verrichten, wat in de huishoudelijke regeling van de generale synode ten aanzien van hun taak is bepaald. Zij zijn verantwoording schuldig aan de eerstvolgende synode.

Kerkorde GKN (1971) Art. 64

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
64

De taak om onder buitengewone omstandigheden, als in tijden van oorlog, van algemene volksrampen en van grote druk voor de kerk alsook in tijden van grote zegen voor kerk, volk en land, dagen of uren van boete, gebed of dankzegging uit te schrijven, alsook om getuigenissen op te stellen, zal de generale synode toevertrouwen aan deputaten die door haar worden benoemd.

Kerkorde GKN (1971) Art. 65

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel
65

1. De generale synode kan deputaten benoemen voor het uitvoeren van besluiten en het uitbrengen van adviezen.
2. Deze deputaten zullen welomschreven opdrachten ontvangen, waaraan zij gebonden zijn. Zij zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende synode, tenzij anders bepaald wordt. Zij zijn verplicht hun uitgaven te houden binnen de grenzen van de hun toegestane bedragen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 66

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

e. De oecumenische synode

Artikel
66

1. De kerken zullen met andere kerken van gereformeerde belijdenis, die deze belijdenis handhaven, in gemeenschap treden door op geregelde tijden samen te komen in vergaderingen, die gereformeerde oecumenische synoden worden genoemd.
2. De afgevaardigden naar deze synoden worden benoemd door de generale synode.
3. De generale synode kan zaken van algemene aard, met name die waarbij het belang van Gods koninkrijk in de gehele wereld gemoeid is, aan de oecumenische synode voorleggen.
4. Uitspraken van de oecumenische synode zullen door de kerken binnen door de generale synode vast te stellen grenzen, als bindend aanvaard worden.

Zie Bijlage XI

Kerkorde GKN (1971) H3.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H3.I.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

Kerkorde GKN (1971) Art. 67

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
67

Elke kerkeraad zal zorgen dat de gemeente, in het bijzonder op de dag des Heren, wordt samengeroepen tot de dienst des Woords, de dienst der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 67

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

bij Artikel
67

1. De synode besluit er bij de kerken op aan te dringen de groei naar eenheid met andere reformatorische kerken ter plaatse te bevorderen en in goede orde te doen verlopen onder begeleiding van een door de classis daartoe benoemd deputaatschap en in overeenstemming met de hierna volgende richtlijnen;

2. als algemene richtlijnen te stellen dat tot het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, waarin ook de sacramenten bediend mogen worden, op zulk een wijze dient te worden overgegaan,
a. dat de gemeente als gemeente in de gemeenschap en samenwerking met de andere kerk betrokken is en blijft en de innerlijke eenheid van de eigen gemeente niet door het samengaan met de andere kerk verbroken zal worden;
b. dat er, mede naar het oordeel van de classis, met de andere kerk de nodige overeenstemming bestaat ten aanzien van het geloof in Jezus Christus onze Heer, gelijk Hij in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de Kerk van alle eeuwen in onze belijdenisgeschriften wordt beleden;
c. dat er de nodige overeenstemming bestaat met betrekking tot het uitoefenen van het opzicht en de tucht in de gemeente van Christus, zoals dat in Schrift en belijdenis, met name rondom het gebruik van de sacramenten, wordt gevraagd;

3. kerkeraden en classes te verzoeken toe te zien dat de innerlijke eenheid van de gemeente niet bedreigd wordt door nalatigheid om als gemeenten de hier bedoelde samenwerking en gemeenschap met andere kerken te zoeken;

4. aan de kerken waar een samenwerking als hier bedoeld op gang is gekomen, de vrijheid te geven dat de dienaren des Woords van de betrokken kerken voorgaan in elkanders kerkdiensten, terwijl deze kerken, met wederzijds goedvinden, ook andere predikanten uit de betrokken kerkverbanden kunnen laten voorgaan;

5. aan de kerken die er toe wensen over te gaan in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met andere reformatorische kerken het avondmaal te bedienen in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden, etc., toestemming daartoe te verlenen met dien verstande dat er overeenstemming over de uitnodiging tot het avondmaal bereikt moet zijn.

Sneek 1969, art. 267

Kerkorde GKN (1971) Art. 68

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
68

1. De inrichting van de kerkdiensten zal worden vastgesteld door de kerkeraad.
2. In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan een orde van dienst, die door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (1971) Art. 69

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
69

1. De leiding van de kerkdiensten zal berusten bij de dienaar des Woords van de gemeente of bij een van haar dienaren, dan wel bij een andere, door de kerkeraad daartoe uitgenodigde bevoegde dienaar des Woords.
2. Indien een proponent voorgaat, zal de leiding bij hem berusten, met dien verstande dat hij zich onthouden zal van alle verrichtingen, welke een ambtelijk karakter dragen.
3. Hetzelfde geldt, indien een ander dan een dienaar des Woords of een proponent voorgaat, aan wie de classis, in een zeer bijzonder geval, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, daartoe de bevoegdheid heeft verleend.
4. In de overige gevallen zal de leiding berusten bij een ouderling der gemeente en zal een naar het oordeel van de kerkeraad geschikte preek worden gelezen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 69

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

bij Artikel
69

Predikanten en proponenten uit buitenlandse kerken die tijdelijk in Nederland vertoeven, mogen in een kerkdienst slechts voorgaan, indien zij in het bezit zijn van een door deputaten voor oecumenische aangelegenheden afgegeven schriftelijke verklaring. Deze verklaring wordt door hen steeds afgegeven, wanneer de desbetreffende predikanten of proponenten blijken te behoren tot een kerk waarmede correspondentie in engere zin wordt onderhouden. In geval zij behoren tot een kerk waarmede correspondentie in ruimere zin wordt onderhouden, gaan deputaten daartoe slechts over na een door hen ingesteld onderzoek naar hun bevoegdheid en kerkelijke integriteit. Deputaten zijn bevoegd bij wijze van uitzondering een dergelijke verklaring eveneens af te geven aan dergelijke predikanten, die niet behoren tot enige kerk waarmede dezerzijds correspondentie wordt onderhouden, wanener naar hun oordeel het belang van de kerk daarmee gediend zou zijn. Deputaten doen van een en ander mededeling door middel van kerkelijke bladen.

Groningen 1927, art. 164;
Amsterdam 1967, art. 354

In alles wat op oefenaars betrekking heeft, zal de classis beslissen.

