Bos, F.L. (1950) Art. 61

Art. 61.

Men zal niemand ten avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der kerk tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis van een vrome wandel, zonder welke ook degenen die uit andere kerken komen, niet zullen toegelaten worden.

Ter voorbereiding voor de toelating tot het avondmaal dient het catechetische onderwijs, waaraan krachtig de hand behoort te worden gehouden.

“Niemand worde ten avondmaal toegelaten dan nadat hem eerst catechetisch onderwijs gegeven is en hij zowel in leven als in leer voldoende is bevonden” („Teurs” en Armentiers 1563).

“Voorwaar, allen die voor leden der gemeente willen gehouden worden, zullen hun kinderen, zodra hun leeftijd dit toelaat, ter catechisatie zenden, opdat zij van

|223|

der jonkheid aan in de ware religie en godsvrucht kunnen worden opgevoed.
Die weigerachtig zijn zullen zonder twijfel aan de kerkelijke censuur onderworpen worden” (Wezel 1568).

“Het is de schuldige plicht van alle predikanten om op de doopleden acht te geven en ze met alle naarstigheid te catechiseren en door openbare en bijzondere vermaningen de kinderen tot deze heilige oefening te lokken, waartoe de ouders schuldig zijn den predikant de hand te bieden. Maar zo de ouders of de kinderen, tot de jaren van hun verstand komende, moedwillig zich tegen deze vermaning stellen, zo zal men ze met alle ernst bestraffen en dreigen, te kennen gevende dat zij zodoende hun doop en meteen het bloed van Christus niet voeten treden en metterdaad van de gemeenschap der kerk vervallen” (Goes 1620).

“Men zal des zomers en ’s winters catechiseren, en tegen degenen die het nalaten zal men naar de orde procederen” (uit de acten van Utrecht, ’s-Gravenhage 1634).

“De synode wekt de kerkeraden ernstig op, dat zij de leden en kinderen der gemeente dringend aansporen om van de catechisatiën gedurende het gehele jaar zoveel mogelijk gebruik te maken, opdat het opkomend geslacht met de gereformeerde waarheden doorvoed, voor Jezus gewonnen, en voor de verderfelijke tijdgeest gevrijwaard worde” (Groningen 1872).

“De kerkeraden moeten in deze tijden van grote verleiding en afval meer dan ooit zorgen, dat de erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond, ook door deugdelijk en doelmatig catechetisch onderwijs, de beginselen huis wegs leren en ambtelijk tot welbewuste aanvaarding van hun doop worden geleid” (Sneek-Utrecht, 1940-’43).

“De classen zullen bij de kerkvisitatie naarstig doen vragen naar het catechetisch onderwijs, met name of door nauwkeurige aantekening en goede contrôle en getrouwe waarschuwing van ouders en kinderen, ernaar gestreefd wordt, dat alle doopleden der gemeente vanaf de twaalfjarige — uiterlijk veertienjarige — leeftijd geregeld de catechisaties, die gedurende minstens acht maanden in het jaar moeten gehouden worden, bezoeken” (Sneek-Utrecht, 1940-’43).

Krachtens de bij de doop van hun kinderen afgelegde belofte is het de roeping der ouders om allereerst

|224|

zelf hun kinderen te onderwijzen en voorts het catechetisch onderwijs naar vermogen te bevorderen.

“Het ambt der ouders is thuis hun kinderen en ook het ganse hun toevertrouwde huisgezin in de beginselen der christelijke religie op het vlijtigste naar ieders begrip te onderwijzen, ernstig en met vlijt tot de vreze Gods en oprechte godzaligheid te vermanen, tot de oefening van heilige huisgebeden te gewennen, met zich mede te nemen tot het gehoor van het goddelijk woord, de gehoorde predikatiën, inzonderheid de catechetische, vlijtig met dezelve te herhalen, enige hoofdstukken der heilige schrift voor te lezen of te geven voor te lezen, de voornaamste schriftuurplaatsen te geven van buiten te leren en in te prenten en die op een gemeenzame en voor de tedere jonkheid geschikte wijze te verklaren, en hen alzo tot de catechisatie op de scholen 1) te bereiden, en wanneer zij tot dezelve gekomen zijn, te bevestigen, op te wekken en naar vermogen te bevorderen.
Tot deze schuldige plicht moeten alle ouders, bij welke de vermaning plaats zal kunnen hebben, alsnu openlijk in de predikatiën, alsnu in ’t bijzonder, zowel bij de gewone bezoeking voor het nachtmaal, als ook op andere geschikte tijden door de predikanten, ouderlingen en ziekenbezoekers naarstig en ernstig vermaand worden. Indien enige ouders, belijdenis doende van de gereformeerde religie, in dit heilig werk nalatig bevonden wor-den, zullen zij door deftige (d.i. ernstige) vermaningen der predikanten, en zo de zaak het vereist, door be-straffingen van de kerkeraad tot hun schuldige plicht gebracht worden” (Dordrecht 1618/19).

