Acta GKN (1957) 580429

Zitting van dinsdag 29 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 418

Plaats diakenen op meerdere vergaderingen

Art. 418. Namens commissie II rapporteert dr K. Dijk over het vraagstuk van de plaats en taak van de diakenen in de meerdere vergaderingen, dat in enkele ingekomen stukken aan de synode is voorgelegd, t.w. in een schrijven van de kerk van Assen (O 21) en een schrijven van de classis Maastricht (O 40) alsmede in enkele andere stukken, afkomstig van de kerk van Heerlen en van de particuliere synoden van Noord-Brabant en Limburg, Gelderland en Zuid-Holland-Noord (bijlage XCI).

In de discussie wordt aanstonds de vraag aan de orde gesteld of deze zaak thans wel door de synode in behandeling kan worden genomen. Er wordt op gewezen, dat pas enkele jaren geleden de synode van Rotterdam, na kennisneming van een deputaten-rapport en tal van missiven uit de kerken hieromtrent uitvoerige uitspraken heeft gedaan, en dat de herziening van de kerkorde niet anders bedoelt dan een regeling van de bestaande toestand en daarom niet kan worden aangegrepen om vraagstukken, waarover in onze kerken nog steeds verschil van mening is, weer eens op het tapijt te brengen. De commissie had daarom een zo breed rapport niet behoeven op te stellen, en de synode zal wijs doen, althans op dit ogenblik, van de behandeling van dit vraagstuk af te zien.

De rapporteur der commissie merkt daartegenover op, dat de besluiten van de synode van Rotterdam in onze kerken geen bevrediging hebben gegeven, dat ook de synode zelf bij de verkiezing van leden van het moderamen zich aan deze besluiten niet gehouden heeft, en dat er in de laatste jaren in de taak van de diakenen zich zoveel gewijzigd heeft, dat het heus geen wonder is, dat een vraagstuk als dit zo spoedig op de synodetafel terugkeert. De synode mag een kwestie, die in onze kerken blijkt te leven niet onopgelost laten, ook al lopen de meningen daarover onder ons nog uiteen.

Ds H.W.H. van Andel dient het volgende voorstel in:

„De synode, kennis genomen hebbende van enkele ingekomen stukken, waarin wijzigingen in de kerkorde worden voorgesteld, die betrekking hebben op de plaats van de diakenen in de meerdere vergaderingen;
van oordeel, dat bij de herziening van de kerkorde deze zaak niet aan de orde kan komen, aangezien voorstellen tot het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen in de gang van het kerkelijk leven een afzonderlijke behandeling vereisen;
overwegende, dat de regeling, die voor enkele jaren door de synode van Rotterdam voor deze zaak werd getroffen, hoewel na breedvoerige overweging tot stand gekomen, toch niet geheel blijkt te bevredigen;
besluit:
1. thans op deze zaak niet in te gaan;
2. enkele deputaten te benoemen, aan wie de op deze zaak betrekking hebbende stukken met inbegrip van het ingediende commissierapport in handen worden gegeven, met de opdracht het vraagstuk van de plaats en taak der diakenen op de meerdere vergaderingen zowel van de principiële als van de praktische kant opnieuw te bezien en daarover op de volgende synode rapport uit te brengen.”

Over dit voorstel, dat als een voorstel van orde kan worden aangemerkt, wordt nu eerst gesproken. Verscheidene leden verklaren zich tegen dit voorstel en dringen er op aan de zaak niet uit te stellen en thans tot een bepaalde uitspraak te komen. Anderen wijzen erop, dat in de ingekomen stukken geen nieuwe argumenten zijn genoemd die op de synode van Rotterdam niet in behandeling zijn geweest en dat men de „onvolkomenheid” van de regeling van de synode van Rotterdam niet kan bewijzen met te herinneren aan het afwijken daarvan bij de verkiezing van het moderamen, aangezien uitdrukkelijk daarbij werd bepaald, dat daarmee niets geprejudieeerd werd.

