Bos, F.L. (1950) Art. 7

Art. 7.

Niemand zal tot de dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in een bepaalde plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

Het ambt van dienaar des woords is doorgaans aan een plaatselijke kerk gebonden 1).

1) Vgl. voor predikanten in algemene dienst art. 15A (blz. 346).

“Elke dienaar zal zijn kerk hebben, waaraan hij verbonden zal zijn” (Armentiers 1563).

“Men zal niemand tot de dienst des woords beroepen, zonder hem in een kerk te stellen, die hij dienen zal” (Middelburg 1581).

In verband daarmede behoort hij ook in zijn gemeente te wonen.

“De synode oordeelt dat elke herder bij zijn schapen behoort te wonen, ten ware in het uitzonderingsgeval dat er geen woning is” (Dordrecht 1590).

“Het zal gans niet toegelaten worden, dat de dienaren des woords van hun kerken afgezonderd zullen zijn, maar zij zullen in die plaatsen of in de naastbijgelegene verblijf houden” (Zutfen 1596).

“De classen zullen de dienaars die op het land hun beroeping hebbend, in steden wonen, belasten en verplichten, dat zij uit de steden moeten vertrekken om op hun plaats bij hun gemeente te wonen” (Harlingen 1610).

Evenwel kunnen ter vervulling van de roeping om kerken te vergaderen — evangelisatie en zending — dienaren des woords naar een andere plaats uitgezonden worden.

|40|

“Het is raadzaam, dat degene die in het predikambt te stellen en op een andere plaats tot de dienst uit te zenden is, ter plaatse waar hij geëxamineerd wordt, in de kerkeraad of de classis de handoplegging met vasten en bidden ontvange” (Middelburg 1581).

“De synode wekt de provinciën ernstig op tot behartiging van de inwendige zending, en om, zo het nodig mocht zijn, bekwame leraars aan te stellen, om aan die plaatsen waar het evangelie niet verkondigd wordt, te arbeiden” (Middelburg 1869).

“Van de dienaren die geen gemeenten hebben ..., is besloten, dat elke classis opgewekt wordt om hun te vermanen om avondmaal te vieren met de gemeenten der naastgelegen steden of dorpen, en ook hun uiterste best te doen om zelf gemeenten te mogen verzamelen” (Harlingen 1584).

“De zendingsarbeid geschiedt door de plaatselijke kerk, al of niet in samenwerking met andere kerken” (Zendingsorde art. 13).