Acta GKN (1957)

Acta van de Generale Synode van Assen 1957 en 1958 van de Gereformeerde Kerken in Nederland
gehouden te Assen van 27 augustus 1957 — 10 oktober 1957, van 14 april 1958 — 7 mei 1958, en te Utrecht op 26 juni 1958
Kampen
J.H. Kok N.V.
1958

Acta GKN (1957) 570925

Zitting van woensdag 25 september 1957

Acta GKN (1957) Art. 174

Herziening kerkorde

Art. 174. Namens commissie II brengt ds M. Kamper de vraag in bespreking, op welke wijze de behandeling van de artikelen van de voorlopig vastgestelde kerkorde met alle daarop door de kerken voorgestelde wijzigingen, welke behandeling in de voortgezette zittingen van de synode zal plaats hebben, het meest bespoedigd zou kunnen worden.

De commissie zelf is van oordeel, dat het gewenst is, dat de leden der synode eventuele wensen of amendementen, die zij t.a.v. bepaalde artikelen van de kerkorde mochten hebben, zo spoedig mogelijk, bijvoorbeeld vóór 1 november a.s., bij de commissie indienen, opdat deze bij de opstelling van haar rapport daarmee rekening zal kunnen houden.

Dr D. Nauta en dr R. Schippers achten het wel van belang, dat de behandeling van de kerkorde in de voorjaarszittingen van de synode zo vlot mogelijk verlopen zal, maar zijn van mening, dat het beter is, dat het rapport van de commissie, waarin rekening gehouden wordt met de vanuit de kerken ingediende voorstellen, eerst wordt gereedgemaakt en bijvoorbeeld vóór 1 februari 1358 aan alle synodeleden wordt toegezonden, terwijl dan daarna de leden der synode de gelegenheid ontvangen om hun eventuele amendementen op de voorstellen der commissie schriftelijk in te zenden, zodat de commissie ook daarover, nog voordat de synode in de maand april weer bijeenkomt, zich zal kunnen beraden.

Ook door anderen worden bezwaren tegen de door de commissie voorgestelde werkwijze ingebracht, terwijl sommigen de mogelijkheid aanwezig achten om de gedachte van de commissie met die van de hoogleraren Nauta en Schippers te combineren.

De rapporteur der commissie blijkt na voortzetting der bespreking met de weg, die dr Nauta en dr Schippers hebben aangewezen, wel te kunnen meegaan.

Tenslotte besluit de synode het volgende:
a. aan commissie II wordt opgedragen haar rapport over het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde en de daarmee in verband staande door de particuliere synoden en andere kerkelijke vergaderingen ingezonden stukken vóór 1 februari 1058 gereed te maken en aan alle synodeleden toe te zenden;
b. aan de synodeleden tot aan 15 maart 1958 de gelegenheid te geven om hun eventuele opmerkingen en amendementen betreffende het rapport en de voorstellen der commissie schriftelijk bij het Algemeen Kerkelijk Bureau in te dienen, opdat na vermenigvuldiging daarvan en doorzending aan de leden der commissie, de commissie zich daarover, voordat de synode in april 1958 weer samenkomt, beraden kan;
c. bij de behandeling van de artikelen van de kerkorde in de voortgezette zittingen van de synode van de tevoren schriftelijk ingediende amendementen alleen diegene in bespreking te nemen, die door de commissie niet werden overgenomen of die van tegenstrijdige aard zijn, en alsdan de gelegenheid tot het indienen van nieuwe amendementen, afgezien van een hoge uitzondering, niet meer open te stellen. (Zie verder art. 316, 317, 321-357, 362-366, 382-387, 419, 420, 425, 445-451, 473-476.)

Acta GKN (1957) 580416

Zitting van woensdag 16 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 316

Herziening van de kerkorde

Art. 316. Namens commissie II rapporteren ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries over het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde betreffende de nadere vaststelling van de voorlopig vastgestelde kerkorde (O 1a); over enkele voorstellen uit het rapport van de generale deputaten voor de evangelisatie (E 1, pag. 12, V. 2); over de missiven van de particuliere synoden van Groningen (O 37), van Friesland (N.G.) (O 4), van Drenthe (O 5), van Overijssel (O 6), van Gelderland (O 7), van Utrecht (O 8), van Noord-Holland (O 9), van Zuid-Holland-Noord (O 10), van Zuid-Holland-Zuid (O 11), van Zeeland (O 12), van Noord-Brabant en Limburg (O 13) en van Friesland (Z.G.) (O 43), welke missiven alle inkwamen als antwoord op het verzoek van de generale synode van Leeuwarden (1955) met betrekking tot de voorlopig vastgestelde kerkorde aan die vergaderingen gedaan (zie acta, art. 247, besluit sub 3 en 4); over andere missiven uit de kerken met voorstellen, vragen en opmerkingen met betrekking tot de voorlopig vastgestelde kerkorde, te weten van de classes Sneek (O 15), Zutphen (O 16), Coevorden (O 17), Meppel (O 18), ’s-Gravenhage (O 19), Goes (O 20), van de kerkeraden te Smilde (O 22), te Hollandscheveld (O 23), te Ruinerwold-Koekange (O 24), te Zeist (O 25), te Amsterdam-Zuid (O 26), te Beverwijk (O 27), te IJmuiden (O 28), te ’s-Gravenhage-Loosduinen (O 29), van mr dr J.W. Dekker te ’s-Gravenhage (O 2), van dr mr M. Bouwman te Amsterdam (O 2), van A. Arendse te Oostburg (O 31), van P. Sanders c.s. te ’s-Gravenhage (O 32), van ds B.W. Ganzevoort te Hoboken (O 33), van ds W.F.C. van Helsdingen te Voorschoten (O 34), van het Landelijk Verband van Commissies van Beheer van de Gereformeerde Kerken in Nederland (O 35), van M. de Groot te Rotterdam (O 36), van de kerkeraad te Noord-Scharwoude (O 38) en van mr D. Jonker te Voorburg (O 41); alsmede over enkele andere missiven, toegezonden aan de deputaten voor de herziening van de kerkorde, en door deze deputaten aan de commissie ter hand gesteld (zie O 1a), nl. van de classis Amsterdam, van de kerkeraden te Amstelveen, te Amsterdam, te Amsterdam-West, te Noordwijk-Binnen en te Urk, en van de deputaten voor de zending van de kerk van Delft en samenwerkende kerken. (Bijlage LXXVIII a, b en c.)

De praeses herinnert aan wat de synode in haar eerste zittingsperiode besloten heeft over de wijze van behandeling van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie art. 174). Hij wijst erop, dat commissie II aan de haar gegeven opdracht van toezending van haar rapport aan alle synodeleden vóór 1 februari 1958 heeft voldaan, en dat ook verschillende synodeleden van de gelegenheid om tot aan 15 maart 1958 hun amendementen schriftelijk in te dienen hebben gebruik gemaakt. In verband met een en ander heeft de commissie thans een aanvullend rapport ingediend, waarin zij haar oordeel over de bij haar ingekomen amendementen uitspreekt, en zal de synode bij haar discussies over de artikelen van de voorlopig vastgestelde kerkorde zich de uiterste beperking moeten opleggen.

Op voorstel van de praeses besluit de synode de inleidende opmerkingen der commissie, sub B en C gemaakt, voorlopig over te slaan en eerst de afzonderlijke artikelen te gaan behandelen.

Alleen het voorstel der commissie, sub C c gedaan, om geen wijziging aan te brengen in de indeling in hoofdstukken van de voorlopig vastgestelde kerkorde, wordt thans reeds door de synode aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 317

Herziening van de kerkorde art. 1

Art. 317. Aan de orde wordt gesteld hoofdstuk I, artikel 1 van de voorlopig vastgestelde kerkorde. De drie voorstellen, die hierbij door de commissie gedaan zijn (zie bijlage LXXVIII a, b en c), komen achtereenvolgens in bespreking. De voorstellen 1 en 2, waarin de commissie zich aansluit bij de deputaten, worden na een korte discussie aangenomen. De synode besluit derhalve a. het slot van lid 1 aldus te lezen: „met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is”; b. de woorden „in deze artikelen”, voorkomende zowel in lid 1 als in lid 2, in lid 1 te vervangen door „in deze kerkorde” en in lid 2 door „in de kerkorde”.

Langdurig wordt gesproken over voorstel 3 van de commissie (zie bijlage I.XXVIII b), waarmee deputaten niet blijken accoord te gaan. De rapporteur van de commissie wijst erop, dat het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40 niet de enige plaats in het Nieuwe Testament is, die aan de kerkorde ten grondslag kan worden gelegd en verdedigt daarom de bredere formulering der commissie: „Daar volgens de leer van Christus en de apostelen in de kerk des Heren alles in goede orde behoort te geschieden”. De rapporteur van de deputaten daarentegen pleit met nadruk voor het met name noemen van 1 Corinthe 14: 40, omdat dit de belangrijkste plaats is, waarop Calvijn de kerkorde heeft gebouwd en waarop in navolging van hem alle gereformeerde canonici zich telkens weer beroepen hebben. Tenslotte wordt het voorstel van de commissie verworpen.

De synode besluit het opschrift (met de daaraan toegevoegde noot) en hoofdstuk I van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

KERKORDE VAN DE GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND 1)

Hoofdstuk I

INLEIDING

Artikel 1

1. Naar het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40, dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden, wordt in deze kerkorde een aantal regelen gegeven voor het leven en werken van de kerk, met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is.
2. De voornaamste onderwerpen, die in de kerkorde achtereenvolgens ter sprake gebracht worden, zijn: de ambten van de kerk, de vergaderingen van de kerk, het werk van de kerk, het vermaan en de tucht van de kerk en de betrekkingen van de kerk naar buiten.


1) Tot de Gereformeerde Kerken in Nederland worden ook gerekend de kerken, samenkomende in de „Synode der altreformierten Kirche in Niedersachsen”, welke gevormd wordt door de classis Bentheim en de classis Oost-Friesland. Deze synode heeft onder bepaalde beperkingen de rechten van een particuliere synode. Een en ander is nader omschreven in de door de generale synode vastgestelde regeling (acta generale synode Groningen (1927), art. 33 en acta generale synode Assen (1957/58), art. 427).

Acta GKN (1957) Art. 318

Principiële vragen bij de herziening van de kerkorde

Art. 318. Namens commissie II rapporteert dr K. Dijk over de meer principiële vragen, die bij de herziening van de kerkorde ter sprake zijn gebracht in enkele ingekomen stukken, t.w. in een schrijven van de classis Meppel (O 18), in missiven van de kerkeraden te Smilde (O 22), te Ruinerwold-Koekange (O 24), te Zeist (O 25), te IJmuiden (O 28), te Loosduinen (O 29) en te Noord-Scharwoude (O 38), alsmede in een schrijven van A. Arendse te Oostburg (O 31) en een bezwaarschrift van P. Sanders te ’s-Gravenhage, mede ondertekend door 80 broeders en zusters uit verschillende kerken (O 32) (bijlage LXXXIX).

De praeses geeft eerst gelegenheid voor enkele algemene beschouwingen. Daarbij wordt de wenselijkheid uitgesproken, dat de gronden, die in het rapport voor afwijzing van de bezwaren genoemd zijn, ook in de conclusies zullen worden opgenomen, terwijl tevens gewezen wordt op enkele in het rapport voorkomende uitdrukkingen, die beter door andere kunnen worden vervangen. Ook wordt de aandacht erop gevestigd, dat het gezag van de kerkeraad van geheel eigen aard is en de vraag gesteld of dit op detailpunten wel voldoende tot uitdrukking is gebracht. Tenslotte wordt ter sprake gebracht of aanneming van dit rapport een eventueel gesprek met de Gereformeerde Kerken (onderh. art. 31) zou kunnen bemoeilijken en in hoeverre bij aanvaarding der conclusies ook reeds een beslissing is gevallen over de betreffende artikelen van de kerkorde.

Al deze vragen en opmerkingen worden door de rapporteur der commissie beantwoord. Hij merkt op, dat de commissie de ingebrachte bezwaren niet heeft willen afdoen met een kort rapport of met verwijzing naar vroegere besluiten, doch, om de broeders terwille te zijn, uitvoerig op al hun beschouwingen is ingegaan. Hij is daarom ook gaarne bereid bepaalde uitdrukkingen in het rapport te herzien, en is verder van mening, dat zowel bij de behandeling van de onderdelen van het rapport alsook bij de bespreking van de artikelen van de kerkorde speciale punten nog nader ter sprake kunnen worden gebracht.

Vervolgens komen de verschillende hoofdstukken van het rapport in bespreking. Bij hoofdstuk I, dat handelt over „het beroep op de Heilige Schrift” wordt van gedachten gewisseld over de vraag of in Hand. 15 een begin kan gezien worden van een kerkverband en wat de juiste betekenis is van de uitdrukking: „het presbytèrion”. Over hoofdstuk II „het beroep op de historie” wordt door niemand het woord gevraagd. Bij hoofdstuk III, handelende over „de bestreden artikelen” worden diverse opmerkingen gemaakt, die de commissie aanleiding geven tot het aanbrengen van enkele wijzigingen en aanvullingen in het rapport. Vrij uitvoerig wordt gediscussieerd over hoofdstuk IV „de gevaren, waarvoor gewaarschuwd wordt”. Bij punt A „het verminderd verantwoordelijkheidsbesef” wordt gewezen op de eenzijdige interpretatie, die daarvan in de bezwaarschriften wordt gegeven. Ook de gedachte dat de herziening van de kerkorde vermindering van het kerkelijk meeleven en geestelijke verarming zal ten gevolge hebben wordt van verschillende zijden bestreden. Tenslotte komen de voorgestelde conclusies aan de orde, doch alvorens deze in behandeling te geven, moet de praeses de bespreking even onderbreken (zie verder art. 320, 416).

Acta GKN (1957) Art. 320

Principiële vragen bij de herziening van de kerkorde

Art. 320. Bij de behandeling van de conclusies van het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, over de meer principiële vragen, die bij de herziening van de kerkorde ter sprake zijn gebracht, worden twee adviezen gegeven.

Dr G. Brillenburg Wurth adviseert in conclusie 2 toe te voegen: „c. ja, dat, naar haar overtuiging, veeleer gelijk in heel de samenleving zo ook in de sfeer der kerk van het rechte verantwoordelijkheidsbesef in bijbelse geest alleen sprake is, wanneer ook de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid der kerken daarin tenvolle gehonoreerd is”.

Dr D. Nauta adviseert de conclusies 2, 3, 4 en 5 als volgt te wijzigen en aan te vullen:

„2. dat a. zij van oordeel is, dat de beginselen, waarnaar de herziene kerkorde is opgebouwd, niet verschillen van de beginselen, waarnaar dit geschied is ten aanzien van de thans vigerende kerkorde, en b. dat door adressanten ten onrechte gesproken wordt van schadelijke gevolgen, welke zij van de herziene kerkorde duchten voor het kerkelijk en geestelijk leven;
3. dat zij om deze redenen en na toetsing van de door adressanten te berde gebrachte argumenten aan hun verzoeken niet kan voldoen, met name niet aan het verzoek om de voorgestelde kerkorde terzijde te stellen;
4. dat ... laten varen, omdat deze wat betreft de beginselen, waarnaar ze is opgebouwd, niet verschilt met de thans vigerende kerkorde noch met andere oude kerkenordeningen;
5. dat ... ervaren, dat de kerkelijke vergaderingen tegen de voorgestelde herziene kerkorde slechts enkele bezwaren van principiële aard ingediend hebben.”

