Akkoord NGK (1982)

Akkoord van kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken, aanvaard door haar landelijke vergadering Breukelen 1981/82, in haar samenkomst te Utrecht op 25 september 1982

Bron: 

Akkoord van kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken

uitgave Breukelen 1982

© Landelijke Vergadering Nederlands Gereformeerde Kerken
ISBN 90 6064 445 X
Druk: Buijten & Schipperheijn

Akkoord NGK (1982) Wv

|7|

Woord vooraf

 

Het eerste concept van de veertig artikelen van het AKKOORD van kerkelijk samenleven, dat u hierbij wordt aangeboden, verscheen tien jaar geleden, in 1972.
Het ging vergezeld van een toelichting: wat leert de Schrift over de band die de gemeenten van Christus verbindt, en: hoe het verband geoefend moet worden. De opdracht daartoe was gegeven door het eerste Convent van kerken, gehouden te Zwolle op 1 mei 1971.

Merkbaar was toen het verlangen om na de ‘Scheiding’, die in 1969 onze kerken buiten het verband van de Gereformeerde kerken (Vrijgemaakt) deed geraken, niet alleen de gevaren van de hiërarchische tendenzen onder ogen te zien en te vermijden, maar zich tegelijk ook te bezinnen op de Schriftuurlijke grondslagen voor het gemeenschappelijke in de orde in de gemeenten.

In de daarop volgende jaren namen de kerken op Landelijke vergaderingen allereerst de in dit boekje opgenomen’Verklaring’ of’Preambule’ aan (Utrecht, 1974) en stelden vervolgens een aantal artikelen vast die de regionale en landelijke samenkomsten betreffen (Kampen, 1976; Wezep, 1978/79). Op de Landelijke Vergadering te Wezep werd in een z.g. Voortgezette zitting, waarheen elke kerk haar afgevaardigde had gezonden, op 19 mei 1979 de naam

|8|

‘Nederlands Gereformeerde Kerken’ aanvaard.
De Landelijke Vergadering te Breukelen, in voortgezette zitting te Utrecht bijeen op 25 sept. 1982, nam het besluit om de hierbij afgedrukte veertig artikelen als Akkoord van kerkelijk samenleven te beschouwen.

*

Uit het bovenvermelde kan duidelijk zijn, dat de totstandkoming van dit Akkoord zich over een reeks van tien jaren heeft uitgestrekt. Het heeft zijn goede kanten gehad. De kerken hebben zich er rustig over kunnen bezinnen en hebben geleerd geduld met elkaar te oefenen, in de lijn van artikel 31/1, ‘... samen de tijd van God verwachten, waarin Hij de weg duidelijk zal maken’.
Intussen zal het belangrijk zijn er oog voor te hebben dat het Akkoord van samenleven niet tot een wet gemaakt mag worden waaruit men ‘leeft’, met voorbijgaan van het Schriftonderwijs — zoals er vóór de Scheiding van 1969 veelszins uit het kerkverband of uit de kerkenorde werd ‘geleefd’. De kerken zullen niet over elkaar heersen maar elkaar de hand reiken, om ook in haar diensten en in het verkeer met elkaar weerstand te kunnen bieden aan de toenemende verwarring der geesten.
Zoals uit het Akkoord blijkt, waren de kerken ervan overtuigd dat wat in de weg van de historische ontwikkeling fout was gegaan, weggedaan moest worden, maar dat bewaard behoorde te blijven wat goed was en is voor de gemeenten.
Dit betekent, dat niet de heerschappij van structuren,

|9|

maar evenmin de heerschappij van personen of groepen haar kansen mag krijgen. De ‘Preambule’ wijst uitdrukkelijk de tirannieke eenheidsdwang af, maar spreekt ook uit dat de gemeenten zich willen voegen naar het Schriftuurlijk onderwijs voor een geordend kerkelijk samenleven — opdat zij ook in de inrichting van het kerkelijk leven de wegen van het Verbond van de Here mogen houden.

