Acta GKN (1957) 580506

Zitting van dinsdag 6 mei 1958

Acta GKN (1957) Art. 462

Kerkelijke stichtingen

Art. 462. Namens commissie II rapporteert ds mr W.S. de Vries over de „Memorie over de kerkelijke stichtingen”, behorende bij het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde (O 43) (bijlage CV. a en b).

In een uitvoerige discussie komen verschillende vragen en bezwaren naar voren. Gevraagd wordt of bestaande stichtingen, die voordat de thans gegeven richtlijnen bekend waren in het leven werden geroepen, nu niet in grote moeilijkheden worden gebracht, alsmede of allerlei in de richtlijnen gebruikte uitdrukkingen (zoals „tenzij” en „bezwaarlijk anders” in 2a, „ten dele tot de taak van de kerk behoort” in 2 b, en „het welzijn van de kerk” in 2 e) wel duidelijk en scherp genoeg geformuleerd zijn. Verder wordt erop gewezen, dat de kerk hier de grenzen van haar taak in het oog zal moeten houden, en dat men eigenlijk bezig is naar een vierkante cirkel te zoeken, wanneer men enerzijds stelt, dat de kerk zich van arbeid, die niet rechtstreeks tot haar taak behoort, moet distanciëren, doch anderzijds aan diezelfde kerk in allerlei beslissingen, die een stichting te nemen heeft, het laatste woord wil geven. Naar het oordeel van sommigen grijpt de kerk met haar veto-recht te diep in de gedragingen van de stichting in en zullen daaruit alle mogelijke conflicten kunnen voortkomen. Ook acht met het gevaarlijk dat de stichting een legitieme figuur in ons kerkelijk leven zou gaan worden en pleit men ervoor het oprichten van stichtingen vooral niet te bevorderen, maar veeleer af te remmen. Het laatste zou o.m. kunnen geschieden doordat in elke provincie deputaten worden aangewezen, die de kerken bij aangelegenheden als deze van advies dienen. Tenslotte werd erop aangedrongen het veto-recht in geen geval eenvormig te regelen en aan de voorgestelde conclusies een praeambule te laten voorafgaan, waarin iets gezegd wordt over de beperktheid van de roeping der kerk.

Mr Schenkeveld, deputaat voor de herziening van de kerkorde, gaat op al deze vragen en bezwaren in. Hij betoogt, dat de kwestie van de kerkelijke stichtingen buitengewoon moeilijk is, doch dat er gelukkig over deze materie tussen de deputaten en de commissie overeenstemming werd bereikt. Volgens hem is er hier van het zoeken naar een vierkante cirkel geen sprake, doch is het een logische zaak, dat de kerk bij het deelnemen aan het werk van een bepaalde stichting, het recht heeft om op essentiële punten haar veto te laten horen. Hoezeer hij het ook eens is met de gedachte dat het aantal stichtingen niet te groot zal moeten worden, toch acht hij het benoemen van deputaten voor deze zaak in elke provincie niet aanbevelenswaardig. Verder geeft hij een uitvoerige toelichting op de voorgestelde richtlijnen, waarbij hij er in het bijzonder de aandacht op vestigt dat deze richtlijnen soepel zijn gesteld.

Voor een korte comité-zitting moet op dit tijdstip de bespreking even worden afgebroken (zie verder art. 465, 466).

Acta GKN (1957) Art. 465

Kerkelijke stichtingen

Art. 465. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteur ds mr W. S. de Vries, over de „Memorie over de kerkelijke stichtingen”, ingediend door de deputaten voor de herziening van de kerkorde (O 43) (bijlage CV a en b) wordt voortgezet (zie art. 462).

Ook de rapporteur der commissie beantwoordt thans de verschillende sprekers, die het woord voerden en wijst er daarbij vooral op, dat de zaak van de kerkelijke stichtingen nog in wording is, zodat de thans voorgestelde richtlijnen nog niet als definitief beschouwd moeten worden.

Dr R. Schippers adviseert in richtlijn c te laten vervallen de woorden: „geen voorste] aangenomen” en achter de woorden „het welzijn van de kerk geschaad zou worden” in te voegen de woorden: „althans, indien dit oordeel betrekking heeft op (voorstellen,) besluiten en handelingen, die geacht kunnen worden te liggen op het terrein, waar de kerk een ambtelijk-kerkelijke roeping heeft”.

Ds M.J.C. Bosscha en ouderling O. Dijkstra stellen voor in richtlijn c. in plaats van „of haar vertegenwoordigers” te lezen „of haar vertegenwoordiging”.