De rapporteur van de commissie verzoekt thans de discussie niet verder voort te zetten, doch aan de commissie de gelegenheid te geven zich over de ingediende adviezen en de vorm der conclusies nog nader te beraden en eventueel gewijzigde voorstellen aan de synode voor te leggen.

Aldus wordt door de synode besloten.

(Zie verder art. 416.)

Acta GKN (1957) Art. 321

Herziening van de kerkorde artikel 7-9

Art. 321. De praeses stelt aan de orde hoofdstuk II van de voorlopig vastgestelde kerkorde, handelende over „De ambten van de kerk”. Allereerst worden besproken de artikelen 7, 8 en 9 voorkomende onder „I. Algemene bepalingen” (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Bij art. 7 blijkt overeenstemming te zijn tussen de deputaten en de commissie wat betreft de schrapping van de lidwoorden. Ook de synode gaat hiermee accoord. Een voorstel van ds J.C. Hagen om in lid 1 te lezen: „De ambten in opdracht van Christus tot het dienstwerk ingesteld, zijn ...” wordt verworpen. Vervolgens wordt art. 7, lid 1 en 2 goedgekeurd.

Over artikel 8 ontstaat enige discussie. Het voorstel van de deputaten en de commissie om in de eerste regel „kunnen” te vervangen door „mogen” wordt aangenomen. Wat de verdere voorgestelde wijzigingen betreft volgt de synode niet de deputaten doch wèl de commissie, zodat zij besluit in lid 2 vóór „belijdende leden” het woord „mannelijke” te laten vervallen. Daarna wordt artikel 8 in zijn geheel vastgesteld.

Van artikel 9 wordt lid 1, waarin geen veranderingen worden voorgesteld, aanvaard. Lid 2 wordt in de nieuwe redactie, die door de deputaten werd ontworpen en door de commissie werd overgenomen, aangenomen. Ouderling T. Spaan stelde voor, in afwijking van de deputaten en de commissie, lid 3 in de oude redactie te handhaven; de commissie nam dit over en de synode aanvaardt dit. Vervolgens wordt als lid 4 goedgekeurd de zinsnede, die de commissie in de plaats wil laten komen van hetgeen de deputaten onder 3 en 4 hebben voorgesteld. Lid 5 wordt vastgesteld in de door de deputaten gegeven redactie, waarbij de commissie zich heeft aangesloten. Tenslotte wordt besloten de oude leden 6 en 7 te laten vervallen en artikel 9 in zijn geheel in de hierboven aangegeven vorm vast te stellen.

Acta GKN (1957) Art. 322

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 7-9

Art. 322. De synode besluit het opschrift van hoofdstuk II en de artikelen 7-9 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Hoofdstuk II

DE AMBTEN VAN DE KERK

I. Algemene bepalingen

Artikel 7

1. De ambten, waaraan in opdracht van Christus het dienstwerk in de kerk is toevertrouwd, zijn die van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken.
2. Deze ambten zijn van elkander onderscheiden, niet in waardigheid of eer, maar in opdracht en werk.

Artikel 8

1. Niemand zal in de kerk enig ambt mogen vervullen zonder daartoe op wettige wijze geroepen en daarin bevestigd te zijn.
2. Voor de roeping tot enig ambt komen slechts in aanmerking belijdende leden, die voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen.

Artikel 9

1. De roeping tot het vervullen van een ambt wordt uitgebracht door de kerkeraad.
2. De kerkeraad brengt deze roeping uit, in de regel op grond van een onder zijn leiding gehouden verkiezing door de gemeente. Deze verkiezing geschiedt uit een aantal door de kerkeraad voorgestelde candidaten, dat in de regel het dubbele is van het aantal te vervullen plaatsen. In geval in een vacature één candidaat wordt voorgesteld, zal de kerkeraad mededeling doen van de redenen, die hem tot afwijking van deze regel genoopt hebben.
3. De kerkeraad kan de leden der gemeente tevoren in de gelegenheid stellen de aandacht op voor het ambt geschikte personen te vestigen.
4. De verkiezing geschiedt, na voorafgaand gebed, door de stemgerechtigde leden der gemeente overeenkomstig een door de kerkeraad vastgestelde regeling.
5. De namen van de beroepen ambtsdragers zullen op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente worden voorgedragen om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging. Indien geen bezwaren zijn ingekomen, of de kerkeraad de ingebrachte bezwaren niet genoegzaam gegrond acht, zal de bevestiging in een kerkdienst, plaats hebben, met gebruikmaking van de daarvoor vastgestelde formulieren.

Acta GKN (1957) Art. 323

Herziening van de kerkorde art. 10-15

Art. 323. De praeses stelt aan de orde de artikelen 10-15, voorkomende in hoofdstuk II onder het hoofd „II. De dienaren des Woords” (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Het voorstel van de deputaten (om aan artikel 10 een nieuw artikel 9a te doen voorafgaan), waarmee de commissie zich niet verenigen kon, wordt ook door de synode niet aanvaard.

Bij de behandeling van artikel 10 stelt ds F.C. Zwaal voor de woorden „hetzij aan de Theologische ... Vrije Universiteit” in lid 2 te laten vervallen. Dit voorstel wordt verworpen, waarna artikel 10 ongewijzigd wordt goedgekeurd.

Ten aanzien van artikel 11, lid 1 worden door de commissie vier voorstellen gedaan. Het eerste voorstel om lid 1, behoudens enkele kleine wijzigingen te handhaven, wordt aangenomen. Ook de andere drie voorstellen om „mag” door „kan” te vervangen, om in plaats van „indien mocht blijken” te lezen „indien op overtuigende wijze blijkt”, en om aan het slot de redactie aldus te doen luiden: „dat hij ondanks het gemis van genoemde opleiding geacht kan worden in staat te zijn de kerken met stichting te dienen”, worden aanvaard.

Verder besluit de synode, op voorstel van de deputaten en de commissie in lid 2 van dit artikel het woord „bijzondere” te veranderen in „daartoe”, en lid 3 te doen vervallen. Artikel 11 wordt daarna in zijn geheel vastgesteld.

De opmerkingen die de commissie maakt in dit gedeelte van haar rapport over de volgorde der artikelen worden voorlopig overgeslagen (zie art. 473).

Van artikel 12 wordt lid 1 ongewijzigd goedgekeurd. In lid 2 (oud lid 3) wordt op voorstel van de deputaten en de commissie het woord „ontslag” gewijzigd in „vertrek”, terwijl hier tevens aanvaard wordt een door de commissie overgenomen amendement van ds H.W.H. van Andel om het begin van dit lid aldus te lezen: „In geval de beroepene reeds als dienaar des Woords in een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden dan nadat de classis...”.

Het voorstel van de commissie om hetgeen in lid 3 (oud lid 2) over de handoplegging wordt bepaald te laten staan en een schrijven van de kerkeraad te Hollandscheveld over deze zaak (O 23) in handen te stellen van de deputaten voor de herziening van de liturgische formulieren wordt aangenomen. Eveneens wordt aangenomen om aan het slot van lid 3 (oud lid 2) de woorden „alsook van de andere dienaren des Woords, die daarbij tegenwoordig mochten zijn” te laten vervallen.

Over het voorstel van de commissie, dat de vraag of het juist is, dat een dienaar des Woords bij zijn komen in een nieuwe gemeente opnieuw in het ambt bevestigd zal worden, zal worden voorgelegd aan de deputaten voor de herziening van de liturgische formulieren met de opdracht dat deze deputaten daarover op de volgende synode zullen rapporteren, staken de stemmen, zodat dit voorstel verworpen is.

Tenslotte komen bij artikel 12, lid 3 nog in behandeling een amendement van ds J. van Herksen om in plaats van „met de medewerking en het goedvinden van...” te lezen „ten overstaan van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van twee van dezen”, en een amendement van ds F.C. Zwaal om de woorden „althans van de meerderheid van dezen” te vervangen door „van welke de meerderheid dient aanwezig te zijn”. Deze beide amendementen worden verworpen. Vervolgens wordt artikel 12 in zijn geheel vastgesteld.

Bij de behandeling van artikel 13 wordt op voorstel van de deputaten en de commissie besloten in lid 1 de woorden „onder de niet-gekerstende volken” te laten vervallen en het woord „vooropleiding” te vervangen door „opleiding”. Over de vraag of in lid 2 het woord „daartoe” of het woord „hiervoor” zal worden ingevoegd, wordt geen beslissing genomen, doch dit wordt overgelaten aan de taalkundige controle, die aan het einde nog zal plaats hebben. De rapporteur van de deputaten pleit ervoor om in afwijking van wat de commissie voorstelt, lid 3 in artikel 13 te laten staan; aldus wordt door de synode besloten. Ten aanzien van lid 4 wordt het gemeenschappelijk voorstel van de deputaten en de commissie om dit te laten vervallen aanvaard. Ook artikel 13 wordt nu in zijn geheel door de synode goedgekeurd.

Nadat gebleken is, dat een amendement van ds J.H. Meuleman om in plaats van „die vervreemd zijn van het evangelie” te lezen „die daarvan vervreemd zijn”, niet gesteund wordt, wordt lid 1 van artikel 14 in de door de deputaten en de commissie voorgestelde redactie aangenomen. Ook lid 2 van dit artikel wordt goedgekeurd na invoeging van het woordje „het”.

De voorslag van de deputaten, waarmee de commissie het eens blijkt te zijn, om van artikel 14, lid 3 een afzonderlijk artikel te maken, wordt door de synode aanvaard. Tevens wordt besloten om dit artikel niet, zoals de deputaten willen, aan artikel 14 te laten voorafgaan, maar het op artikel 14 te laten volgen als artikel 14a.

Over artikel 15 wordt door de deputaten en de commissie hetzelfde voorstel gedaan, nl. om het in gewijzigde redactie in artikel 14 als lid 3 op te nemen. Ook hieraan hecht de synode haar goedkeuring.

Acta GKN (1957) Art. 324

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 10-15

Art. 324. De synode besluit in hoofdstuk II onder het hoofd: „II. De dienaren des Woords” de artikelen 10-15 als volgt vast te stellen:

 

II. De dienaren des Woords

Artikel 10

1. Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.
2. Zij die een zodanige opleiding ontvangen hebben, hetzij aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit, zullen zich, onder overlegging van de benodigde getuigschriften, aanmelden bij de classis, waartoe de kerk van hun woonplaats behoort, om na met goed gevolg praeparatoir geëxamineerd te zijn, door haar als proponenten beroepbaar gesteld te worden, een en ander overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten aanzien van degenen, die elders een theologische opleiding ontvangen hebben en zich voor hetzelfde doel bij een classis vervoegen, zal deze handelen overeenkomstig de daartoe door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Artikel 11

1. Van de regel, dat een deugdelijke theologische opleiding vereist is, kan alleen worden afgeweken, indien op overtuigende wijze blijkt, dat iemand in die mate de gaven bezit, welke voor een dienaar des Woords onmisbaar zijn. in het bijzonder de gaven van godsvrucht, ootmoed, wijsheid en geestelijk onderscheidingsvermogen, benevens het vermogen om op duidelijke en opbouwende wijze het evangelie te verkondigen, dat hij ondanks het gemis van genoemde opleiding geacht kan worden in staat te zijn de kerken met stichting te dienen.
2. De particuliere synode stelt, mede aan de hand van overgelegde getuigschriften van de kerkeraad van de kerk, waartoe de persoon, die zich heeft aangemeld, behoort, en van de classis, waaronder deze kerk ressorteert, een grondig onderzoek in, of hij de genoemde gaven bezit en spreekt daarna uit, of hij zich zal mogen onderwerpen aan het praeparatoir examen, een en ander met inachtneming van de daartoe door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Artikel 12

1. De beroeping van een dienaar des Woords geschiedt met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de beroepbaarheid van degenen, die andere dan de Gereformeerde Kerken in Nederland gediend hebben, alsmede van de bepaling inzake het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature; voorts in geheel vacante kerken niet zonder het raadplegen van de consulent.
2. In geval de beroepene reeds als dienaar des Woords in een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden, dan nadat de classis op grond van het overgelegde wettige getuigenis van zijn vertrek uit de kerk en de classis, in welke de beroepene tevoren gediend heeft, en van de overgelegde goede kerkelijke attestatie van zijn leer en leven, haar approbatie verleend heeft.
3. Ingeval de beroepene tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan heeft, zal de approbatie van de classis niet worden verleend dan na een met goed gevolg ingesteld onderzoek naar zijn leer en leven. Over de uitslag van dit peremptoir examen, dat afgenomen zal worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zal de classis beslissen met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van de meerderheid van dezen. De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt.

Artikel 13

1. Proponenten en dienaren des Woords, die beroepen worden voor het werk van de zending zullen zich, onder overlegging van een bewijs, dat zij de voor hen bestemde opleiding met goed gevolg hebben genoten, moeten onderwerpen aan een afzonderlijk onderzoek, dat voornamelijk betrekking heeft op de theorie van de zending naar gereformeerde beginselen, welk onderzoek bij proponenten ingesteld wordt terstond na het peremptoir examen.
2. Dit afzonderlijk onderzoek zal, overeenkomstig de hiervoor door de generale synode vastgestelde bepalingen, worden ingesteld door de classis, waartoe de beroepende kerk behoort, met de medewerking van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten. Bij dit onderzoek treden enige door de generale synode benoemde deputaten als examinatoren op.
3. Degenen die zich aan dit afzonderlijk onderzoek met goed gevolg onderworpen hebben en daarna in hun ambt bevestigd zijn, worden missionaire dienaren des Woord genoemd.

Artikel 14

1. De taak van de dienaar des Woords is de bediening van het Woord aan de gemeente en al naar de gelegenheid eveneens de verkondiging van het evangelie aan hen, die vervreemd zijn van het evangelie, aan de Joden en de niet-gekerstende volken; de bediening van de sacramenten; het uitspreken van de zegen; de leiding van alle overige ambtelijke werkzaamheden in de kerkdiensten als in het bijzonder het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, het doen van bekendmakingen inzake vermaan en tucht, het bevestigen van ambtsdragers, en het bevestigen van huwelijken; en het catechetisch onderricht.
2. Voorts is het zijn taak, tezamen met de ouderlingen, over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen alsook over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, toe te zien dat alles in de gemeente met goede orde toegaat, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen ook op andere wijze dan door de openbare verkondiging van het evangelie voor Christus te winnen.
3. Aan een dienaar des Woords kunnen door een kerkeraad in het bijzonder bepaalde werkzaamheden worden opgedragen, waarbij hij van zijn overige werkzaamheden wordt vrijgesteld.