Geve de Here dat deze afspraken van het Akkoord daartoe mogen dienen.

*

Bij overweging en gebruik van wat de kerken overeenkwamen zij boven alles de herderlijke zorg gezocht van de Heer der kerk, die tussen de kandelaren wandelt en die met Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest van gemeente tot gemeente gaat.

Dat is de grondslag en eerste voorwaarde voor een gezegend kerkelijk samenleven.

De commissie functionering kerkverband: ds. J.C. Janse, ds. J. Bouma, ds. W.J. van der Linde, C. Camfferman.

Het moderamen van de Landelijke Vergadering te Breukelen 1982

ds. H.J. van der Kwast
A. Sneep
drs. W. Meijer
ds. A.H. Algra

Akkoord NGK (1982) Verklaring

Verklaring

 

De kerken, door haar afgevaardigden bijeen in landelijke vergadering, betuigen haar onderlinge verbondenheid door het afleggen van de volgende verklaring:

1. Verklaring

Na al wat de gemeenten van de Here in de loop van de jaren en eeuwen in dit land hebben ondervonden door vervolging, overheidsbemoeiing, misleiding van de geesten, reglementenheerschappij en synodehiërarchie is het nu eens te meer haar hartelijke begeerte om onder de genadige bescherming van haar Heer en Heiland Jezus Christus, temidden van de verwarring van de tijd, in goede vrede en gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, met elkaar te leven onder de enige heerschappij en leiding van het Hoofd van de kerk, onze Zaligmaker.

Zoals sedert de dagen van de Reformatie in de 16de eeuw de eenheid van de kerken allereerst en ten diepste bestond in hetzelfde geloof, in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en in de gemeenschappelijke belijdenis, zo willen de Gereformeerde Kerken in Nederland, die in deze vergadering bijeen zijn, elkaar als opnieuw beloven — zich gevend eerst aan de Here en ook aan elkaar — zich aan het Woord van God en aan de belijdenis van de kerk van alle eeuwen te houden. Zij verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden.

Zij beloven ook, elkaar bij te staan in de strijd voor de Naam en de eer van de HERE, zich voegend naar het Schriftuurlijk onderwijs voor een geordend kerkelijk samenleven, opdat zij ook in de inrichting van het kerkelijk leven de wegen van het verbond van de HERE mogen houden, niet in tirannieke eenheidsdwang, maar in de vrijheid van Christus, in de eenheid van de Geest van God, die samenbindt in gehoorzaamheid aan Zijn gebod, in liefde tot God en de naaste.

Zij begeren zo ook in deze dingen als één in Christus naar buiten op te treden — met de bede dat alle in belijdenis en leven waarlijk gereformeerde kerken en allen die de HERE vrezen en Zijn getuigenissen kennen (Psalm 119: 79), zich met hen voegen tot één gemeenschap, één van zin en één van gevoelen (1 Cor. 1: 10), door de Geest van onze God.

2. Uitspraak

De kerken spreken uit, dat het al of niet aanvaarden van het (een) kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden.

3. Verzoek

De kerken verzoeken alle gemeenten die bezwaren hebben tegen aanvaarding van het (een) kerkelijk akkoord zich zoveel mogelijk te richten naar hetgeen met de meeste stemmen goedgevonden wordt, en inzonderheid haar medewerking te verlenen aan en haar stem te doen horen op de gemeenschappelijke vergaderingen, ook al kan voor hetgeen daar wordt bloten geen medeverantwoordelijkheid worden gedragen.

Akkoord NGK (1982) Art. 1

Artikel
1

Doel en inhoud van het akkoord

In de gemeenten van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren. Daartoe is overeengekomen een regeling met betrekking tot:
I. De diensten.
II. Het opzicht over de leer en de eredienst.
III. De tucht.
IV. De kerkelijke vergaderingen.

Akkoord NGK (1982) I.

