Acta GKN (1957) 580416

Zitting van woensdag 16 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 316

Herziening van de kerkorde

Art. 316. Namens commissie II rapporteren ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries over het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde betreffende de nadere vaststelling van de voorlopig vastgestelde kerkorde (O 1a); over enkele voorstellen uit het rapport van de generale deputaten voor de evangelisatie (E 1, pag. 12, V. 2); over de missiven van de particuliere synoden van Groningen (O 37), van Friesland (N.G.) (O 4), van Drenthe (O 5), van Overijssel (O 6), van Gelderland (O 7), van Utrecht (O 8), van Noord-Holland (O 9), van Zuid-Holland-Noord (O 10), van Zuid-Holland-Zuid (O 11), van Zeeland (O 12), van Noord-Brabant en Limburg (O 13) en van Friesland (Z.G.) (O 43), welke missiven alle inkwamen als antwoord op het verzoek van de generale synode van Leeuwarden (1955) met betrekking tot de voorlopig vastgestelde kerkorde aan die vergaderingen gedaan (zie acta, art. 247, besluit sub 3 en 4); over andere missiven uit de kerken met voorstellen, vragen en opmerkingen met betrekking tot de voorlopig vastgestelde kerkorde, te weten van de classes Sneek (O 15), Zutphen (O 16), Coevorden (O 17), Meppel (O 18), ’s-Gravenhage (O 19), Goes (O 20), van de kerkeraden te Smilde (O 22), te Hollandscheveld (O 23), te Ruinerwold-Koekange (O 24), te Zeist (O 25), te Amsterdam-Zuid (O 26), te Beverwijk (O 27), te IJmuiden (O 28), te ’s-Gravenhage-Loosduinen (O 29), van mr dr J.W. Dekker te ’s-Gravenhage (O 2), van dr mr M. Bouwman te Amsterdam (O 2), van A. Arendse te Oostburg (O 31), van P. Sanders c.s. te ’s-Gravenhage (O 32), van ds B.W. Ganzevoort te Hoboken (O 33), van ds W.F.C. van Helsdingen te Voorschoten (O 34), van het Landelijk Verband van Commissies van Beheer van de Gereformeerde Kerken in Nederland (O 35), van M. de Groot te Rotterdam (O 36), van de kerkeraad te Noord-Scharwoude (O 38) en van mr D. Jonker te Voorburg (O 41); alsmede over enkele andere missiven, toegezonden aan de deputaten voor de herziening van de kerkorde, en door deze deputaten aan de commissie ter hand gesteld (zie O 1a), nl. van de classis Amsterdam, van de kerkeraden te Amstelveen, te Amsterdam, te Amsterdam-West, te Noordwijk-Binnen en te Urk, en van de deputaten voor de zending van de kerk van Delft en samenwerkende kerken. (Bijlage LXXVIII a, b en c.)

De praeses herinnert aan wat de synode in haar eerste zittingsperiode besloten heeft over de wijze van behandeling van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie art. 174). Hij wijst erop, dat commissie II aan de haar gegeven opdracht van toezending van haar rapport aan alle synodeleden vóór 1 februari 1958 heeft voldaan, en dat ook verschillende synodeleden van de gelegenheid om tot aan 15 maart 1958 hun amendementen schriftelijk in te dienen hebben gebruik gemaakt. In verband met een en ander heeft de commissie thans een aanvullend rapport ingediend, waarin zij haar oordeel over de bij haar ingekomen amendementen uitspreekt, en zal de synode bij haar discussies over de artikelen van de voorlopig vastgestelde kerkorde zich de uiterste beperking moeten opleggen.

Op voorstel van de praeses besluit de synode de inleidende opmerkingen der commissie, sub B en C gemaakt, voorlopig over te slaan en eerst de afzonderlijke artikelen te gaan behandelen.

Alleen het voorstel der commissie, sub C c gedaan, om geen wijziging aan te brengen in de indeling in hoofdstukken van de voorlopig vastgestelde kerkorde, wordt thans reeds door de synode aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 317

Herziening van de kerkorde art. 1

Art. 317. Aan de orde wordt gesteld hoofdstuk I, artikel 1 van de voorlopig vastgestelde kerkorde. De drie voorstellen, die hierbij door de commissie gedaan zijn (zie bijlage LXXVIII a, b en c), komen achtereenvolgens in bespreking. De voorstellen 1 en 2, waarin de commissie zich aansluit bij de deputaten, worden na een korte discussie aangenomen. De synode besluit derhalve a. het slot van lid 1 aldus te lezen: „met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is”; b. de woorden „in deze artikelen”, voorkomende zowel in lid 1 als in lid 2, in lid 1 te vervangen door „in deze kerkorde” en in lid 2 door „in de kerkorde”.

Langdurig wordt gesproken over voorstel 3 van de commissie (zie bijlage I.XXVIII b), waarmee deputaten niet blijken accoord te gaan. De rapporteur van de commissie wijst erop, dat het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40 niet de enige plaats in het Nieuwe Testament is, die aan de kerkorde ten grondslag kan worden gelegd en verdedigt daarom de bredere formulering der commissie: „Daar volgens de leer van Christus en de apostelen in de kerk des Heren alles in goede orde behoort te geschieden”. De rapporteur van de deputaten daarentegen pleit met nadruk voor het met name noemen van 1 Corinthe 14: 40, omdat dit de belangrijkste plaats is, waarop Calvijn de kerkorde heeft gebouwd en waarop in navolging van hem alle gereformeerde canonici zich telkens weer beroepen hebben. Tenslotte wordt het voorstel van de commissie verworpen.

