Acta GKN (1957) 580501

Zitting van donderdag 1 mei 1958

Acta GKN (1957) Art. 445

Herziening van de kerkorde art. 35, 42, 45 en 71

Art. 445. De praeses stelt thans aan de orde de nadere behandeling van een aantal artikelen van de kerkorde, die in vorige zittingen werden aangehouden, en waarover door de deputaten en de commissie nog een advies zou worden uitgebracht (O 1a enz.) (bijlage LXXVIII a, b en c).

Dit betreft allereerst de artikelen 35, 42, 45 en 71.

T.a.v. artikel 35 wordt voorgesteld het slot van lid 2 aldus te lezen: „met dien verstande, dat ze zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de betreffende vergadering gegeven aanwijzingen” (zie art. 334 en 335).

Ds J. van Herksen stelt voor achter „voor het overige” nog in te voegen: „met name met het oog op het kerkverband”. Dit amendement wordt verworpen. Daarna wordt het voorstel van de deputaten en de commissie aangenomen.

De behandeling van artikel 42 moet nog worden uitgesteld, totdat het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, in zake de grotestadskerken aan de orde zal komen (zie daarvoor art. 458, 469, 470, 471, 473).

Vervolgens wordt voorgesteld in artikel 45, lid 1 te lezen: „.... met name in zaken, waarmee het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn”; en lid 2 van dit artikel aldus te laten luiden: „... waarmee het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen uitvoering geven, voordat aan de leden der gemeente, gedurende de tijd van één maand, de gelegenheid is gegeven, in appèl te gaan bij de meerdere vergadering”. De woorden „en zolang ...”, die aan het slot stonden, zouden hier dus vervallen.

Over deze voorstellen ontstaat enige discussie. Evenals bij de eerste bespreking (zie art. 336) wordt er ook nu weer op gewezen, dat over het voorgestelde lid 2 van artikel 45 de kerkelijke vergaderingen niet hebben kunnen oordelen. Verder wordt enerzijds opgemerkt, dat de schrapping van het slot weinig verschil maakt, terwijl anderzijds voor behoud van de slotwoorden gepleit wordt. Ook wordt de gedachte geopperd om het gehele lid 2 te laten vervallen, daar het hierin bepaalde, hoewel niet in tegenspraak met de uitspraken van de synode van Rotterdam, toch wel van verdergaande strekking is. Ds P.N. Kruyswik stelt voor om na „meerdere vergadering” nog toe te voegen „en deze daarin heeft beslist”. Daar het niet mogelijk blijkt, nu reeds tot een beslissing te komen, wordt dit artikel opnieuw ter fine van advies aan de commissie in handen gegeven, terwijl eventuele andere voorstellen tot wijziging door de leden der vergadering bij de commissie nog kunnen worden ingediend (zie verder art. 473).

Tenslotte wordt, aangenomen het voorstel om lid 2 van artikel 71 aldus te lezen: „In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan de orde van dienst, welke door de generale synode is vastgesteld”.

Acta GKN (1957) Art. 446

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 35, 42, 45 en 71

Art. 446. De synode besluit de artikelen 36 en 71 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen, terwijl over de artikelen 42 en 45 nog een nadere beslissing zal worden genomen.

 

Artikel 35 (zie voor de volledige tekst art. 335).

Artikel 71

1. De inrichting van de kerkdiensten wordt vastgesteld door de kerkeraad.
2. In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan een orde van dienst, welke door de generale synode is vastgesteld.

Acta GKN (1957) Art. 447

Herziening van de kerkorde art. 80, 82, 94, 106 en 106a

Art. 447. Thans stelt de praeses aan de orde de nadere behandeling van de artikelen 80, 82, 94, 106 en 106a van de voorlopige kerkorde.