Artikel 14a

Het zal geen dienaar des Woords vrijstaan binnen het ressort van enige kerk, zonder bewilliging van haar kerkeraad voor te gaan in een samenkomst, welke geacht moet worden in enigerlei vorm het karakter van een kerkdienst te dragen.

Acta GKN (1957) Art. 326

Herziening van de kerkorde art. 16-22

Art. 326. De praeses geeft in behandeling de artikelen 16-22 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

In overeenstemming met het gelijkluidend voorstel van de deputaten en de commissie besluit de synode in artikel 16, lid 1 een paar kleine wijzigingen te brengen en artikel 16, lid 2 te aanvaarden in een herziene redactie.

Ten aanzien van artikel 17 worden geen veranderingen voorgesteld. Het blijft dus in dezelfde vorm gehandhaafd.

De kleine wijzigingen, die de deputaten in artikel 18, lid 1 voorstellen, en waarmee de commissie accoord gaat, ontmoeten bij de synode geen bezwaar. Eveneens wordt het 2e lid van dit artikel goedgekeurd.

Bü de behandeling van artikel 19 stelt ds J.C. Hagen de vraag of hierin ook nog iets bepaald moet worden voor het geval, dat een dienaar des Woords, die in een ernstige tuchtwaardige zonde is gevallen, eigenmachtig zijn ambtswerk neerlegt. De synode is met de commissie van oordeel, dat in ieder geval in dit artikel een dergelijke bepaling niet moet worden opgenomen, doch wil gaarne ds Hagen in de gelegenheid stellen bij de behandeling van artikel 117 een daartoe strekkend amendement in te dienen (zie verder art. 365, 449 en 450).

Nadat ds J.H. Meuleman een door hem ingediend amendement heeft ingetrokken en uitgesproken is, dat de beoordeling van het woord „daartoe” bij de taalkundige revisie aan de orde kan komen, wordt artikel 19 in de door de commissie voorgestelde nieuwe reactie, waarbij ook de deputaten zich hebben aangesloten, aanvaard.

Een amendement van ds H.W.H. van Andel om aan het begin van artikel 20 te lezen: „Een dienaar des Woords, die met bewilliging van de kerkeraad en met goedkeuring van de classis ...” werd door de commissie overgenomen. Hoewel de deputaten tegen dit amendement enig bezwaar blijken te hebben, wordt het door de synode aangenomen, terwijl daarna artikel 20 in zijn geheel wordt vastgesteld.

Het voorstel van ds J.C. Hagen om aan artikel 21 een 2e lid toe te voegen, waarin een afzonderlijke bepaling gemaakt wordt voor de theologische hoogleraren, wordt niet gesteund. Daarna wordt dit artikel overeenkomstig het advies van de deputaten en de commissie ongewijzigd aanvaard.

Ds F.C. Zwaal stelt voor om in artikel 22, lid 1 inplaats van „zeventigjarige leeftijd” te lezen „vijfenzestigjarige leeftijd”. Dit voorstel wordt verworpen. Vervolgens wordt artikel 22, lid 1 met de door deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen aanvaard. De twee volgende leden van artikel 22 worden ongewijzigd vastgesteld.

Acta GKN (1957) Art. 327

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 16-22

Art. 327. De synode besluit de artikelen 16-22 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 16

1. Zolang een dienaar des Woords aan de gemeente, waarin hij beroepen is, verbonden is, zal zij in het onderhoud van hem en zijn gezin voorzien en zich van deze plicht niet ontslagen mogen rekenen, indien de dienaar des Woords, wegens ziekte of om een andere wettige reden, zijn werk tijdelijk niet kan verrichten.
2. Indien anderen dan de kerkeraad van de gemeente, waarin een dienaar des Woords beroepen is, mede de verantwoordelijkheid dragen voor de werkzaamheden, welke hem opgedragen zijn, kan met zijn bewilliging, geheel of gedeeltelijk op een andere dan de in lid 1 bedoelde wijze in het onderhoud van hem en zijn gezin worden voorzien.

Artikel 17

1. Indien een dienaar des Woords zijn gemeente niet langer met stichting kan dienen, terwijl er geen reden bestaat tot het oefenen van kerkelijke tucht, zal de kerkeraad hem van zijn dienst niet kunnen ontslaan zonder de goedkeuring van de classis, die daarbij met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten handelt.
2. Zolang hij niet door een andere kerk beroepen is, blijft de kerkeraad, die hem ontsloeg, binnen de door de generale synode bepaalde grenzen, verantwoordelijk voor de voorziening in het onderhoud van hem en zijn gezin.

Artikel 18

1. Indien de kerkeraad en de classis, met de medewerking en het goedvinden van deputaten van de particuliere synode, oordelen, dat een dienaar des Woords, zonder dat er goede grond is voor het verlenen van emeritaat of voor het oefenen van kerkelijke tucht, de bekwaamheid mist om enige gemeente met stichting te dienen, zal een volledig ontslag uit de dienst in de kerken slechts kunnen volgen, wanneer de particuliere synode met een meerderheid van tenminste twee derde der uitgebracht stemmen dat oordeel bevestigd en, in geval van appèl, de generale synode deze beslissing bekrachtigd heeft.
2. Ten behoeve van het onderhoud van de ontslagene en zijn gezin zal ook hangende het appèl, de kerkeraad hem een uitkering doen overeenkomstig een regeling, die bij de in lid 1 bedoelde beslissing wordt vastgesteld.

Artikel 19

Het zal aan een dienaar des Woords niet vrijstaan zijn ambt neer te leggen. Hij kan slechts van zijn ambt ontheven worden, om zich tot een andere staat des levens te begeven, indien de kerkeraad, en de classis, met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, oordelen dat daarvoor bijzondere en gewichtige redenen aanwezig zijn.

Artikel 20

Een dienaar des Woords, die, met bewilliging van de kerkeraad en met goedkeuring van de classis en met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten, een arbeid aanvaardt, die weliswaar een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar waardoor hij zijn taak in de gemeente niet langer kan verrichten, zal toch de eer en de naam van een dienaar behouden en ten aanzien van zijn ambtelijke positie aan de kerk, welke hij het laatst diende, verbonden blijven.

Artikel 21

Een dienaar des Woords, die door de generale synode of in overeenstemming met door haar goedgekeurde bepalingen geroepen wordt tot een zodanige arbeid in opdracht van of ten behoeve van de gezamenlijke kerken, die weliswaar een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar waardoor hij zijn taak in de gemeente niet langer kan verrichten, zal geacht worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken en als zodanig de eer en de naam van een dienaar behouden.

Artikel 22

1. Indien een dienaar des Woords tenminste veertig jaar zijn ambt vervuld heeft dan wel de zeventigjarige leeftijd bereikt heeft, of door ziekte of invaliditeit niet langer in staat is zijn taak te verrichten, en hij of zijn kerkeraad een aanvrage bij de classis indient zal hij, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, door de classis met de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten emeritus verklaard worden en als zodanig de eer en de naam van een dienaar behouden.
2. De kerk waaraan hij verbonden is, zal, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, in zijn onderhoud blijven voorzien en na zijn overlijden ook in het onderhoud van de door hem nagelaten weduwe en wezen.
3. Het in lid 2 bepaalde geldt eveneens voor het onderhoud van de weduwe en wezen van een dienaar des Woords, die vóór het verkrijgen van zijn emeritaat is overleden.

Acta GKN (1957) Art. 328

Herziening van de kerkorde art. 23-29

Art. 328. Thans komen in bespreking de artikelen 23-29 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Ds F.C. Zwaal stelt voor in artikel 23, lid 2 in plaats van „dat gelijk is aan het aantal” te lezen „namelijk één uit elk”. Dit amendement wordt aangenomen, terwijl tevens besloten wordt overal waar de genoemde clausule voorkomt haar in dezelfde zin te wijzigen. Overigens laat de synode artikel 23 in overeenstemming met de voorstellen van de deputaten en de commissie onveranderd. Ook artikel 24 wordt vastgesteld in de bestaande redactie. Aangezien geen voorstel ter tafel is om artikel 25 te handhaven, keurt de synode goed, daarbij het gemeenschappelijk voorstel van de deputaten en de commissie aanvaardend, dit artikel te laten vervallen.

Van artikel 26 wordt lid 1 ongewijzigd gelaten, terwijl de nieuwe formulering, die de deputaten hebben gegeven voor lid 2, op advies der commissie door de synode wordt aangenomen.

In artikel 27 stellen de deputaten en de commissie, zowel in lid 1 als in lid 2 enkele wijzigingen voor, terwijl zij lid 3 willen laten vervallen. Al deze voorstellen worden door de synode aanvaard.

De in artikel 28 door de deputaten voorgestelde wijzigingen, welke door de commissie zijn overgenomen, keurt de synode goed. Zij verwerpt echter een voorstel van ouderling T. Spaan om aan dit artikel een 2e lid toe te voegen, waarin over ouderlingen met bijzondere opdracht gesproken wordt.

De behandeling van artikel 29 wordt uitgesteld, totdat de diakenen zullen tegenwoordig zijn (zie verder acta, art. 419 en 420).

Acta GKN (1957) Art. 329

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 23-29

Art. 329. De synode besluit de artikelen 23-29 (met uitzondering van artikel 29) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 23

1. Voor de opleiding tot de dienst des Woords onderhouden de gezamenlijke kerken een Theologische Hogeschool.
2. Voor de verzorging van deze Hogeschool benoemt de generale synode een aantal deputaten, namelijk één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, en wel op voordracht van deze synoden. Zij worden curatoren genoemd.
3. Alles wat betrekking heeft op de inrichting en leiding van deze Hogeschool, wordt geregeld in een afzonderlijk reglement en in verdere bepalingen, welke door de generale synode zijn vastgesteld.

Artikel 24

Het verband met de theologische faculteit van de Vrije Universiteit wordt door deputaten van de generale synode onderhouden volgens de overeenkomst, aangegaan met de Directeuren van de Vereniging voor Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag, in welke overeenkomst de wederzijdse rechten en verplichtingen omschreven zijn.

Artikel 26

1. Ter verkrijging van dienaren des Woords zullen de kerken, voor zoveel nodig, aan daarvoor in aanmerking komende studenten financiële steun verlenen.
2. De nadere regeling van deze zaak is aan de particuliere synoden toevertrouwd. Elke synode zal te dien einde enige ambtsdragers, en wel uit elk van de in haar bijeenkomende classes één, aanwijzen als haar deputaten.

 

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 27

1. De ouderlingen en de diakenen zullen gedurende een door de kerkeraad vast te stellen periode zitting hebben. Deze periode kan door de kerkeraad, indien hij daarvoor dringende redenen aanwezig acht, onder mededeling daarvan aan de gemeente, voor éénmaal met één jaar worden verlengd.
2. In de regel zal ieder jaar een deel van hen aftreden. De aftredenden zullen niet terstond herkiesbaar zijn, tenzij naar het oordeel van de kerkeraad het welzijn van de gemeente en de omstandigheden het raadzaam maken een of meer hunner opnieuw aan de gemeente ter verkiezing voor te stellen.

Artikel 28

De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen alsook over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, toe te zien dat alles in de gemeente met goede orde toegaat, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens ook te trachten anderen voor Christus te winnen.

Acta GKN (1957) Art. 330

Herziening van de kerkorde art. 30 en besluit daarover

Art. 330. In behandeling komt nu artikel 30 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Een amendement van ds H.W.H. van Andel om in lid 1 en lid 3 „bijwonen” te veranderen in „deelnemen” wordt niet aangenomen.

Vervolgens worden de leden 1, 2 en 3 van dit artikel ongewijzigd en lid 4 met de daarin door de deputaten en de commissie voorgestelde wijziging aanvaard.

Het door de synode vastgestelde artikel 30 van de herziene kerkorde luidt aldus:

 

V. De ondertekening van de belijdenis

Artikel 30

1. De ouderlingen en de diakenen zullen, in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, ten bewijze van hun volledige instemming met de belijdenis van de kerken, de Drie Formulieren van Enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen.
2. Degenen, die met goed gevolg het praeparatoir examen hebben afgelegd, zullen in de bijeenkomst van de classis, welke dat examen afgenomen heeft, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.
3. De dienaren des Woords zullen van diezelfde instemming blijk geven niet alleen door in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, de Formulieren van Enigheid te ondertekenen, maar bovendien door in de eerste bijeenkomst van de desbetreffende classis een afzonderlijk formulier te ondertekenen, dat door de generale synode is vastgesteld. Degenen, die tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan hebben, zullen dit doen in de bijeenkomst, waarin zij het peremptoir examen met goed gevolg afgelegd hebben.
4. De hoogleraren in de theologie en de overige in artikel 21 bedoelde dienaren des Woords zullen, bij de aanvaarding van hun taak, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Acta GKN (1957) Art. 331

Herziening van de kerkorde art. 38-40

Art. 331. Op voorstel van de praeses wordt besloten de in hoofdstuk III onder het opschrift ,,I. Algemene bepalingen” voorkomende artikelen 31-37 op dit ogenblik over te slaan en op een later tijdstip te behandelen (zie acta, art. 334 en 335).

Nadat ds M. Kamper als rapporteur van commissie II door ds A.C. van Nood vervangen is, worden de artikelen 38-40 aan de orde gesteld (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Ds J.C. Hagen stelt voor in artikel 38, lid 2 ook te bepalen hoe groot in het genoemde geval minstens het aantal diakenen zal zijn. De rapporteur der commissie oordeelt, dat dit voorstel pas bij artikel 39 aan de orde behoort te komen. Ds Hagen handhaaft evenwel zijn amendement, dat daarna door de synode verworpen wordt. Vervolgens wordt, artikel 38, lid 1 en 2 in overeenstemming met het advies van de deputaten en de commissie ongewijzigd aanvaard.

Bij het aan de orde komen van artikel 39 merkt ouderling B. Geleynse op, dat bij de behandeling van dit artikel de diakenen behoren tegenwoordig te zijn. De vergadering blijkt het hiermee echter niet eens te zijn, zodat de bespreking wordt voortgezet.

Met het voorstel van de deputaten en de commissie om in lid 1 van artikel 39 het woord „algemene” te laten vervallen alsmede met een kleine wijziging, die in ditzelfde lid door de commissie wordt voorgesteld in verband met een amendement, ingediend door ds J.H. Meuleman, gaat de synode accoord. Ook de in lid 2 voorgestelde wijziging wordt aanvaard. Bij lid 3 geeft de commissie in overweging om achter het woord „diakenen” in te voegen de woorden „indien hun getal meer dan twee bedraagt”. Nog eenvoudiger blijkt echter te zijn het advies van de rapporteur van de deputaten om in lid 3 het woord „zullen” door „kunnen” te vervangen. Het laatste wordt dan ook door de synode besloten. Verder wordt besloten op voorstel van de commissie om in lid 3 de laatste zin te laten vervallen. Tenslotte wordt ook lid 4 goedgekeurd in de door de commissie voorgestelde redactie.