Dordrecht 1893, art. 163

Bepalingen voor het verlenen van deze bevoegdheid

1. dat de aanvrage tot onderzoeking van een broeder om te worden toegelaten als oefenaar, steeds moet uitgaan van een bepaalde kerk, die zulk een onderzoek verlangt te haren behoeve, en wel bij de classis binnen welke deze kerk ressorteert;

2. dat de toelating door de classis telkens slechts voor ten hoogste een jaar wordt verleend en zonodig onder nog andere door haar te stellen voorwaarden;

3. dat de classis aan zulk een broeder ook de bevoegdheid kan geven om in een andere kerk binnen haar eigen ressort dit dit mocht begeren, op te treden;

4. dat, indien een kerk buiten de desbetreffende classis de dienst van zulk een broeder mocht begeren, dan de classis van deze kerk zal moeten beoordelen, of en op welke wijze zij de bedoelde broeder opnieuw zal onderzoeken; maar dat hij in geen geval bevoegdheid h eeft in enige kerk op te treden dan met toestemming van de classis, binnen welke zulk een kerk ressorteert;

5. dat zulk een broeder altijd moet worden beschouwd als een lid der gemeente, aan wie het enkel is vergund om als een broeder te midden van de andere broeders een stichtelijk woord te spreken in de kerk of kerken, waarin hem uitdrukkelijk die bevoegdheid is gegeven; en dat het daarom ongewenst is de benaming „lerend ouderling” voor hem te gebruiken;

6. dat bij het verlenen van de bedoelde bevoegdheid geen verwachtingen mogen worden gewekt, als zou hiermede een weg worden geopend tot het ambt van dienaar des Woords.

’s-Gravenhage 1914, art. 109;
Arnhem 1930, art. 91;
Amsterdam 1967, art. 99

Kerkorde GKN (1971) Art. 70

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
70

1. Op de dag des Heren zal de gemeente tweemaal in kerkdiensten samenkomen en voorts ten minste eenmaal op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag en de Hemelvaartsdag.
2. De kerkeraad zal zoveel mogelijk zorg dragen, dat kerkdiensten worden gehouden op de Oudejaars- en de Nieuwjaarsdag en op de bid- en dankdagen voor gewas en arbeid.
3. Het wordt in de vrijheid van de kerken gelaten kerkdiensten te houden op de tweede feestdagen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 71

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst des Woords

Artikel
71

1. In de kerkdiensten zal het Woord worden bediend door de Heilige Schrift te verklaren en toe te passen.
2. Op de dag des Heren zal zoveel mogelijk in één van de kerkdiensten het Woord worden bediend door de ontvouwing van de christelijke leer, gelijk zij uit de Heilige Schrift is samengevat in de Heidelbergse Catechismus.
3. Op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag, het Paasfeest, de Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest zullen in de kerkdiensten in het bijzonder de grote heilsfeiten herdacht worden. Voorts zal daarmede in de Adventstijd en de lijdenstijd bij de tekstkeuze rekening worden gehouden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 72

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
72

1. De heilige doop zal door de dienaren des Woords aan de kinderen des verbonds in een kerkdienst bediend worden met gebruikmaking van een der daarvoor vastgestelde formulieren.
2. De kerkeraad zal er op toezien, dat de doop zo spoedig mogelijk wordt aangevraagd en bediend.
3. Wanneer geen der ouders gerechtigd is de doopvragen te beantwoorden, zal de kerkeraad in overleg met de ouders omzien naar een of meer doopgetuigen, die genoegzame waarborg kunnen geven voor een christelijke opvoeding.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 72

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

bij Artikel
72

Kinderen die door leden onzer kerken wettig zijn geadopteerd, hebben recht op de heilige doop en behoren daarom gedoopt te wezen.

Groningen 1963, art. 79

Inzake de doop van kinderen van doopleden wordt uitgesproken, dat de kerkeraden naarstig zullen arbeiden opdat niet anders dan bij hoge uitzondering van doopgetuigen behoeft te worden gebruik gemaakt; maar dat, waar het niet komen tot belijdenis des geloofs van de ouders zulks nodig doet zijn, niet worde nagelaten doopgetuigen te zoeken, opdat het kind niet ongedoopt blijve.

Middelburg 1933, art. 99

Het wordt in de vrijheid van de kerken gelaten, of men de doop zal bedienen door besprenging, overgieting of onderdompeling.

Amsterdam 1967, art. 329

Kerkorde GKN (1971) Art. 73

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
73

Degenen, die niet als kind gedoopt zijn, zullen de heilige doop eerst ontvangen, nadat zij door beantwoording van de in het daarvoor vastgestelde formulier opgenomen vragen openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Kerkorde GKN (1971) Art. 74

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
74

Ten aanzien van degenen, die uit een andere dan een Gereformeerde kerk in de gemeente opgenomen worden, zal de doop slechts erkenning vinden, indien komt vast te staan, dat deze, in of vanwege een christelijke kerk of een kring van christenen, door een aldaar bevoegd geacht persoon, in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes bediend werd.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 74

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

bij Artikel
74

Inzake de doopleden uit andere kerkformaties wordt uitgesproken:

1. dat in het algemeen opneming van volwassen doopleden alleen in de weg van openbare belijdenis des geloofs mogelijk is;
2. dat dit zeker niet uitsluit dat de kerkeraad hen die daartoe nog niet terstond kunnen komen, tot het catechetisch onderwijs toelaat en hun ook overigens bijstand en leiding geeft;
3. dat in sommige gevallen onmiddellijk opneming ook zonder belijdenis des geloofs geoorloofd kan zijn, indien daarbij de verplichting om tot belijdenis des geloofs en de viering van het heilig avondmaal te komen ten volle wordt erkend.

Sneek 1939, art. 357

Zie Bijlage XII

Kerkorde GKN (1971) Art. 75

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
75

1. Toegang tot het heilig avondmaal wordt verkregen door het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.
2. Voordat iemand wordt toegelaten tot het afleggen van deze belijdenis des geloofs, zal de kerkeraad een onderzoek instellen naar zijn beweegredenen, alsook naar zijn leef en wandel.
3. Zij, die uit een andere gemeente overkomen, zullen tot het heilig avondmaal toegang verkregen op grond van een overgelegde attestatie, voorzover deze genoegzame waarborg biedt van een gezonde leer en een godvrezende wandel.
4. Zij, die uit een andere dan een Gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen tot het heilig avondmaal toegang verkrijgen, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun leer en wandel, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat vooraf door hen openbare belijdenis des geloofs moet worden afgelegd.
5. Geen toegang tot het heilig avondmaal wordt verkregen dan nadat de namen van hen, die daartoe het verlangen kenbaar hebben gemaakt, aan de gemeente ter goedkeuring zijn voorgedragen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 75

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

bij Artikel
75

De Gereformeerde Kerken hebben steeds geoordeeld, dat naar het voorbeeld der apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die ter goeder trouw in enig stuk der leer dwalen, mits dit niet enig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken, waarbij het natuurlijk vanzelf spreekt, dat zulke broeders, zolang zij in dat gevoelen volharden, in geen geval voor enig ambt in de kerk verkiesbaar zijn.