Allereerst stellen de deputaten en de commissie voor artikel 80, lid 4 aldus te lezen: „Degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen toegelaten worden, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun gezonde leer en godvrezende wandel en na goedkeuring van de gemeente, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat eerst openbare belijdenis des geloofs moet afgelegd worden.” Dit voorstel wordt door de synode aanvaard.

De redactie van artikel 82 willen de deputaten en de commissie nu aldus laten luiden: „Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.” Ook dit wordt goedgekeurd.

Verder wordt voorgesteld in artikel 94, lid 1 aldus te lezen: „... zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen ...”. De synode gaat hiermee accoord.

T.a.v. de artikelen 106 en 106a, waaromtrent reeds besloten werd ze tot één artikel samen te voegen (zie art. 363), wordt nu voorgesteld lid 1 te laten luiden als volgt: „1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods Naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.” Als lid 2 zou dan volgen het oude artikel 106. Ook hiermee gaat de vergadering accoord.

Acta GKN (1957) Art. 448

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 80, 82, 94, 106 en 106a

Art. 448. De synode besluit de artikelen 80, 82, 94, 106 en 106a van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 80

1. Tot het heilig avondmaal wordt toelating verkregen door het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.
2. Alvorens iemand toe te laten tot het afleggen van openbare belijdenis des geloofs zal de kerkeraad een onderzoek instellen naar de beweegreden voor het doen van belijdenis alsook naar de gezonde leer en de godvrezende wandel en voorts de namen van degenen, die toegang verlangen, aan de gemeente mededelen.
3. Degenen, die uit een andere gemeente overkomen, zullen tot het heilig avondmaal toegelaten worden op grond van een overgelegde attestatie, voorzover deze genoegzame waarborg biedt van een gezonde leer en godvrezende wandel.
4. Degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen toegelaten worden, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun gezonde leer en godvrezende wandel en na goedkeuring van de gemeente, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat eerst openbare belijdenis des geloofs moet afgelegd worden.

Artikel 82

Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.

Artikel 94

1. In het belang van de arbeid der evangelisatie zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen en het nodige te verrichten tot bevordering van de opleiding van krachten voor de arbeid der evangelisatie.
2. Ten behoeve van de in lid 1 bedoelde arbeid kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

 

Hoofdstuk V

HET VERMAAN EN DE TUCHT VAN DE KERK

I. Algemene Bepalingen

Artikel 106

1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods Naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.
2. Het vermaan en de tucht, welke door de dienaren des Woords en de ouderlingen geoefend worden, laten onaangetast de roeping, die op alle leden der gemeente rust om op elkander in broederlijke liefde acht te geven en zo nodig elkander te vermanen en zulk een vermaan ter harte te nemen.

Acta GKN (1957) Art. 449

Herziening van de kerkorde art. 117, 130 en „censura morum”

Art. 449. Thans komen in nadere bespreking de artikelen 117 en 130, alsmede een memorie van ds. A. Mout inzake de censura morum (zie artikel 334 slot).

Het amendement van ds J.C. Hagen en ds F.C. Zwaal, dat op lid 1 van artikel 117 is ingediend, werd door de deputaten en de commissie overwogen, en is aanleiding, dat thans wordt voorgesteld om op artikel 117 een afzonderlijk artikel 117a te laten volgen, waarin over het eigenwillig neerleggen van het ambt gesproken wordt. Dit nieuwe artikel zou dan aldus moeten luiden: „Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, vervallen verklaren van alle aan dat ambt verbonden rechten. Voorts zal de kerkeraad over hen de vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.” Na een korte discussie, waarin dr D. Nauta adviseert de laatste woorden vanaf „tenzij” weg te laten, wordt artikel 117a conform het voorstel der commissie vastgesteld. Ook lid 1 van artikel 117, waarover nog geen besluit was genomen (zie art. 365), wordt nu goedgekeurd met de kleine wijziging, die de commissie daarin in haar rapport had voorgesteld.