De synode besluit het opschrift (met de daaraan toegevoegde noot) en hoofdstuk I van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

KERKORDE VAN DE GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND 1)

Hoofdstuk I

INLEIDING

Artikel 1

1. Naar het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40, dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden, wordt in deze kerkorde een aantal regelen gegeven voor het leven en werken van de kerk, met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is.
2. De voornaamste onderwerpen, die in de kerkorde achtereenvolgens ter sprake gebracht worden, zijn: de ambten van de kerk, de vergaderingen van de kerk, het werk van de kerk, het vermaan en de tucht van de kerk en de betrekkingen van de kerk naar buiten.


1) Tot de Gereformeerde Kerken in Nederland worden ook gerekend de kerken, samenkomende in de „Synode der altreformierten Kirche in Niedersachsen”, welke gevormd wordt door de classis Bentheim en de classis Oost-Friesland. Deze synode heeft onder bepaalde beperkingen de rechten van een particuliere synode. Een en ander is nader omschreven in de door de generale synode vastgestelde regeling (acta generale synode Groningen (1927), art. 33 en acta generale synode Assen (1957/58), art. 427).

Acta GKN (1957) Art. 318

Principiële vragen bij de herziening van de kerkorde

Art. 318. Namens commissie II rapporteert dr K. Dijk over de meer principiële vragen, die bij de herziening van de kerkorde ter sprake zijn gebracht in enkele ingekomen stukken, t.w. in een schrijven van de classis Meppel (O 18), in missiven van de kerkeraden te Smilde (O 22), te Ruinerwold-Koekange (O 24), te Zeist (O 25), te IJmuiden (O 28), te Loosduinen (O 29) en te Noord-Scharwoude (O 38), alsmede in een schrijven van A. Arendse te Oostburg (O 31) en een bezwaarschrift van P. Sanders te ’s-Gravenhage, mede ondertekend door 80 broeders en zusters uit verschillende kerken (O 32) (bijlage LXXXIX).

De praeses geeft eerst gelegenheid voor enkele algemene beschouwingen. Daarbij wordt de wenselijkheid uitgesproken, dat de gronden, die in het rapport voor afwijzing van de bezwaren genoemd zijn, ook in de conclusies zullen worden opgenomen, terwijl tevens gewezen wordt op enkele in het rapport voorkomende uitdrukkingen, die beter door andere kunnen worden vervangen. Ook wordt de aandacht erop gevestigd, dat het gezag van de kerkeraad van geheel eigen aard is en de vraag gesteld of dit op detailpunten wel voldoende tot uitdrukking is gebracht. Tenslotte wordt ter sprake gebracht of aanneming van dit rapport een eventueel gesprek met de Gereformeerde Kerken (onderh. art. 31) zou kunnen bemoeilijken en in hoeverre bij aanvaarding der conclusies ook reeds een beslissing is gevallen over de betreffende artikelen van de kerkorde.

Al deze vragen en opmerkingen worden door de rapporteur der commissie beantwoord. Hij merkt op, dat de commissie de ingebrachte bezwaren niet heeft willen afdoen met een kort rapport of met verwijzing naar vroegere besluiten, doch, om de broeders terwille te zijn, uitvoerig op al hun beschouwingen is ingegaan. Hij is daarom ook gaarne bereid bepaalde uitdrukkingen in het rapport te herzien, en is verder van mening, dat zowel bij de behandeling van de onderdelen van het rapport alsook bij de bespreking van de artikelen van de kerkorde speciale punten nog nader ter sprake kunnen worden gebracht.

Vervolgens komen de verschillende hoofdstukken van het rapport in bespreking. Bij hoofdstuk I, dat handelt over „het beroep op de Heilige Schrift” wordt van gedachten gewisseld over de vraag of in Hand. 15 een begin kan gezien worden van een kerkverband en wat de juiste betekenis is van de uitdrukking: „het presbytèrion”. Over hoofdstuk II „het beroep op de historie” wordt door niemand het woord gevraagd. Bij hoofdstuk III, handelende over „de bestreden artikelen” worden diverse opmerkingen gemaakt, die de commissie aanleiding geven tot het aanbrengen van enkele wijzigingen en aanvullingen in het rapport. Vrij uitvoerig wordt gediscussieerd over hoofdstuk IV „de gevaren, waarvoor gewaarschuwd wordt”. Bij punt A „het verminderd verantwoordelijkheidsbesef” wordt gewezen op de eenzijdige interpretatie, die daarvan in de bezwaarschriften wordt gegeven. Ook de gedachte dat de herziening van de kerkorde vermindering van het kerkelijk meeleven en geestelijke verarming zal ten gevolge hebben wordt van verschillende zijden bestreden. Tenslotte komen de voorgestelde conclusies aan de orde, doch alvorens deze in behandeling te geven, moet de praeses de bespreking even onderbreken (zie verder art. 320, 416).

Acta GKN (1957) Art. 320

Principiële vragen bij de herziening van de kerkorde

Art. 320. Bij de behandeling van de conclusies van het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, over de meer principiële vragen, die bij de herziening van de kerkorde ter sprake zijn gebracht, worden twee adviezen gegeven.

Dr G. Brillenburg Wurth adviseert in conclusie 2 toe te voegen: „c. ja, dat, naar haar overtuiging, veeleer gelijk in heel de samenleving zo ook in de sfeer der kerk van het rechte verantwoordelijkheidsbesef in bijbelse geest alleen sprake is, wanneer ook de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid der kerken daarin tenvolle gehonoreerd is”.