’s-Gravenhage 1914, art. 138

De kerkeraad kan in bijzondere omstandigheden ook leden van andere ter plaatse gevestigde kerkgenootschappen als gasten toelaten, mits zij hiertoe tijdig aan de kerkeraad hun begeerte te kennen hebben gegeven en de kerkeraad zich verzekerd heeft dat zij in hun kerk tot het avondmaal zijn toegelaten en zij in de grondstukken der christelijke religie met hem overeenstemmen en onberispelijk van levenswandel zijn, terwijl zij voorts bereid moeten zijn, zolang zij als gasten aan het avondmaal blijven deelnemen, zich aan het toezicht van de kerkeraad te onderwerpen.

Leeuwarden 1920, art. 25;
Middelburg 1965, art. 396

Kerkorde GKN (1971) Art. 76

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
76

1. Het heilig avondmaal zal, met gebruikmaking van één der daarvoor vastgestelde formulieren, in alle geval eens in de twee of drie maanden in een kerkdienst worden bediend. Bij de wijze van bediening zal de kerkeraad, met inachtneming van hetgeen in Gods Woord is voorgeschreven, handelen naar wat hij oordeelt het meest stichtelijk te zijn.
2. Het zal in de vrijheid van de kerken staan in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden en dergelijke inrichtingen het heilig avondmaal in een afzonderlijke kerkdienst te doen bedienen voor hen, die tot die avondmaalsviering gerechtigd zijn of daartoe naar het oordeel van de kerkeraad als gasten kunnen worden toegelaten.

Kerkorde GKN (1971) Art. 77

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

d. Dienst der gebeden

Artikel
77

Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 78

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

e. Dienst der barmhartigheid

Artikel
78

1. Voor de dienst der barmhartigheid zullen naar vaste orde in de kerkdiensten gaven worden ingezameld.
2. De ingezamelde gaven kunnen worden bestemd voor diakonale hulpverlening aan andere kerken, alsmede voor instellingen, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven.

Kerkorde GKN (1971) H3.II.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Kerkorde GKN (1971) Art. 79

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
79

1. Aan de kinderen der gemeente en aan anderen die dit begeren, zal in de leer der kerk onderricht worden gegeven om hen voor te bereiden tot het doen van openbare belijdenis des geloofs en tot het vervullen van hun roeping ten opzichte van de kerk en van de wereld.
2. Dit onderricht betreft het verstaan van de Heilige Schrift, de belijdenis en de geschiedenis van de kerk, alsmede het hedendaagse kerkelijke leven, inzonderheid gelijk dit zich openbaart in het werk van evangelisatie en zending.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 79

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

bij Artikel
79

Door deputaten voor de geestelijke arbeid onder de schippers wordt jaarlijks de rooster vastgesteld voor het catechetisch onderwijs aan schipperskinderen, in dier voege dat de maanden juni, juli en augustus als vakantiemaanden gelden en dat in plaats van de zondagen die over de sacramenten handelen, de vragen en antwoorden van het Kort Begrip worden gesteld. De kerkeraden die bij dit onderwijs betrokken zijn, worden opgewekt alles aan te wenden wat de goede gang er van kan verzekeren of bevorderen.

’s-Gravenhage 1949, art. 440

Kerkorde GKN (1971) Art. 80

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
80

De catechese zal worden gegeven in opdracht en onder toezicht van de kerkeraad, in de regel door een dienaar des Woords.

Kerkorde GKN (1971) Art. 81

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
81

1. De catechese wordt gegeven in direct aansluiting aan de Heilige Schrift; als voornaamste leerboek zal daarbij dienst doen de Heidelbergse Catechismus.
2. Voor het overige is de keuze van de leerboeken en de andere leermiddelen toevertrouwd aan de dienaar des Woords, die daarover met de kerkeraad overleg pleegt.

Kerkorde GKN (1971) H3.III.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Kerkorde GKN (1971) Art. 82

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
82

De dienaren des Woords en de ouderlingen zullen hun herderlijke zorg uitstrekken tot alle leden van de gemeente, door hen en in het bijzonder de zieken en bejaarden, die verhinderd zijn de kerkdiensten bij te wonen, en ook de afdwalenden, trouw te bezoeken; door hen op te wekken tot een leven in het geloof en hen in tegenspoed te troosten; en door hen te waarschuwen tegen valse leringen en dwalingen evenals tegen wereldse wandel en goddeloze praktijken.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 82

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

bij Artikel
82

Geestelijke verzorging van debielen en zwakzinnigen

1.a. Het is wenselijk, waar dienstig, te komen tot voor debielen en zwakzinnigen aangepaste catechisaties.
b. Voor bepaalde groepen van hen zijn aangepaste kerkdiensten aan te bevelen.
c. In kerken van inrichtingen waar de pastorale arbeid samen met andere kerken wordt verricht, zal men handelen naar de synodale uitspraken met betrekking tot de avondmaalsviering onder gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in inrichtingen.

2.a. De bediening van de doop aan debiele of zwakzinnige kinderen is aan dezelfde voorwaarden gebonden, die in het algemeen gelden bij de doop van kinderen.
b. Ook debielen en zwakzinnigen behoren tot het gebruik van de sacramenten te worden toegelaten, indien het blijkt dat zij op hun niveau de Here Jezus als hun Zaligmaker hebben leren erkennen en de betekenis van het gebruik der sacramenten verstaan.
c. Bij een aanvraag om toelating tot de sacramenten van dezulken verdient het voor kerkeraden aanbeveling zich te doen voorlichten door degenen die belast zijn met de verzorging en begeleiding van de desbetreffende personen.
d. Er kunnen zich situaties voordoen waarin om redenen van pastorale aard de deelneming aan het avondmaal moet worden onthouden.