I. De diensten

Artikel
2-16

Akkoord NGK (1982) Art. 2

I. De diensten

Artikel
2

Drie diensten, geen rangorde

Er zijn drie diensten te onderscheiden: het ambt van dienaar des Woords of predikant, van ouderling en van diaken. Tussen deze diensten bestaat geen onderscheid in rangorde, alleen in dienstbetoon.

Akkoord NGK (1982) Art. 3

I. De diensten

Artikel
3

Noodzaak van wettige roeping

Niemand mag één van deze diensten vervullen zonder wettig geroepen te zijn.

Akkoord NGK (1982) Art. 4

I. De diensten

Artikel
4

Roeping tot de dienst van ouderling en diaken

De roeping tot een dienst of ambt geschiedt door de gemeente, onder leiding van de kerkeraad.
Dit kan op de volgende wijze plaatsvinden:
De kerkeraad stelt de gemeente in de gelegenheid de aandacht te vestigen op belijdende leden, die zij acht te voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen. Daarna stelt hij de gemeente in de regel het dubbele van het vereiste aantal te verkiezen ambtsdragers voor om haar daaruit te laten kiezen.
De verkiezing, waartoe de belijdende leden van de gemeente gerechtigd zijn, zal geschieden na gebed om de leiding van de Heilige Geest.
De namen van hen, die tot het ambt geroepen zijn, zullen op twee zondagen afgekondigd worden. Indien geen wettige bezwaren worden ingebracht, zal de bevestiging in het openbaar voor de gemeente plaatsvinden, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier.

Akkoord NGK (1982) Art. 5

I. De diensten

Artikel
5

Roeping tot de dienst des Woords

Zij, die zich met goed gevolg op een regionale vergadering van het ressort waarin zij wonen aan een onderzoek aangaande leer en leven hebben onderworpen, kunnen beroepen worden tot het ambt van dienaar des Woords.
Tot dit onderzoek zullen worden toegelaten, zij die met goed resultaat een deugdelijke opleiding tot deze dienst gevolgd hebben en de vereiste gaven daarvoor bezitten, tot welke gaven behoren die van ootmoed, wijsheid, kennis, onderscheidingsvermogen en bekwaamheid om onderwijs te geven. Betrokkenen zullen het recht hebben in de kerken voor te gaan om beroepen te kunnen worden tot het ambt van dienaar des Woords.
Zij, die zulk een opleiding niet hebben gevolgd, kunnen tot dit onderzoek worden toegelaten, indien duidelijk blijkt dat zij bijzondere gaven tot de dienst bezitten, waaronder de bovengenoemde.
De regionale vergadering zal hierover oordelen, met gebruikmaking van de door de kerkeraad gegeven inlichtingen. Indien het oordeel gunstig is, zal zij de betrokkenen een tijdlang het recht verlenen in de kerken een opbouwend woord te spreken, en eventueel zal beroepbaarstelling volgen.

Akkoord NGK (1982) Art. 6

I. De diensten

Artikel
6

Beroeping en onderzoek van candidaten

Wanneer een candidaat beroepen wordt in een gemeente en hij het beroep aanvaardt, zal de regionale vergadering van het ressort, waartoe de beroepende gemeente behoort, een onderzoek instellen, alvorens hem tot de volle dienst van Woord en sacramenten toe te laten.

Akkoord NGK (1982) Art. 7

I. De diensten

Artikel
7

Beroeping en bevestiging van predikanten

Wie reeds als predikant aan een gemeente verbonden is, kan door een andere gemeente beroepen worden. De bevestiging zal plaatsvinden na instemmend advies van de regionale vergadering van het ressort, waartoe de beroepende gemeente behoort. Hiervoor is vereist een wettig bewijs van ontslag; een goede attestatie aangaande leer en leven uit de gemeente waaraan hij tevoren verbonden was; en een goed getuigenis van de regionale vergadering van het ressort, waartoe deze gemeente behoort.