Dr D. Nauta adviseert de conclusies 2, 3, 4 en 5 als volgt te wijzigen en aan te vullen:

„2. dat a. zij van oordeel is, dat de beginselen, waarnaar de herziene kerkorde is opgebouwd, niet verschillen van de beginselen, waarnaar dit geschied is ten aanzien van de thans vigerende kerkorde, en b. dat door adressanten ten onrechte gesproken wordt van schadelijke gevolgen, welke zij van de herziene kerkorde duchten voor het kerkelijk en geestelijk leven;
3. dat zij om deze redenen en na toetsing van de door adressanten te berde gebrachte argumenten aan hun verzoeken niet kan voldoen, met name niet aan het verzoek om de voorgestelde kerkorde terzijde te stellen;
4. dat ... laten varen, omdat deze wat betreft de beginselen, waarnaar ze is opgebouwd, niet verschilt met de thans vigerende kerkorde noch met andere oude kerkenordeningen;
5. dat ... ervaren, dat de kerkelijke vergaderingen tegen de voorgestelde herziene kerkorde slechts enkele bezwaren van principiële aard ingediend hebben.”

De rapporteur van de commissie verzoekt thans de discussie niet verder voort te zetten, doch aan de commissie de gelegenheid te geven zich over de ingediende adviezen en de vorm der conclusies nog nader te beraden en eventueel gewijzigde voorstellen aan de synode voor te leggen.

Aldus wordt door de synode besloten.

(Zie verder art. 416.)

Acta GKN (1957) Art. 321

Herziening van de kerkorde artikel 7-9

Art. 321. De praeses stelt aan de orde hoofdstuk II van de voorlopig vastgestelde kerkorde, handelende over „De ambten van de kerk”. Allereerst worden besproken de artikelen 7, 8 en 9 voorkomende onder „I. Algemene bepalingen” (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Bij art. 7 blijkt overeenstemming te zijn tussen de deputaten en de commissie wat betreft de schrapping van de lidwoorden. Ook de synode gaat hiermee accoord. Een voorstel van ds J.C. Hagen om in lid 1 te lezen: „De ambten in opdracht van Christus tot het dienstwerk ingesteld, zijn ...” wordt verworpen. Vervolgens wordt art. 7, lid 1 en 2 goedgekeurd.

Over artikel 8 ontstaat enige discussie. Het voorstel van de deputaten en de commissie om in de eerste regel „kunnen” te vervangen door „mogen” wordt aangenomen. Wat de verdere voorgestelde wijzigingen betreft volgt de synode niet de deputaten doch wèl de commissie, zodat zij besluit in lid 2 vóór „belijdende leden” het woord „mannelijke” te laten vervallen. Daarna wordt artikel 8 in zijn geheel vastgesteld.

Van artikel 9 wordt lid 1, waarin geen veranderingen worden voorgesteld, aanvaard. Lid 2 wordt in de nieuwe redactie, die door de deputaten werd ontworpen en door de commissie werd overgenomen, aangenomen. Ouderling T. Spaan stelde voor, in afwijking van de deputaten en de commissie, lid 3 in de oude redactie te handhaven; de commissie nam dit over en de synode aanvaardt dit. Vervolgens wordt als lid 4 goedgekeurd de zinsnede, die de commissie in de plaats wil laten komen van hetgeen de deputaten onder 3 en 4 hebben voorgesteld. Lid 5 wordt vastgesteld in de door de deputaten gegeven redactie, waarbij de commissie zich heeft aangesloten. Tenslotte wordt besloten de oude leden 6 en 7 te laten vervallen en artikel 9 in zijn geheel in de hierboven aangegeven vorm vast te stellen.

Acta GKN (1957) Art. 322

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 7-9

Art. 322. De synode besluit het opschrift van hoofdstuk II en de artikelen 7-9 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Hoofdstuk II

DE AMBTEN VAN DE KERK

I. Algemene bepalingen

Artikel 7

1. De ambten, waaraan in opdracht van Christus het dienstwerk in de kerk is toevertrouwd, zijn die van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken.
2. Deze ambten zijn van elkander onderscheiden, niet in waardigheid of eer, maar in opdracht en werk.

Artikel 8

1. Niemand zal in de kerk enig ambt mogen vervullen zonder daartoe op wettige wijze geroepen en daarin bevestigd te zijn.
2. Voor de roeping tot enig ambt komen slechts in aanmerking belijdende leden, die voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen.

Artikel 9

1. De roeping tot het vervullen van een ambt wordt uitgebracht door de kerkeraad.
2. De kerkeraad brengt deze roeping uit, in de regel op grond van een onder zijn leiding gehouden verkiezing door de gemeente. Deze verkiezing geschiedt uit een aantal door de kerkeraad voorgestelde candidaten, dat in de regel het dubbele is van het aantal te vervullen plaatsen. In geval in een vacature één candidaat wordt voorgesteld, zal de kerkeraad mededeling doen van de redenen, die hem tot afwijking van deze regel genoopt hebben.
3. De kerkeraad kan de leden der gemeente tevoren in de gelegenheid stellen de aandacht op voor het ambt geschikte personen te vestigen.
4. De verkiezing geschiedt, na voorafgaand gebed, door de stemgerechtigde leden der gemeente overeenkomstig een door de kerkeraad vastgestelde regeling.
5. De namen van de beroepen ambtsdragers zullen op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente worden voorgedragen om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging. Indien geen bezwaren zijn ingekomen, of de kerkeraad de ingebrachte bezwaren niet genoegzaam gegrond acht, zal de bevestiging in een kerkdienst, plaats hebben, met gebruikmaking van de daarvoor vastgestelde formulieren.