T.a.v. lid 2 van artikel 130 wordt voorgesteld het woordje „ook” te laten vervallen en het slot ervan aldus te lezen „in de christelijke godsdienst te doen geven, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zoveel mogelijk gebruik maken.” De synode aanvaardt dit.

Ook komt nog in behandeling een memorie van ds A. Mout, waarin deze erop aandringt dat een bepaling in de kerkorde zal worden opgenomen, dat censura morum zal worden gehouden in een samenkomst van de kerkeraad, voorafgaande aan de viering van het heilig avondmaal, en in verband daarmee een voorstel doet om in artikel 41 alsnog een nieuw lid 2 op te nemen, aldus luidende: „De kerkeraad zal in de samenkomst, voorafgaande aan het heilig avondmaal aan de orde stellen hetgeen in art. 37, lid 2 bepaald is” (Zie art. 334 slot en art. 337).

Er volgt een bespreking, waarin blijkt, dat de commissie het de synode ontraadt het amendement-Mout te aanvaarden. Ook verschillende leden der synode zijn van mening, dat de tijd, waarop de censura morum gehouden wordt, aan de plaatselijke kerken kan worden overgelaten. Ds W. de Graaf stelt voor in lid 2 van artikel 37 de woorden toe te voegen: „In het bijzonder zal deze gelegenheid worden gegeven in de samenkomst, die onmiddellijk aan de viering van het heilig avondmaal voorafgaat.” Ds Mout merkt op, dat de plaats, waar de door hem bedoelde bepaling wordt opgenomen, alsmede de formulering ervan voor hem bijkomstig is, als maar ergens een bepaling in deze zin komt te staan. Op advies van dr D. Nauta vraagt de praeses de synode zich erover uit te spreken of zij in principe voor de gedachte van ds Mout gevoelt. De meerderheid spreekt zich daarna ten gunste van deze gedachte uit. Verder wordt besloten, dat de commissie nu in overleg met ds Mout nog een nader voorstel zal doen betreffende de redactie en de plaats van de op te nemen bepaling (zie verder art. 473).

Acta GKN (1957) Art. 450

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 117, 117a en 130

Art. 450. De synode besluit de artikelen 117, 117a en 130 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 117

1. Wanneer ambtsdragers in strijd handelen met hun ondertekening van de belijdenis, of zich schuldig maken aan een schromelijk veronachtzamen of misbruiken van hun ambt, of op andere wijze in ernstige mate afwijken van de gezonde leer of de godvrezende wandel, zullen zij in hun diensten geschorst of terstond uit hun ambt ontzet worden.
2. Het oordeel, of de ontzetting uit het ambt terstond zal geschieden alsook of na de voorafgegane schorsing deze ontzetting zal volgen, staat bij de bevoegde vergadering, als bedoeld in de artikelen 119 en 123.

Artikel 117a

Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, vervallen verklaren van alle aan dat ambt verbonden rechten. Voorts zal de kerkeraad over hen de vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.

Artikel 130

1. De kerken zullen erop toezien, dat de kinderen der gemeente zoveel mogelijk onderwezen worden op christelijke scholen.
2. De kerken zullen van alle gelegenheden om op andere scholen onderwijs in de christelijke godsdienst te doen geven, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zoveel mogelijk gebruik maken.

Acta GKN (1957) Art. 451

Bepalingen voor de zending

Art. 451. Eveneens komen nog in behandeling de voorstellen, voorkomende in het rapport van commissie II over de herziening van de kerkorde, rapporteur ds M. Kamper, betreffende de regelingen voor de zending.