Akkoord NGK (1982) Art. 8

I. De diensten

Artikel
8

Band aan een bepaalde gemeente

Niemand zal als predikant beroepen worden zonder verbonden te worden aan een bepaalde gemeente, noch in een andere gemeente enig ambtelijk werk verrichten zonder daartoe een verzoek te hebben ontvangen van de kerkeraad van die gemeente.

Akkoord NGK (1982) Art. 9

I. De diensten

Artikel
9

Levensonderhoud tijdens en na de dienst

De gemeenten zullen haar predikanten, ook indien deze door ziekte, ouderdom of soortgelijke oorzaken niet meer in staat zijn hun ambtelijk werk te verrichten, en eveneens hun weduwen en wezen, van behoorlijk levensonderhoud voorzien.
Als regel zal aan de dienaren des Woords ontheffing van hun ambtelijk werk worden verleend, wanneer zij de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben, tenzij met wederzijdse bewilliging anders overeengekomen wordt en zullen zij de naam en de eer van dienaar des Woords behouden.

Akkoord NGK (1982) Art. 10

I. De diensten

Artikel
10

Ontslag uit de dienst om gewichtige redenen

Indien een predikant om gewichtige redenen zijn gemeente niet langer kan dienen, zonder dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een zonde die tuchtwaardig maakt, zal hem ontslag kunnen worden verleend, echter niet zonder goedkeuring van de regionale vergadering van het ressort waartoe zijn gemeente behoort, en met bewilliging van een genabuurde regionale vergadering.
Aan deze vergadering zal ook de beslissing staan of de betrokkene al dan niet beroepbaar blijft.
In overleg met de regionale vergadering zal de kerkeraad een regeling treffen voor het levensonderhoud gedurende de tijd dat de ontslagen dienaar niet door een andere gemeente beroepen is of door andere arbeid in eigen levensonderhoud kan voorzien. Deze regeling zal in het algemeen een tijdelijk karakter dragen.

Akkoord NGK (1982) Art. 11

I. De diensten

Artikel
11

Dienst van de predikant; bijzondere opdrachten

De dienst van de predikant houdt in: de verkondiging van het Woord van God, de bediening van de sacramenten, het voorgaan in de openbare gebeden van de gemeente, het met zijn medeambtsdragers herderlijk zorgen voor de gemeente en haar leden, het verdedigen en doorgeven van de zuivere leer en het onderwijzen van de jeugd der gemeente en van allen die onderwijs behoeven.
Het zal mogelijk zijn, dat sommige predikanten een bijzondere opdracht ontvangen ten behoeve van de opleiding tot de dienst des Woords, tot geestelijke verzorging van bijzondere aard of ter verbreiding van het evangelie.
Zij zullen aan een gemeente verbonden blijven. De verhouding waarin zij tot de betrokken gemeente staan, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de regionale vergadering.

Akkoord NGK (1982) Art. 12

I. De diensten

Artikel
12

Ambtstermijn ouderlingen en diakenen

De ouderlingen en diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen. Tenzij de kerkeraad oordeelt dat de omstandigheden het wenselijk maken dat zij langer dienen dan is overeengekomen, zullen zij na hun ambtstermijn door anderen vervangen worden. Voor dit oordeel van de kerkeraad zal de instemming van de gemeente worden gevraagd.

Akkoord NGK (1982) Art. 13

I. De diensten

Artikel
13

Dienst van de ouderling

De dienst van de ouderling houdt in: het weiden van de gemeente als kudde Gods, het trouw bezoeken van de leden van de gemeente, het toezien op de leer en wandel van medeambtsdragers, en het tezamen met de dienaren des Woords oefenen van de kerkelijke tucht.

Akkoord NGK (1982) Art. 14

I. De diensten

Artikel
14

Dienst van de diaken

De dienst van de diaken houdt in: het verlenen van christelijke hulp aan de leden der gemeente die in nood verkeren, en hen met raad en troost bij te staan. Naar vermogen zullen zij ook anderen hulp bieden.