Het door de deputaten voorgestelde nieuwe artikel 39a wordt thans overgeslagen; de behandeling ervan wordt uitgesteld totdat het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, inzake de grotestadskerken aan de orde zal komen (zie art. 470 slot).

Een korte discussie volgt nog over artikel 40. Aangezien er over het al of niet invoegen van de woorden „in de regel” enig verschil blijkt te bestaan tussen de deputaten en de commissie, wordt besloten een nader advies van de commissie en de deputaten hierover te vragen en af te wachten (zie art. 336 slot en art. 337).

Acta GKN (1957) Art. 332

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 38-40

Art. 332. De synode besluit de artikelen 38-40 (met uitzondering van artikel 39a en 40) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

II. De kerkeraad

Artikel 38

1. In alle kerken zal een kerkeraad zijn, die gevormd wordt door de ambtsdragers der gemeente.
2. Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, staat het vrij onderscheid te maken tussen de brede kerkeraad, waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkeraad, van welke de diakenen geen deel uitmaken.

Artikel 39

1. De kerkeraad heeft de leiding der gemeente, in het bijzonder ook het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen.
2. Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen de brede en de smalle kerkeraad, zal het opzicht over en de tucht in de gemeente aan de smalle kerkeraad blijven.
3. In het in lid 2 bedoelde geval kunnen de diakenen onder leiding van één van hen afzonderlijk bijeenkomen om de zaken, die tot hun taak behoren, te behandelen.
4. De diakenen doen verantwoording van hun beleid en beheer aan de kerkeraad.

 

Hierop schorst de praeses de vergadering, nadat de assessor in dankgebed is voorgegaan.

Acta GKN (1957) 580417

Zitting van donderdag 17 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 334

Herziening van de kerkorde art. 31-37

Art. 334. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteurs ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries, over de herziening van de kerkorde (E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38, 41-43) (bijlage LXXVIII a, b en c) wordt voortgezet.

Thans komen in behandeling de artikelen 31-37 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Ds J. van Herksen ontvangt gelegenheid zijn reeds bij de commissie ingediend amendement op artikel 31, (zie commissierapport; bijlage LXXVIII b, onder art. 31) nader toe te lichten. Zowel de rapporteur van de deputaten als de rapporteur van de commissie wijzen erop, dat het onderhavige artikel een algemene strekking heeft en moet worden gelezen in verband met de volgende artikelen, waarin de bevoegdheden van de kerkeraad en de meerdere vergaderingen zodanig omschreven zijn, dat aan de wens van ds Van Herksen volledig voldaan is. Het amendement-Van Herksen wordt daarna verworpen. In overeenstemming met een amendement van ds J.H. Meuleman adviseert dr D. Nauta het begin van lid 1 van artikel 31 aldus te lezen: „De regering van de kerk, het opzicht en de tucht in de kerk zijn toevertrouwd aan ...” Dit advies wordt door de synode aanvaard. Overigens wordt artikel 31 onveranderd vastgesteld.

Het door ouderling J.B. Zwartsenberg bij artikel 32 ingediende amendement wordt ingetrokken. Ds J.C. Hagen stelt voor in lid 1 van dit artikel te lezen: „.... hebben een kerkelijk gezag, dat zij uitoefenen in onderworpenheid aan Christus”. Dr D. Nauta wijst erop, dat het in dit artikel niet gaat over de uitoefening van het gezag, maar over de instantie, waaraan het gezag ontleend wordt. Na een vrij uitvoerige discussie wordt het amendement-Hagen verworpen. Een reeds in het commissierapport (zie bijlage LXXVIII b onder art. 32) besproken amendement van ds J. van Herksen wordt ingetrokken. Daarna wordt artikel 32 onveranderd vastgesteld.

Nadat de voorgestelde wijziging van artikel 33, waarover de deputaten en de commissie het eens zijn, door de synode is goedgekeurd, wordt ook dit artikel aanvaard.

Eveneens gaat de synode accoord met de veranderingen, die de deputaten en de commissie willen aangebracht zien in lid 1 en 2 van artikel 34. Besloten wordt de tweede volzin van lid 2 te schrappen en het daarin bepaalde op te nemen in artikel 64 (zie art. 344 en 345).

Van artikel 35 wordt lid 1 met de kleine door de commissie voorgestelde wijziging aangenomen. T.a.v. lid 2 blijkt er verschil te zijn tussen de deputaten en de commissie; de deputaten willen de slotzin, aanvangende met het woordje „mits” handhaven eventueel met invoeging van het woord „overigens”, de commissie daarentegen stelt een andere redactie voor. Ook ds J. van Herksen wil deze slotzin anders geredigeerd zien en verdedigt zijn desbetreffend reeds bij de commissie ingezonden amendement. Na een vrij uitvoerige discussie, waarin verschillende formuleringen naar voren komen besluit de synode het slot van lid 2 van artikel 35 ter fine van nader advies opnieuw in handen te geven van de commissie (zie acta, art. 445). Overigens wordt dit lid goedgekeurd. De leden 3, 4 en 5 van artikel 35 worden onveranderd vastgesteld.

De commissie blijkt accoord te gaan met lid 1 van een door de deputaten voorgesteld nieuw artikel 35a, waarin over het vragen van revisie wordt gehandeld; zij wil echter aan lid 2 van dit artikel, daarbij gedeeltelijk overnemend een amendement van ds J. van Herksen, toegevoegd zien de woorden „of onvoldoende was overwogen”. Naar aanleiding hiervan trekt ds Van Herksen het genoemde amendement in, terwijl ook een ander amendement, dat hij eveneens bij dit artikel heeft ingediend (zie bijlage LXXVIII, b, onder art. 35a) door hem wordt teruggenomen. De beide leden van artikel 35a worden nu in de redactie, waarover de deputaten en de commissie het eens zijn, door de synode aangenomen.

Nadat op voorstel van de commissie in artikel 36 het woord „tegenover” door „jegens” is vervangen, keurt de synode ook dit artikel goed.

De nieuw formulering, die de commissie voor artikel 37 gegeven heeft ontmoet in zoverre bij de deputaten geen bezwaar, dat zij de verdeling in drie leden kunnen aanvaarden; dr D. Nauta adviseert echter in lid 2 te lezen: „Zij zal in elke bijeenkomst aan haar leden de gelegenheid geven...” en in lid 3: ,,Zij maakt een regeling voor haar werkzaamheden, waarin onder meer...” Deze redactiewijzigingen worden door de commissie overgenomen. Ds A. Mout is van mening dat de bepaling in lid 2 inzake censura morum te algemeen gesteld is en acht het van belang, dat in de kerkorde het geregeld houden van de censura morum in verband met de a.s. viering van het heilig avondmaal zal worden voorgeschreven. Zowel door de deputaten als door de commissie wordt deze gedachte bestreden; op voorstel van de praeses wordt echter aan ds Mout de gelegenheid gegeven ter zake nog een amendement in te dienen (zie verder art. 449 en 473). Afgezien van wat de vergadering over een eventueel amendement-Mout beslissen zal, wordt daarna artikel 37 in de thans gemeenschappelijk door de deputaten en de commissie voorgestelde redactie aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 335

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 31-37

Art. 335. De synode besluit de artikelen 31-37 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Hoofdstuk III

DE VERGADERINGEN VAN DE KERK

I. Algemene bepalingen

Artikel 31

1. De regering van de kerk, het opzicht en de tucht in de kerk zijn toevertrouwd aan haar vergaderingen.
2. Er zijn vier gewone vergaderingen: de kerkeraad, de classis, de particuliere synode en de generale synode. Van de kerkeraad worden de drie andere vergaderingen onderscheiden als meerdere vergaderingen.
3. Van deze gewone vergaderingen wordt onderscheiden de oecumenische synode, die een buitengewoon karakter draagt en waarop uitsluitend het in artikel 69 bepaalde van toepassing is.

Artikel 32

1. Deze vergaderingen hebben, elk naar eigen aard, een kerkelijk gezag, haar door Christus verleend.
2. Hetzelfde gezag, dat de classis heeft over de kerkeraad, heeft de particuliere synode over de classis en de generale synode over de particuliere.

Artikel 33

1. Deze vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandelen.
2. De behandeling van deze zaken zal steeds geschieden in overeenstemming met het kerkelijk karakter van deze vergaderingen.

Artikel 34

1. Door een meerdere vergadering zullen behalve de zaken, die de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaan, slechts zaken behandeld worden, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden en daarom door deze in de vorm van een vraag, van een instructie, van een bezwaarschrift of op andere wijze aan de orde worden gesteld, alsook zaken, ten aanzien waarvan een lid ener kerk of een vergadering bij haar in appèl is gekomen.
2. Zaken, welke tot de taak van een meerdere vergadering behoren, kunnen, behalve op grond van voorstellen van mindere vergaderingen, ook door de desbetreffende meerdere vergadering zelf aan de orde worden gesteld.

Artikel 35

1. De besluiten van de vergaderingen zullen steeds na gemeenschappelijk overleg en zoveel mogelijk met eenparige stemmen worden genomen. Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan zal de vergadering zich voegen naar het gevoelen van de meerderheid. De besluiten van de vergaderingen dragen een bindend karakter.
2. Degenen, die enige uitspraak of handeling van een vergadering in strijd achten met de bepalingen van de kerkorde, of op andere wijze door zulk een uitspraak of handeling het welzijn der kerk geschaad achten, of menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, kunnen in appèl gaan bij de naastvolgende meerdere vergadering. Indien zij zulk een uitspraak of handeling in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord, zijn zij gehouden in appèl te gaan; in welk geval de vergadering, hangende dit appèl, hen niet zal verplichten tot het verrichten van of tot het medewerken aan enige handeling, die naar hun gevoelen zou ingaan tegen de bedoelde duidelijke uitspraken van Gods Woord, met dien verstande, dat ze zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de desbetreffende vergadering gegeven aanwijzingen.
3. Ten aanzien van grensgeschillen tussen kerken reikt, voorzover niet meer dan één particuliere synode erbij betrokken is, het recht van appèl niet verder dan tot de particuliere synode.
4. Degenen, die bij een meerdere vergadering in appèl gaan, zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat appèl in acht te nemen.
5. Een vergadering kan, in geval van appèl, de uitvoering van een door haar genomen besluit opschorten.

Artikel 35a

1. Onverminderd het recht van appèl bestaat de mogelijkheid bij enige vergadering een verzoek tot revisie van een door haar gedane uitspraak in te dienen.
2. Geen vergadering is verplicht aan een verzoek tot revisie gevolg te geven, indien niet een element in geding wordt gebracht, dat bij het doen van de uitspraak, waarvan revisie wordt verlangd, buiten beschouwing was gebleven of onvoldoende was overwogen.

Artikel 36

Indien iemand zich bezwaard gevoelt over een besluit of uitspraak van de generale synode, als naar zijn oordeel in strijd met Gods Woord, zullen de vergaderingen jegens hem zoveel mogelijk tolerantie gebruiken, tenzij zijn wijze van optreden een bedreiging zou inhouden voor de goede werking van de kerkelijke gemeenschap ter plaatse of in het kerkverband.

Artikel 37

1. Elke vergadering zal haar bijeenkomsten met aanroeping van de naam Gods beginnen en beëindigen.
2. Zij zal in elke bijeenkomst aan haar leden de gelegenheid geven zo nodig elkander onderling te vermanen, in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambten.
3. Zij maakt een regeling voor haar werkzaamheden, waarin onder meer voorzieningen worden getroffen voor de archieven en het toezicht op en de controle van alle financiële handelingen, door of namens haar uitgevoerd.

Acta GKN (1957) Art. 336

Herziening van de kerkorde art. 41-45

Art. 336. Aangezien op de vorige dag reeds de artikelen 38-40 behandeld zijn (zie acta, art. 331 en 332) geeft de praeses nu in behandeling de artikelen 41-45 van de voorlopige vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII, a, b en c).

Ds F.C. Zwaal stelt voor in lid 1 van artikel 41 vóór „tenminste” de woorden „in de regel” in te voegen. Dit voorstel wordt aangenomen, waarna ook overigens lid 1 wordt goedgekeurd. Het amendement van ds J.H. Meuleman om in verband met het bepaalde in artikel 37, lid 3 de redactie van het 2e lid van artikel 41 te wijzigen werd door de commissie overgenomen en door de synode aanvaard (zie verder nog art. 473).

De behandeling van artikel 42 wordt uitgesteld totdat het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, inzake de grotestadskerken aan de orde zal komen (zie daarvoor art. 458, 469, 470, 471 en 473).

Met de door de deputaten in artikel 43 voorgestelde wijzigingen, ook wat de volgorde der leden betreft, waarmee de commissie accoord ging, blijkt de synode zich te kunnen verenigen. Aangezien tegen de door de commissie voorgestelde invoeging in lid 1 van de woorden „op verzoek van de raad dier kerk” bij de deputaten enig bezwaar blijkt te bestaan, stelt de commissie thans voor lid 1 van artikel 43 aldus te lezen: „Wanneer een kerk geen dienaar des Woords heeft, zal de raad dier kerk aan de classis verzoeken volgens de door haar vastgestelde regeling ...” De synode aanvaardt deze nieuwe redactie en keurt daarna artikel 43 in zijn geheel met de aangebrachte wijzigingen goed.

Over artikel 44 blijkt tussen de deputaten en de commissie geen verschil te bestaan. Het wordt met de omzetting van een paar woorden in het 2e lid door de synode aangenomen.

Lid 1 van artikel 45 wordt onveranderd vastgesteld. Tegen het toevoegen van een 2e lid, dat door de commissie wordt voorgesteld, blijken de deputaten geen bezwaar te hebben; wel echter geven deze laatsten aan een eenvoudiger formulering de voorkeur. Er volgt een brede discussie waarin o.m. het bezwaar naar voren wordt gebracht, dat over de thans voorgestelde aanvulling de kerkelijke vergaderingen, waaraan de voorlopig vastgestelde kerkorde werd voorgelegd, haar oordeel niet hebben kunnen uitspreken. Dr H.N. Ridderbos adviseert in plaats van „of haar plaats in het kerkverband in geding is” te lezen „tengevolge waarvan de kerk haar plaats in het kerkverband zou verliezen”. Nadat vervolgens de rapporteur der commissie nog getracht heeft door het aanbrengen van enkele wijzigingen aan sommiger wensen tegemoet te komen, oordeelt de synode het beter, dat eerst dit artikel door de commissie nog nader zal worden bezien en dat de beslissing erover tot een later tijdstip wordt uitgesteld (zie verder art. 445 en 473).

T.a.v. artikel 40 deelt de commissie nog mee, dat het overleg met de deputaten ertoe geleid heeft, dat thans gemeenschappelijk wordt voorgesteld in het 1e lid de woorden „in de regel” in te voegen. De synode hecht hieraan haar goedkeuring, terwijl ze ook de overige in artikel 40 voorgestelde wijzigingen aanvaardt.

Acta GKN (1957) Art. 337

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 40-45

Art. 337. De synode besluit de artikelen 40-45 (met uitzondering van art. 42 en 45) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 40

1. Het praesidum van de kerkeraad berust bij de dienaar des Woords of indien er in een kerk meer dienaren zijn, in de regel beurtelings bij ieder van hen.
2. In geval een kerk geen dienaar des Woords heeft, berust het praesidium bij een van de ouderlingen, daartoe door de kerkeraad aangewezen.

