Acta GKN (1957) 580422

Zitting van dinsdag 22 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 362

Herziening van de kerkorde art. 104 en 105 met besluit

Art. 362. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteurs ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries, over de herziening van de kerkorde (E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38, 41-43) (bijlage LXXVIII a, b en c) wordt voortgezet.

De praeses stelt aan de orde de bespreking van de artikelen 104 en 105 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Bü artikel 104 heeft ds J.C. Hagen een voorstel ingediend, waarin voor de leden van dit artikel een enigszins andere formulering wordt gegeven. Ook is ter tafel een amendement van ouderling T. Spaan, waarin wordt voorgesteld de laatste woorden van lid 3 aldus te lezen: „tenzij deze andere leden daartoe machtigt”. Dit laatste amendement wordt door dr D. Nauta aanbevolen, waarbij hij echter adviseert het woord „leden” te laten vervallen. Het amendement-Spaan wordt echter verworpen. De door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen in de leden 1 en 2 worden nu aangenomen; ook lid 3 wordt goedgekeurd. Het voorstel-Hagen kan daarna niet meer in stemming komen.

Het amendement, dat ouderling T. Spaan bij artikel 105 heeft ingediend, wordt, nadat gebleken is, dat het nòch door de deputaten, nòch door de commissie gesteund wordt, ingetrokken. Vervolgens wordt artikel 105 onveranderd vastgesteld.

De synode besluit de artikelen 104 en 105 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

V.  Stoffelijke aangelegenheden

Artikel 104

1. Elke kerkeraad zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden der kerk.
2. De kerkeraad kan de zorg voor deze aangelegenheden toevertrouwen aan een commissie van administratie of beheer, die aan hem verantwoording schuldig is.
3. Ten aanzien van deze aangelegenheden wordt de kerk in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de kerkeraad, mits daartoe door deze gemachtigd.

Artikel 105

1. De kerken, die in de verschillende meerdere vergaderingen bijeenkomen, vormen tezamen even zovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar respectievelijk binnen het ressort van een classis, van een particuliere synode en van de generale synode gemeen zijn.
2. Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zowel door de verschillende meerdere vergaderingen als door deputaten, die door deze vergaderingen benoemd, geïnstrueerd en ontslagen worden en die in al hun handelingen door hun instructie gebonden zijn.

Acta GKN (1957) Art. 363

Herziening van de kerkorde art. 105a-115

Art. 363. In behandeling komen thans de artikelen 105a-115 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

De deputaten en de commissie stellen voor na artikel 105 een nieuw artikel 105a op te nemen onder het hoofd „VI. Kerkelijke Stichtingen”. De synode keurt dit goed. Aangezien echter over de kerkelijke stichtingen nog een afzonderlijke memorie van de deputaten en een daarover handelend rapport van de commissie kan worden tegemoetgezien, moet de beslissing over de formulering van dit artikel tot een later tijdstip worden uitgesteld (zie verder art. 466).

Tegen het advies van de deputaten en de commissie om de artikelen 106 en 106a samen te voegen tot één artikel bestaat bij de synode geen bezwaar. Ook wordt lid 1 in de nieuwe redactie, die de deputaten daarvoor ontworpen hebben en die door de commissie werd overgenomen, aangenomen. Dr. D. Nauta adviseert lid 2 te laten aanvangen met de woorden „Alle vermaan en tucht” en de orde van de beide leden om te keren. De synode acht het gewenst, dat de commissie dit nog nader overweegt en besluit de beslissing over dit artikel aan te houden (zie verder art. 447 en 448).

Aangezien de voorstellen van de deputaten en de commissie over de artikelen 107, 108, 109, 110, 111 en 112 gelijk zijn en geen amendementen op deze artikelen zijn ingediend, worden ze door de synode aanvaard met enkele kleine wijzigingen.

Ook over artikel 113 bestaat tussen de deputaten en de commissie geen verschil, aangezien de deputaten zich bij de nieuwe redactie, die de commissie voor lid 1 heeft gegeven, hebben aangesloten. Dr G.M. den Hartogh adviseert in deze nieuwe redactie de woorden „van hun overige rechten, als met name” te laten vervallen. Aldus wordt door de synode besloten. Hierna wordt lid 1 in gewijzigde vorm en lid 2 ongewijzigd goedgekeurd.

Van artikel 114 wordt het eerste lid aanvaard met de daarin door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen, terwijl voor het 2e lid de nieuwe lezing gekozen wordt, die de deputaten daarvoor hebben gegeven en door de commissie is overgenomen.

Het voorstel van de particuliere synode van Noord-Holland om na artikel 114 een nieuw artikel 114a in te voegen wordt door de deputaten en de commissie niet aanbevolen en ook vanuit de synode niet gesteund. Daarom komt het niet in bespreking.

Tenslotte wordt ook artikel 115 vastgesteld met de kleine wijziging die de deputaten en de commissie daarin willen aanbrengen.

