Bos, F.L. (1950) Art. 14

Art. 14.

Zo enige dienaars om de voorgeschrevene of enige andere oorzaken hun dienst voor een tijd onderlaten moesten, hetwelk zonder advies des kerkeraads niet geschieden zal, zo zullen zij nochtans ten allen tijde de beroeping der gemeente onderworpen zijn en blijven.

Tijdelijke ontheffing van de uitoefening der gewone ambtsplichten kan plaats vinden om allerlei redenen.
Vroeger geschiedde dit veelal op aandrang van het kerkverband voor zaken van algemeen belang: hulp aan een verlegen kerk, reformatie van een kerk of landstreek, legerdienst, arbeid aan bijbelvertaling enz.

|70|

Ten behoeve van de reformatie van de Meyerij b.v. werd op het voorstel „dat uit elke classis dezer provinciën een of twee predikanten naar gelegenheid aldaar zouden gezonden worden bij lening, tot de tijd dat die plaatsen met goede predikanten zouden verzorgd zijn”, besloten stappen te doen om te bereiken dat „door de synoden of haar gedeputeerden en door de classen van elke provincie zodanige lening verzocht en verkregen moge worden”. Wat de uitvoering betreft, „zo zullen terstond de classen, hetzij gewoon, hetzij buitengewoon daartoe tezamen te roepen, bekwame personen uitmaken, aan welke classen het staan zal de tijd te stellen hoe lang die daar zullen blijven, mits dat niemand zal mogen wederkeren, voordat een ander in zijn plaats gesteld en gekomen zij ...” (Delft 1648).

Voor een dergelijke lening is vereist de toestemming van de persoon zelf en de bewilliging van de betrokken kerk.

“Alzo men na dezen verstaan heeft, dat de kerk van D. en ook S. zelve in de lening van zijn persoon tot dienst van de kerk van G. zwarigheid maakte, zo is besloten ... dat twee uit deze vergadering ... naar G. zullen reizen om met de kerkeraad ... van G. verder te overleggen van een bekwaam en haar aangenaam persoon, die voor een tijd aldaar bij lening zal worden verzocht” (Leiden 1619).

“Dewijl B. zijn redenen heeft ingebracht, waarom hij gaarne wilde ontslagen wezen van de deputatie tot de vertaling van de nederlandse bijbel, zo is het nochtans dat B. op het ernstig verzoek der synode dit heeft aangenomen. Zal derhalve aan ... de kerk van Z. geschreven worden en verzocht, dat zij gelieven wilde den voorszeiden B. op ’t verzoek der synode tot dit werk te laten gebruikt worden …” (Arnhem 1598).

Ook als de dienaar zelf tijdelijk verlof begeert — b.v. voor studieredenen — is uiteraard bewilliging van zijn kerkeraad noodzakelijk.

“De synode besluit, dat in art. 14 K.O. naar het oordeel der synode het woord „advies” moet verstaan worden als „bewilliging” (Utrecht 1923).

Bij dit tijdelijk verlof blijft de ambtelijke relatie tot de kerk, die verlof verleent, volkomen intact. Hun gemeente kan hen ten allen tijde terugroepen.

|71|

“Zo zij ook om deze of enige andere oorzaken hun dienst voor een tijd nalaten moeten, zo zullen zij nochtans zich ten allen tijde der beroeping der gemeente onderwerpen” (Dordrecht 1578).

“Of diegene, die om een wettelijke oorzaak zijn dienst onderlaten heeft, zich ten allen tijde aan de beroeping der kerk schuldig is te onderwerpen? Antwoord: ja” (Middelburg 1581).

Tijdelijk verlof, gepaard gaande met losmaking van de band aan de kerk die verlof verleent, is in strijd met art. 14 K.O.

Onwettig was derhalve het besluit:
“dat, wanneer het in art. 14 K.O. bedoelde verlof, aan een predikant verleend, om een tijdlang de dienst te onderlaten, ten gevolge zou hebben, dat daardoor de band tussen hem en de kerk die hij diende, losgemaakt werd, dit verlof door de kerkenraad niet zal verleend worden zonder dat de classis daaraan haar goedkeuring heeft gehecht” (Utrecht 1923).