Acta GKN (1957) 580418

Zitting van vrijdag 18 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 354

Herziening van de kerkorde art. 87-92

Art. 354. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteurs ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries, over de herziening van de kerkorde (E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38, 41-13) (bijlage LXXVIII a, b en c) wordt voortgezet.

De praeses stelt aan de orde de bespreking van de artikelen 87-92 van de voorlopig vastgestelde kerkorde, waarbij ds mr W.S. de Vries als rapporteur der commissie optreedt.

Artikel 87 wordt door de synode goedgekeurd met de door de deputaten en de commissie voorgestelde wijziging.

In verband met het feit, dat er tussen de deputaten en de commissie een verschil bleef t.a.v. de woorden „indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn”, voorkomende in artikel 88, lid 1, stelt de commissie thans voor daar na het woord „medegeven” als volgt te lezen: „welk getuigenis in overeenstemming zal zijn met de werkelijke gesteldheid, met name doordat daarin, indien de bedoelde leden voorwerp van tucht zijn, hiervan mededeling wordt gedaan”. Ook is er door ds H.W.H. van Andel een voorstel ingediend om, in afwijking van wat de deputaten voorstelden, de redactie van de voorlopig vastgestelde kerkorde te handhaven. Na een vrij uitvoerige discussie dient ds A.G. van der Stoel een sub-amendement in om uit het amendement-Van Andel de woorden „vermaan of” te laten vervallen. Dit sub-amendement wordt verworpen; daarna wordt het amendement-Van Andel aangenomen. Overigens wordt lid 1 van artikel 88 met de door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen aanvaard. Lid 2 en 3 van dit artikel worden onveranderd vastgesteld.

Vervolgens wordt artikel 88a (oud 79, 1 en 2; 80, 4 en 88, 4) door de synode aangenomen, het eerste lid in de lezing van de voorlopig vastgestelde kerkorde, het tweede lid in de nieuwe redactie, door de deputaten ontworpen.

De behandeling van artikel 89 wordt uitgesteld, totdat de diakenen aanwezig zullen zijn (zie verder art. 419 en 420).

Over de artikelen 90, 91 en 92 blijkt overeenstemming te zijn tussen de deputaten en de commissie; de synode aanvaardt deze artikelen met de voorgestelde wijzigingen.

Acta GKN (1957) Art. 355

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 87-92

Art. 355. De synode besluit de artikelen 87-92 (met uitzondering van artikel 89) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

III. Herderlijke zorg

Artikel 87

De dienaren des Woords en ouderlingen zullen hun herderlijke zorg uitstrekken tot alle leden van de gemeente, door hen en in het bijzonder de zieken en bejaarden, die verhinderd zijn de kerkdiensten bij te wonen, en ook de afdwalenden, trouw te bezoeken; door hen op te wekken tot een leven in het geloof en hen in tegenspoed te troosten; en door hen te waarschuwen tegen valse leringen en dwalingen evenals tegen alle wereldse wandel en goddeloze praktijken.

Artikel 88

1. De kerkeraden zullen aan degenen, die uit de gemeente vertrekken, op hun verzoek een attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel medegeven, met dien verstande dat, indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn, daarvan in de attestatie mededeling wordt gedaan. Van deze afgifte wordt bericht gezonden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Aan de desbetreffende kerkeraad zal eveneens opgave verstrekt worden van degenen, die zonder attestatie aan te vragen vertrokken zijn.
2. Indien degenen, die uit de gemeente vertrekken, nog geen openbare belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zullen de kerkeraden een doopattest toezenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren, met dien verstande dat, indien zij reeds de volwassen leeftijd bereikt hebben, gehandeld zal worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopleden.
3. Deze attestatie en attesten zullen, namens de kerkeraad, door twee van zijn leden ondertekend worden.

Artikel 88a

1. De namen van hen, die gedoopt worden, die belijdenis des geloofs afleggen, die na afsnijding weder in de gemeente worden opgenomen, die met attestatie of doopattest uit een andere gemeente overkomen, en van hen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk in de gemeente worden opgenomen, zullen met nadere bijzonderheden in daarvoor aangelegde registers zorgvuldig worden opgetekend.
2. Hetzelfde zal worden gedaan met de namen van hen, die met attestatie of doopattest vertrekken, die zijn overleden, die afgesneden worden en die zich onttrekken.