Dr G.M. den Hartogh geeft het volgende advies, dat door ds D. Scheele wordt overgenomen en als voorstel wordt ingediend:

„De synode, overwegende, dat mee door de veranderde taak van het diakonaat en door de praktijk van het afgevaardigd-zijn van diakenen naar de meerdere vergaderingen, het gewenst is de ter zake binnengekomen stukken niet terzijde te leggen;
besluit:
a. aan de ingekomen verzoeken in dezen zin te voldoen, dat zij deze aangelegenheid, die eventueel een belangrijke wijziging inhoudt van enkele artikelen van de kerkorde, eerst voorlegt aan de kerken, zoals ook geschied is met de gehele herziene kerkorde, en derhalve de beslissing overlaat aan de eerstvolgende generale synode, nadat de kerken (en inzonderheid de particuliere synoden) gehoord zullen zijn;
b. hiervan kennis te geven aan de adressanten.”

Allereerst komt nu in stemming het voorstel-Van Andel; dit wordt verworpen.

Daarna wordt over het voorstel-Den Hartogh opgemerkt, dat dit geen voorstel van orde is, maar een tegen-voorstel, reden waarom het niet in behandeling kan komen, zonder dat ook de voorstellen der commissie besproken zijn. De voorzitter acht het gewenst in dit stadium de discussie af te breken en op een later tijdstip van de dag voort te zetten (zie verder art. 421 en 422).

Acta GKN (1957) Art. 419

Herziening van de kerkorde art. 29, 83, 89 en 132

Art. 419. Nadat de intussen ter vergadering gekomen diakenen welkom zijn geheten, stelt de praeses aan de orde enkele artikelen van de voorlopig vastgestelde kerkorde, waarvan de behandeling is uitgesteld, totdat de diakenen zouden aanwezig zijn. Het zijn de artikelen 29, 83, 89 en 132. Over deze artikelen is door commissie II in haar rapport over de stukken E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38 en 41-43 (bijlage LXXVIIl a, b en c) afzonderlijk gerapporteerd. Als rapporteur der commissie treedt thans op mr P.F. Oosterhof.

Aangezien er over artikel 29 overeenstemming blijkt te zijn tussen de deputaten en de commissie en door de leden der synode geen amendementen zijn ingediend, wordt dit artikel zonder discussie aanvaard in de door de deputaten gewijzigde vorm.

Voor artikel 83 heeft de commissie, naar aanleiding van een door ouderling T. Spaan ingediend amendement, in haar aanvullend rapport een herziene redactie gegeven. Ds F.C. Zwaal acht de nieuwe formulering te strak, aangezien daarin geen ruimte is gelaten voor de praktijk van „het ene offer”, die in sommige kerken wordt gevolgd. Hij dient daarom met ds J.C. Hagen en de ouderlingen M. Spiering en T. Spaan het voorstel in om tussen „zullen” en „in elke kerkdienst” in te voegen de woorden „in de regel”. Dr G.M. den Hartogh adviseert om na „in elke kerkdienst” te lezen „op de een of andere wijze”; terwijl dr R. Schippers de vraag stelt of het woordje „ook” niet de verkeerde suggestie wekt, dat hulpverlening aan andere kerken geen dienst der barmhartigheid zou zijn. Ds P.D. Kuiper stelt voor aldus te redigeren: „zullen regelmatig in de kerkdiensten gaven worden ingezameld”.

De rapporteur verklaart zich bereid, ter tegemoetkoming aan bepaalde bezwaren het artikel in twee leden te splitsen. De amendementen-Zwaal c.s. en -Kuiper worden verworpen; het advies-Den Hartogh wordt niet overgenomen. Daarna wordt het artikel in de opnieuw door de commissie gewijzigde vorm aangenomen.

Ds F.C. Zwaal verzoekt aantekening in de acta, dat hij tegen lid 1 heeft gestemd.

Vervolgens wordt artikel 89 met de daarin door de commissie aangebrachte kleine wijziging, waarmee ook de deputaten blijken in te stemmen, goedgekeurd.

Tenslotte wordt artikel 132 ongewijzigd aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 420

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 29, 83, 89 en 132

Art. 420. De synode besluit de artikelen 29, 83, 89 en 132 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 29

1. De taak van de diakenen is aan de leden der gemeente, die in stoffelijke of maatschappelijke nood verkeren of daarin dreigen te geraken, de christelijke barmhartigheid te bewijzen, hen met raad en daad bij te staan en tevens aan anderen in dergelijke omstandigheden zo mogelijk deze barmhartigheid te bewijzen.
2. Zij zullen tot dat doel de gaven der gemeente inzamelen en beheren en voorts andere goede middelen zoeken en aanwenden.