1) Ook het catechetisch onderricht van de kinderen door de predikanten geschiedde vroeger op de scholen.

Bij het onderwijs der kerk kan van hulpdiensten worden gebruik gemaakt.

“Wat de catechisatiën betreft, deze dienen geregeld gehouden te worden.
Bij gemis van een dienaar des Woords zijn de ouderlingen die de gave hebben om te onderwijzen daartoe allereerst geroepen. Geoorloofd is het om, in overleg met de classis, zo nodig een ander bekwaam man tot deze arbeid aan te stellen” (Rotterdam 1887).

Wat het catechetisch onderwijs aan ouderen betreft maakten de Dordtse vaderen de volgende opmerkingen:

|225|

"Opdat nu degenen die meerder van jaren zijn of nooit in de scholen 1) onderwezen of in dezelve niet genoeg zijn toegenomen, beter in de fundamenten der christelijke religie mogen onderwezen worden — want de ervaring leert dat de gewoonlijke kerkelijke onderwijzingen, zowel catechetische (n.l. door de catechismusprediking) als andere, bij velen niet genoegzaam zijn om de kennis der christelijke religie in te planten die onder Gods volk behoort in zwang te gaan, en de gewoonte getuigt dat de levende stem zeer grote kracht heeft, wanneer door gemeenzame en naar ieders begrip gepaste vragen en antwoorden, welke de beste wijze is van catechiseren, de beginselen der religie in de harten ingedrukt worden —, zal het ambt der predikanten wezen, te gaan tot al degenen die leerzaam zijn, en met een ouderling of in de huizen of in de consistorie of enige andere plaats die daartoe gelegen is, enig tamelijk getal derzelve, zo uit de lidmaten der kerk als andere volwassenen, alle weken bijeenroepen, met hen gemeenzamelijk van de hoofdstukken der christelijke religie handelen en naar gelegenheid van hun begrip, voortgang en verstand dezelven catechiseren, de catechetische predikatiën met hen herhalen en alle vlijt aanwenden dat een ieder tot klare en bondige wetenschap van de catechismus kome.
Die nu zich willen begeven tot de gemeente, zullen drie of vier weken voor de bediening van het avondmaal op een zekere plaats meermalen en naarstig onderricht worden, opdat zij des te bekwamer en vaardiger worden om rekenschap van hun geloof te geven.
Maar deze voorzichtigheid zullen de predikanten gebruiken, dat zij zodanigen tot zich roepen om onderwezen te worden, van wie zij zien dat zij enige merkelijke hoop van vrucht geven en die zij weten dat om de zaligheid hunner zielen bekommerd zijn.
En meteen behoren terzelfder tijd bijeengeroepen te worden degenen, wier gelijkheid van conditie elkaar tot vrijmoedigheid in het spreken verwekken mag.
Deze bijeenkomsten zullen met gebeden en heilige vermaningen begonnen en geëindigd worden” (Dordrecht 1618/19).

1) Vgl. de vorige noot.

De toelating tot het heilig avondmaal geschiedt niet dan na onderzoek door of vanwege de kerkeraad in zake de instemming met de gereformeerde leer.

“Niemand zal in de gemeente ontvangen worden dan die voorheen door de kerkeraad of immers een dienaar

|226|

en ouderling van de hoofdsom der christelijke leer ondervraagd zij” (Dordrecht 1578).

Bij afwijking op een enkel punt kan onder bepaalde voorwaarden tolerantie worden toegepast.