Akkoord NGK (1982) Art. 15

I. De diensten

Artikel
15

De kerkeraad

De ambtsdragers tezamen vormen de kerkeraad, die belast is met de leiding en verzorging van de gemeente. Voor overleg daartoe vergadert de kerkeraad regelmatig. Van genomen besluiten zal nauwkeurig aantekening worden gemaakt.

Akkoord NGK (1982) Art. 16

I. De diensten

Artikel
16

Consulenten

De kerken in een bepaalde regio zullen vacante gemeenten, indien deze dit verzoeken, hulp verlenen door een predikant aan te wijzen om hen te helpen en van advies te dienen.

Akkoord NGK (1982) II.

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
17-24

Akkoord NGK (1982) Art. 17

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
17

Ondertekening Formulieren van Enigheid

De ambtsdragers zullen de drie Formulieren van Enigheid (te weten: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus, en de Dordtse Leerregels) ondertekenen als blijk van hun instemming met de leer van de kerk. Indien een ambtsdrager de ondertekening weigert of niet langer voor zijn rekening kan nemen, zal de uitoefening van zijn ambt worden opgeschort tot hij zich nader zal hebben verklaard ten genoegen van zijn kerkeraad. Ook zij die door een regionale vergadering beroepbaar zijn gesteld, of het recht hebben verkregen een opbouwend woord te spreken, zullen door ondertekening van de drie Formulieren van Enigheid in die vergadering hun instemming met de leer van de kerk betuigen.

Akkoord NGK (1982) Art. 18

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
18

Eredienst; bediening van het Woord; christelijke feestdagen

De kerkeraden zullen de gemeenten op de dag des Heren in de regel tweemaal samenroepen. In elke samenkomst zal het Woord van God worden bediend.
Zo mogelijk zal in één dienst de hoofdsom van de christelijke leer naar de orde van de Heidelbergse catechismus worden verkondigd.
Over de viering van de christelijke feestdagen zullen de plaatselijke kerken ieder voor zich oordelen.

Akkoord NGK (1982) Art. 19

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
19

Doopsbediening

Het verbond van de Here zal, zodra mogelijk, aan de kinderen van de gelovigen betekend en verzegeld worden door de heilige doop in een openbare samenkomst van de gemeente, met gebruikmaking van het desbetreffende formulier. Volwassenen, die niet gedoopt zijn en opneming in de gemeente verlangen, zullen de heilige doop ontvangen na het afleggen van openbare belijdenis van het geloof, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.
De kerkeraden zullen van elke doopsbediening nauwkeurig aantekening houden.

Akkoord NGK (1982) Art. 20

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
20

Toelating tot het heilig avondmaal

Tot het heilig avondmaal zullen worden toegelaten zij, die openbare belijdenis hebben gedaan van het ware geloof en een gelovige levenswandel vertonen. Belijdende leden van andere gemeenten kunnen tot het avondmaal worden toegelaten, indien op goede gronden kan worden aangenomen dat zij zich in leer en leven als goede christenen gedragen.

Akkoord NGK (1982) Art. 21

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
21

Bediening van het heilig avondmaal

Het heilig avondmaal zal in een openbare samenkomst van de gemeente worden bediend. Deze bediening zal tenminste eens in de drie maanden plaatsvinden en gepaard gaan met schriftuurlijke onderwijzing in de lijn van een daartoe bestemd formulier. De wijze van bediening zal met het oog op wat het meest tot opbouw van de gemeente strekt, behoudens het in Gods Woord bepaalde, door elke kerkeraad zelf worden vastgesteld.

Akkoord NGK (1982) Art. 22

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
22

Onderwijs aan de jeugd der gemeente

De kerkeraden zullen zorgdragen voor het catechetisch onderwijs aan de jeugd van de gemeente. Het onderwijs dient gericht te zijn op het afleggen van openbare belijdenis van het geloof. Deze zal plaatsvinden na onderzoek aangaande leer en leven door de kerkeraad en met instemming van de gemeente. Met het oog op dit laatste zullen de namen van hen die belijdenis van het geloof afleggen voldoende worden bekendgemaakt.