Acta GKN (1957) Art. 323

Herziening van de kerkorde art. 10-15

Art. 323. De praeses stelt aan de orde de artikelen 10-15, voorkomende in hoofdstuk II onder het hoofd „II. De dienaren des Woords” (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Het voorstel van de deputaten (om aan artikel 10 een nieuw artikel 9a te doen voorafgaan), waarmee de commissie zich niet verenigen kon, wordt ook door de synode niet aanvaard.

Bij de behandeling van artikel 10 stelt ds F.C. Zwaal voor de woorden „hetzij aan de Theologische ... Vrije Universiteit” in lid 2 te laten vervallen. Dit voorstel wordt verworpen, waarna artikel 10 ongewijzigd wordt goedgekeurd.

Ten aanzien van artikel 11, lid 1 worden door de commissie vier voorstellen gedaan. Het eerste voorstel om lid 1, behoudens enkele kleine wijzigingen te handhaven, wordt aangenomen. Ook de andere drie voorstellen om „mag” door „kan” te vervangen, om in plaats van „indien mocht blijken” te lezen „indien op overtuigende wijze blijkt”, en om aan het slot de redactie aldus te doen luiden: „dat hij ondanks het gemis van genoemde opleiding geacht kan worden in staat te zijn de kerken met stichting te dienen”, worden aanvaard.

Verder besluit de synode, op voorstel van de deputaten en de commissie in lid 2 van dit artikel het woord „bijzondere” te veranderen in „daartoe”, en lid 3 te doen vervallen. Artikel 11 wordt daarna in zijn geheel vastgesteld.

De opmerkingen die de commissie maakt in dit gedeelte van haar rapport over de volgorde der artikelen worden voorlopig overgeslagen (zie art. 473).

Van artikel 12 wordt lid 1 ongewijzigd goedgekeurd. In lid 2 (oud lid 3) wordt op voorstel van de deputaten en de commissie het woord „ontslag” gewijzigd in „vertrek”, terwijl hier tevens aanvaard wordt een door de commissie overgenomen amendement van ds H.W.H. van Andel om het begin van dit lid aldus te lezen: „In geval de beroepene reeds als dienaar des Woords in een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden dan nadat de classis...”.

Het voorstel van de commissie om hetgeen in lid 3 (oud lid 2) over de handoplegging wordt bepaald te laten staan en een schrijven van de kerkeraad te Hollandscheveld over deze zaak (O 23) in handen te stellen van de deputaten voor de herziening van de liturgische formulieren wordt aangenomen. Eveneens wordt aangenomen om aan het slot van lid 3 (oud lid 2) de woorden „alsook van de andere dienaren des Woords, die daarbij tegenwoordig mochten zijn” te laten vervallen.

Over het voorstel van de commissie, dat de vraag of het juist is, dat een dienaar des Woords bij zijn komen in een nieuwe gemeente opnieuw in het ambt bevestigd zal worden, zal worden voorgelegd aan de deputaten voor de herziening van de liturgische formulieren met de opdracht dat deze deputaten daarover op de volgende synode zullen rapporteren, staken de stemmen, zodat dit voorstel verworpen is.

Tenslotte komen bij artikel 12, lid 3 nog in behandeling een amendement van ds J. van Herksen om in plaats van „met de medewerking en het goedvinden van...” te lezen „ten overstaan van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van twee van dezen”, en een amendement van ds F.C. Zwaal om de woorden „althans van de meerderheid van dezen” te vervangen door „van welke de meerderheid dient aanwezig te zijn”. Deze beide amendementen worden verworpen. Vervolgens wordt artikel 12 in zijn geheel vastgesteld.

Bij de behandeling van artikel 13 wordt op voorstel van de deputaten en de commissie besloten in lid 1 de woorden „onder de niet-gekerstende volken” te laten vervallen en het woord „vooropleiding” te vervangen door „opleiding”. Over de vraag of in lid 2 het woord „daartoe” of het woord „hiervoor” zal worden ingevoegd, wordt geen beslissing genomen, doch dit wordt overgelaten aan de taalkundige controle, die aan het einde nog zal plaats hebben. De rapporteur van de deputaten pleit ervoor om in afwijking van wat de commissie voorstelt, lid 3 in artikel 13 te laten staan; aldus wordt door de synode besloten. Ten aanzien van lid 4 wordt het gemeenschappelijk voorstel van de deputaten en de commissie om dit te laten vervallen aanvaard. Ook artikel 13 wordt nu in zijn geheel door de synode goedgekeurd.

Nadat gebleken is, dat een amendement van ds J.H. Meuleman om in plaats van „die vervreemd zijn van het evangelie” te lezen „die daarvan vervreemd zijn”, niet gesteund wordt, wordt lid 1 van artikel 14 in de door de deputaten en de commissie voorgestelde redactie aangenomen. Ook lid 2 van dit artikel wordt goedgekeurd na invoeging van het woordje „het”.

De voorslag van de deputaten, waarmee de commissie het eens blijkt te zijn, om van artikel 14, lid 3 een afzonderlijk artikel te maken, wordt door de synode aanvaard. Tevens wordt besloten om dit artikel niet, zoals de deputaten willen, aan artikel 14 te laten voorafgaan, maar het op artikel 14 te laten volgen als artikel 14a.

