Bos, F.L. (1950) Art. 27

Art. 27.

De ouderlingen en diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen, en alle jaar zal een evenredig deel aftreden. De aftredenden zullen door anderen vervangen worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van enige kerk, bij de uitvoering van art. 22 en 24, een herkiezing raadzaam maakten.

Als maatregel van orde hebben de gereformeerde kerken bij ouderlingen en diakenen verkiezing tot tijdelijke dienst wenselijk geacht.

“Afgedacht nog van de moeilijkheden, die zich dagelijks voordoen, toont de zaak zelf ook duidelijk dat ouderlingen en diakenen die een tijdlang trouw in hun roeping volhard hebben, dit niet dan met grote schade voor hun particuliere zaken doen” (Wezel 1568).

“Uit de H. Schrift kan niet bepaald worden, dat de ouderlingen en diakenen, eenmaal door de apostelen verkoren, altijd in dat of in een ander kerkelijk ambt gebleven zijn …
Het schijnt raadzamer, om het gebruik van alle wegen der kerkelijke tyrannie te schuwen, dat dezelfde personen, eenmaal tot die dienst verkoren, niet altijd gecontinueerd worden …
Daarbenevens zijn er meerderen aangaande de inrichting en het bestuur der kerk te onderwijzen, die bij gebrek aan anderen in hun plaats kunnen gesteld worden …
Daarenboven, zo ver de ouderlingen en diakenen verwisseld worden, zal die verwisseling aan de dienaren alle kans benemen, dat zij hun eigen tyrannie over de kerk gebruiken …” (Advies van Danaeus, in opdracht van de synode van Middelburg 1581).

Herkiezing in het belang der kerk is mogelijk. Er behoort dan een nieuwe bevestiging in het ambt plaats te vinden.

“Of een ouderling die zijn tijd uitgediend heeft en bereid is nog langer te dienen, de gemeente wederom mag voorgesteld worden om hem te mogen verkiezen?

|103|

Antwoord: Ja. Want de ... verwisseling der ouderlingen is daarom inzonderheid ingezet, opdat zij van de last van hun dienst mochten verlicht worden” (Dordrecht 1578).

“De wenselijkheid van herbenoeming hangt af van de plaatselijke toestand en van de personen die aftreden; zodat hiervoor door de kerkenorde terecht geen algemene regel gesteld wordt. Is iemand echter voor een bepaalde tijd gekozen, dan is de belofte, door hem bij de bevestiging gedaan, ook voor die bepaalde tijd gegeven. Bij herbenoeming behoort dus de aanvaarding en de belofte opnieuw te geschieden; dit nu is de bevestiging.
Op deze gronden oordeelt de synode dan ook:
Herbenoeming kàn zeer wenselijk zijn; en alsdan is vernieuwde verbintenis en dus bevestiging noodzakelijk” (Utrecht 1888).

“De synode, ofschoon geheel instemmende met Zuid-Holland, dat het de bedoeling van art. 27 der K.O. is ten eerste dat de ouderlingen en diakenen slechts voor beperkte diensttijd worden verkozen, en ten tweede dat herkiesbaarstelling van aftredenden slechts mogelijk is wanneer ’t profijt der kerk het vordert, oordeelt, dat het allereerst op de weg der classen, respectievelijk particuliere synoden ligt, plaatselijke misstanden uit de weg te ruimen” (Groningen 1899).