Artikel 83

1. Voor de dienst der barmhartigheid zullen in elke kerkdienst gaven worden ingezameld.
2. De ingezamelde gaven kunnen worden besteed voor diakonale hulpverlening aan andere kerken, alsmede voor instellingen, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven.

Artikel 89

Indien degenen, die vertrekken naar een andere gemeente bijstand ontvangen van de diakenen, zullen dezen op vertrouwelijke wijze de diakenen van die gemeente daarover inlichten en, zo de omstandigheden daartoe nopen en het onderling overleg daartoe leidt, hetzij voorgoed hetzij voor een bepaalde periode verdere bijstand verlenen.

Artikel 132

De kerken kunnen aan maatschappelijke organisaties, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven, haar medewerking verlenen, en daartoe die organisaties met raad en daad bijstaan, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Acta GKN (1957) Art. 421

Plaats diakenen op meerdere vergaderingen

Art. 421. De bespreking van het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, over de stukken betrekking hebbend op de plaats en taak van de diakenen op de meerdere vergaderingen (O 21, 40 e.a.) (bijlage XCI) wordt voortgezet (zie art. 418).

De voorzitter merkt op, dat bij aanneming van het voorstel-Scheele (Den Hartogh) (zie daarvoor art. 418) het aan de orde zijnde vraagstuk zonder meer aan de kerken zal worden voorgelegd, terwijl de commissie het vraagstuk thans op de synode besproken wil zien en een voorlopige uitspraak van de synode daarover wil uitlokken. Nadat aan de vergadering de vraag is voorgelegd of zij thans al of niet de zaak in bespreking wil nemen, blijkt de meerderheid er vóór te zijn om het rapport en de voorstellen der commissie in behandeling te nemen.

Diverse vragen en bezwaren komen nu naar voren, namelijk: waar precies de grens ligt tussen de zaken, waaraan de diakenen wèl en niet zullen mogen meedoen; of de voorstellen der commissie niet allerlei praktische moeilijkheden zullen opleveren, o.a. door het te groot worden van de vergadering der synode; of het wel juist is te zeggen, dat de ontwikkeling van het diakonaat de medewerking der diakenen op de meerdere vergaderingen noodzakelijk maakt; of ook de financiële consequenties, die hieraan verbonden zullen zijn, zijn ingedacht; en dat het een uitdrukkelijk door de synode van Rotterdam afgewezen gedachte is, die thans door de commissie weer naar voren wordt gebracht.

De rapporteur van de commissie gaat op al deze punten uitvoerig in. Hij merkt op, dat ook in de kerkeraden de grens tussen „brede” en „smalle” zaken niet altijd nauwkeurig is aan te geven, dat de praktische en financiële consequenties nader zullen moeten worden bekeken in verband met heel de werkwijze van de synode, en dat in de enkele jaren, die sinds de synode van Rotterdam verliepen, het werk der diakenen naar alle kanten zoveel aanrakingspunten heeft verkregen dat een meespreken van de diakenen ook over niet-diakonale aangelegenheden daaruit vanzelf voortvloeit. Tenslotte wijst hij erop, dat de commissie niet meer wil, dan dat deze synode slechts een voorlopige uitspraak doet, die nog aan het oordeel van de kerken zal worden onderworpen, alvorens de volgende synode een definitieve beslissing zal nemen.

De praeses acht het gewenst, dat de vergadering, alvorens de voorgestelde conclusies te bezien, zich erover uitspreekt, of zij al of niet een beginseluitspraak over deze zaak zal doen. Met 26 stemmen vóór en 25 stemmen tegen wordt besloten, dat reeds deze synode zich in de geest, als door de commissie is voorgesteld, voorlopig zal uitspreken.

Thans komen de voorgestelde conclusies in behandeling.