Over artikel 15 wordt door de deputaten en de commissie hetzelfde voorstel gedaan, nl. om het in gewijzigde redactie in artikel 14 als lid 3 op te nemen. Ook hieraan hecht de synode haar goedkeuring.

Acta GKN (1957) Art. 324

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 10-15

Art. 324. De synode besluit in hoofdstuk II onder het hoofd: „II. De dienaren des Woords” de artikelen 10-15 als volgt vast te stellen:

 

II. De dienaren des Woords

Artikel 10

1. Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.
2. Zij die een zodanige opleiding ontvangen hebben, hetzij aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit, zullen zich, onder overlegging van de benodigde getuigschriften, aanmelden bij de classis, waartoe de kerk van hun woonplaats behoort, om na met goed gevolg praeparatoir geëxamineerd te zijn, door haar als proponenten beroepbaar gesteld te worden, een en ander overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten aanzien van degenen, die elders een theologische opleiding ontvangen hebben en zich voor hetzelfde doel bij een classis vervoegen, zal deze handelen overeenkomstig de daartoe door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Artikel 11

1. Van de regel, dat een deugdelijke theologische opleiding vereist is, kan alleen worden afgeweken, indien op overtuigende wijze blijkt, dat iemand in die mate de gaven bezit, welke voor een dienaar des Woords onmisbaar zijn. in het bijzonder de gaven van godsvrucht, ootmoed, wijsheid en geestelijk onderscheidingsvermogen, benevens het vermogen om op duidelijke en opbouwende wijze het evangelie te verkondigen, dat hij ondanks het gemis van genoemde opleiding geacht kan worden in staat te zijn de kerken met stichting te dienen.
2. De particuliere synode stelt, mede aan de hand van overgelegde getuigschriften van de kerkeraad van de kerk, waartoe de persoon, die zich heeft aangemeld, behoort, en van de classis, waaronder deze kerk ressorteert, een grondig onderzoek in, of hij de genoemde gaven bezit en spreekt daarna uit, of hij zich zal mogen onderwerpen aan het praeparatoir examen, een en ander met inachtneming van de daartoe door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Artikel 12

1. De beroeping van een dienaar des Woords geschiedt met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de beroepbaarheid van degenen, die andere dan de Gereformeerde Kerken in Nederland gediend hebben, alsmede van de bepaling inzake het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature; voorts in geheel vacante kerken niet zonder het raadplegen van de consulent.
2. In geval de beroepene reeds als dienaar des Woords in een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden, dan nadat de classis op grond van het overgelegde wettige getuigenis van zijn vertrek uit de kerk en de classis, in welke de beroepene tevoren gediend heeft, en van de overgelegde goede kerkelijke attestatie van zijn leer en leven, haar approbatie verleend heeft.
3. Ingeval de beroepene tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan heeft, zal de approbatie van de classis niet worden verleend dan na een met goed gevolg ingesteld onderzoek naar zijn leer en leven. Over de uitslag van dit peremptoir examen, dat afgenomen zal worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zal de classis beslissen met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van de meerderheid van dezen. De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt.

Artikel 13

1. Proponenten en dienaren des Woords, die beroepen worden voor het werk van de zending zullen zich, onder overlegging van een bewijs, dat zij de voor hen bestemde opleiding met goed gevolg hebben genoten, moeten onderwerpen aan een afzonderlijk onderzoek, dat voornamelijk betrekking heeft op de theorie van de zending naar gereformeerde beginselen, welk onderzoek bij proponenten ingesteld wordt terstond na het peremptoir examen.
2. Dit afzonderlijk onderzoek zal, overeenkomstig de hiervoor door de generale synode vastgestelde bepalingen, worden ingesteld door de classis, waartoe de beroepende kerk behoort, met de medewerking van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten. Bij dit onderzoek treden enige door de generale synode benoemde deputaten als examinatoren op.
3. Degenen die zich aan dit afzonderlijk onderzoek met goed gevolg onderworpen hebben en daarna in hun ambt bevestigd zijn, worden missionaire dienaren des Woord genoemd.

Artikel 14

1. De taak van de dienaar des Woords is de bediening van het Woord aan de gemeente en al naar de gelegenheid eveneens de verkondiging van het evangelie aan hen, die vervreemd zijn van het evangelie, aan de Joden en de niet-gekerstende volken; de bediening van de sacramenten; het uitspreken van de zegen; de leiding van alle overige ambtelijke werkzaamheden in de kerkdiensten als in het bijzonder het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, het doen van bekendmakingen inzake vermaan en tucht, het bevestigen van ambtsdragers, en het bevestigen van huwelijken; en het catechetisch onderricht.
2. Voorts is het zijn taak, tezamen met de ouderlingen, over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen alsook over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, toe te zien dat alles in de gemeente met goede orde toegaat, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen ook op andere wijze dan door de openbare verkondiging van het evangelie voor Christus te winnen.
3. Aan een dienaar des Woords kunnen door een kerkeraad in het bijzonder bepaalde werkzaamheden worden opgedragen, waarbij hij van zijn overige werkzaamheden wordt vrijgesteld.

Artikel 14a

Het zal geen dienaar des Woords vrijstaan binnen het ressort van enige kerk, zonder bewilliging van haar kerkeraad voor te gaan in een samenkomst, welke geacht moet worden in enigerlei vorm het karakter van een kerkdienst te dragen.