Artikel 41

1. De kerkeraad zal in de regel tenminste éénmaal per maand samenkomen.
2. Hij bepaalt in zijn regeling van werkzaamheden de wijze van samenroeping van een buitengewone bijeenkomst.
(Zie voor een nadere wijziging van dit artikel art. 474.)

Artikel 43

1. Wanneer een kerk geen dienaar des Woords heeft, zal de raad dier kerk aan de classis verzoeken volgens de door haar vastgestelde regeling een dienaar des Woords uit een der naburige kerken als consulent aan te wijzen om voorzover nodig aan de kerkeraad leiding en raad te verschaffen.
2. De kerkeraad zal in belangrijke aangelegenheden, met name in wat betrekking heeft op de beroeping van een dienaar des Woords, de consulent raadplegen.
3. De consulent woont, indien hij daartoe is uitgenodigd, de bijeenkomsten van de kerkeraad bij; aan hem kan dan het praesidium van de bijeenkomst worden opgedragen.
4. De consulent is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Artikel 44

1. Wanneer in een plaats een kerkeraad moet worden ingesteld, zal dit niet gebeuren dan met de medewerking en het goedvinden van de classis.
2. Een zodanige kerkeraad zal uit tenminste drie leden bestaan.

Acta GKN (1957) Art. 338

Herziening van de kerkorde art. 46-50

Art. 338. De praeses geeft nu in behandeling de artikelen 46-50 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Artikel 46 wordt door de synode aanvaard in de nieuwe door de deputaten voorgestelde lezing, waarmee ook de commissie zich accoord heeft verklaard.

De behandeling van artikel 47 wordt uitgesteld, totdat de diakenen aanwezig zullen zijn (zie art. 425).

Over artikel 48 is overeenstemming tussen de deputaten en de commissie. De synode neemt de voorgestelde wijzigingen aan en besluit tevens in verband met een opmerking van ds J.C. Hagen, waarvan de commissie een voorstel heeft gemaakt, vóór „met advies” de woorden „zo nodig” nog in te voegen.

Afgezien van een kleine verandering wordt artikel 49 op voorstel van de deputaten en de commissie onveranderd vastgesteld.

In verband met de door de commissie voorgestelde drie-deling van artikel 50, ontstaat enige discussie over het 2e lid van dit artikel. De deputaten blijken tegen dit 2e lid bezwaar te hebben en wel voornamelijk tegen de woorden: „met dien verstande, dat niet dezelfde persoon in twee opeenvolgende vergaderingen als praeses zal optreden”. Om aan dit bezwaar tegemoet te komen, is de commissie bereid tot invoeging van de woorden „zo mogelijk”. De synode echter besluit de zoeven genoemde woorden uit lid 2 te laten vervallen. Overigens wordt lid 2, evenals de leden 1 en 3 goedgekeurd.

Acta GKN (1957) Art. 339

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 46-50

Art. 339. De synode besluit de artikelen 46-50 (met uitzondering van artikel 47) als volgt vast te stellen:

 

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 46

1. Elke meerdere vergadering bestaat uit ambtsdragers, die afgevaardigd zijn door de in haar bijeenkomende mindere vergaderingen.
2. De mindere vergaderingen dragen zorg, dat haar afgevaardigden in het bezit zijn van deugdelijke en behoorlijk getekende credentiebrieven, op vertoon waarvan zij stemrecht hebben, met dien verstande evenwel dat dit recht hun niet toekomt in die zaken, welke hen persoonlijk of de vergaderingen, door welke zij afgevaardigd zijn, in het bijzonder aangaan.

Artikel 48

1. Elke meerdere vergadering wordt bijeengeroepen door de kerkeraad van die kerk welke daartoe op de laatstgehouden bijeenkomst van die meerdere vergadering aangewezen is.
2. Op de kerkeraad van deze roepende kerk rust, zo nodig met advies van de classis, indien de particuliere, en zo nodig met advies van de particuliere synode, indien de generale synode moet worden bijeengeroepen, de zorg voor de voorbereiding van de desbetreffende bijeenkomst.

Artikel 49

1. Van de zaken, die de verschillende vergaderingen in behandeling genomen wensen te zien, wordt door haar, voorzover althans de aard ervan dit toelaat, tijdig mededeling gedaan aan de roepende kerk.
2. De roepende kerk stelt uit de in lid 1 bedoelde gegevens, uit opgaven van deputaten en uit andere bij haar ingekomen stukken een voorlopig agendum samen.
3. Het definitief agendum wordt vastgesteld door de meerdere vergadering zelf, mede aan de hand van instructies, vragen en mededelingen, die aan de afgevaardigden naar die vergadering zijn medegegeven.

Artikel 50

1. De meerdere vergaderingen zullen, naast de praeses en de scriba, nog één of meer leden aanwijzen om met hen het moderamen te vormen.
2. De leden van het moderamen van de particuliere en generale synode zullen door vrije verkiezing worden aangewezen.
3. De leden van het moderamen van de classis zullen naar de huishoudelijke regeling worden aangewezen, met dien verstande, dat beurtelings alle dienaren des Woords als praeses zullen optreden.

Acta GKN (1957) Art. 340

Herziening van de kerkorde art. 51-54

Art. 340. Thans worden aan de orde gesteld de artikelen 51-54 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

De kleine wijzigingen, die de deputaten in alle drie de leden van artikel 51 voorstellen, en die door de commissie zijn overgenomen, worden ook door de synode aanvaard.

Lid 1 van artikel 52 wordt onveranderd vastgesteld. Ouderling T. Spaan stelt voor in plaats van hetgeen door de commissie is voorgesteld, lid 2 aldus te lezen: „Ook ambtsdragers, die niet afgevaardigd zijn, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden, hetzij voor alle, hetzij voor bepaalde zaken van haar agendum.” Dr D. Nauta heeft tegen dit amendement geen bezwaar, doch adviseert het laatste gedeelte ervan vanaf het eerste woord „hetzij” te laten vervallen. De rapporteur van de commissie wil op andere wijze aan de wens van ouderling Spaan tegemoet komen door aan lid 2 toe te voegen: „in de huishoudelijke regeling kan datzelfde bepaald worden ten aanzien van de andere ambtsdragers”. Besloten wordt het amendement-Spaan met weglating van het laatste gedeelte daarvan te aanvaarden. Daarmee is het voorstel van de commissie (met de daarbij gegeven toevoeging) verworpen.

Bij de behandeling van artikel 53 komt nog even ter sprake hetgeen ds J.C. Hagen heeft opgemerkt t.a.v. het samenroepen van buitengewone vergaderingen. De synode is echter van oordeel dat deze aangelegenheid in de huishoudelijke regeling van de classis kan worden geregeld. Overigens wordt artikel 53 met de kleine door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen aangenomen.

De verandering, die de commissie in lid 1 van artikel 54 voorstelt door een gedeelte van de zin te schrappen en een nieuwe zin toe te voegen wordt, nadat gebleken is, dat de deputaten hiertegen geen bezwaar hebben, door de synode goedgekeurd. Lid 2 van dit artikel wordt onveranderd vastgesteld, terwijl ook lid 3, met invoeging van het woord „schriftelijk”, wordt aangenomen.

Acta GKN (1957) Art. 341

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 51-54

Art. 341. De synode besluit de artikelen 51-54 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

b. De classis

Artikel 51

1. Het ressort van een classis wordt gevormd door tenminste zes in elkanders nabijheid gelegen kerken.
2. Indien het aantal kerken meer dan twintig bedraagt, zal, en indien het meer dan twaalf bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een classis worden overgegaan.
3. Splitsing van het ressort van een classis en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder de medewerking en het goedvinden van de particuliere synode.

Artikel 52

1. Naar de classis vaardigt de kerkeraad van elke kerk een dienaar des Woords en een ouderling af, of indien de kerk vacant is, twee ouderlingen alsook in het in artikel 47, lid 1, bedoelde geval een diaken.
2. Ook ambtsdragers, die niet afgevaardigd zijn, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden.

Artikel 53

1. De classis komt tenminste eens in de drie maanden bijeen ter behandeling van de voorkomende zaken.
2. Met name behoort het tot haar werkzaamheden toe te zien, dat de kerken haar roeping en taak nakomen, zoals die in de kerkorde staat omschreven, advies en hulp te bieden aan de kerkeraden, in het bijzonder deze bij gebleken behoefte in staat te stellen een dienaar des Woords te beroepen, en de grenzen tussen de kerken van haar ressort vast te stellen.
3. De taak van het afgeven en het in ontvangst nemen van het getuigenis van vertrek alsmede van het verlenen van approbatie kan de classis, voor de periode tussen haar gewone bijeenkomsten, toevertrouwen aan twee of meer kerken. Deze kerken zullen van de voor dat doel te houden bijeenkomst kennis geven aan de overige kerken, in geval van ingebrachte wettige bezwaren geen beslissing nemen en voorts van haar handelingen op de eerstvolgende bijeenkomst der classis verantwoording afleggen.

Artikel 54

1. De classis zal ieder jaar in een van haar bijeenkomsten tenminste twee van de meest ervaren en geschikte dienaren des Woords aanwijzen, om in alle kerken visitatie te verrichten. De classis kan naast deze dienaren des Woords een voor die taak bekwame ouderling aanwijzen.
2. De visitatoren zullen onderzoeken, of de ambtsdragers zowel persoonlijk als gezamenlijk hun taak getrouw vervullen, zich houden aan de zuivere leer, de bepalingen van de kerkorde en de overige besluiten der meerdere vergaderingen onderhouden en naar vermogen het hunne doen om met woorden en werken de opbouw en de uitbreiding der gemeente te bevorderen. Voorts zullen zij nalatigen broederlijk vermanen, en allen met raad en daad bijstaan.
3. De visitatoren zullen van hun bevindingen schriftelijk rapport uitbrengen aan de classis.

Acta GKN (1957) Art. 342

Herziening van de kerkorde art. 55-59

Art. 342. De artikelen 55-59 van de voorlopig vastgestelde kerkorde komen nu in bespreking (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Op voorstel van de commissie besluit de synode in lid 1 van artikel 55 de laatste woorden (vanaf „welker ressorten”) te laten vervallen. De door de deputaten voorgestelde wijzigingen in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel worden aanvaard. Tenslotte wordt nog besloten in lid 2 „zeven” te veranderen in „zes”. Aldus gewijzigd wordt heel dit artikel goedgekeurd.

De artikelen 56 en 57 worden onveranderd vastgesteld.

Artikel 58 wordt in de enigszins gewijzigde redactie, die door de deputaten en de commissie is geadviseerd, aangenomen.

Ook over artikel 59 is er tussen de deputaten en de commissie overeenstemming. De synode aanvaardt het met de kleine wijziging, die erin is aangebracht.

Acta GKN (1957) Art. 343

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 55-59

Art. 343. De synode besluit de artikelen 55-59 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

c. De particuliere synode

Artikel 55

1. Het ressort van een particuliere synode wordt gevormd door de kerken van tenminste drie in elkanders nabijheid gelegen classes.
2. Indien het aantal classicale ressorten meer dan zes bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een particuliere synode worden overgegaan.
3. Splitsing van het ressort van een particuliere synode en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder de medewerking en het goedvinden van de generale synode.

Artikel 56

Naar de particuliere synode vaardigt elke classis twee dienaren des Woords en twee ouderlingen af, of indien er niet meer dan vier classes zijn. en zulks door die synode bepaald is, drie dienaren des Woords en drie ouderlingen, alsook in het artikel 47, lid 1, bedoelde geval een diaken of, indien drie dienaren des Woords en drie ouderlingen afgevaardigd worden, twee diakenen.

Artikel 57

1. De particuliere synode wordt ieder jaar eenmaal samengeroepen in gewone bijeenkomst ter behandeling van de voorkomende zaken.
2. Zij kan, zo nodig, in buitengewone bijeenkomst worden samengeroepen.

Artikel 58

1. De particuliere synode zal enige dienaren des Woords, uit elke classis één, aanwijzen als deputaten, met de opdracht:
a. de classes desverlangd in moeilijkheden bij te staan en van advies te dienen;
b. de vereiste medewerking te verlenen bij het afnemen van de peremptoire examens;
c. de vereiste medewerking te verlenen bij alles wat betrekking heeft op elke vorm van ontslag uit de dienst, overgang tot een andere staat des levens, emeritusverklaring, en afzetting van dienaren des Woords.
2. Deze en alle overige door de particuliere synode met welomschreven opdrachten benoemde deputaten zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende particuliere synode en zijn aan deze ook overigens verantwoording schuldig.

Artikel 59

1. Het staat aan elke particuliere synode vrij samen te werken met andere particuliere synoden of met classes van andere particuliere synoden, zulks evenwel niet zonder het goedvinden van deze synoden, ter behartiging van belangen, die deze vergaderingen in het bijzonder aangaan, of tot het verrichten van gezamenlijke arbeid van evangelisatie, zending of anderszins.
2. Van een dergelijke samenwerking zal steeds aan de generale synode kennis worden gegeven.
3. Eventuele geschillen ter zake zullen aan de beslissing van de generale synode onderworpen worden.

Acta GKN (1957) Art. 344

Herziening van de kerkorde art. 60-68

Art. 344. Vervolgens komen aan de orde de artikelen 60- 68 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Artikel 60 wordt vastgesteld met de kleine daarin door de deputaten voorgestelde wijziging.

Vanuit de kerken blijken tegen lid 2 van artikel 61 ernstige bezwaren te zijn ingebracht: mede met het oog daarop wordt het voorstel der commissie om dit 2e lid geheel te laten vervallen, aanvaard. De beide andere leden van dit artikel worden goedgekeurd, met dien verstande, dat lid 3 nu lid 2 zal worden.

De artikelen 62 en 63 worden onveranderd vastgesteld.

Het voorstel van de deputaten om aan artikel 64 een 2e lid toe te voegen en daarin op te nemen de bepaling die in artikel 34, lid 2, geschrapt werd (zie acta, art. 334), wordt door de commissie overgenomen en door de synode aanvaard. Overigens worden in artikel 64 geen wijzigingen aangebracht.

Bij artikel 65 heeft ouderling T. Spaan een amendement ingediend; het wordt thans door hem ingetrokken. Daarna wordt dit artikel in de nieuwe redactie, die deputaten ervoor hebben ontworpen, aangevuld met enkele woorden, die de commissie aanbeveelt, aanvaard.

In artikel 66 komen op voorstel van de commissie een paar veranderingen; overigens wordt het aangenomen.

Ook artikel 67 wordt goedgekeurd, nadat daarin geschrapt is het woord „generale”.

Tenslotte wordt besloten artikel 68 te laten vervallen, aangezien het daarin bepaalde reeds is opgenomen in de vastgestelde huishoudelijke regeling der synode.