“De synode besluit
vooreerst dat ... een generale uitspraak, dat afwijking van een bepaald leerstuk der kerk geen beletsel zal behoeven te wezen om iemand tot de gemeenschap der kerk toe te laten, niet wenselijk kan wezen;
ten tweede, dat de generale synode echter wel wil uitspreken, dat onze gereformeerde kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld der apostolische kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die ter goeder trouw in enig stuk der leer dwalen, mits dit niet enig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken, waarbij het natuurlijk vanzelf spreekt, dat zulke broeders, zolang ze in dat gevoelen volharden, in geen enkel geval voor enig ambt in de kerk verkiesbaar zijn;
ten derde, dat de generale synode aan de betrokken kerkeraad, desnoods met advies van de classis, de beslissing moet overlaten, of in het hier bedoelde geval (verwerping van de kinderdoop) zulk een tolerantie wenselijk en geoorloofd is” (’s-Gravenhage 1914).

Tevens behoort onderzocht te worden of de betrokken persoon wettig gedoopt is.

“De synode spreekt met het oog op de misbruiken in het stuk van de heilige doop, o.a. binnen de kring van het Hervormd kerkgenootschap, de noodzakelijkheid uit, dat de kerken, zo dikwijls iemand zich als gedoopt bij haar aandient tot het afleggen van belijdenis des geloofs en toelating tot het heilig avondmaal, onderzoeken of zulk een persoon wettig gedoopt is” (Groningen 1899).

De toelating tot het avondmaal geschiedt door middel van openbare belijdenis des geloofs.

“Niemand zal tot het avondmaal des Heeren toegelaten worden dan die tevoren belijdenis des geloofs heeft gedaan en zich aan de kerkelijke tucht heeft onderworpen” (Wezel 1568).

|227|

“De belijdenis des geloofs en de onderwerping aan de tucht zal openlijk geschieden” (Dordrecht 1574).

“Niemand mag erkend worden voor een lidmaat van de kerk van Christus dan op belijdenis des geloofs, en geenszins ten gevolge van het van buiten leren van enige waarheden” (Amsterdam 1836).

Gasten van elders kunnen alleen worden toegelaten op getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel.

“Is verordineerd, dat alle de broeders en zusters, wanneer zij op andere plaatsen ten nachtmaal des Heeren willen gaan, vooreerst bescheid van hun eigen dienaren brengen aan den dienaar of ouderlingen ter plaatse waar men het nachtmaal zal houden, en die eerst zullen aanspreken” (Enkhuizen 1573).

“Wat betreft het toelaten van vreemde communicanten heeft de synode voor goed aangezien, dat de pastor, die door vreemde communicanten uit andere gemeenten wordt verzocht of ze daar het avondmaal mede mogen vieren, zal gehouden zijn de lieden te vermanen, dat ze hem eerst een schriftelijk bewijs van hun pastor zullen brengen dat hij ze mag toelaten” (Groningen 1613).

“Wat kan gedaan worden om leden van enige kerk, die tijdelijk in een andere verblijven, tot de tafel des Heeren toe te laten, zonder bezwaar voor laatstgenoemde kerk? Is geantwoord, dat de kerkeraad die hen tot het avondmaal toelaat, zich altijd op enigerlei wijze heeft te verzekeren aangaande hun onergerlijkheid in belijdenis en wandel; bijv. door dienaangaande getuigenis te vragen van betrouwbare lidmaten van zijn eigen kerk, of op de wijze die de kerkeraad dienstig zal achten” (Utrecht 1888).

In zeer bijzondere gevallen kan ook aan gelovigen die niet tot de gereformeerde kerk behoren, onder bepaalde voorwaarden, worden toegestaan als gast mede aan te zitten.

Wat betreft de avondmaalsbediening in gestichten „besluit de synode dat ook verpleegden, die niet tot een der gereformeerde kerken behoren, tot deze avondmaalsviering kunnen worden toegelaten, wanneer er voor hen geen gelegenheid bestaat om in de kerk waarvan ze zelf lidmaat zijn, het avondmaal te gebruiken, mits ze

|228|

daartoe tijdig aan de kerkeraad hun begeerte te kennen geven en de kerkeraad zich verzekerd heeft, dat zij in hun kerk tot het avondmaal zijn toegelaten, dat zij in de grondstukken der christelijke religie met ons over-eenstemmen en onberispelijk van levenswandel zijn, terwijl zij voorts bereid moeten wezen, zolang zij als gasten aan het avondmaal deelnemen, zich aan het toezicht van de kerkeraad te onderwerpen” (Leeuwarden 1920).