Sneek 1969, art. 230

Kerkorde GKN (1971) Art. 83

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
83

1. De kerkeraden zullen aan hen, die uit de gemeente vertrekken, op hun verzoek een getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel medegeven, met dien verstande dat, indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn, daarvan in de attestatie mededeling wordt gedaan. Van die afgifte zullen zij bericht zenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Van degenen, die zonder attestatie aan te vragen vertrokken zijn, zullen zij eveneens opgave verstrekken.
2. Indien zij, die uit de gemeente vertrekken, nog geen openbare belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zullen de kerkeraden een doopattest toezenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Daarbij zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopleden.
3. Attestaties en doopattesten zullen, namens de kerkeraad, door twee van zijn leden ondertekend worden.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 83

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

bij Artikel
83

Aan schippers kan, met het oog op hun trekkend bestaan, een bewijs van lidmaatschap worden verstrekt, op grond waarvan zij ter plaatse waar zij daartoe het verlangen te kennen geven, toegang kunnen verkrijgen tot het heilig avondmaal.
De kerkeraden worden opgewekt aan schippers onder de leden der gemeente ieder kalenderjaar zulk een bewijs te verstrekken en jaarlijks een ambtelijk bezoek te brengen aan de schippers, ook die tijdelijk ter plaatse blijken te vertoeven en van dit ambtelijk bezoek aantekening te doen op dat bewijs van lidmaatschap alsook een rapport te zenden aan de kerkeraad van hun domicilie.

Dordrecht 1893, art. 189;
’s-Gravenhage 1949, art. 440;
Amsterdam 1967, art. 354

Bij opname van leden in verzorgingstehuizen, bejaardencentra en dergelijke alsook in verpleeginrichtingen behoort het kerkelijk domicilie van dezulken te worden verlegd naar de kerk waaronder de plaats van vestiging ressorteert. De kerk van herkomst kan van geval tot geval nagaan, of, en zo ja, op welke wijze het vroeger bestaande contact nog moet blijven voortbestaan en onderhouden.

Sneek 1969, art. 360

Kerkeraden kunnen aan degenen die naar kerken in het buitenland vertrekken, ten allen tijde een attestatie verstrekken, die dan behoort ingediend te worden bij de kerk in het desbetreffende land, waarmede de Gereformeerde Kerken in Nederland in correspondentie staan dan wel welke in belijdenis en kerkregering aan haar het naast verwant is.
Ten aanzien van attestaties, door kerken in het buitenland afgegeven, zullen de kerkeraden in het aanvaarden ervan op overeenkomstige wijze te werk gaan.
Formulieren voor dit doel, in de Nederlandse zowel als in de Engelse taal opgesteld, zijn verkrijgbaar bij het Algemeen Bureau te Utrecht.
Het is van belang dat door de kerkeraden van het vertrek van gemeenteleden naar het buitenland, onder opgave van de nodige bijzonderheden omtrent henzelf alsook omtrent de datum van vertrek en die van vermoedelijke aankomst en omtrent de plaats van aankomst en het adres in de nieuwe woonplaats, zo spoedig mogelijk aan het Algemeen Bureau te Utrecht bericht wordt gedaan, opdat dit tijdig de desbetreffende kerk in het buitenland ter zake kan verwittigen.

Groningen 1927, art. 161;
Amsterdam 1967, art. 354

Het wordt van belang geacht dat bij het afgeven van attestaties op de attestatie zelf, hetzij op een afzonderlijk erbij gevoegde kaart, aangetekend worden alle gegevens, die voor het bijhouden van de kerkelijke stand van dienst kunnen zijn, zoals naam (in geval van een doopattest ook de namen der ouders), geboortedatum, datum van doopbediening, van aflegging van de belijdenis des geloofs en van huwelijksbevestiging, alsmede het volledige adres.

Utrecht 1943, art. 92;
Apeldoorn 1961, art. 30;
Sneek 1969, art. 57

Elders kerken

Het elders kerken of kerkelijk meeleven met een andere kerk is in de regel voldoende motief voor kerkelijk vermaan. De vraag, of er bepaalde tuchtmaatregelen worden toegepast, is afhankelijk van bijkomende factoren, met name van de motieven waardoor iemand tot het volgen van de bedoelde handelingen wordt bewogen. Maar ten aanzien van degenen die, ondanks herhaald vermaan, in feite de gemeenschap met de Gereformeerde Kerken geheel verbreken door zich bij een andere kerk te voegen, — ook al hebben zij dienomtrent noch mondeling noch schriftelijk enige mededeling gedaan —, kan een kerkeraad niet anders dan constateren dat zij zich aan de gemeenschap der kerk onttrokken hebben.

Sneek 1969, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 84

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
84

1. De namen van hen, die gedoopt zijn, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, die na afsnijding weder in de gemeente zijn opgenomen, die met attestatie of doopattest uit een andere gemeente zijn overgekomen, alsook van hen, die uit een andere dan een Gereformeerde kerk in de gemeente zijn opgenomen, zullen met nadere bijzonderheden in daarvoor aangelegde registers zorgvuldig worden opgetekend.
2. Hetzelfde zal worden gedaan met de namen van hen, die met attestatie of doopattest vertrokken zijn, die zijn overleden, die afgesneden zijn en die zich hebben onttrokken.

Kerkorde GKN (1971) Art. 85

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
85

Indien zij, die naar een andere gemeente vertrekken, bijstand ontvangen van de diakenen, zullen dezen op vertrouwelijke wijze de diakenen van die gemeente daarover inlichten en, zo de omstandigheden daartoe nopen en het onderling overleg daartoe leidt, hetzij voorgoed, hetzij voor een bepaalde periode, verdere bijstand verleden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 86

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
86

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de leden der gemeente hun huwelijk aangaan met inachtneming van de geboden Gods en het ten overstaan van de overheid voltrokken huwelijk in een kerkdienst laten bevestigen, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 86

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

bij Artikel
86

Huwelijken tussen doopleden en gemengde huwelijken, waarbij de niet-gereformeerde partij er in bewilligt, dat kinderen uit het huwelijk geboren in de Gereformeerde kerk gedoopt en in de gereformeerde leer opgevoed zullen worden, kunnen worden bevestigd, tenzij de kerkeraad op goede gronden de overtuiging heeft dat een der huwenden moet worden gerekend tot de ongelovige en goddeloze mensen.

Utrecht 1943, art. 211, 254

De afkondiging van een huwelijk waarvan de beide partijen tot twee kerken behoren, geschiede in beide kerken; de kerkeraad aan welke de bevestiging is gevraagd, zal hiertoe niet overgaan zonder er zich van te hebben vergewist dat ook bij de andere kerkeraad geen bezwaar bestaat. In geval ondanks ingebrachte bezwaren de kerkeraad toch tot bevestiging besluit, kan de bezwaarde kerkeraad de zaak aan de classis voorleggen.