Acta GKN (1957) Art. 326

Herziening van de kerkorde art. 16-22

Art. 326. De praeses geeft in behandeling de artikelen 16-22 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

In overeenstemming met het gelijkluidend voorstel van de deputaten en de commissie besluit de synode in artikel 16, lid 1 een paar kleine wijzigingen te brengen en artikel 16, lid 2 te aanvaarden in een herziene redactie.

Ten aanzien van artikel 17 worden geen veranderingen voorgesteld. Het blijft dus in dezelfde vorm gehandhaafd.

De kleine wijzigingen, die de deputaten in artikel 18, lid 1 voorstellen, en waarmee de commissie accoord gaat, ontmoeten bij de synode geen bezwaar. Eveneens wordt het 2e lid van dit artikel goedgekeurd.

Bü de behandeling van artikel 19 stelt ds J.C. Hagen de vraag of hierin ook nog iets bepaald moet worden voor het geval, dat een dienaar des Woords, die in een ernstige tuchtwaardige zonde is gevallen, eigenmachtig zijn ambtswerk neerlegt. De synode is met de commissie van oordeel, dat in ieder geval in dit artikel een dergelijke bepaling niet moet worden opgenomen, doch wil gaarne ds Hagen in de gelegenheid stellen bij de behandeling van artikel 117 een daartoe strekkend amendement in te dienen (zie verder art. 365, 449 en 450).

Nadat ds J.H. Meuleman een door hem ingediend amendement heeft ingetrokken en uitgesproken is, dat de beoordeling van het woord „daartoe” bij de taalkundige revisie aan de orde kan komen, wordt artikel 19 in de door de commissie voorgestelde nieuwe reactie, waarbij ook de deputaten zich hebben aangesloten, aanvaard.

Een amendement van ds H.W.H. van Andel om aan het begin van artikel 20 te lezen: „Een dienaar des Woords, die met bewilliging van de kerkeraad en met goedkeuring van de classis ...” werd door de commissie overgenomen. Hoewel de deputaten tegen dit amendement enig bezwaar blijken te hebben, wordt het door de synode aangenomen, terwijl daarna artikel 20 in zijn geheel wordt vastgesteld.

Het voorstel van ds J.C. Hagen om aan artikel 21 een 2e lid toe te voegen, waarin een afzonderlijke bepaling gemaakt wordt voor de theologische hoogleraren, wordt niet gesteund. Daarna wordt dit artikel overeenkomstig het advies van de deputaten en de commissie ongewijzigd aanvaard.

Ds F.C. Zwaal stelt voor om in artikel 22, lid 1 inplaats van „zeventigjarige leeftijd” te lezen „vijfenzestigjarige leeftijd”. Dit voorstel wordt verworpen. Vervolgens wordt artikel 22, lid 1 met de door deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen aanvaard. De twee volgende leden van artikel 22 worden ongewijzigd vastgesteld.

Acta GKN (1957) Art. 327

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 16-22

Art. 327. De synode besluit de artikelen 16-22 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 16

1. Zolang een dienaar des Woords aan de gemeente, waarin hij beroepen is, verbonden is, zal zij in het onderhoud van hem en zijn gezin voorzien en zich van deze plicht niet ontslagen mogen rekenen, indien de dienaar des Woords, wegens ziekte of om een andere wettige reden, zijn werk tijdelijk niet kan verrichten.
2. Indien anderen dan de kerkeraad van de gemeente, waarin een dienaar des Woords beroepen is, mede de verantwoordelijkheid dragen voor de werkzaamheden, welke hem opgedragen zijn, kan met zijn bewilliging, geheel of gedeeltelijk op een andere dan de in lid 1 bedoelde wijze in het onderhoud van hem en zijn gezin worden voorzien.

Artikel 17

1. Indien een dienaar des Woords zijn gemeente niet langer met stichting kan dienen, terwijl er geen reden bestaat tot het oefenen van kerkelijke tucht, zal de kerkeraad hem van zijn dienst niet kunnen ontslaan zonder de goedkeuring van de classis, die daarbij met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten handelt.
2. Zolang hij niet door een andere kerk beroepen is, blijft de kerkeraad, die hem ontsloeg, binnen de door de generale synode bepaalde grenzen, verantwoordelijk voor de voorziening in het onderhoud van hem en zijn gezin.

Artikel 18

1. Indien de kerkeraad en de classis, met de medewerking en het goedvinden van deputaten van de particuliere synode, oordelen, dat een dienaar des Woords, zonder dat er goede grond is voor het verlenen van emeritaat of voor het oefenen van kerkelijke tucht, de bekwaamheid mist om enige gemeente met stichting te dienen, zal een volledig ontslag uit de dienst in de kerken slechts kunnen volgen, wanneer de particuliere synode met een meerderheid van tenminste twee derde der uitgebracht stemmen dat oordeel bevestigd en, in geval van appèl, de generale synode deze beslissing bekrachtigd heeft.
2. Ten behoeve van het onderhoud van de ontslagene en zijn gezin zal ook hangende het appèl, de kerkeraad hem een uitkering doen overeenkomstig een regeling, die bij de in lid 1 bedoelde beslissing wordt vastgesteld.

Artikel 19

Het zal aan een dienaar des Woords niet vrijstaan zijn ambt neer te leggen. Hij kan slechts van zijn ambt ontheven worden, om zich tot een andere staat des levens te begeven, indien de kerkeraad, en de classis, met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, oordelen dat daarvoor bijzondere en gewichtige redenen aanwezig zijn.