Hetgeen is voorgesteld onder „kennis genomen hebbende” blijkt een wijziging te moeten ondergaan; doch overigens wordt het aangenomen. Ook „overwegende” sub a wordt aanvaard, terwijl besloten wordt in „overwegende” sub b het woord „noodzakelijk” door „wenselijk” te vervangen. Ook in „overwegende” sub c wordt een kleine verandering aangebracht,

Het voorstel-Scheele (Den Hartogh) (zie art. 418) behoeft bij „besluit” sub a niet meer aan de orde te komen, nu zoeven al is uitgesproken dat deze synode reeds een voorlopige beslissing ter zake zal nemen. Wel moet worden behandeld een amendement van ouderling T. Spaan, die voorstelt onder „besluit” sub a in de 3e regel te lezen: „maar ook in zaken, die de algemene leiding der kerken betreffen, behalve...” Dit amendement wordt door de commissie overgenomen en door de synode aangenomen. Nadat een amendement van ouderling J. Scholten om na het woord „tucht” de woorden „de belijdenis, de Woorddienst” te schrappen, is verworpen en een advies van dr D. Nauta om het woord „toezicht” in „opzicht” te wijzigen, is aanvaard, wordt „besluit” sub a aangenomen.

Bij „besluit” sub b stelt ds. D.A. Vogel voor, daarbij gesteund door ds. W. de Graaf en ouderling L. van ’t Sant, aan het slot toe te voegen: „en het in de vrijheid van de classes en de particuliere synoden te laten om in afwachting van deze definitieve beslissing te handelen als onder a bedoeld”. Dit amendement wordt verworpen. Vervolgens wordt „besluit” sub b in de door de commissie voorgestelde vorm aangenomen. Tenslotte wordt met. enige wijziging „besluit” sub c goedgekeurd.

De eindstemming heeft tot resultaat, dat het besluit als geheel met 30 stemmen voor en 21 stemmen tegen aangenomen wordt.

Acta GKN (1957) Art. 422

Plaats diakenen op meerdere vergaderingen

Art. 422. Het besluit der synode luidt nu aldus:

De generale synode,
kennis genomen hebbende van de verzoeken van de kerkeraden van Assen en Heerlen, van de classis Maastricht, van de particuliere synoden van Gelderland en Noord-Brabant en Limburg, en van de gedachte uit Zuid-Holland-Noord, alle betrekking hebbend op het vraagstuk van de plaats en taak van de diakenen in de meerdere vergaderingen;

overwegende,
a. dat in de kerkeraden aan de diakenen reeds een keurstem verleend wordt in tal van aangelegenheden, die te rekenen zijn tot de algemene leiding van het kerkelijk leven, en die ook op de meerdere vergaderingen aan de orde komen;
b. dat de ontwikkeling van het diakonaat en niet minder van de diakonale vraagstukken de medewerking van de diakenen op de meerdere vergaderingen ook voor andere zaken, dan thans geschiedt, wenselijk maakt;
c. dat noch aan de Heilige Schrift noch aan de belijdenis goede gronden te ontlenen zijn, om deze keurstem niet toe te laten in de meerdere vergaderingen ten opzichte van zaken, die tot deze algemene leiding behoren;

besluit:
a. in beginsel aan de genoemde verzoeken te voldoen, en uit te spreken, dat in de meerdere vergaderingen de diakenen niet alleen in de aangelegenheden van de dienst der barmhartigheid maar ook in zaken, die de algemene leiding der kerken betreffen, behalve die betrekking hebben op het opzicht, de tucht, de belijdenis, de Woorddienst, mede zullen beraadslagen en beslissen;
b. deze zaak echter, die een belangrijke verandering inhoudt van enkele artikelen van de kerkorde, eerst voor te leggen aan de kerken, zoals ook geschied is met de gehele herziene kerkorde, en na de kerken (en inzonderheid de particuliere synoden) gehoord te hebben de definitieve beslissing over te laten aan de e.v. generale synode; en
c. hiervan kennis te geven aan de kerkeraden, classes en particuliere synoden.

Acta GKN (1957) Art. 425

Herziening van de kerkorde art. 47

Art. 425. De praeses merkt op, dat nu een besluit genomen is over de plaats en de taak van de diakenen op de meerdere vergaderingen (zie art. 422) ook een beslissing kan vallen over het nog aangehouden artikel 47 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Daar het genomen besluit slechts een beginsel-uitspraak inhoudt, waarover nog het oordeel van de kerken zal worden gevraagd, wordt door de deputaten en commissie II voorgesteld het genoemde artikel op dit ogenblik nog ongewijzigd vast te stellen. Diaken W.C. van Essen stelt voor in het 2e lid na „genoemde zaken” in te voegen „alsmede ter verkiezing van de leden van het moderamen”. Dit amendement wordt verworpen. Daarna wordt artikel 47 ongewijzigd aanvaard.