Utrecht 1943, art. 211

Zie Bijlage XIII en XXIII,5

Kerkorde GKN (1971) Art. 87

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
87

De kerkeraden zullen er toe medewerken, dat de leden der gemeente, die gestorven zijn, op christelijke wijze begraven worden.

Zie Bijlage XXIII,4

Kerkorde GKN (1971) Art. 88

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
88

De generale synode zal, voor zoveel dat naar haar oordeel nodig is, de arbeid onder schippers, zeevarenden, militairen, verstrooiden in het buitenland, hen die in ziekenhuizen verpleegd worden, doofstommen en anderen, die door de mindere vergaderingen niet of niet genoegzaam bearbeid kunnen worden, aan afzonderlijke deputaten en dienaren des Woords toevertrouwen.

Kerkorde GKN (1971) H3.IV.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Kerkorde GKN (1971) Art. 89

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
89

1. De kerken zullen zich door middel van de arbeid der evangelisatie richten tot hen, die vervreemd zijn van het evangelie, om hen zo mogelijk te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk.
2. Deze arbeid geschiedt onder leiding van de kerkeraad, die de leden der gemeente ook zal opwekken Jezus Christus in het midden der wereld met woord en daad te belijden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 90

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
90

1. Ten behoeve van de arbeid der evangelisatie zal de generale synode deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen en het nodige te verrichten tot bevordering van de opleiding van krachten voor die arbeid.
2. Voor deze arbeid kan de generale synode één of meer dienaren des Woords benoemen, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Zie Bijlage XIV

Kerkorde GKN (1971) Art. 91

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
91

Voor bepaalde takken van de arbeid der evangelisatie kan de generale synode deputaten benoemen ten dienste van die kerken, welke daarvoor in aanmerking komen, en zo nodig de kerken opwekken dit werk naar vermogen te steunen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 92

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
92

Samenwerking in de arbeid der evangelisatie met andere dan Gereformeerde kerken en personen zal uitsluitend plaats vinden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 92

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

bij Artikel
92

Samenwerking, die beperkt blijft tot bepaalde acties met een publiek karakter, zoals straatprediking en zaaiweek, of waarvoor in geval van langer voortgezette actie de goedkeuring van de classis is verkregen, ontmoet geen bezwaar. Zij zal echter alleen aangegaan worden met degenen die Jezus Christus openlijk belijden en duidelijk verkondigen als te zijn de Zoon van God en de enige Zaligmaker van zondaren en die bereid zijn zich te onthouden van bestrijding van de gereformeerde belijdenis.

’s-Gravenhage 1949, art. 252;
Rotterdam 1952, art. 299

Kerkorde GKN (1971) Art. 93

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
93

1. De kerken zullen zich richten tot de Joden in en zo mogelijk ook buiten Nederland om hen uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.
2. Dit werk zal ter hand genomen worden door de daarvoor in aanmerking komende kerken, die dat, met steun van de overige kerken, verrichten in overleg met de door de generale synode benoemde deputaten voor de verkondiging van het evangelie onder Israël en overeenkomstig de door haar vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 94

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
94

1. De kerken zullen zich richten tot de niet-gekerstende volken, om hun in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus het evangelie te verkondigen en om degenen, die tot het geloof gekomen zijn en de heilige doop ontvangen hebben, bijeen te brengen in zelfstandige gemeenten.
2. Zolang dit nodig blijkt, zullen de kerken naar vermogen aan deze zelfstandige gemeenten hulp bewijzen bij het inrichten en opbouwen van een eigen kerkelijk leven.

Kerkorde GKN (1971) Art. 95

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
95

1. Om de zendingsopdracht van Christus uit te voeren, zullen de kerken zoveel mogelijk samenwerken, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen. De wijze, waarop de kerken overigens deze samenwerking inrichten, behoefte de goedkeuring van de generale synode.
2. De toewijzing van de verschillende zendingsterreinen geschiedt door de generale synode, zoveel mogelijk in overeenstemming met de door de kerken kenbaar gemaakte wensen.
3. De beroeping van een missionaire dienaar des Woords zal geschieden door de kerk, die daartoe door de voor een bepaald zendingsterrein samenwerkende kerken is aangewezen, evenwel niet zonder overleg met deze kerken.
4. Voor het uitvoeren van de zendingsopdracht kunnen ook missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak te werk worden gesteld.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 96

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
96

Wanneer zich op een zendingsterrein kerken gevormd hebben, zal, indien deze kerken dit wensen, de arbeid der zending in nauwe samenwerking met haar worden voortgezet. De samenwerkende kerken zullen, volgens een in overleg tot stand gebrachte overeenkomst, welke de goedkeuring van de generale synode behoeft, voor de verkondiging van het evangelie op dat terrein gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 97

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
97

1. De kerken, aan welke de verschillende zendingsterreinen zijn toevertrouwd, kunnen ter bespreking en afdoening van zaken, waarbij zij gezamenlijk betrokken zijn, een raad van samenwerking instellen overeenkomstig een door haar op te maken accoord, welk accoord de goedkeuring van de generale synode behoeft.
2. In deze raad zullen ten minste twee van de deputaten der generale synode voor de zending met adviserende stem zitting hebben.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 98

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
98

1. Voor de behartiging van de algemene zaken zal de generale synode een aantal deputaten voor de zending benoemen, en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden.
2. De taak van deze deputaten omvat naast de behartiging van andere zaken van algemene aard, die door de generale synode in de desbetreffende bepalingen zijn vastgesteld, het in stand houden en leiden van een zendingscentrum met een daaraan verbonden seminarie.
3. Voor de arbeid aan dit zendingscentrum en seminarie kunnen door de generale synode een of meer dienaren des Woords worden benoemd, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) H3.V.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Kerkorde GKN (1971) Art. 99

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
99

1. De kerkeraad zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden der kerk.
2. De kerkeraad kan deze taak toevertrouwen aan een commissie van beheer, die aan hem verantwoording schuldig is.
3. De kerk wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de kerkeraad.
4. De kerk kan ook vertegenwoordigd worden door één of meer leden van de in lid 2 bedoelde commissie dan wel door één of meer andere personen, door de kerkeraad daartoe aangewezen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 100

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
100

1. De in een meerdere vergadering bijeenkomende kerken vormen een lichaam dat rechtspersoonlijkheid heeft.
2. De rechtspersoon wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd, hetzij door de praeses en de scriba van de vergadering, hetzij door de praeses en scriba van de door de vergadering ter zake benoemde deputaten.
3. De rechtspersoon kan ook vertegenwoordigd worden door één of meer andere personen, door de vergadering of de deputaten daartoe aangewezen.
4. Iedere meerdere vergadering zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden welke aan de kerken binnen haar ressort gemeen zijn.