Artikel 20

Een dienaar des Woords, die, met bewilliging van de kerkeraad en met goedkeuring van de classis en met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, een arbeid aanvaardt, die weliswaar een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar waardoor hij zijn taak in de gemeente niet langer kan verrichten, zal toch de eer en de naam van een dienaar behouden en ten aanzien van zijn ambtelijke positie aan de kerk, welke hij het laatst diende, verbonden blijven.

Artikel 21

Een dienaar des Woords, die door de generale synode of in overeenstemming met door haar goedgekeurde bepalingen geroepen wordt tot een zodanige arbeid in opdracht van of ten behoeve van de gezamenlijke kerken, die weliswaar een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar waardoor hij zijn taak in de gemeente niet langer kan verrichten, zal geacht worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken en als zodanig de eer en de naam van een dienaar behouden.

Artikel 22

1. Indien een dienaar des Woords tenminste veertig jaar zijn ambt vervuld heeft dan wel de zeventigjarige leeftijd bereikt heeft, of door ziekte of invaliditeit niet langer in staat is zijn taak te verrichten, en hij of zijn kerkeraad een aanvrage bij de classis indient zal hij, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, door de classis met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten emeritus verklaard worden en als zodanig de eer en de naam van een dienaar behouden.
2. De kerk waaraan hij verbonden is, zal, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, in zijn onderhoud blijven voorzien en na zijn overlijden ook in het onderhoud van de door hem nagelaten weduwe en wezen.
3. Het in lid 2 bepaalde geldt eveneens voor het onderhoud van de weduwe en wezen van een dienaar des Woords, die vóór het verkrijgen van zijn emeritaat is overleden.

Acta GKN (1957) Art. 328

Herziening van de kerkorde art. 23-29

Art. 328. Thans komen in bespreking de artikelen 23-29 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Ds F.C. Zwaal stelt voor in artikel 23, lid 2 in plaats van „dat gelijk is aan het aantal” te lezen „namelijk één uit elk”. Dit amendement wordt aangenomen, terwijl tevens besloten wordt overal waar de genoemde clausule voorkomt haar in dezelfde zin te wijzigen. Overigens laat de synode artikel 23 in overeenstemming met de voorstellen van de deputaten en de commissie onveranderd. Ook artikel 24 wordt vastgesteld in de bestaande redactie. Aangezien geen voorstel ter tafel is om artikel 25 te handhaven, keurt de synode goed, daarbij het gemeenschappelijk voorstel van de deputaten en de commissie aanvaardend, dit artikel te laten vervallen.

Van artikel 26 wordt lid 1 ongewijzigd gelaten, terwijl de nieuwe formulering, die de deputaten hebben gegeven voor lid 2, op advies der commissie door de synode wordt aangenomen.

In artikel 27 stellen de deputaten en de commissie, zowel in lid 1 als in lid 2 enkele wijzigingen voor, terwijl zij lid 3 willen laten vervallen. Al deze voorstellen worden door de synode aanvaard.

De in artikel 28 door de deputaten voorgestelde wijzigingen, welke door de commissie zijn overgenomen, keurt de synode goed. Zij verwerpt echter een voorstel van ouderling T. Spaan om aan dit artikel een 2e lid toe te voegen, waarin over ouderlingen met bijzondere opdracht gesproken wordt.

De behandeling van artikel 29 wordt uitgesteld, totdat de diakenen zullen tegenwoordig zijn (zie verder acta, art. 419 en 420).

Acta GKN (1957) Art. 329

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 23-29

Art. 329. De synode besluit de artikelen 23-29 (met uitzondering van artikel 29) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 23

1. Voor de opleiding tot de dienst des Woords onderhouden de gezamenlijke kerken een Theologische Hogeschool.
2. Voor de verzorging van deze Hogeschool benoemt de generale synode een aantal deputaten, namelijk één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, en wel op voordracht van deze synoden. Zij worden curatoren genoemd.
3. Alles wat betrekking heeft op de inrichting en leiding van deze Hogeschool, wordt geregeld in een afzonderlijk reglement en in verdere bepalingen, welke door de generale synode zijn vastgesteld.

Artikel 24

Het verband met de theologische faculteit van de Vrije Universiteit wordt door deputaten van de generale synode onderhouden volgens de overeenkomst, aangegaan met de Directeuren van de Vereniging voor Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag, in welke overeenkomst de wederzijdse rechten en verplichtingen omschreven zijn.

Artikel 26

1. Ter verkrijging van dienaren des Woords zullen de kerken, voor zoveel nodig, aan daarvoor in aanmerking komende studenten financiële steun verlenen.
2. De nadere regeling van deze zaak is aan de particuliere synoden toevertrouwd. Elke synode zal te dien einde enige ambtsdragers, en wel uit elk van de in haar bijeenkomende classes één, aanwijzen als haar deputaten.

 

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 27

1. De ouderlingen en de diakenen zullen gedurende een door de kerkeraad vast te stellen periode zitting hebben. Deze periode kan door de kerkeraad, indien hij daarvoor dringende redenen aanwezig acht, onder mededeling daarvan aan de gemeente, voor éénmaal met één jaar worden verlengd.
2. In de regel zal ieder jaar een deel van hen aftreden. De aftredenden zullen niet terstond herkiesbaar zijn, tenzij naar het oordeel van de kerkeraad het welzijn van de gemeente en de omstandigheden het raadzaam maken een of meer hunner opnieuw aan de gemeente ter verkiezing voor te stellen.

Artikel 28

De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen alsook over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, toe te zien dat alles in de gemeente met goede orde toegaat, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens ook te trachten anderen voor Christus te winnen.