Artikel 90

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de leden der gemeente hun huwelijk aangaan met inachtneming van de geboden Gods, en het ten overstaan van de overheid voltrokken huwelijk in een kerkdienst laten bevestigen, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.

Artikel 91

De kerkeraden zullen er toe medewerken, dat de leden der gemeente, die gestorven zijn, op christelijke wijze begraven worden.

Artikel 92

De generale synode zal, voor zoveel dat naar haar oordeel nodig is, de arbeid onder schippers, zeevarenden, militairen, in het buitenland verstrooiden, in ziekenhuizen verpleegden, doofstommen, en anderen, die door de mindere vergaderingen niet of niet genoegzaam bearbeid kunnen worden, aan afzonderlijke deputaten en dienaren des Woords toevertrouwen.

Acta GKN (1957) Art. 356

Herziening van de kerkorde art. 93-103

Art. 356. De praeses stelt thans aan de orde de behandeling van de artikelen 93-103 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c). Hierbij fungeert als rapporteur namens de commissie ds M. Kamper.

Bij artikel 93 is een amendement door ds J.C. Hagen ingediend, dat evenwel in de vergadering niet gesteund wordt. Lid 1 van dit artikel wordt onveranderd vastgesteld, terwijl voor lid 2 de nieuwe redactie wordt gekozen, die door de deputaten is voorgesteld en door de commissie is overgenomen.

De in artikel 94, lid 1 en 2 door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen worden door de synode aanvaard; de definitieve formulering van dit artikel kan echter pas plaats vinden, nadat de synode een beslissing zal hebben genomen over de eventueel andere wijze, waarop het college van generale deputaten voor de evangelisatie zal worden samengesteld (zie verder art. 373, 447 en 448).

Bij de behandeling van artikel 95 komt aan de orde een voorstel, ingediend door ouderling T. Spaan, waarin voor dit artikel een andere redactie is gegeven. De commissie neemt dit voorstel over. Nadat gebleken is, dat ook de deputaten er geen bezwaar tegen hebben, wordt het door de synode aangenomen.

Artikel 96 wordt onveranderd vastgesteld, terwijl in artikel 97 de door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen worden aanvaard.

De amendementen van ds J.C. Hagen en ds F.C. Zwaal, die beide bedoelen in artikel 98 de woorden „in het bijzonder in Indonesië” te laten vervallen, worden door de synode verworpen. Verder wordt besloten dit artikel in twee leden te splitsen en de in beide leden door de deputaten en de commissie voorgestelde veranderingen goed te keuren.

Bij de bespreking van artikel 99 worden de voorstellen van de deputaten en de commissie om de leden 2 en 3 van plaats te doen verwisselen er om in de leden 1, 2 en 3 enkele wijzigingen aan te brengen, aanvaard.

Ook met de voorstellen, die de deputaten en de commissie doen t.a.v. de artikelen 100 en 101 kan de synode zich verenigen.

Tenslotte komen nog aan de orde de artikelen 102 en 103, die op voorstel van de deputaten en de commissie worden samengevoegd tot één artikel, met dien verstande, dat lid 1 van het oude artikel 103 thans wordt lid 3 van artikel 102, terwijl lid 2 van het oude artikel 103 vervalt. Van het aldus samengestelde nieuwe artikel 102, wordt lid 1 aanvaard met de daarin voorgestelde wijzigingen. Ook lid 2 wordt goedgekeurd in de nieuwe redactie, waarover de deputaten en de commissie het eens zijn geworden, zulks evenwel met verandering van de woorden „in een regeling” in „in de desbetreffende bepalingen”. Eindelijk wordt ook lid 3 aanvaard met de daarin door de deputaten en de commissie aangebrachte veranderingen.