Acta GKN (1957) Art. 345

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 60-68

Art. 345. De synode besluit de artikelen 60-68 van de herziene kerkorde (met weglating van artikel 68) als volgt vast te stellen:

 

d. De generale synode

Artikel 60

Het ressort van de generale synode wordt gevormd door de gezamenlijke kerken van de particuliere synoden.

Artikel 61

1. Naar de generale synode vaardigt elke particuliere synode twee dienaren des Woords en twee ouderlingen af, alsook in het artikel 47, lid 1, bedoelde geval een diaken.
2. De hoogleraren van de Theologische Hogeschool en van de theologische faculteit van de Vrije Universiteit zullen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen zitting hebben als praeadviserende leden.

Artikel 62

1. De generale synode komt om de twee jaren in de regel beurtelings binnen elk van de ressorten der particuliere synoden in Nederland bijeen.
2. De synode kan haar zittingen verdagen, met dien verstande dat de voortgezette zittingen zich niet mogen uitstrekken over een periode, welke verder gaat dan de tijd, waarop de particuliere synoden, die de afgevaardigden benoemd hebben, opnieuw haar gewone bijeenkomst plegen te houden.

Artikel 63

1. Het oordeel over de vraag, of het nodig is de generale synode te doen samenkomen binnen de twee jaren, staat aan de particuliere synode van welke de roepende kerk deel uitmaakt.
2. De roepende kerk is evenwel tot samenroeping verplicht, indien het verzoek daartoe ingediend wordt door tenminste vijf classes, welke behoren tot tenminste twee particuliere synoden, of door een deputaatschap, dat, ter behandeling van een bepaalde zaak, daartoe door de synode gemachtigd is.

Artikel 64

1. Tot de taak van de generale synode behoort met name de aanwijzing van de door de kerken te gebruiken Bijbelvertaling en de vaststelling van de belijdenisgeschriften, van de kerkorde, van het psalm- en gezangboek, van de liturgische formulieren en van de orde van dienst.
2. De generale synode zal ten aanzien van deze zaken geen definitieve beslissingen nemen, zonder de mindere vergaderingen in de gelegenheid te hebben gesteld van haar gevoelen blijk te geven. Voorts zal een dergelijke beslissing een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen behoeven.

Artikel 65

De leden van het moderamen van de generale synode zullen, na de sluiting van haar zittingen, als haar deputaten de kerken vertegenwoordigen of doen vertegenwoordigen in alle gevallen, waarvoor geen andere deputaten aangewezen zün, en waarin zij dit wenselijk achten, en voorts alles verrichten, wat in de huishoudelijke regeling van de generale synode ten aanzien van hun taak is bepaald, zulks onder verantwoording aan de eerstvolgende synode.

Artikel 66

De taak om onder buitengewone omstandigheden, als in tijden van oorlog, van algemene volksrampen en van grote druk voor de kerk of ook in tijden van grote zegen voor kerk, volk en land, dagen of uren van boete, gebed of dankzegging uit te schrijven alsook om getuigenissen op te stellen, zal de generale synode toevertrouwen aan deputaten, die door haar worden benoemd en wel uit elk van de particuliere synoden in Nederland beurtelings een dienaar des Woords of een ouderling, volgens de door haar vastgestelde regeling.

Artikel 67

1. De generale synode kan, voor het uitvoeren van allerlei besluiten en voor het uitbrengen van adviezen, deputaten benoemen.
2. Deze deputaten ontvangen welomschreven opdrachten van de synode en zijn daaraan gebonden. Zij zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende synode, tenzij anders bepaald wordt. Zij zijn verplicht hun uitgaven te houden binnen de grenzen van de hun toegestane bedragen.

Acta GKN (1957) Art. 346

Herziening van de kerkorde art. 69 en besluit daarover

Art. 346. Bij artikel 69 van de voorlopig vastgestelde kerkorde, dat nu in behandeling komt (zie bijlage LXXVIII a, b en c), ontstaat een korte discussie over het voorstel van de commissie om in lid 2 het woord „benoemd” door „gekozen” te vervangen. Met meerderheid van stemmen besluit de synode dit voorstel niet aan te nemen, zodat het woord „benoemd” blijft gehandhaafd. Ook overigens wordt dit artikel onveranderd vastgesteld.

Het verkrijgt derhalve in de herziene kerkorde de volgende redactie:

 

e. De oecumenische synode

Artikel 69

1. De kerken zullen met andere kerken van gereformeerde belijdenis, die deze belijdenis handhaven, in gemeenschap treden door op regelmatige tijden bijeen te komen in vergaderingen, die gereformeerde oecumenische synoden worden genoemd.
2. De afgevaardigden naar deze synoden worden benoemd door de generale synode.
3. De generale synode kan zaken van algemene aard, met name die waarbij het belang van Gods koninkrijk in de gehele wereld gemoeid is, aan de oecumenische synode voorleggen.
4. Uitspraken van de oecumenische synoden zullen door de kerken, binnen door de generale synode vast te stellen grenzen, als bindend aanvaard worden.

Acta GKN (1957) Art. 347

Herziening van de kerkorde art. 70-73

Art. 347. Aan de orde worden gesteld de artikelen 70-73 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Artikel 70 wordt met de wijzigingen, die de deputaten en de commissie daarin hebben voorgesteld, aanvaard.

Van artikel 71 wordt lid 1 onveranderd vastgesteld. Voor lid 2 van dit artikel heeft de commissie een andere redactie ontworpen, die door haarzelf thans niet meer gehandhaafd wordt, maar waarvoor toch door sommige leden der vergadering gepleit wordt. Er wordt op gewezen, dat het gebruik van de aanbevolen orde van dienst in de vrijheid van de kerken gelaten is, doch dat dit niet het geval is met de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren. Daar een goede formulering waarin dit onderscheid duidelijk wordt aangegeven niet ter tafel is, wordt besloten dit 2e lid van artikel 71 ter nadere overweging aan de commissie in handen te geven (zie verder art. 445 en 446).

De wijzigingen, door de deputaten voorgesteld in artikel 72, lid 1, zijn door de commissie overgenomen en worden door de synode goedgekeurd. Wat lid 2 en 3 betreft, stelt de commissie voor, in afwijking van hetgeen de deputaten willen, de redactie van de voorlopig vastgestelde kerkorde te handhaven. Aldus wordt door de synode besloten. Ook lid 4 wordt aangenomen in de door de commissie voorgestelde redactie.

Ten aanzien van artikel 73 wordt besloten het 1e lid onveranderd te laten, doch het 2e lid te splitsen in tweeën en daarbij te laten uitkomen, dat het houden van kerkdiensten op de tweede feestdagen wèl aan de vrijheid der kerken wordt overgelaten, doch dat zulks niet in dezelfde mate het geval is met het houden van kerkdiensten op de andere in dit artikel genoemde dagen.

Acta GKN (1957) Art. 348

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 70-73

Art. 348. De synode besluit de artikelen 70-73 (met uitzondering van artikel 71) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Hoofdstuk IV

HET WERK VAN DE KERK

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 70

De kerkeraden zullen zorgen dat de gemeente, in het bijzonder op de dag des Heren wordt samengeroepen tot de dienst des Woords, de dienst der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid.

Artikel 72

1. De leiding van de kerkdiensten berust bij de dienaar des Woords van de gemeente of bij een van haar dienaren, dan wel bij een andere, door de kerkeraad daartoe uitgenodigde bevoegde dienaar des Woords.
2. Indien een proponent voorgaat, zal de leiding bij deze berusten, met dien verstande, dat hij zich onthouden zal van alle verrichtingen, welke een ambtelijk karakter dragen.
3. Hetzelfde geldt, indien een lid van de gemeente voorgaat, aan wie de classis, in een zeer bijzonder geval, op verzoek van de kerkeraad, na ingesteld onderzoek, daartoe de bevoegdheid heeft verleend.
4. In de overige gevallen zal de leiding berusten bij een ouderling der gemeente en zal een naar het oordeel van de kerkeraad geschikte preek worden gelezen.

Artikel 73

1. Op de dag des Heren zal de gemeente in kerkdiensten samenkomen en voorts tenminste eenmaal op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag en de Hemelvaartsdag.
2. De kerkeraden zullen zoveel mogelijk zorg dragen, dat kerkdiensten worden gehouden op de Oudejaars- en Nieuwjaarsdag en op de bid- en dankdagen voor gewas en arbeid.
3. Het wordt in de vrijheid van de kerk gelaten kerkdiensten te houden op de tweede feestdagen.

Acta GKN (1957) Art. 349

Herziening van de kerkorde art. 75-81

Art. 349. De praeses geeft thans in behandeling de artikelen 75-81 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Artikel 75 en 76 worden tegelijkertijd besproken omdat zowel de deputaten als de commissie voorstellen deze beide artikelen tot één artikel te combineren. Na enige discussie wordt besloten voor lid 1 van dit artikel niet de nieuwe redactie van de deputaten, maar de oude redactie van de voorlopig vastgestelde kerkorde te kiezen met dien verstande, dat in plaats van „In den dienst des Woords” zal worden gelezen: „In de kerkdiensten”. Lid 2 (het oude artikel 76) wordt goedgekeurd in de gewijzigde vorm, waarin de deputaten het nu voorstellen met invoeging van de woorden „zoveel mogelijk”, terwijl lid 3 (oud artikel 75, 2) wordt, aangenomen in dezelfde bewoording als voorkomt in de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Van artikel 77 wordt in overeenstemming met de voorstellen van deputaten en de commissie lid 1 aanvaard, met toevoeging van de woorden „met gebruikmaking van het hiervoor vastgestelde formulier”; daarna worden ook de leden 2 en 3 goedgekeurd met de veranderingen die daarin worden voorgeslagen.

Ook de artikelen 78 en 79 worden aangenomen met de kleine wijzigingen die de deputaten en de commissie erin willen aanbrengen.

Met het voorstel van de deputaten en de commissie om het 1e lid van artikel 80 in tweeën te splitsen gaat de synode accoord. Lid 1 wordt nu vastgesteld in de nieuwe redactie, door de deputaten gegeven, terwijl lid 2 wordt gelezen in overeenstemming met een door ds H.W.H. van Andel ingediend amendement, dat door de commissie is overgenomen. Lid 3 (oud lid 2) wordt onveranderd vastgesteld. Bij lid 4 (oud lid 31 wordt een 2e amendement van ds H.W.H. van Andel aanvaard, doch het wordt gewenst geacht dat de verdere formulering van dit lid door de commissie nog nader zal bezien worden (zie verder art. 447 en 448).

T.a.v. artikel 81 worden de verschillende voorstellen tot wijziging die door de deputaten en de commissie zijn gedaan, goedgekeurd.

Acta GKN (1957) Art. 350

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 75-81

Art. 350. De synode besluit de artikelen 75-81 (met uitzondering van artikel 80) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

b. Dienst des Woords

Artikel 75

1. In de kerkdiensten zal steeds de Heilige Schrift worden verklaard en toegepast.
2. Op de dag des Heren zal zoveel mogelijk in één van de kerkdiensten het Woord worden bediend door ontvouwing van de christelijke leer, gelijk zij uit de Heilige Schrift is samengevat in de Heidelbergse Catechismus.
3. In de kerkdiensten zullen op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag, het Paasfeest, de Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest in het bijzonder de grote heilsfeiten herdacht worden en zal voorts bij de tekstkeuze ook rekening gehouden worden met de adventstijd en de lijdenstijd.

 

c. Dienst der sacramenten

Artikel 77

1. De heilige doop zal door de dienaren des Woords aan de kinderen des verbonds in een kerkdienst bediend worden met gebruikmaking van het hiervoor vastgestelde formulier.
2. De kerkeraad zal erop toezien, dat de doop zo spoedig mogelijk wordt aangevraagd en bediend.
3. Wanneer geen der ouders gerechtigd is de doopvragen te beantwoorden, zal de kerkeraad in overleg met de ouders omzien naar een of meer doopgetuigen, die genoegzame waarborg kunnen geven voor een christelijke opvoeding.

Artikel 78

Degenen, die niet als kind gedoopt zijn, ontvangen de heilige doop eerst nadat zij door beantwoording van de in het hiervoor vastgestelde formulier opgenomen vragen openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Artikel 79

Ten aanzien van degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk in de gemeente opgenomen worden, zal de doop slechts erkenning vinden, indien komt vast te staan, dat deze in of vanwege een christelijke kerk of een kring van christenen door een aldaar bevoegd geachte persoon, alsook in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, bediend werd.

Artikel 81

1. Het heilig avondmaal zal, tenminste eens in de twee of drie maanden, in een kerkdienst met gebruikmaking van één der hiervoor vastgestelde formulieren bediend worden, en op zodanige wijze als de kerkeraad, met inachtneming van hetgeen in Gods Woord voorgeschreven is, oordeelt het meest stichtelijk te zijn.
2. Het staat in de vrijheid van de kerken in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden en andere dergelijke inrichtingen het heilig avondmaal in een afzonderlijke kerkdienst te bedienen voor degenen, die tot die avondmaalsviering gerechtigd zijn of daartoe naar het oordeel van de kerkeraad kunnen worden toegelaten.

Acta GKN (1957) Art. 351

Herziening van de kerkorde art. 82-86

Art. 351. Vervolgens worden aan de orde gesteld de artikelen 82-86 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c).

Over artikel 82 is enig verschil tussen de deputaten en de commissie. De deputaten hebben voor dit artikel een nieuwe redactie ontworpen; de commissie stelt voor het geheel te laten vervallen. Aangezien in de synode t.a.v. dit artikel enkele vragen rijzen wordt besloten het aan te houden in afwachting van een nader advies der commissie (zie verder art. 447 en 448).

De behandeling van artikel 83 wordt uitgesteld, totdat de diakenen aanwezig zullen zijn (zie verder art. 419 en 420).

Op voorstel van de commissie wordt lid 1 van artikel 84 onveranderd vastgesteld, terwijl de kleine wijzigingen, die zowel de deputaten als de commissie in lid 2 adviseren door de synode aanvaard worden.

Bij de bespreking van artikel 85 wordt een amendement van ds F.C. Zwaal om „in den regel” te vervangen door „bij voorkeur” niet gesteund; daarna wordt dit artikel ongewijzigd goedgekeurd.

De verandering, die de deputaten in lid 1 van artikel 86 willen aanbrengen, wordt door de commissie overgenomen. Een door ds H.W.H. van Andel hierbij ingediend amendement verkrijgt wel de steun van de deputaten doch wordt door de commissie bestreden en door de synode verworpen. Daarna wordt lid 1 van artikel 86 overeenkomstig het gemeenschappelijk voorstel van de deputaten en de commissie goedgekeurd. Lid 2 van dit artikel wordt onveranderd gelaten.

Acta GKN (1957) Art. 352

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 82-86

Art. 352. De synode besluit de artikelen 82-86 (met uitzondering van de artikelen 82 en 83) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

II. Catechese

Artikel 84

1. Aan de kinderen der gemeente en aan anderen, die dit begeren, wordt in de leer der kerk onderricht gegeven om hen voor te bereiden tot de openbare belijdenis des geloofs en tot het vervullen van hun roeping ten opzichte van de kerk en de wereld.
2. Dit onderricht betreft het verstaan van de Heilige Schrift, de belijdenis en geschiedenis van de kerk alsmede de hedendaagse openbaring van het kerkelijk leven, inzonderheid in het werk van evangelisatie en zending.