Akkoord NGK (1982) Art. 23

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
23

Attesten

Aan hen die uit de gemeente vertrekken, zullen de kerkeraden een getuigenis aangaande hun leer en leven meegeven, gericht aan de kerkeraad in de plaats waar zij zich vestigen.
Indien zij nog geen openbare belijdenis hebben afgelegd zal een doopattest worden gezonden naar de kerkeraad van de zusterkerk aldaar.

Akkoord NGK (1982) Art. 24

II. Het opzicht over de leer en de eredienst

Artikel
24

Huwelijken

De kerkeraden zullen er op toezien dat de leden van de gemeente hun huwelijk aangaan overeenkomstig het Woord van God. Na de burgerlijke voltrekking ervan zal de voorbede van de gemeente plaatsvinden met schriftuurlijke onderwijzing in de lijn van een daartoe bestemd formulier.

Akkoord NGK (1982) III.

III. De tucht

Artikel
25-30

Akkoord NGK (1982) Art. 25

III. De tucht

Artikel
25

Karakter van de tucht

De kerkelijke tucht draagt een geestelijk karakter en is er op gericht de leden die zondigen te behouden, hen met God, met de gemeente en hun naaste te verzoenen en de gemeente te bewaren bij de heiligheid van het verbond van God.

Akkoord NGK (1982) Art. 26

III. De tucht

Artikel
26

Onderling toezicht

Heeft iemand een zonde bedreven die geen openbaar karakter draagt, dan zal hij hierover vermaand worden naar de regel van Matt. 18: 15, 16, en in de geest van Galaten 6: 1.
Indien de zondaar geen berouw toont, zal de kerkeraad hierin worden gekend.
Ook indien iemand een openbare zonde heeft bedreven, zal dit ter kennis van de kerkeraad worden gebracht (Matt. 18: 17).

Akkoord NGK (1982) Art. 27

III. De tucht

Artikel
27

Berouw en verzoening

Wanneer het vermaan van de kerkeraad berouw tot gevolg heeft, zal de verzoening op zulk een wijze plaatsvinden als de kerkeraad juist oordeelt.

Akkoord NGK (1982) Art. 28

III. De tucht

Artikel
28

Voortgaande tucht

Wie geen blijk geeft van berouw en de vermaningen van de kerkeraad verwerpt, zal van het avondmaal des Heren worden afgehouden. Indien na herhaalde vermaning geen bekering volgt, zal tot het laatste redmiddel, nl. de afsnijding, worden overgegaan, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.

Akkoord NGK (1982) Art. 29

III. De tucht

Artikel
29

Wederopneming

Indien iemand die afgesneden is van de gemeente na bekering begeert weer te worden opgenomen, zal hiervan aan de gemeente mededeling worden gedaan om haar instemming te verkrijgen. Daarna zal de wederopneming plaatsvinden in een openbare samenkomst van de gemeente, met dankzegging aan de Here en met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.

Akkoord NGK (1982) Art. 30

III. De tucht

Artikel
30

Tucht over ambtsdragers

Wanneer een ambtsdrager een onschriftuurlijke leer brengt of een andere openbare grove zonde bedrijft, zal hij door de kerkeraad in zijn dienst worden geschorst of daarvan worden afgezet.
De schorsing van een predikant zal, evenals de schorsing en de afzetting van een ouderling of diaken, plaatsvinden in overeenstemming met het advies van een naburige gemeente.
Afzetting van een dienaar des Woords zal slechts plaatsvinden na instemmend advies van de regionale vergadering, die daarbij zal worden bijgestaan door afgevaardigden van een naburige regionale vergadering. Bij verschil van gevoelen tussen genoemde instanties zal het oordeel van de landelijke vergadering worden gevraagd.
Van schorsing en afzetting zal mededeling worden gedaan aan de gemeente, met het oog op haar instemming.