Acta GKN (1957) Art. 364

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 105a-115

Art. 364. De synode besluit de artikelen 105a-115 (met uitzondering van de artikelen 105a en 106) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 107

Dit vermaan en deze tucht betreffen de belijdenis en de wandel van allen die tot de gemeente behoren.

Artikel 108

Omdat dit vermaan en deze tucht een geestelijk karakter dragen, zullen zij ook op geestelijke wijze geoefend worden, met vermijding van alle wereldse machtsoefening.

Artikel 109

De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerping van het broederlijk vermaan, door Christus in Mattheus 18: 15-16 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkeraad zijn gekomen.

Artikel 110

Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en zonder dat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden.

 

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 111

1. Bij het vermaan en de tucht over degenen, die nog geen belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zal onderscheid gemaakt worden tussen kinderen en volwassenen en bij de laatsten tussen afkerigen en nalatigen.
2. Met hen zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen en met gebruikmaking van de voor dat doel bestemde formulieren van openbare bekendmakingen.

Artikel 112

1. Wanneer degenen, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid betoond hebben, zal de kerkeraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.
2. De wijze waarop de verzoening tot stand gebracht zal worden, evenals de vraag, of de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, zich voor een bepaalde tijd van het avondmaal behoren te onthouden, staat ter beoordeling van de kerkeraad. De verzoening door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben en niet zonder het goedvinden van de classis.

Artikel 113

1. Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid betonen, door de kerkeraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen tevens tot gevolg heeft, dat het gebruik van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.
2. De kerkeraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Artikel 114

1. Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkeraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het formulier van de ban of de afsnijding van de gemeente. Tot deze afsnijding zal evenwel niet worden overgegaan, zolang de uitspraken in het genoemde formulier niet ten volle van toepassing geacht kunnen worden.
2. De kerkeraad zal tot deze laatste tuchtmaatregel niet besluiten dan nadat hij door drie openlijke bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn, binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, de afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Artikel 115

Indien iemand, die uit de gemeenschap der kerk werd uitgesloten, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkeraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, dit aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het formulier van wederopneming der afgesnedenen in de gemeente van Christus.

Acta GKN (1957) Art. 365

Herziening van de kerkorde art. 116-119

Art. 365. De artikelen 116-119 van de voorlopig vastgestelde kerkorde worden nu door de praeses in bespreking gegeven.

Van artikel 116 wordt lid 1 aangenomen met de verkorting, die door de deputaten is voorgesteld en door de commissie is overgenomen, terwijl lid 2 onveranderd wordt vastgesteld.

Ds J.C. Hagen en ds F.C. Zwaal stellen voor in lid 1 van artikel 117 het eerste woord „of” te laten vervallen en na het woord „ambt” in te voegen: „of hun ambt verlaten”. Over dit amendement ontstaat enige discussie, waarin tenslotte dr D. Nauta adviseert de volgende redactie te kiezen „schromelijk veronachtzamen, misbruiken of trouweloos verlaten van hun ambt”. De voorzitter van commissie II, ds M. Kamper, stelt er prijs op zowel het ingediende amendement als het gegeven advies nog nader in de commissie te bezien. In verband daarmee besluit de synode de beslissing over lid 1 van artikel 117 nog aan te houden (zie verder art. 449 en 450). Lid 2 van dit artikel wordt echter nu reeds onveranderd vastgesteld.

In overeenstemming met de voorstellen van de deputaten en de commissie wordt van artikel 118 lid 1 gewijzigd en lid 2 ongewijzigd goedgekeurd.

T.a.v. artikel 119 zijn er tussen de deputaten en de commissie geen verschillen; beide stellen voor om alleen in lid 1 een paar kleine wijzigingen aan te brengen. Er is hierbij echter een amendement ingediend door ds Van Herksen, waarin wordt voorgesteld de mogelijkheid van schorsing door de classis te schrappen, en subsidiair wordt voorgesteld aan het slot van lid 1 aldus te lezen: „of door de classis, bij welke de kerk in overleg met de naburige kerk de zaak aanhangig heeft gemaakt”. Ds Van Herksen ontvangt de gelegenheid dit voorstel te verdedigen, doch de verdere bespreking ervan moet tot een later tijdstip worden uitgesteld (zie verder art. 382).

Acta GKN (1957) Art. 366

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 116-119

Art. 366. De synode besluit de artikelen 116-119 (met uitzondering van de artikelen 117 en 119) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 116

1. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.
2. De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de uitoefening van hun ambt is uitgesproken.

Artikel 118

1. Wanneer tegen een ouderling of diaken een aanklacht is ingediend of een ernstige verdenking is gerezen, zal het aan de kerkeraad, en, wanneer het een dienaar des Woords geldt, aan de kerkeraad tezamen met de kerkeraad van de volgens de classikale regeling aangewezen naburige gemeente of aan de meerdere vergadering, bij welke de zaak aanhangig gemaakt is, vrijstaan hem gedurende een bepaalde termijn van de uitoefening van zijn ambt te ontheffen.
2. Deze ontheffing draagt niet het karakter van een tuchtmaatregel.