Jansen, Joh. (1976) Art. 86

 

Art. LXXXVI. Deze Artikelen, de wettelijke ordening der kerk aangaande, zijn alzoo gesteld en aangenomen met gemeen accoord, dat zij (zoo het profijt der Kerken anders vereischte) veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behooren te worden. Het zal nochtans geene bijzondere Gemeente, Classe of Synode vrijstaan zulks te doen, maar zij zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde.

 

Wijziging der Kerkenordening.

Deze bepaling stond van den aanvang af aan het slot der K.O. Ze bevat drie dingen.

1. Dat de K.O. met gemeen accoord is aanvaard: Deze Artikelen, de wettelijke ordening der kerk aangaande, zijn alzoo gesteld en aangenomen met gemeen accoord enz. Van de 85 voorafgaande artikelen wordt hier tweeërlei gezegd. Vooreerst, dat zij op de wettelijke ordening der kerk (oude redactie: der Kercken d.i. zwakke 2e naamv. enkelv., geen 2e naamv.

|363|

meerv., gelijk uit den Lat. tekst: ecclesiae ordinem; en uit de Fransche vertaling: l’ordre legitime de l’Eglise duidelijk blijkt) d.i. op de ordening en institueering van de nog ongeordende Kerke Gods of de vergadering der geloovigen hier te lande tot plaatselijke kerken, betrekking heeft. De artikelen bedoelen geen staatkundige of maatschappelijke, maar een kerkelijke ordening te zijn. „Kerk” heeft dus hier adjectieve of bijvoegelijke heteekenis. Voorts, dat zij met „gemeen accoord” (Latijn: mutuo consensu = met wederzijdsch goedvinden) zijn gesteld en aangenomen. Dit wil niet zeggen, dat allen het steeds met alle artikelen eens waren. Maar de minderheid onderwierp zich aan de meerderheid. Zelfs stemde men in de 16e eeuw wel tweemaal. Eerst om te weten wat het gevoelen der meerderheid was. En daarna om het gevoelen der meerderheid met algemeene stemmen tot besluit te verheffen, De meerderheid overheerschte daarbij de minderheid niet, want alle kerken aanvaardden vrijwillig de artikelen der K.O., die door de meerderheid was vastgesteld. Zij werd dus met „gemeen accoord” aanvaard.

2. Dat de K.O. veranderd mag worden. Er staat toch verder uitdrukkelijk: dat zij (zoo het profijt der Kerken anders vereischte) veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behooren te worden. Uitgezonderd zijn de bepalingen, die rechtstreeks aan Gods Woord ontleend zijn, want die zijn onveranderlijk. Overigens mogen de bepalingen der K.O., zoo het profijt der kerken anders vereischt, veranderd, vermeerderd of verminderd worden. Maar door wie? Door geen „bijzondere Gemeente, Classe of (particuliere) Syode”. Alleen alle kerken samen, in de ,,Generale of Nationale Synode” vereenigd, mogen de K.O. wijzigen. En zelfs ook de generale synode moet niet te spoedig tot wijziging overgaan, niet te veel willen regelen en niet alle kleinigheden willen bepalen. Een K.O. moet slechts de hoofdlijnen aangeven. Anders vervalt men in de fout van Rome en krijgt men een soort corpus juris canonici, of kerkelijk wetboek.

3. Dat de K.O. naarstig onderhouden moet worden: maar zij zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde. Wil dit dan zeggen, dat een kerk in geen enkele kleinigheid mag afwijken? Neen, niet alle afwijking is ordeloosheid, maar dan moet de afwijking door het profijt van die kerk geëischt, als afwijking erkend, en aan het oordeel der meerdere vergadering onderworpen worden.