Acta GKN (1957) Art. 357

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 93-103

Art. 357. De synode besluit de artikelen 93-103 (met uitzondering van artikel 94) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

IV. Evangelisatie en zending

Artikel 93

1. De kerken richten zich tot degenen, die vervreemd zijn van het evangelie, door middel van de arbeid der evangelisatie om hen zo mogelijk te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk.
2. Deze arbeid geschiedt onder leiding van de kerkeraad, die de leden der gemeente ook zal opwekken Jezus Christus in het midden der wereld met woord en daad te belijden.

Artikel 95

Voor bepaalde takken van het werk der evangelisatie kan de generale synode deputaten benoemen ten dienste van de kerken, die daarvoor in aanmerking komen en zo nodig de kerken opwekken dit werk naar vermogen te steunen.

Artikel 96

Samenwerking in het werk van de evangelisatie met andere dan gereformeerde kerken en personen zal uitsluitend plaats vinden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen.

Artikel 97

1. De kerken zullen zich richten tot de Joden in en zo mogelijk ook buiten Nederland om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.
2. Dit werk zal ter hand genomen worden door de daarvoor in aanmerking komende kerken, die het, met steun van de overige kerken, verrichten in overleg met daartoe door de generale synode benoemde deputaten en overeenkomstig de door haar vastgestelde bepalingen.

Artikel 98

1. De kerken zullen zich richten tot de niet-gekerstende volken in het bijzonder in Indonesië, om hun in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, het evangelie te verkondigen en om degenen, die tot het geloof gekomen zijn en de heilige doop ontvangen hebben, bijeen te brengen in zelfstandige gemeenten onder de bediening des Woords en der sacramenten.
2. Zolang dit nodig blijkt, zullen de kerken naar vermogen aan deze zelfstandige gemeenten hulp bewijzen bij het inrichten en opbouwen van een eigen kerkelijk leven.

Artikel 99

1. De kerken zullen, om de zendingsopdracht van Christus uit te voeren, zoveel mogelijk daartoe met elkaar samenwerken met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen, op een door die kerken vast te stellen wijze. Deze wijze van samenwerking behoeft de goedkeuring van de generale synode.
2. De toewijzing van de verschillende zendingsterreinen geschiedt door de generale synode, zoveel mogelijk in overeenstemming met de daartoe door de kerken kenbaar gemaakte wensen.
3. De beroeping van een missionaire dienaar des Woords zal geschieden door de kerk, die daartoe door de voor een bepaald zendingsterrein samenwerkende kerken is aangewezen, niet zonder overleg met de andere samenwerkende kerken.

Artikel 100

Wanneer zich op een zendingsterrein zelfstandige kerken gevormd hebben, zal de arbeid, indien deze kerken dat wensen, in nauwe samenwerking met haar worden voortgezet. De samenwerkende kerken zullen daarna, naar een in overleg tot stand gebrachte overeenkomst, welke de goedkeuring van de generale synode behoeft, voor de verkondiging van het evangelie op dat terrein gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen.

Artikel 101

1. De kerken, aan welke de verschillende zendingsterreinen zijn toevertrouwd, kunnen ter bespreking en afdoening van zaken, waarbij zij gezamenlijk betrokken zijn, een raad van samenwerking instellen overeenkomstig een door haar op te stellen accoord, welk accoord de goedkeuring van de generale synode behoeft.
2. In deze raad zullen tenminste twee van de deputaten der generale synode voor de zending met adviserende stem zitting hebben.

Artikel 102

1. Voor de behandeling van de algemene zaken van de zending zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, namelijk één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, en wel op voordracht van deze synoden.
2. De taak van deze deputaten omvat naast de behandeling van andere zaken van algemene aard, die door de generale synode in de desbetreffende bepalingen zijn vastgesteld, het instandhouden en leiden van een zendingscentrum met een daaraan verbonden seminarie, aan welk seminarie de aanstaande missionaire dienaren des Woords in de regel de in artikel 13 bedoelde opleiding ontvangen.
3. Ten behoeve van de arbeid aan dit zendingscentrum en seminarie kunnen door de generale synode een of meer dienaren des Woords worden benoemd, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.