Allereerst wordt voorgesteld in de instructie voor de deputaten van de generale synode, bedoeld in artikel 13, lid 2 (zie acta Leeuwarden 1955/56, art. 429), sub 3e aan het einde van de eerste zin na het woord „elenctiek” toe te voegen: “, waarbij rekening gehouden wordt met de bestemming van de aanstaande missionaire dienaar des Woords”; wordt goedgevonden. Voorts worden aangenomen de beide andere voorstellen, die hierbij door de commissie worden gedaan, namelijk om te bepalen, dat de regeling van het in artikel 13 van de kerkorde bedoelde examen, voor wat betreft aanstaande missionaire dienaren des Woords voor de zending onder de Joden zal ingaan met 1 juli 1958; en dat één van de drie deputaten, bedoeld in artikel 13 van de kerkorde voortaan iemand zal dienen te zijn, die geacht mag worden deskundig te zijn op het gebied van de zending onder de Joden.

Overeenkomstig het advies van de commissie besluit de synode verder om op de suggestie van de classis Appingedam om in de nadere bepalingen voor de deputaten van de generale synode voor de zending (behorende bij artikel 102 van de kerkorde) sub 5e de woorden „na overleg” te veranderen in ,,in overleg”, niet in te gaan.

Ook de voorstellen van de commissie, die betrekking hebben op de bepalingen inzake de opleiding aan het zendingsseminarie (behorende bij artikel 102 (oud 103) van de kerkorde; zie acta Leeuwarden 1955/56, art. 466) worden alle door de synode aangenomen. Derhalve wordt besloten:

a. om overal waar in deze bepalingen het woord „vooropleiding” voorkomt, het te vervangen door „opleiding”;
b. deze bepalingen, in verband met het genomen besluit om artikel 102 en 103 van de voorlopige vastgestelde kerkorde tot één artikel samen te voegen  (zie art. 356), thans te laten vallen onder artikel  102, lid 2 en 3;
c. in de eerste bepaling achter het woord „curatorium” een punt te plaatsen, en de resterende woorden te vervangen door de volgende nieuwe zin: „De leden van dit curatorium worden voor de kleinst mogelijke meerderheid genomen uit de generale deputaten voor de zending, terwijl één lid moet behoren tot de deputaten voor de zending onder de Joden”;
d. in de tweede bepaling de tweede volzin te doen luiden: „Als rector wordt aangewezen de hoogleraar, aan wie aan de Theologische Hogeschool het onderwijs in de zendingsvakken is opgedragen”;
e. in de vierde bepaling de tweede volzin aldus te lezen: „Nadat zij met gunstige afloop de cursus gevolgd hebben, zullen zij zoveel mogelijk in staat gesteld worden op het zendingsterrein, waar ze hun taak zullen vinden, nog gedurende een periode van drie tot zes maanden hun verdere opleiding te ontvangen”.

Tenslotte wordt er namens de commissie op gewezen, dat zij van mening is, dat nog niet alle artikelen van de oude zendingsorde zijn vervangen; daarom stelt zij voor, dat aan de nieuw te benoemen deputaten voor de herziening van de kerkorde zal worden opgedragen na te gaan welke eventuele aanvulling van de bepalingen voor de zending nog nodig is.

Het voorstel, dat de commissie aan het einde van dit gedeelte van haar rapport doet, wordt daarna door de synode aangenomen.

De synode besluit:
1. dank te zeggen aan de door de synode van Leeuwarden 1955/56 benoemde deputaten voor de herziening van de kerkorde voor hun arbeid met betrekking tot de zendingsbepalingen;
2. aan de door deze synode benoemde deputaten voor de herziening van de kerkorde op te dragen:
a. in samenwerking met de generale deputaten voor de zending na te gaan, welke van de in art. 465, I A b van de acta van de synode van Leeuwarden 1955/56 bedoelde bepalingen, op welker naleving bij de benoeming van allen, die in dienst van de zending uitgezonden worden, de generale deputaten voor de zending toezicht moeten houden, en welke bepalingen, die verband houden met art. 122 van de voorlopig vastgestelde kerkorde, nog onder de zendingsbepalingen, die de zendingsorde ten dele zullen vervangen, moeten worden opgenomen, en
b. voorstellen dienaangaande voor te leggen aan de volgende generale synode.