Acta GKN (1957) Art. 330

Herziening van de kerkorde art. 30 en besluit daarover

Art. 330. In behandeling komt nu artikel 30 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Een amendement van ds H.W.H. van Andel om in lid 1 en lid 3 „bijwonen” te veranderen in „deelnemen” wordt niet aangenomen.

Vervolgens worden de leden 1, 2 en 3 van dit artikel ongewijzigd en lid 4 met de daarin door de deputaten en de commissie voorgestelde wijziging aanvaard.

Het door de synode vastgestelde artikel 30 van de herziene kerkorde luidt aldus:

 

V. De ondertekening van de belijdenis

Artikel 30

1. De ouderlingen en de diakenen zullen, in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, ten bewijze van hun volledige instemming met de belijdenis van de kerken, de Drie Formulieren van Enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen.
2. Degenen, die met goed gevolg het praeparatoir examen hebben afgelegd, zullen in de bijeenkomst van de classis, welke dat examen afgenomen heeft, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.
3. De dienaren des Woords zullen van diezelfde instemming blijk geven niet alleen door in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, de Formulieren van Enigheid te ondertekenen, maar bovendien door in de eerste bijeenkomst van de desbetreffende classis een afzonderlijk formulier te ondertekenen, dat door de generale synode is vastgesteld. Degenen, die tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan hebben, zullen dit doen in de bijeenkomst, waarin zij het peremptoir examen met goed gevolg afgelegd hebben.
4. De hoogleraren in de theologie en de overige in artikel 21 bedoelde dienaren des Woords zullen, bij de aanvaarding van hun taak, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Acta GKN (1957) Art. 331

Herziening van de kerkorde art. 38-40

Art. 331. Op voorstel van de praeses wordt besloten de in hoofdstuk III onder het opschrift ,,I. Algemene bepalingen” voorkomende artikelen 31-37 op dit ogenblik over te slaan en op een later tijdstip te behandelen (zie acta, art. 334 en 335).

Nadat ds M. Kamper als rapporteur van commissie II door ds A.C. van Nood vervangen is, worden de artikelen 38-40 aan de orde gesteld (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Ds J.C. Hagen stelt voor in artikel 38, lid 2 ook te bepalen hoe groot in het genoemde geval minstens het aantal diakenen zal zijn. De rapporteur der commissie oordeelt, dat dit voorstel pas bij artikel 39 aan de orde behoort te komen. Ds Hagen handhaaft evenwel zijn amendement, dat daarna door de synode verworpen wordt. Vervolgens wordt, artikel 38, lid 1 en 2 in overeenstemming met het advies van de deputaten en de commissie ongewijzigd aanvaard.

Bij het aan de orde komen van artikel 39 merkt ouderling B. Geleynse op, dat bij de behandeling van dit artikel de diakenen behoren tegenwoordig te zijn. De vergadering blijkt het hiermee echter niet eens te zijn, zodat de bespreking wordt voortgezet.

Met het voorstel van de deputaten en de commissie om in lid 1 van artikel 39 het woord „algemene” te laten vervallen alsmede met een kleine wijziging, die in ditzelfde lid door de commissie wordt voorgesteld in verband met een amendement, ingediend door ds J.H. Meuleman, gaat de synode accoord. Ook de in lid 2 voorgestelde wijziging wordt aanvaard. Bij lid 3 geeft de commissie in overweging om achter het woord „diakenen” in te voegen de woorden „indien hun getal meer dan twee bedraagt”. Nog eenvoudiger blijkt echter te zijn het advies van de rapporteur van de deputaten om in lid 3 het woord „zullen” door „kunnen” te vervangen. Het laatste wordt dan ook door de synode besloten. Verder wordt besloten op voorstel van de commissie om in lid 3 de laatste zin te laten vervallen. Tenslotte wordt ook lid 4 goedgekeurd in de door de commissie voorgestelde redactie.

Het door de deputaten voorgestelde nieuwe artikel 39a wordt thans overgeslagen; de behandeling ervan wordt uitgesteld totdat het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, inzake de grotestadskerken aan de orde zal komen (zie art. 470 slot).

Een korte discussie volgt nog over artikel 40. Aangezien er over het al of niet invoegen van de woorden „in de regel” enig verschil blijkt te bestaan tussen de deputaten en de commissie, wordt besloten een nader advies van de commissie en de deputaten hierover te vragen en af te wachten (zie art. 336 slot en art. 337).

Acta GKN (1957) Art. 332

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 38-40

Art. 332. De synode besluit de artikelen 38-40 (met uitzondering van artikel 39a en 40) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

II. De kerkeraad

Artikel 38

1. In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die gevormd wordt door de ambtsdragers der gemeente.
2. Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, staat het vrij onderscheid te maken tussen de brede kerkeraad, waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkeraad, van welke de diakenen geen deel uitmaken.

Artikel 39

1. De kerkeraad heeft de leiding der gemeente, in het bijzonder ook het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen.
2. Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen de brede en de smalle kerkeraad, zal het opzicht over en de tucht in de gemeente aan de smalle kerkeraad blijven.
3. In het in lid 2 bedoelde geval kunnen de diakenen onder leiding van één van hen afzonderlijk bijeenkomen om de zaken, die tot hun taak behoren, te behandelen.
4. De diakenen doen verantwoording van hun beleid en beheer aan de kerkeraad.

 

Hierop schorst de praeses de vergadering, nadat de assessor in dankgebed is voorgegaan.