Artikel 85

De catechese wordt gegeven in opdracht en onder toezicht van de kerkeraad, in de regel door een dienaar des Woords.

Artikel 86

1. De catechese wordt gegeven in directe aansluiting aan de Heilige Schrift; als voornaamste leerboek zal daarbij dienst doen de Heidelbergse Catechismus.
2. Voor het overige is de keuze van de leerboeken en de andere leermiddelen toevertrouwd aan de dienaar des Woords, die daarover met de kerkeraad overleg pleegt.

 

Hierop wordt, nadat de assessor in dankgebed is voorgegaan, de vergadering door de praeses geschorst.

Acta GKN (1957) 580418

Zitting van vrijdag 18 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 354

Herziening van de kerkorde art. 87-92

Art. 354. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteurs ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries, over de herziening van de kerkorde (E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38, 41-13) (bijlage LXXVIII a, b en c) wordt voortgezet.

De praeses stelt aan de orde de bespreking van de artikelen 87-92 van de voorlopig vastgestelde kerkorde, waarbij ds mr W.S. de Vries als rapporteur der commissie optreedt.

Artikel 87 wordt door de synode goedgekeurd met de door de deputaten en de commissie voorgestelde wijziging.

In verband met het feit, dat er tussen de deputaten en de commissie een verschil bleef t.a.v. de woorden „indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn”, voorkomende in artikel 88, lid 1, stelt de commissie thans voor daar na het woord „medegeven” als volgt te lezen: „welk getuigenis in overeenstemming zal zijn met de werkelijke gesteldheid, met name doordat daarin, indien de bedoelde leden voorwerp van tucht zijn, hiervan mededeling wordt gedaan”. Ook is er door ds H.W.H. van Andel een voorstel ingediend om, in afwijking van wat de deputaten voorstelden, de redactie van de voorlopig vastgestelde kerkorde te handhaven. Na een vrij uitvoerige discussie dient ds A.G. van der Stoel een sub-amendement in om uit het amendement-Van Andel de woorden „vermaan of” te laten vervallen. Dit sub-amendement wordt verworpen; daarna wordt het amendement-Van Andel aangenomen. Overigens wordt lid 1 van artikel 88 met de door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen aanvaard. Lid 2 en 3 van dit artikel worden onveranderd vastgesteld.

Vervolgens wordt artikel 88a (oud 79, 1 en 2; 80, 4 en 88, 4) door de synode aangenomen, het eerste lid in de lezing van de voorlopig vastgestelde kerkorde, het tweede lid in de nieuwe redactie, door de deputaten ontworpen.

De behandeling van artikel 89 wordt uitgesteld, totdat de diakenen aanwezig zullen zijn (zie verder art. 419 en 420).

Over de artikelen 90, 91 en 92 blijkt overeenstemming te zijn tussen de deputaten en de commissie; de synode aanvaardt deze artikelen met de voorgestelde wijzigingen.

Acta GKN (1957) Art. 355

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 87-92

Art. 355. De synode besluit de artikelen 87-92 (met uitzondering van artikel 89) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

III. Herderlijke zorg

Artikel 87

De dienaren des Woords en ouderlingen zullen hun herderlijke zorg uitstrekken tot alle leden van de gemeente, door hen en in het bijzonder de zieken en bejaarden, die verhinderd zijn de kerkdiensten bij te wonen, en ook de afdwalenden, trouw te bezoeken; door hen op te wekken tot een leven in het geloof en hen in tegenspoed te troosten; en door hen te waarschuwen tegen valse leringen en dwalingen evenals tegen alle wereldse wandel en goddeloze praktijken.

Artikel 88

1. De kerkeraden zullen aan degenen, die uit de gemeente vertrekken, op hun verzoek een attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel medegeven, met dien verstande dat, indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn, daarvan in de attestatie mededeling wordt gedaan. Van deze afgifte wordt bericht gezonden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Aan de desbetreffende kerkeraad zal eveneens opgave verstrekt worden van degenen, die zonder attestatie aan te vragen vertrokken zijn.
2. Indien degenen, die uit de gemeente vertrekken, nog geen openbare belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zullen de kerkeraden een doopattest toezenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren, met dien verstande dat, indien zij reeds de volwassen leeftijd bereikt hebben, gehandeld zal worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopleden.
3. Deze attestatie en attesten zullen, namens de kerkeraad, door twee van zijn leden ondertekend worden.

Artikel 88a

1. De namen van hen, die gedoopt worden, die belijdenis des geloofs afleggen, die na afsnijding weder in de gemeente worden opgenomen, die met attestatie of doopattest uit een andere gemeente overkomen, en van hen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk in de gemeente worden opgenomen, zullen met nadere bijzonderheden in daarvoor aangelegde registers zorgvuldig worden opgetekend.
2. Hetzelfde zal worden gedaan met de namen van hen, die met attestatie of doopattest vertrekken, die zijn overleden, die afgesneden worden en die zich onttrekken.

Artikel 90

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de leden der gemeente hun huwelijk aangaan met inachtneming van de geboden Gods, en het ten overstaan van de overheid voltrokken huwelijk in een kerkdienst laten bevestigen, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.

Artikel 91

De kerkeraden zullen er toe medewerken, dat de leden der gemeente, die gestorven zijn, op christelijke wijze begraven worden.

Artikel 92

De generale synode zal, voor zoveel dat naar haar oordeel nodig is, de arbeid onder schippers, zeevarenden, militairen, in het buitenland verstrooiden, in ziekenhuizen verpleegden, doofstommen, en anderen, die door de mindere vergaderingen niet of niet genoegzaam bearbeid kunnen worden, aan afzonderlijke deputaten en dienaren des Woords toevertrouwen.

Acta GKN (1957) Art. 356

Herziening van de kerkorde art. 93-103

Art. 356. De praeses stelt thans aan de orde de behandeling van de artikelen 93-103 van de voorlopig vastgestelde kerkorde (zie bijlage LXXVIII a, b en c). Hierbij fungeert als rapporteur namens de commissie ds M. Kamper.

Bij artikel 93 is een amendement door ds J.C. Hagen ingediend, dat evenwel in de vergadering niet gesteund wordt. Lid 1 van dit artikel wordt onveranderd vastgesteld, terwijl voor lid 2 de nieuwe redactie wordt gekozen, die door de deputaten is voorgesteld en door de commissie is overgenomen.

De in artikel 94, lid 1 en 2 door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen worden door de synode aanvaard; de definitieve formulering van dit artikel kan echter pas plaats vinden, nadat de synode een beslissing zal hebben genomen over de eventueel andere wijze, waarop het college van generale deputaten voor de evangelisatie zal worden samengesteld (zie verder art. 373, 447 en 448).

Bij de behandeling van artikel 95 komt aan de orde een voorstel, ingediend door ouderling T. Spaan, waarin voor dit artikel een andere redactie is gegeven. De commissie neemt dit voorstel over. Nadat gebleken is, dat ook de deputaten er geen bezwaar tegen hebben, wordt het door de synode aangenomen.

Artikel 96 wordt onveranderd vastgesteld, terwijl in artikel 97 de door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen worden aanvaard.

De amendementen van ds J.C. Hagen en ds F.C. Zwaal, die beide bedoelen in artikel 98 de woorden „in het bijzonder in Indonesië” te laten vervallen, worden door de synode verworpen. Verder wordt besloten dit artikel in twee leden te splitsen en de in beide leden door de deputaten en de commissie voorgestelde veranderingen goed te keuren.

Bij de bespreking van artikel 99 worden de voorstellen van de deputaten en de commissie om de leden 2 en 3 van plaats te doen verwisselen er om in de leden 1, 2 en 3 enkele wijzigingen aan te brengen, aanvaard.

Ook met de voorstellen, die de deputaten en de commissie doen t.a.v. de artikelen 100 en 101 kan de synode zich verenigen.

Tenslotte komen nog aan de orde de artikelen 102 en 103, die op voorstel van de deputaten en de commissie worden samengevoegd tot één artikel, met dien verstande, dat lid 1 van het oude artikel 103 thans wordt lid 3 van artikel 102, terwijl lid 2 van het oude artikel 103 vervalt. Van het aldus samengestelde nieuwe artikel 102, wordt lid 1 aanvaard met de daarin voorgestelde wijzigingen. Ook lid 2 wordt goedgekeurd in de nieuwe redactie, waarover de deputaten en de commissie het eens zijn geworden, zulks evenwel met verandering van de woorden „in een regeling” in „in de desbetreffende bepalingen”. Eindelijk wordt ook lid 3 aanvaard met de daarin door de deputaten en de commissie aangebrachte veranderingen.

Acta GKN (1957) Art. 357

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 93-103

Art. 357. De synode besluit de artikelen 93-103 (met uitzondering van artikel 94) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

IV. Evangelisatie en zending

Artikel 93

1. De kerken richten zich tot degenen, die vervreemd zijn van het evangelie, door middel van de arbeid der evangelisatie om hen zo mogelijk te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk.
2. Deze arbeid geschiedt onder leiding van de kerkeraad, die de leden der gemeente ook zal opwekken Jezus Christus in het midden der wereld met woord en daad te belijden.

Artikel 95

Voor bepaalde takken van het werk der evangelisatie kan de generale synode deputaten benoemen ten dienste van de kerken, die daarvoor in aanmerking komen en zo nodig de kerken opwekken dit werk naar vermogen te steunen.

Artikel 96

Samenwerking in het werk van de evangelisatie met andere dan gereformeerde kerken en personen zal uitsluitend plaats vinden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen.

Artikel 97

1. De kerken zullen zich richten tot de Joden in en zo mogelijk ook buiten Nederland om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.
2. Dit werk zal ter hand genomen worden door de daarvoor in aanmerking komende kerken, die het, met steun van de overige kerken, verrichten in overleg met daartoe door de generale synode benoemde deputaten en overeenkomstig de door haar vastgestelde bepalingen.

Artikel 98

1. De kerken zullen zich richten tot de niet-gekerstende volken in het bijzonder in Indonesië, om hun in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, het evangelie te verkondigen en om degenen, die tot het geloof gekomen zijn en de heilige doop ontvangen hebben, bijeen te brengen in zelfstandige gemeenten onder de bediening des Woords en der sacramenten.
2. Zolang dit nodig blijkt, zullen de kerken naar vermogen aan deze zelfstandige gemeenten hulp bewijzen bij het inrichten en opbouwen van een eigen kerkelijk leven.

Artikel 99

1. De kerken zullen, om de zendingsopdracht van Christus uit te voeren, zoveel mogelijk daartoe met elkaar samenwerken met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen, op een door die kerken vast te stellen wijze. Deze wijze van samenwerking behoeft de goedkeuring van de generale synode.
2. De toewijzing van de verschillende zendingsterreinen geschiedt door de generale synode, zoveel mogelijk in overeenstemming met de daartoe door de kerken kenbaar gemaakte wensen.
3. De beroeping van een missionaire dienaar des Woords zal geschieden door de kerk, die daartoe door de voor een bepaald zendingsterrein samenwerkende kerken is aangewezen, niet zonder overleg met de andere samenwerkende kerken.

Artikel 100

Wanneer zich op een zendingsterrein zelfstandige kerken gevormd hebben, zal de arbeid, indien deze kerken dat wensen, in nauwe samenwerking met haar worden voortgezet. De samenwerkende kerken zullen daarna, naar een in overleg tot stand gebrachte overeenkomst, welke de goedkeuring van de generale synode behoeft, voor de verkondiging van het evangelie op dat terrein gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen.

Artikel 101

1. De kerken, aan welke de verschillende zendingsterreinen zijn toevertrouwd, kunnen ter bespreking en afdoening van zaken, waarbij zij gezamenlijk betrokken zijn, een raad van samenwerking instellen overeenkomstig een door haar op te stellen accoord, welk accoord de goedkeuring van de generale synode behoeft.
2. In deze raad zullen tenminste twee van de deputaten der generale synode voor de zending met adviserende stem zitting hebben.

Artikel 102

1. Voor de behandeling van de algemene zaken van de zending zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, namelijk één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, en wel op voordracht van deze synoden.
2. De taak van deze deputaten omvat naast de behandeling van andere zaken van algemene aard, die door de generale synode in de desbetreffende bepalingen zijn vastgesteld, het instandhouden en leiden van een zendingscentrum met een daaraan verbonden seminarie, aan welk seminarie de aanstaande missionaire dienaren des Woords in de regel de in artikel 13 bedoelde opleiding ontvangen.
3. Ten behoeve van de arbeid aan dit zendingscentrum en seminarie kunnen door de generale synode een of meer dienaren des Woords worden benoemd, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Acta GKN (1957) 580422

Zitting van dinsdag 22 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 362

Herziening van de kerkorde art. 104 en 105 met besluit

Art. 362. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteurs ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries, over de herziening van de kerkorde (E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38, 41-43) (bijlage LXXVIII a, b en c) wordt voortgezet.

De praeses stelt aan de orde de bespreking van de artikelen 104 en 105 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Bü artikel 104 heeft ds J.C. Hagen een voorstel ingediend, waarin voor de leden van dit artikel een enigszins andere formulering wordt gegeven. Ook is ter tafel een amendement van ouderling T. Spaan, waarin wordt voorgesteld de laatste woorden van lid 3 aldus te lezen: „tenzij deze andere leden daartoe machtigt”. Dit laatste amendement wordt door dr D. Nauta aanbevolen, waarbij hij echter adviseert het woord „leden” te laten vervallen. Het amendement-Spaan wordt echter verworpen. De door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen in de leden 1 en 2 worden nu aangenomen; ook lid 3 wordt goedgekeurd. Het voorstel-Hagen kan daarna niet meer in stemming komen.

Het amendement, dat ouderling T. Spaan bij artikel 105 heeft ingediend, wordt, nadat gebleken is, dat het nòch door de deputaten, nòch door de commissie gesteund wordt, ingetrokken. Vervolgens wordt artikel 105 onveranderd vastgesteld.

De synode besluit de artikelen 104 en 105 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

V.  Stoffelijke aangelegenheden

Artikel 104

1. Elke kerkeraad zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden der kerk.
2. De kerkeraad kan de zorg voor deze aangelegenheden toevertrouwen aan een commissie van administratie of beheer, die aan hem verantwoording schuldig is.
3. Ten aanzien van deze aangelegenheden wordt de kerk in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de kerkeraad, mits daartoe door deze gemachtigd.

Artikel 105

1. De kerken, die in de verschillende meerdere vergaderingen bijeenkomen, vormen tezamen even zovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar respectievelijk binnen het ressort van een classis, van een particuliere synode en van de generale synode gemeen zijn.
2. Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zowel door de verschillende meerdere vergaderingen als door deputaten, die door deze vergaderingen benoemd, geïnstrueerd en ontslagen worden en die in al hun handelingen door hun instructie gebonden zijn.