Kerkorde GKN (1971) Art. 101

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
101

1. Het in artikel 98, lid 2, genoemde zendingscentrum heeft rechtspersoonlijkheid.
2. Deze rechtspersoon wordt bestuurd door de in artikel 98, lid 1, bedoelde deputaten, zulks met inachtneming van de bepalingen en opdrachten, door de generale synode vastgesteld en gegeven.
3. De rechtspersoon wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de deputaten, dan wel door één of meer andere personen, door de deputaten daartoe aangewezen.
4. De generale synode kan een besluit of handeling van de deputaten nietig verklaren, indien het besluit of de handeling in strijd is met de in lid 2 bedoelde bepalingen of opdrachten. Bij het desbetreffende besluit zal de synode de gevolgen daarvan regelen.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 102

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
102

1. De generale synode kan het in artikel 101, lid 1, bepaalde van toepassing verklaren op andere door de kerken in het leven geroepen instellingen.
2. In dat geval is het verder in artikel 101 bepaalde van overeenkomstige toepassing, tenzij de synode dienomtrent anders besluit.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde besluiten zullen een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (1971) H3.VI.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Stichtingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 103

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Stichtingen

Artikel
103

Bij het in het leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen zullen de vergaderingen van de kerk zich gedragen naar de daarvoor door de generale synode gegeven richtlijnen.

Zie Bijlage XVI

Kerkorde GKN (1971) H4.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H4.I.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 104

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
104

1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.
2. Het vermaan en de tucht, welke door de kerkeraad geoefend worden, laten onaangetast de roeping, die op alle leden der gemeente rust om op elkander in broederlijke liefde toe te zien en zo nodig elkander te vermanen en zulk een vermaan ter harte te nemen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 105

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
105

Vermaan en tucht betreffen de belijdenis en de wandel van allen, die tot de gemeente behoren.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 105

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

bij Artikel
105

Leden die zich laten „overdopen”, moeten ernstig en geduldig worden vermaand; het zal van hun gehele optreden afhangen, zulks ter beoordeling van de kerkeraad, of zij vanwege het geven van ergernis in de gemeente tevens voorwerp van kerkelijke tucht moeten worden, hetgeen zeker behoort te geschieden in geval van algehele verachting van de eenmaal ontvangen kinderdoop.

Assen 1957, art. 481;
Groningen 1963, art. 471

Zie bij artikel 83Elders kerken

Kerkorde GKN (1971) Art. 106

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
106

Omdat vermaan en tucht een geestelijk karakter dragen, zullen zij ook op geestelijke wijze geoefend worden, met vermijding van ale wereldse machtsoefening.

Kerkorde GKN (1971) Art. 107

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
107

De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerping van het broederlijke vermaan, door Christus in Mattheüs 18: 15-16 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkeraad zijn gekomen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 108

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
108

Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en niet dan nadat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 109

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
109

1. Indien bij een dooplid dan wel bij een belijdend lid een onverschilligheid blijkt aanwezig te zijn, die zo ver gaat dat daarin zich openbaart een volstrekte afwijzing van het evangelie van Jezus Christus, zodat er voor oefening van tucht in de zin van het in de artikelen 110 en volgende bepaalde geen plaats meer is, zal de kerkeraad verklaren, dat zo iemand niet meer tot de gemeente van Christus gerekend kan worden.
2. De kerkeraad zal tot een dergelijke verklaring besluiten niet dan nadat de desbetreffende persoon uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden en niet dan na verkregen toestemming van de classis.
3. Nadat het besluit tot een dergelijke verklaring is gevallen, zal de kerkeraad dit ter kennis brengen zowel van de desbetreffende persoon als van de gemeente.

Kerkorde GKN (1971) H4.II.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Kerkorde GKN (1971) Art. 110

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
110

1. Bij het vermaan en de tucht over hen, die nog geen belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zal onderscheid gemaakt worden tussen kinderen en volwassenen en bij de laatsten tussen afkerigen en nalatigen.
2. Met hen zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopeden en zo nodig met gebruikmaking van de daartoe bestemde openbare bekendmakingen.

Zie Bijlage XVII

Kerkorde GKN (1971) Art. 111

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
111

1. Wanneer belijdende leden, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid gegeven hebben, zal de kerkeraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.
2. De wijze, waarop de verzoening tot stand gebracht wordt, evenals de vraag, of aan de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, voor een bepaalde tijd het avondmaal nog behoort onthouden te worden, zal ter beoordeling van de kerkeraad staan. De verzoening zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst en dit niet zonder goedvinden van de classis.

Kerkorde GKN (1971) Art. 112

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
112

1. Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en na te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid geven, door de kerkeraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen met zich medebrengt, dat de uitoefening van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.
2. De kerkeraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 113

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
113

1. Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkeraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier. Tot deze afsnijding zal niet worden overgegaan, zolang niet vaststaat, dat de uitspraken in dat formulier ten volle van toepassing zijn.
2. De kerkeraad zal tot deze afsnijding niet overgaan dan nadat hij door drie openbare bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn, binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, zijn afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Kerkorde GKN (1971) Art. 114

Hoofdstuk IV. Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
114

Indien iemand, die van de gemeente werd afgesneden, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkeraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, zulks aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier.

Kerkorde GKN (1971) H4.III.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Kerkorde GKN (1971) Art. 115

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
115

1. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.
2. De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de vervulling van het ambt is uitgesproken.