Dr H.N. Ridderbos adviseert de conclusies te voorzien van een preambule, waarin duidelijk blijkt, dat de synode in geen geval bedoelt het oprichten van stichtingen te animeren.

Laatstgenoemd advies wordt door de commissie overgenomen en als voorstel ingediend, doch na enige discussie door de vergadering verworpen.

Hierna komen op voorstel van de praeses allereerst de voorgestelde richtlijnen in behandeling. De richtlijnen a en b worden met een kleine wijziging aangenomen. Bij richtlijn c worden de beide adviezen van dr R. Schippers, die door ds E.N. van Loo worden overgenomen en als amendementen ingediend, verworpen, hoewel het eerste advies ook door de deputaten en de commissie was overgenomen. Ook het amendement-Bosscha-Dijkstra wordt niet aanvaard. Daarna wordt richtlijn c in de door de commissie voorgestelde vorm aangenomen. Dr R. Schippers vraagt hierop aantekening in de acta, dat hij tegen het gehele besluit is, omdat de synode zijn eerste advies, om de woorden „geen voorstel aangenomen” te laten vervallen, niet heeft aangenomen. De praeses acht het niet uitgesloten, dat bij de stemming over dit advies een misverstand in het spel is geweest, en wil hierover het oordeel van het moderamen vragen (zie verder hieronder).

Vervolgens wordt richtlijn d goedgekeurd, terwijl de synode eveneens accoord blijkt te gaan met de algemene bepaling, die de commissie voorstelt in hoofdstuk IV van de herziene kerkorde onder het hoofd: „VI. Stichtingen” als artikel 105a op te nemen.

Ook hetgeen overigens nog onder „van oordeel” en onder „besluit” sub 3 wordt voorgesteld wordt door de vergadering aanvaard.

De praeses komt later nog terug op de stemming, die gehouden werd over het Ie amendement-Van Loo (Schippers). Hij deelt mee, dat het moderamen voorstelt aan de vergadering te vragen of het aan allen geheel duidelijk is geweest, dat dit amendement door de deputaten en de commissie werd overgenomen; en indien blijken mocht, dat dit niet het geval is geweest, over dit amendement opnieuw te stemmen. De vergadering keurt dit goed. Nadat enkele leden verklaard hebben inderdaad niet begrepen te hebben, dat het advies van dr Schippers behalve door ds Van Loo ook door de deputaten en de commissie was overgenomen, wordt over dit advies opnieuw gestemd en wordt het met 25 tegen 20 stemmen aangenomen.

Tenslotte wordt bij eindstemming het gehele besluit door de synode goedgekeurd. Dr H.N. Ridderbos verzoekt hierbij aantekening in de acta, dat hij als praeadviserend lid tegen heeft gestemd, omdat naar zijn mening dit besluit te weinig rekening houdt met het gevaar, dat de kerken de grenzen van haar roeping overschrijden.

De praeses richt zich thans nog met een enkel woord van dank tot de deputaten en de commissie, die er in slagen mochten deze moeilijke en veeleisende arbeid in onderling overleg tot een goed einde te brengen.

Acta GKN (1957) Art. 466

Kerkelijke stichtingen. Besluit

Art. 466. Het besluit der synode luidt nu aldus:

De generale synode,
van oordeel,
1. dat het thans nog niet mogelijk is in de kerkorde de zaak van de stichtingen op afdoende wijze te regelen;
2. dat het anderzijds stellig gewenst is reeds nu voor het oprichten van of het deelnemen aan stichtingen door vergaderingen van de kerk enkele richtlijnen te geven;

besluit:
1. als algemene bepaling in Hoofdstuk IV van de kerkorde op te nemen:

„VI. Stichtingen.
Artikel 105a. Bij het in leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen zullen de vergaderingen der kerk zich gedragen naar de daarvoor door de generale synode gegeven richtlijnen”;