Akkoord NGK (1982) IV.

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
31-39

Akkoord NGK (1982) Art. 31

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
31

1. Eendrachtig samenwerken

De kerken, die van Christus zijn, werken eendrachtig samen. Zij wekken elkaar op het Woord van God te bewaren en te blijven bij de leer van de kerk naar de ‘Formulieren van Enigheid’. Zij helpen en dienen elkaar en behartigen de zaken die zij gemeenschappelijk hebben. Zij mogen daarbij niet over elkaar heersen, maar zullen geduld met elkaar hebben en samen de tijd van God verwachten waarin Hij de weg duidelijk zal maken.

2. Regionale en landelijke vergaderingen

De kerken komen door afgevaardigden bijeen in regionale en landelijke vergaderingen. Deze vergaderingen dragen geen blijvend karakter, maar zijn tijdelijk en houden op te bestaan zodra zij gesloten zijn.
Zij worden samengeroepen door de kerk die door de laatstgehouden vergadering daartoe werd aangewezen. Van genomen besluiten zal nauwkeurig aantekening worden gemaakt.

Akkoord NGK (1982) Art. 32

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
32

Uitsluitend kerkelijke zaken

Het agendum van de landelijke en regionale vergaderingen, dat uitsluitend kerkelijke zaken bevat, wordt door de kerken samengesteld.
Een regionale vergadering behandelt alleen wat niet door de kerkeraden, een landelijke vergadering alleen wat niet door regionale vergaderingen kan worden afgehandeld en verder wat tot de betrokken kerken gemeenschappelijk behoort.
Aan deze kerken wordt vroegtijdig medegedeeld welke zaken worden voorgelegd, opdat zij haar oordeel kenbaar kunnen maken en haar afgevaardigden behoorlijk kunnen instrueren.
Zij die door regionale of landelijke vergaderingen met een opdracht worden belast, ontvangen die opdracht welomschreven en rapporteren tijdig aan de betrokken kerken. Hun rapport komt aan de orde op de eerstkomende regionale, onderscheidenlijk landelijke vergadering.

Akkoord NGK (1982) Art. 33

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
33

Op kerkelijke wijze

De regionale en landelijke vergaderingen zullen de haar voorgelegde zaken op kerkelijke wijze behandelen, waarbij zij naar overeenstemming streven aleer een zaak door stemming wordt beslist.

Akkoord NGK (1982) Art. 34

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
34

Bekrachtiging en nakoming van besluiten

Een besluit van de regionale of landelijke vergadering zal door de plaatselijke kerken bekrachtigd worden en in onderlinge liefde nagekomen, tenzij dit besluit strijdig bevonden wordt met de Heilige Schrift of ook als het niet overeenstemt met het Akkoord van kerkelijk samenleven.
De kerk die een besluit niet bekrachtigt om bovengenoemde redenen, of niet kan uitvoeren om redenen die het welzijn van de gemeente betreffen, zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven.

Akkoord NGK (1982) Art. 35

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
35

Beroep op meerdere vergaderingen

Het is geoorloofd zich van een besluit van de kerkeraad op de regionale vergadering, of ook van een besluit van de regionale vergadering op de landelijke vergadering te beroepen. Naar de verkregen uitspraak zal men zich voegen, tenzij dit niet recht zou zijn voor God.
In elk geding is slechts één beroep mogelijk: tegen een besluit dat de leer der kerk of tucht over een dienaar des Woords betreft staat echter beroep open tot op de landelijke vergadering.

Akkoord NGK (1982) Art. 36

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
36

Afvaardiging naar regionale vergaderingen

Naar de regionale vergaderingen zenden de genabuurde kerken elk twee stemhebbende afgevaardigden, voorzien van een bewijs van afvaardiging en eventuele instructies. Deze vergaderingen worden in de regel tweemaal per jaar gehouden, waarbij een afgevaardigde van telkens een andere kerk voorzitter is.