Kerkorde GKN (1971) Art. 116

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
116

1. Wanneer ambtsdragers in strijd handelen met hun ondertekening van de belijdenis, of zich schuldig maken aan een schromelijk veronachtzamen of misbruiken van hun ambt, of op andere wijze in ernstige mate afwijken van de gezonde leer of de godvrezende wandel, zullen zij in de vervulling van hun ambt geschorst of terstond daaruit ontzet worden.
2. Het oordeel, of de ontzetting uit het ambt terstond zal geschieden, alsokk of na de voorafgaande schorsing deze ontzetting zal volgen, staat aan de bevoegde vergadering als bedoeld in de artikelen 119 tot 123.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 116

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

bij Artikel
116

Omdat in publicatie van tuchtmaatregelen, genomen tegen dienaren des Woords, een vorm van ernstig bijkomende straf kan worden gezien, is bepaald:

1. dat bij maatregelen van tijdelijke aard, n.l. schorsing krachtens artikel 116, lid 1 (hetgeen op analoge wijze eveneens geldt voor ontheffing krachtens artikel 118, lid 1) geen mededeling zal worden gedaan aan de kerkeraden en classes, maar van de betrokkene de belofte zal worden gevorderd om gedurende de termijn van die schorsing of ontheffing zich geheel te onthouden van de uitoefening van zijn ambt;

2. dat slechts bij pertinente weigering tot het afleggen van een dergelijke belofte door de desbetreffende kerkelijke vergadering per gesloten couvert, onder het opschrift „vertrouwelijk”, mededeling zal worden gedaan van die schorsing of ontheffing, uitsluitend aan de kerkeraden, wat tegelijk betekent dat door deze kerkeraden op generlei wijze, ook niet door middel van een kort verslag of anderszins, daaraan verdere ruchtbaarheid mag worden gegeven;

3. dat van maatregelen die  een definitief karakter dragen, n.l. ontzetting uit het ambt krachtens artikel 116, vervallen verklaring vna het ambt krachtens artikel 117, alsook het volledig ontslag uit de dienst krachtens artikel 13, door de betreffende kerkelijke vergadering per gesloten couvert, onder het opschrift „vertrouwelijk”, mededeling zal worden gedaan aan de kerkeraden en de classes, waarbij ook elke verdere ruchtbaarheid dient te worden vermeden.

Middelburg 1965, art. 179;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 117

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
117

Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, van dat ambt vervallen verklaren. Voorts zal de kerkeraad over hen de volgens artikel 115, lid 2 vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.

Kerkorde GKN (1971) Art. 118

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
118

1. Wanneer tegen een ouderling of diaken een aanklacht is ingediend of een ernstige verdenking gerezen, zal het aan de kerkeraad, en, wanneer het een dienaar des Woords betreft, aan de kerkeraad tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, of aan de meerdere vergadering, bij welke de zaak aanhangig gemaakt is, vrijstaan hem voor een bepaalde termijn van de vervulling van zijn ambt te ontheffen.
2. Deze ontheffing draagt niet het karakter van een tuchtmaatregel.

Kerkorde GKN (1971) Art. 119

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
119

1. Ten opzichte van een dienaar des Woords zal een maatregel van schorsing genomen worden òf door de kerkeraad van de gemeente, waaraan hij verbonden is, tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, òf door de classis, bij welke de kerkeraad de zaak aanhangig heeft gemaakt.
2. Indien het oordele van de kerkeraden niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Een maatregel van afzetting zal genomen worden door de classis, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (1971) Art. 120

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
120

1. Ten opzichte van ouderlingen en diakenen zal een maatregel van schorsing of afzetting genomen worden door de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij behoren, tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente.
2. Indien het oordeel van de beide kerkeraden niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Het zal aan de kerkeraad, indien naar zijn oordeel aan het volgen van de in lid 1 genoemde weg overwegende bezwaren verbonden zijn, vrijstaan de zaak terstond ter beslissing aan de classis voor te leggen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 121

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
121

Onverminderd het in de artikelen 119 en 120 bepaalde, zal het aan de classis en eveneens, indien door bijzondere omstandigheden het inroepen van de hulp der classis overwegende moeilijkheden zou opleveren, aan de andere meerdere vergaderingen vrijstaan de maatregelen van schorsing en afzetting te nemen, wanneer, in geval van wanbestuur bij de kerkeraad, op haar door een deel van de kerkeraad of ook door een deel van de gemeente, niet zonder dat vooraf de kerkeraad erin is gekend en er zich over uitgesproken heeft, een beroep wordt gedaan om hulp en medewerking.

Kerkorde GKN (1971) Art. 122

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
122

Bij het vermaan en de tucht over missionaire dienaren des Woords, die beroepen zijn door een kerk in Nederland in samenwerking met een zelfstandige kerk op het zendingsterrein, zal gehandeld worden naar de vastgestelde bepalingen.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 123

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
123

1. Zij, die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben en die als lid behoren tot een andere gemeente dan die, waaraan zij nog verbonden zijn ten aanzien van hun ambtelijke positie, zijn onderworpen aan het vermaan en de tucht van de kerkeraden der beide gemeenten, die in voorkomende gevallen zich met elkander zullen verstaan om tot een eenparige belissing te komen.
2. Indien de beide kerkeraden met elkander niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij de beslissing in handen leggen van de classis, onder welke de gemeente ressorteert, waaraan de dienaar des Woords ten aanzien van zijn ambtelijke positie verbonden is.
3. De maatregel van afzetting zal genomen worden door de in lid 2 bedoelde classis, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door haar particuliere synode aangewezen deputaten.
4. Ten aanzien van hen, die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben en geacht moeten worden in dienst van de gezamenlijke kerken te staan, zal de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij als lid behoren, zich in voorkomende gevallen wenden tot de classis. Deze zal, na de deputaten onder wier toezicht zij gesteld zijn, te hebben gehoord, het recht hebben de maatregel van schorsing te nemen, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door haar particuliere synode aangewezen deputaten. De maatregel van afzetting kan uitsluitend door de generale synode genomen worden.
5. Wanneer zich een geval als in artikel 121 bedoeld voordoet, geldt het aldaar bepaalde eveneens bij toepassing van het in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bepaalde.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 123

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

bij Artikel
123

In geval degenen die geroepen worden tot een arbeid ten behoeve van de kerken in het gemeen, menen zich niet te kunnen neerleggen bij een belissing der synode, volgens welke zij uit hun dienst ontslagen worden en/of zij hun ambtelijke positie niet langer mogen behouden, zullen zij zich mogen beroepen op een nieuwe synode, die zal samenkomen binnen een termijn van zes maanden na de dag waarop door hen appèl werd aangetekend.

’s-Gravenhage 1949, art. 604

Kerkorde GKN (1971) Art. 124

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
124

1. Een terecht opgelegde maatregel van schorsing kan niet worden opgeheven dan nadat genoegzame blijken van boetvaardigheid zijn gegeven en de verzoening tot stand gekomen is.
2. Tot opheffing is bevoegd de vergadering, die de maatregel heeft genomen, of die in appèl uitspraak doet.