2. voor het in leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen door vergaderingen van de kerk de volgende richtlijnen vast te stellen:
a. Tot het verrichten van arbeid, welk geacht moet worden geheel tot de taak van de kerk te behoren, zullen de vergaderingen van de kerk geen stichtingen in het leven roepen, tenzij ten behoeve van bepaalde belangen, voorzover het mocht blijken, dat die bezwaarlijk anders dan door een stichting goed kunnen worden behartigd.
(Hierbij wordt o.a. gedacht aan de stichting „Stichting Landelijke Samenwerking").
b. Tot het verrichten van arbeid, welke geacht kan worden althans ten dele tot de taak van de kerk te behoren of ten behoeve van bepaalde belangen, welker behartiging ten dele tot de taak van de kerk behoort, kan een vergadering van de kerk zelfstandig of in samenwerking met andere vergaderingen van de kerk dan wel met derden een stichting in het leven roepen of aan een reeds door derden opgerichte stichting deelnemen.
c. De samenwerking met derden tot het oprichten van of het deelnemen aan een stichting zal slechts geschieden, indien en zolang dit bevorderlijk is voor het welzijn van de kerk. In de statuten van een dergelijke stichting behoort de bepaling voor te komen, dat door haar bestuur geen besluit uitgevoerd en geen handeling verricht kan worden, waardoor naar het oordeel van de vergadering van de kerk of haar vertegenwoordigers het welzijn van de kerk geschaad zou worden. Indien het niet mogelijk blijkt een bepaling als in de laatste volzin bedoeld in de statuten opgenomen te krijgen, zal het alleen dan aan een vergadering van de kerk geoorloofd zijn aan het oprichten van of deelnemen aan de desbetreffende stichting mee te werken, indien er overigens voldoende gronden zijn voor de overtuiging, dat door het niet-meewerken het welzijn van de kerk zou worden geschaad.
d. Door de vergaderingen van de kerk zullen een of meer deputaten worden aangewezen, die als haar vertegenwoordigers in het bestuur van de stichting zitting zullen hebben of die op de handelingen van dit bestuur toezicht zullen houden. Daarbij zullen deze vergaderingen zich het recht voorbehouden het ontslag van haar deputaten geheel afhankelijk te stellen van wat door haar wordt aangemerkt als het welzijn van de kerk”;

3. uit te spreken:
a. dat zij niet geacht wil worden een oordeel te geven over het al of niet „kerkelijke” in de zin van de wet, van stichtingen, die reeds vóór de vaststelling van deze richtlijnen waren opgericht;
b. dat zij er echter wel bij de vergaderingen van de kerk op aandringt te overwegen, in hoeverre het mogelijk is de statuten van reeds bestaande stichtingen, waaraan zij deelnemen, alsnog met deze richtlijnen in overeenstemming te brengen, en indien dit mogelijk blijkt, er naar te streven dat ook te doen;
c. dat, hoewel het burgerrechtelijk mogelijk is, dat diakonieën zelfstandig stichtingen in het leven roepen of daaraan deelnemen, het uit kerkrechtelijk oogpunt niet juist is van deze gelegenheid gebruik te maken, omdat diakonieën niet zijn vergaderingen van de kerk in de zin van de kerkorde, zodat, wanneer een diakonie een stichting wil oprichten of daaraan gaan deelnemen, de kerkeraad, als vertegenwoordigend de kerk, dit dient te doen ten behoeve van haar diakonie;

4. haar hartelijke dank te betuigen aan de deputaten voor de herziening van de kerkorde voor de in deze zaak van de stichtingen niet alleen belangrijke, maar ook zo moeizame arbeid, door hen voor onze kerken verricht.

Acta GKN (1957) Art. 469

Grotestadsprobleem

Art. 469. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, over het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde inzake de grotestadskerken (O 3) en een op dezelfde zaak betrekking hebbend schrijven van ds. W.F.C. van Helsdingen (O 34) (bijlage CIV a en b) wordt voortgezet (zie art. 458).

De rapporteur der commissie deelt mede, dat het overleg tussen de deputaten en de commissie tot overeenstemming heeft geleid en dat in verband daarmee thans gewijzigde conclusies aan de synode worden voorgelegd, waarin enerzijds aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam een voorlopig antwoord wordt gegeven en anderzijds tot een nadere bestudering van het grotestadsvraagstuk besloten wordt.

Een korte discussie volgt, waarin teleurstelling wordt uitgesproken over het uitstel, dat hiermee aan deze zaak gegeven wordt; gevraagd wordt wat nu precies aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam zal worden toegestaan; en de opmerking gemaakt wordt, dat moeilijk kan worden toegestaan van de kerkorde af te wijken zolang deze nog niet is vastgesteld. Ook dient ds P.N. Kruyswyk, daarin gesteund door ds D. Scheele, ds P.D. Kuiper, ds H.W. Engelkes en ouderling S. Melse het voorstel in om aan het slot van sub 2 te lezen: „van de taak van de kerkeraad door deze onontwijkbaar wordt geacht” en besluit sub 3b aldus te formuleren: „overleg te plegen met die kerken, welke daarom verzoeken”.