Akkoord NGK (1982) Art. 37

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
37

1. Oordeel en hulp

In de regionale vergaderingen zal worden gevraagd of er iets is waarin een kerk het oordeel en de hulp van de zusterkerken nodig heeft.

2. Op elkaar acht geven

De regionale vergaderingen dragen er zorg voor dat de in haar samenkomende kerken elkaar op de hoogte stellen van de arbeid der ambtsdragers, opdat deze kerken elkaar kunnen bijstaan, op elkaar acht kunnen geven en elkaar intijds christelijk mogen vermanen wanneer iemand nalatig bevonden wordt.
Het staat een regionale vergadering vrij, hiertoe enigen uit haar midden aan te wijzen die de kerkeraden bezoeken en over hun bevinding rapporteren.

Akkoord NGK (1982) Art. 38

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
38

1. Afvaardiging naar landelijke vergaderingen

Een landelijke vergadering wordt in de regel om de twee jaren gehouden, tenzij er reden is vooreen vervroegde bijeenroeping. Dit laatste kan alleen met medewerking van twee regionale vergaderingen.
Elke regionale vergadering zendt naar de landelijke vergadering vier stemhebbende afgevaardigden, voorzien van een bewijs van afvaardiging en eventuele instructies. Van deze vier afgevaardigden worden, zo mogelijk, geen twee uit dezelfde kerk gekozen.

2. Agendum landelijke vergadering; voorlopig oordeel

Een landelijke vergadering kan in genoemde samenstelling haar agendum afhandelen, om daarna te worden gesloten. Zij kan in deze samenstelling echter ook in een haar voorgelegde gewichtige zaak slechts een voorlopig oordeel geven. In dat geval wordt zij, nadat het agendum voor het overige is afgehandeld, voorlopig gesloten.
Een landelijke vergadering handelt volgens laatstgenoemde regel indien tenminste twaalf kerken de wens hiertoe vooraf kenbaar gemaakt hebben, of indien tenminste acht afgevaardigden zich hiervoor ter vergadering hebben uitgesproken.

3. Voortgezette landelijke vergadering

Een voorlopig gesloten landelijke vergadering wordt voortgezet om de zaken waarover zij een voorlopig oordeel gaf af te handelen, zes maanden na deze voorlopige sluiting. De notulen, deze zaken betreffende, worden binnen twee maanden na deze voorlopige sluiting verzonden.
Naar de voortgezette landelijke vergadering zendt elke kerk rechtstreeks één stemhebbende afgevaardigde, voorzien van een bewijs van afvaardiging.
De afgevaardigden van de regionale vergaderingen hebben in de voortgezette vergadering een adviserende stem. Zij kunnen door de kerk waarvan zij lid zijn echter wel worden aangewezen als haar stemhebbende afgevaardigde.

Akkoord NGK (1982) Art. 39

IV. De kerkelijke vergaderingen

Artikel
39

Relatie met andere kerken

De kerken dienen de eenheid van alle in belijdenis en leven gereformeerde kerken in Nederland en daarbuiten, ook als die een ander gebruik hebben.

Akkoord NGK (1982) Art. 40

Artikel
40

Functionering van het kerkelijk akkoord

De kerken beloven elkaar dit gemeenschappelijk aangenomen akkoord naar vermogen te overhouden, met inachtneming van wat Gods Woord gebiedt.
De artikelen behoren gewijzigd, vermeerderd of verminderd te worden wanneer de kerken daarmee gediend zijn, zo ook als dit bevorderlijk is voor de oefening van de gemeenschap met kerken van eenzelfde belijdenis, en het niet strijdig is met de Heilige Schrift; slechts een landelijke vergadering is bevoegd hiertoe te besluiten, en wel nadat zij haar voorlopig oordeel aan de kerken kenbaar heeft gemaakt.