Het luidt aldus:

 

Artikel 47

1. Voor zaken, die de dienst der barmhartigheid betreffen, alsmede voor de verkiezing van diakenen-afgevaardigden zullen naar de meerdere vergaderingen, naast dienaren des Woords en ouderlingen, ook diakenen afgevaardigd worden.
2. Aan deze diakenen zal ten aanzien van de genoemde zaken stemrecht worden verleend.

Acta GKN (1957) Art. 426

Lippische Landeskirche

Art. 426. Namens commissie VI rapporteert dr E.D. Kraan over een schrijven van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen, waarin verzocht wordt om candidaat A. Klaassen in de dienst van de Lippische Landeskirche te laten overgaan en met deze kerk correspondentie in ruimere zin aan te gaan (P 41) (bijlage XCIV).

Tijdens de discussie wordt gevraagd, wat de commissie bedoelt met de uitdrukking „bij wijze van uitlening”; welke procedure zal moeten worden gevolgd bij de terugkeer van een „uitgeleende” candidaat of predikant; of een dergelijk predikant, die voor een tijd aan de Lippische Landeskirche verbonden wordt, blijft vallen onder de regeling naar art. 13 K.O.; en of de commissie bij haar voorstel om met de genoemde kerk correspondentie in ruimere zin aan te gaan wel rekening heeft gehouden met de opdracht, die te dezer zake door de synode van Leeuwarden aan de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken gegeven is (zie acta Leeuwarden, art. 416, sub III). Anderzijds wordt ook instemming uitgesproken met de voorstellen der commissie, omdat het hier een kerk geldt, die probeert gereformeerd te worden en uit dien hoofde stellig onze hulp en steun zal moeten ontvangen.

Nadat de afgevaardigden uit Duitsland nog inlichtingen hebben gegeven over de uitvoerige besprekingen die namens haar met de Lippische Landeskirche gehouden zijn, en ds P.D. Kuiper verklaard heeft, dat de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken zich in geen enkel opzicht door de voorstellen der commissie gepasseerd gevoelen, worden de gemaakte opmerkingen door de rapporteur der commissie beantwoord. Hij wijst erop, dat „bij wijze van uitlening” betekent dat de betrokkene beschikbaar wordt gesteld om beroepen te worden; dat een predikant, die zich aan de Lippische Landeskirche verbonden heeft, geen rechten, voortvloeiende uit art. 13 meer kan laten gelden; en dat de eventuele terugkeer van zulk een predikant en de daarbij te volgen procedure aan de synode der Altreformierten Kirche moet worden overgelaten.

Hierna komen de voorgestelde conclusies in stemming. Ze worden met een paar kleine wijzigingen door de synode aanvaard.

Het genomen besluit luidt aldus:

De generale synode,

kennis genomen hebbende van het verzoek van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen
a. om candidaat A. Klaassen te Echtelerfeld in de dienst van de Lippische Landeskirche te laten overgaan;
b. om met laatstgenoemde kerk in correspondentie in ruimere zin te treden;

overwegende:
a. dat er redenen zijn om de correspondentie in ruimere zin aan de Lippische Landeskirche aan te bieden;
b. dat er geen bezwaren tegen behoeven te bestaan dat candidaat A. Klaassen te Echtelerfeld in dienst van de Lippische Landeskirche overgaat;