De beide rapporteurs antwoorden. Zij wijzen erop, dat het moeilijk was voor de kerken van Amsterdam en Rotterdam enkele interim-bepalingen te maken, en dat het daarom beter geoordeeld werd binnen een bepaalde grens aan deze kerken een zekere vrijheid te geven. Het voorstel-Kruyswijk c.s. achten zij niet aanbevelenswaardig, terwijl zij, wat betreft artikel 42 van de herziene kerkorde, meedelen, dat het de bedoeling van de commissie is lid 2 daarin te laten vervallen. Hierover echter zal nog een voorstel aan de synode worden gedaan (zie art. 473).

De praeses geeft nu de voorgestelde gewijzigde conclusies in behandeling.

Met een kleine aanvulling wordt allereerst aangenomen hetgeen staat onder „kennis genomen hebbende” en „erkennende”. Ook de punten a, b en c onder „overwegende” worden daarna, met schrapping van het woord „voorshands” in b, goedgekeurd. Nadat in „besluit” sub 1 een kleine wijziging is gebracht, gaat de synode ermee accoord. Over „besluit” sub 2 ontstaat enige discussie. Gevraagd wordt of van de vrijheid, die hier aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam wordt gegeven, ook andere kerken gebruik zullen mogen maken. Verder is een advies van dr Nauta om in plaats van „bevoegdheden van de kerkeraad” te lezen „bevoegdheden door de kerkeraad” voor ds Kruyswijk c.s. aanleiding om het eerste deel van hun amendement in te trekken. Hierna wordt „besluit” sub 2 met de kleine door dr. Nauta geadviseerde wijziging goedgekeurd. Bij het aan de orde komen van „besluit” sub 3e adviseert dr R. Schippers te lezen: „van de kerksplitsing in het algemeen en dat van de grote stadskerken in het bijzonder”; de commissie neemt dit over en de synode aanvaardt dit. Het amendement-Kruyswijk c.s., bij „besluit” 3b ingediend, wordt verworpen. Vervolgens worden de punten 3b en 3c aangenomen, terwijl tenslotte ook de voorstellen 4 en 5 onder „besluit” de instemming der synode verkrijgen.

Bij eindstemming wordt het gehele voorstel met de daarin gekomen wijzigingen door de vergadering goedgekeurd.

Acta GKN (1957) Art. 470

Grotestadsprobleem. Besluit

Art. 470. Het besluit van de synode luidt nu aldus:

De generale synode,

kennis genomen hebbende van
a. het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde, inzake de grotestadskerken naar aanleiding van bij de synode van Leeuwarden ingekomen verzoeken van de kerken van Amsterdam en Rotterdam;
b. de aan haar gerichte missiven van de kerkeraden van Amsterdam en Amsterdam-Zuid;
c. de brief van ds W.F.C. van Helsdingen te Voorschoten, met verschillende voorstellen betreffende deze materie;

erkennende de noodzakelijkheid om
a. de kerken van Amsterdam en Rotterdam van antwoord te dienen inzake de moeilijkheden, die deze grotestadskerken met het onderhavige vraagstuk hebben; en
b. los van wat de sub a genoemde kerken gevraagd hebben, in het algemeen een weg te zoeken, waarin het probleem van de grote kerken zou kunnen worden opgelost;

overwegende,
a. dat naar haar oordeel de beste weg tot deze oplossing zou zijn, dat de ene grote kerk zich splitst in zelfstandige kleinere kerken, die eventueel met elkander verband kunnen houden over bijzonder-gemeenschappelijke belangen;
b. dat echter sommige grote kerken te kennen hebben gegeven, dat zij nog niet tot zulk een splitsing kunnen overgaan; en
c. dat behalve in de hierboven vermelde twee, nog in vele andere kerken dit vraagstuk aan de orde is, en bovendien aan deze zaak verschillende kanten zijn;

besluit:
1. de grote kerken erop te wijzen, dat de splitsing in een groter of kleiner aantal de beste weg is om uit de moeilijkheden van de massaliteit uit te komen;
2. aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam, onder verwijzing naar het besluit genoemd onder 3, te berichten, dat zij de vrijheid hebben voorlopig af te wijken van het bepaalde in artikel 42 van de herziene kerkorde, met dien verstande echter dat aan de door haar op te stellen regeling geen definitief karakter wordt gegeven, en dat het in handen leggen van bevoegdheden door de kerkeraad aan commissies of wjjkraden niet verder gaat dan vanwege de plaatselijke situatie met het oog op een verantwoorde nakoming van de taak van de kerkeraad onontwijkbaar moet worden geacht;
3. vijf deputaten te benoemen, met drie secundi (zie art. 284, sub J 5), aan wie opgedragen wordt:
a. het vraagstuk van de kerksplitsing in het algemeen en dat van de grotestadskerken in het bijzonder van alle zijden te bezien;
b. overleg te plegen met die kerken, welke hiervoor in aanmerking komen, zowel naar het oordeel van de deputaten als op eigen verzoek; en
c. aan de generale synode van 1959 rapport uit te brengen en voorstellen te doen (zie art. 285), welk rapport uiterlijk 1 juni 1959 aan de kerken moet zijn toegezonden;
4. hiervan mededeling te doen aan de kerkeraden van Amsterdam, Rotterdam, ’s-Gravenhage-West en Amsterdam-Zuid, en aan ds W.F.C. van Helsdingen; en
5. de deputaten hartelijk te danken voor de door hen verrichte arbeid en voor de waardevolle gegevens aan de synode verstrekt.