Kerkorde GKN (1971) Art. 125

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
125

1. Een kerkeraad zal iemand, die uit het ambt werd ontzet, niet opnieuw tot het vervullen van een ambt roepen dan na ernstig onderzocht te hebben, of daarmee wel de eer Gods gediend en het welzijn van de kerken bevorderd wordt.
2. Een classis zal iemand, die uit het ambt van dienaar des Woords werd ontzet, niet opnieuw beroepbaar stellen dan met medewerking en goedvinden van de classis en de particuliere synode, waaronder de gemeente ressorteert, waaraan hij als dienaar des Woords verbonden was.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 125

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

bij Artikel
125

Bij de vraag of iemand opnieuw in het ambt kan worden gesteld, moet worden overwogen niet alleen de aard der zonde waarom hij werd afgezet, maar ook of het berouw over de gepleegde zonde duidelijk is, of de verzoening is tot stand gekomen, en de ergernis weggenomen en of hij tot opbouw van Gods gemeente kan werkzaam zijn zonder dat het heilig karakter der gemeente en de ere Gods wordt aangetast.

Groningen 1927, art. 96

Kerkorde GKN (1971) H4.IV.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Kerkorde GKN (1971) Art. 126

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Artikel
126

1. Het toezicht over degenen, die als missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak werkzaam zijn, zal worden geoefend door de deputaten van de kerken, door welke zij uitgezonden zijn, dan wel door de in artikel 97 genoemde raad van samenwerking of door de deputaten voor de zending.
2. Schorsing en ontslag uit hun taak kunnen alleen geschieden door de vergadering of de vergaderingen, op welker verantwoordelijkheid zij die taak vervullen, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1971) H5.

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Kerkorde GKN (1971) Art. 127

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
127

1. Met de kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering in het buitenland zal, door middel van correspondentie, zoveel mogelijk christelijke gemeenschap geoefend worden.
2. Daarbij zal onderscheid gemaakt worden tussen correspondentie in engere zin, die zich kenmerkt door uitwisseling van attestaties en wederkerige toelating van dienaren des Woords tot de bediening van het Woord en de sacramenten, alsmede door het wederzijds zenden van afgevaardigden naar synoden, en correspondentie in ruimere zin, die zich beperkt tot het zenden van afgevaardigden.
3. Correspondentie in engere zin kan alleen aangegaan worden met kerken, die de gereformeerde belijdenis ook metterdaad handhaven.
4. De aanwijzing van de kerken, met welke correspondentie in engere of in ruimere zin wordt aangegaan, zal door de generale synode geschieden.
5. Voor de oefening van deze correspondentie zal de generale synode deputaten aanwijzen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 128

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
128

Met kerken en groepen in Nederland van gereformeerde belijdenis zullen zoveel mogelijk betrekkingen worden onderhouden ter bevordering van het herstel der eenheid.

Kerkorde GKN (1971) Art. 129

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
129

Met andere dan de in artikel 128 bedoelde kerken zal in het belang van een nauwere samenbinding, zoveel als verantwoord is, contact worden gezocht.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 129

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

bij Artikel
129

Gemeenschappelijke doopdiensten met een Rooms-Katholieke parochie zijn niet toegestaan. Evenmin kan er sprake zijn van intercommunie met een zodanige parochie, zolang er geen duidelijk gebleken overeenstemming is vastgesteld over de betekenis van het sacrament van de tafel en van het ambt tussen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland en de reformatorische kerken in Nederland.

Sneek 1969, art. 322

Tegen het zich doen vertegenwoordigen van een kerkeraad bij een dienst in de Rooms-Katholieke Kerk behoeft geen bezwaar te bestaan.

Sneek 1969, art. 322

Kerkorde GKN (1971) Art. 130

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
130

In voorkomende gevallen zullen de kerken tot Overheid en volk haar getuigenis doen uitgaan.

Kerkorde GKN (1971) Art. 131

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
131

De kerken zullen de correspondentie met de Hoge Overheid onderhouden door middel van deputaten, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Zie Bijlage XVIII

Kerkorde GKN (1971) Art. 132

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
132

1. De kerken zullen aan de Hoge Overheid haar medewerking verlenen voor de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht, alsmede van hen die zijn gedetineerd of opgenomen in gevangenissen en dergelijke inrichtingen, in het bijzonder door dienaren des Woords af te staan als leger- en vlootpredikanten en als gestichtspredikanten in vaste en in tijdelijke dienst.
2. Het onderhouden van de daartoe nodige betrekkingen zal de generale synode toevertrouwen aan deputaten, terwijl de positie van de in lid 1 bedoelde predikanten geregeld wordt overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Voor de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht en in het bijzonder voor het onderhouden van contact met de leger- en vlootpredikanten kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Zie Bijlage XIX

Kerkorde GKN (1971) Art. 133

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
133

1. De kerken zullen er op toezien, dat de kinderen der gemeente zoveel mogelijk op christelijke scholen onderwezen worden.
2. De kerken zullen van alle gelegenheden om op andere scholen onderwijs in de christelijke godsdienst te doen geven zoveel mogelijk gebruik maken, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 133

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

bij Artikel
133

Voor voorlichting en advies worden de kerken verwezen naar de deputaten voor de evangelisatie.

’s-Gravenhage 1949, art. 353

Zie Bijlage XX

Kerkorde GKN (1971) Art. 134

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
134

De kerken zullen de vrije jeugdorganisaties op gereformeerde grondslag, die de principiële vorming van de jeugd van de gemeente ten doel hebben, met raad en daad steunen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 135

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel
135

De kerken kunnen aan maatschappelijke organisaties, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven, haar medewerking verlenen, en daartoe die organisaties met raad en daad bijstaan, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Zie Bijlage XXI

Kerkorde GKN (1971) H6.

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 136

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel
136

1. Bij de vervulling van hun taak zullen de ambtsdragers zich verre houden van alle heerschappijvoering van de een over de ander en zullen zij alles heenleiden naar de onderwerping aan de heerschappij van de enige Meester, Christus.
2. Hetzelfde geldt van de ene kerk tegenover de andere.

Kerkorde GKN (1971) Art. 137

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel
137

Van de bepalingen der kerkorde zal men niet afwijken dan alleen onder bijzondere omstandigheden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 138

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel
138

Indien en voorzover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven der kerk onmogelijk maken, zal het aan de daarvoor in aanmerking komende vergadering of deputaten vrijstaan van de kerkorde af te wijken en de door de omstandigheden tijdelijk geboden maatregelen te nemen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 139

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel
139

Wijziging van de kerkorde kan alleen geschieden krachtens besluit van de generale synode.