besluit:
1. door middel van de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken aan de Lippische Landeskirche correspondentie in ruimere zin aan te bieden en bij eventuele aanvaarding daarvan deze correspondentie te voeren zowel van synode tot synode als door middel van de synode van de Altreformierte Kirche en dit laatste in deze zin dat deze voor het deel der correspondentie, door haar gevoerd, regelmatig aan de generale synode ter goedkeuring van haar handelingen rapport uitbrengt;
2. dat er geen bezwaar bestaat dat candidaat A. Klaassen bij wijze van uitlening ter beroeping aan de Lippische Landeskirche wordt afgestaan, mits hij de volle vrijheid behoudt zijn ambt daar uit te oefenen overeenkomstig de opvattingen die hieromtrent in de Gereformeerde Kerken in Nederland en dienovereenkomstig in de Altreformierte Kirche in Niedersachsen bestaan;
3. dat ook andere candidaten of predikanten van de Altreformierte Kirche in Niedersachsen en van de Gereformeerde Kerken in Nederland op verzoek van de Lippische Landeskirche in gelijke zin ter beroeping kunnen worden afgestaan, mits dit geschiedt door tussenkomst van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen;
4. van dit besluit kennis te geven aan de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken, aan de synode van de Altreformierte Kirche in Niedersachsen en aan candidaat A. Klaassen te Echtelerfeld.

Acta GKN (1957) Art. 427

Afvaardiging van de Altreformierte Kirche op de generale synode

Art. 427. Namens commissie III rapporteert dr D. Nauta over een missive van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen, waarin zij zich uitspreekt over een op de synode van Leeuwarden (1955) door de deputaten voor de herziening van de kerkorde ingediend voorstel (zie acta Leeuwarden, art. 348, sub 9a) betreffende het aantal afgevaardigden dat de Altreformierte Kirche naar de generale synode zal mogen zenden (O 14) (bijlage XCV).

In een korte discussie wordt erop gewezen, dat de synode der Altreformierten Kirche slechts twee classes omvat en derhalve met een particuliere synode in Nederland moeilijk gelijk kan worden gesteld. Al wil de commissie echter op deze grond het aantal stemhebbende afgevaardigden verminderen, ze wil de mogelijkheid dat daarnaast enkele afgevaardigden met adviserende stem worden gezonden, open laten.

Hierna worden de voorstellen der commissie aangenomen.

Zij luiden aldus:

 

De synode,

kennis genomen hebbende van de missive van de „Synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen” van 13 juni 1957, waarin zij zich uitspreekt over het voorstel, dat gediend heeft op de generale synode van Leeuwarden (1955), acta art. 348 ad 9a, tot het aanbrengen van een wijziging in artikel 2 van de door de synode van Groningen (1927) vastgestelde regeling voor de nadere samenleving van de Oud-Gereformeerde Kerken in Bentheim en Oost-Friesland met de Gereformeerde Kerken in Nederland;

overwegende:
1. dat artikel 2 van de bedoelde regeling ook afgedacht van de overweging welke reeds voor de synode van Leeuwarden heeft gegolden, herziening behoeft, omdat daarin niets bepaald wordt over het eventueel afvaardigen van een diaken naar de generale synode;
2. dat de overweging, waarmede reeds de synode van Leeuwarden haar instemming betuigd heeft, door de synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen niet is bestreden, al heeft zij wel gewezen op het belang dat er voor haar mede is gemoeid, wanneer zij in staat wordt gesteld zoveel mogelijk door middel van afgevaardigden deel te nemen aan de beraadslagingen der generale synode;
3. dat aan het bezwaar van de synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen genoegzaam kan worden tegemoetgekomen door te bepalen, dat naast twee stemhebbende afgevaardigden nog een paar andere met adviserende stem zitting mogen ontvangen in de generale synode;

besluit:
1. in artikel 2 van de vermelde regeling een wijziging aan te brengen, zodat de tweede volzin van dit artikel aldus komt te luiden: „Deze algemene classis vaardigt één predikant, één ouderling en in voorkomende gevallen één diaken af naar de generale synode in Nederland, die daar evenals de afgevaardigden van de particuliere synoden in Nederland zitting en stem hebben, en heeft het recht om naast deze afgevaardigden nog een predikant en een ouderling af te vaardigen, die slechts een adviserende stem hebben”;
en 2. hiervan kennis te geven aan de synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen.

In dit verband neemt de synode tevens het volgende besluit:

De synode besluit aan de deputaten voor de herziening van de kerkorde op te dragen de tekst van de regeling van de samenleving van de Oud-Gereformeerde Kerken in Bentheim en Oost-Friesland, vastgesteld door de generale synode van Groningen (1927), te herzien en in overeenstemming te brengen met de tegenwoordige toestand en met de huidige bepalingen, en van het resultaat van hun arbeid te rapporteren aan de volgende synode.