In bovenstaand besluit ligt opgesloten, dat het door de deputaten voor de herziening van de kerkorde voorgestelde nieuwe artikel 39a door de synode niet wordt aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 471

Kerk van Den Haag-West

Art. 471. Namens commissie II rapporteert ouderling W. Hildering over een tweetal brieven resp. van de classis ’s-Gravenhage (P 29) en van de kerk van ’s-Gravenhage-West (P 43), beide betrekking hebbend op de door laatstgenoemde kerk ingestelde classis minor, waarover thans het oordeel der synode wordt gevraagd (bijlage CVI).

De rapporteur der commissie deelt mee, dat de commissie haar voorstel aan de synode, onder „besluit” als volgt wil wijzigen:
a. afkeuring uit te spreken over de door de kerk van ’s-Gravenhage-West ingevoerde classis-minor;
b. aan de kerk van ’s-Gravenhage-West onder verwijzing naar het genomen besluit, genoemd onder 3 in het rapport van commissie II inzake de grotestadskerken (acta, art. 470) te berichten, dat zij vrijheid heeft voorlopig af te wijken van het bepaalde in artikel 42 der herziene kerkorde, met dien verstande echter dat aan de door haar op te stellen regeling geen definitief karakter wordt gegeven, en dat het in handen leggen van bevoegdheden door de kerkeraad aan commissies of wijkraden niet verder gaat dan vanwege de plaatselijke situatie met het oog op een verantwoorde nakoming van de taak van de kerkeraad onontwijkbaar moet worden geacht;
c. deze stukken in handen te stellen van te benoemen deputaten;
d. aan adressanten hiervan kennis te geven.”

Hierover ontstaat enige discussie, waarin geïnformeerd wordt of de kerk van ’s-Gravenhage-West door de commissie gehoord is; en door ouderling T. Spaan wordt voorgesteld om onder a in plaats van het door de commissie voorgestelde, waarin van „afkeuring” gesproken wordt, te lezen: „instemming te betuigen met het oordeel van de classis ’s-Gravenhage over de door de kerk van ’s-Gravenhage-West ingevoerde classis minor”. Aangezien echter blijkt, dat de classis ’s-Gravenhage zich ervan onthouden heeft een oordeel uit te spreken, wordt het wenselijk geacht een andere formulering te zoeken, waarin eveneens het woord „afkeuring” vermeden wordt. Deze formulering wordt door de voorzitter van commissie II, ds M. Kamper, aan de hand gedaan en door de synode aanvaard.

Opnieuw wordt nog de vraag gesteld (zie art. 469) hoe nu andere kerken, die zich niet tot de synode hebben gewend, moeten handelen. Op deze vraag kan alleen geantwoord worden, dat de synode in de gegeven situatie moeilijk algemene regels kan stellen en zich uitsluitend moet bepalen tot de gevallen, die haar zijn voorgelegd.

 

Het besluit der synode luidt aldus:

De synode,

kennis genomen hebbende van de inhoud van de ingekomen brieven van de classis ’s-Gravenhage en de kerk van ’s-Gravenhage-West over de door de kerk van ’s-Gravenhage-West ingevoerde zgn. „classis minor”;

overwegende, dat de problemen van de grotestadskerken reeds haar aandacht hadden;

besluit:
a. aan de kerk van ’s-Gravenhage-West te berichten, dat zij, evenals de kerken van Amsterdam en Rotterdam, de vrijheid heeft voorlopig af te wijken van het bepaalde in artikel 42 van de herziene kerkorde (zie art. 470, sub 2);
b. deze kerk er verder op te wijzen, dat de door haar ingeslagen weg van de „classis minor” daarmee echter niet in overeenstemming kan worden geacht;
c. van dit besluit kennis te geven aan de classis ’s-Gravenhage, en
d. de stukken in handen te stellen van de deputaten voor de bestudering van het grotestadsvraagstuk.