Acta GKN (1957) Art. 363

Herziening van de kerkorde art. 105a-115

Art. 363. In behandeling komen thans de artikelen 105a-115 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

De deputaten en de commissie stellen voor na artikel 105 een nieuw artikel 105a op te nemen onder het hoofd „VI. Kerkelijke Stichtingen”. De synode keurt dit goed. Aangezien echter over de kerkelijke stichtingen nog een afzonderlijke memorie van de deputaten en een daarover handelend rapport van de commissie kan worden tegemoetgezien, moet de beslissing over de formulering van dit artikel tot een later tijdstip worden uitgesteld (zie verder art. 466).

Tegen het advies van de deputaten en de commissie om de artikelen 106 en 106a samen te voegen tot één artikel bestaat bij de synode geen bezwaar. Ook wordt lid 1 in de nieuwe redactie, die de deputaten daarvoor ontworpen hebben en die door de commissie werd overgenomen, aangenomen. Dr. D. Nauta adviseert lid 2 te laten aanvangen met de woorden „Alle vermaan en tucht” en de orde van de beide leden om te keren. De synode acht het gewenst, dat de commissie dit nog nader overweegt en besluit de beslissing over dit artikel aan te houden (zie verder art. 447 en 448).

Aangezien de voorstellen van de deputaten en de commissie over de artikelen 107, 108, 109, 110, 111 en 112 gelijk zijn en geen amendementen op deze artikelen zijn ingediend, worden ze door de synode aanvaard met enkele kleine wijzigingen.

Ook over artikel 113 bestaat tussen de deputaten en de commissie geen verschil, aangezien de deputaten zich bij de nieuwe redactie, die de commissie voor lid 1 heeft gegeven, hebben aangesloten. Dr G.M. den Hartogh adviseert in deze nieuwe redactie de woorden „van hun overige rechten, als met name” te laten vervallen. Aldus wordt door de synode besloten. Hierna wordt lid 1 in gewijzigde vorm en lid 2 ongewijzigd goedgekeurd.

Van artikel 114 wordt het eerste lid aanvaard met de daarin door de deputaten en de commissie voorgestelde wijzigingen, terwijl voor het 2e lid de nieuwe lezing gekozen wordt, die de deputaten daarvoor hebben gegeven en door de commissie is overgenomen.

Het voorstel van de particuliere synode van Noord-Holland om na artikel 114 een nieuw artikel 114a in te voegen wordt door de deputaten en de commissie niet aanbevolen en ook vanuit de synode niet gesteund. Daarom komt het niet in bespreking.

Tenslotte wordt ook artikel 115 vastgesteld met de kleine wijziging die de deputaten en de commissie daarin willen aanbrengen.

Acta GKN (1957) Art. 364

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 105a-115

Art. 364. De synode besluit de artikelen 105a-115 (met uitzondering van de artikelen 105a en 106) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 107

Dit vermaan en deze tucht betreffen de belijdenis en de wandel van allen die tot de gemeente behoren.

Artikel 108

Omdat dit vermaan en deze tucht een geestelijk karakter dragen, zullen zij ook op geestelijke wijze geoefend worden, met vermijding van alle wereldse machtsoefening.

Artikel 109

De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerping van het broederlijk vermaan, door Christus in Mattheus 18: 15-16 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkeraad zijn gekomen.

Artikel 110

Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en zonder dat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden.

 

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 111

1. Bij het vermaan en de tucht over degenen, die nog geen belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zal onderscheid gemaakt worden tussen kinderen en volwassenen en bij de laatsten tussen afkerigen en nalatigen.
2. Met hen zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen en met gebruikmaking van de voor dat doel bestemde formulieren van openbare bekendmakingen.

Artikel 112

1. Wanneer degenen, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid betoond hebben, zal de kerkeraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.
2. De wijze waarop de verzoening tot stand gebracht zal worden, evenals de vraag, of de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, zich voor een bepaalde tijd van het avondmaal behoren te onthouden, staat ter beoordeling van de kerkeraad. De verzoening door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben en niet zonder het goedvinden van de classis.

Artikel 113

1. Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid betonen, door de kerkeraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen tevens tot gevolg heeft, dat het gebruik van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.
2. De kerkeraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Artikel 114

1. Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkeraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het formulier van de ban of de afsnijding van de gemeente. Tot deze afsnijding zal evenwel niet worden overgegaan, zolang de uitspraken in het genoemde formulier niet ten volle van toepassing geacht kunnen worden.
2. De kerkeraad zal tot deze laatste tuchtmaatregel niet besluiten dan nadat hij door drie openlijke bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn, binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, de afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Artikel 115

Indien iemand, die uit de gemeenschap der kerk werd uitgesloten, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkeraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, dit aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het formulier van wederopneming der afgesnedenen in de gemeente van Christus.

Acta GKN (1957) Art. 365

Herziening van de kerkorde art. 116-119

Art. 365. De artikelen 116-119 van de voorlopig vastgestelde kerkorde worden nu door de praeses in bespreking gegeven.

Van artikel 116 wordt lid 1 aangenomen met de verkorting, die door de deputaten is voorgesteld en door de commissie is overgenomen, terwijl lid 2 onveranderd wordt vastgesteld.

Ds J.C. Hagen en ds F.C. Zwaal stellen voor in lid 1 van artikel 117 het eerste woord „of” te laten vervallen en na het woord „ambt” in te voegen: „of hun ambt verlaten”. Over dit amendement ontstaat enige discussie, waarin tenslotte dr D. Nauta adviseert de volgende redactie te kiezen „schromelijk veronachtzamen, misbruiken of trouweloos verlaten van hun ambt”. De voorzitter van commissie II, ds M. Kamper, stelt er prijs op zowel het ingediende amendement als het gegeven advies nog nader in de commissie te bezien. In verband daarmee besluit de synode de beslissing over lid 1 van artikel 117 nog aan te houden (zie verder art. 449 en 450). Lid 2 van dit artikel wordt echter nu reeds onveranderd vastgesteld.

In overeenstemming met de voorstellen van de deputaten en de commissie wordt van artikel 118 lid 1 gewijzigd en lid 2 ongewijzigd goedgekeurd.

T.a.v. artikel 119 zijn er tussen de deputaten en de commissie geen verschillen; beide stellen voor om alleen in lid 1 een paar kleine wijzigingen aan te brengen. Er is hierbij echter een amendement ingediend door ds Van Herksen, waarin wordt voorgesteld de mogelijkheid van schorsing door de classis te schrappen, en subsidiair wordt voorgesteld aan het slot van lid 1 aldus te lezen: „of door de classis, bij welke de kerk in overleg met de naburige kerk de zaak aanhangig heeft gemaakt”. Ds Van Herksen ontvangt de gelegenheid dit voorstel te verdedigen, doch de verdere bespreking ervan moet tot een later tijdstip worden uitgesteld (zie verder art. 382).

Acta GKN (1957) Art. 366

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 116-119

Art. 366. De synode besluit de artikelen 116-119 (met uitzondering van de artikelen 117 en 119) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 116

1. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.
2. De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de uitoefening van hun ambt is uitgesproken.

Artikel 118

1. Wanneer tegen een ouderling of diaken een aanklacht is ingediend of een ernstige verdenking is gerezen, zal het aan de kerkeraad, en, wanneer het een dienaar des Woords geldt, aan de kerkeraad tezamen met de kerkeraad van de volgens de classikale regeling aangewezen naburige gemeente of aan de meerdere vergadering, bij welke de zaak aanhangig gemaakt is, vrijstaan hem gedurende een bepaalde termijn van de uitoefening van zijn ambt te ontheffen.
2. Deze ontheffing draagt niet het karakter van een tuchtmaatregel.

Acta GKN (1957) 580423

Zitting van woensdag 23 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 382

Herziening van de kerkorde art. 119-125

Art. 382. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteurs ds M. Kamper, ds A.C. van Nood, mr P.F. Oosterhof en ds mr W.S. de Vries, over de herziening van de kerkorde (E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38, 41-43) (bijlage LXXVIII a, b en c) wordt voortgezet.

De praeses stelt aan de orde de bespreking van de artikelen 119-125 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Met de behandeling van artikel 119 is de synode in een vorige zitting reeds aangevangen (zie art. 365 slot). Het toen door ds J. van Herksen verdedigde amendement bij lid 1 wordt thans door de deputaten en de commissie bestreden, en nadat het in stemming is gebracht, door de synode verworpen. Ook het subsidiaire amendement-Van Herksen wordt niet aangenomen. Lid 1 wordt daarna in de door de deputaten en de commissie voorgestelde redactie aangenomen. Hetzelfde is het geval met lid 2. Ook bij lid 3 heeft ds J. van Herksen een amendement ingediend, dat evenwel door de synode niet aanvaard wordt. Wel besluit de synode lid 3 onveranderd vast te stellen en op de suggestie van de particuliere synode van Zuid-Holland-Zuid om nog een 4e lid toe te voegen, niet in te gaan.

Nadat vervolgens artikel 120 onveranderd is vastgesteld, ontstaat over artikel 121 weer enige discussie. Ds J. van Herksen is van mening dat het begrip „wanbestuur” voor verschillende uitleg vatbaar is en stelt daarom voor dit artikel in zijn geheel te laten vervallen. Ds H. van der Veen vindt de aan het slot door de deputaten en de commissie voorgestelde wijziging („niet met voorbijgaan van de kerkeraad” wordt „niet zonder dat vooraf de kerkeraad erin gekend is”) geen verbetering en geeft de voorkeur aan de redactie, die door de synode van Leeuwarden werd aanvaard. Na enige bespreking wordt het voorstel-Van Herksen verworpen en wordt het door ds H. van der Veen van dr D. Nauta overgenomen advies om na het woord „gekend” nog in te voegen „en zich erover uitgesproken heeft” aangenomen. Overigens wordt dit artikel goedgekeurd met de door de deputaten en de commissie erin voorgestelde veranderingen.

Hierna worden onveranderd vastgesteld de artikelen 122, 123 en 125, terwijl artikel 124 wordt goedgekeurd met de kleine wijziging, die de commissie heeft voorgesteld en waartegen de deputaten geen bezwaar hebben.

Over de censura morum zal, gelijk reeds eerder besloten werd (zie art. 334), nog afzonderlijk gesproken worden. (Zie verder art. 449 en 473.)

Acta GKN (1957) Art. 383

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 119-125

Art. 383. De synode besluit de artikelen 119—125 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 119

1. Ten opzichte van een dienaar des Woords zal een maatregel van schorsing genomen worden òf door de kerkeraad van de gemeente, waaraan hij verbonden is, tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, òf door de classis, bij welke de kerkeraad de zaak aanhangig heeft gemaakt.
2. Indien het oordeel van beide kerkeraden, als bedoeld in lid 1, niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Een maatregel van afzetting zal genomen worden door de classis, evenwel niet zonder de medewerking en het goedvinden van de daartoe door de particuliere synode aangewezen deputaten.

Artikel 120

1. Ten opzichte van ouderlingen en diakenen zal een maatregel van schorsing of afzetting genomen worden door de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij behoren, die daartoe vergadert tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente.
2. Indien het oordeel van beide kerkeraden, als bedoeld in lid 1, niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Het staat aan de kerkeraad vrij, indien naar zijn oordeel aan het volgen van de in lid 1 genoemde weg ernstige bezwaren verbonden zijn, de zaak terstond ter beslissing aan de classis voor te leggen.

Artikel 121

Onverminderd het in de artikelen 119 en 120 bepaalde zal het aan de classis en eveneens, indien door bijzondere omstandigheden het inroepen van de hulp der classis overwegende moeilijkheden opleveren zou, aan de andere meerdere vergaderingen vrijstaan de maatregelen van schorsing en afzetting te nemen, wanneer, in geval van wanbestuur bij de kerkeraad, op haar door een deel van de kerkeraad of ook door een deel van de gemeente, niet zonder dat vooraf de kerkeraad erin is gekend en er zich over uitgesproken heeft, een beroep wordt gedaan om hulp en medewerking.

Artikel 122

Bij het vermaan en de tucht over missionaire dienaren des Woords, die beroepen zijn door een kerk in Nederland in samenwerking met een zelfstandige kerk op het zendingsterrein, zal gehandeld worden naar het bepaalde in de voor dat doel aangegane overeenkomst.

Artikel 123

1. Degenen, die de eer en de naam van dienaar des Woords behouden hebben en die als lid behoren tot een andere kerk dan die, waaraan zij nog verbonden zijn ten aanzien van hun ambtelijke positie, zijn onderworpen aan het vermaan en de tucht van de beide kerkeraden, die in voorkomende gevallen zich met elkander zullen verstaan om tot een eenparige beslissing te komen.
2. Indien de beide kerkeraden met elkander niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij de beslissing in handen leggen van de classis, onder welke de kerk, waaraan de dienaar des Woords verbonden is ten aanzien van zijn ambtelijke positie, ressorteert.
3. De maatregel van afzetting zal genomen worden door de in lid 2 bedoelde classis, evenwel niet zonder de medewerking en het goedvinden van de daartoe door haar particuliere synode aangewezen deputaten.
4. Voorzover degenen, die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben, geacht moeten worden in dienst van de gezamenlijke kerken te staan, zal de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij als lid behoren, zich in voorkomende gevallen moeten wenden tot de classis. Deze zal, na de deputaten onder wier toezicht zij gesteld zijn gehoord te hebben, het recht hebben de maatregel van schorsing te nemen, evenwel niet zonder de medewerking en het goedvinden van de daartoe door haar particuliere synode aangewezen deputaten. De maatregel van afzetting kan uitsluitend door de generale synode genomen worden.
5. Wanneer zich een geval als in artikel 121 bedoeld voordoet, geldt het aldaar bepaalde eveneens bij toepassing van het in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bepaalde.

Artikel 124

1. Een terecht opgelegde maatregel van schorsing kan niet worden opgeheven dan nadat genoegzame blijken van boetvaardigheid zijn betoond en de verzoening tot stand gekomen is.
2. Tot opheffing is bevoegd de vergadering, die de maatregel heeft genomen, of die in appèl uitspraak doet.

Artikel 125

1. Een vergadering zal iemand, die uit het ambt werd ontzet, niet opnieuw tot het vervullen van een ambt roepen dan na ernstig onderzocht te hebben, of daarmede wel de eer Gods gediend en het welzijn van de kerken bevorderd wordt.
2. Een classis zal iemand, die uit het ambt van dienaar des Woords werd ontzet, niet opnieuw beroepbaar stellen, dan met de medewerking en het goedvinden van de classis en de particuliere synode, waartoe de kerk, aan welke hij verbonden was als dienaar des Woords, behoort.

Acta GKN (1957) Art. 384

Herziening van de kerkorde art. 126-132

Art. 384. In behandeling komen thans de artikelen 126-132 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Bij de bespreking van artikel 126 worden de in lid 2 en 4 door de deputaten en de commissie voorgestelde toevoeging en wijziging door de synode aanvaard, terwijl de overige leden van dit artikel onveranderd worden vastgesteld.

Artikel 127 wordt ongewijzigd aanvaard. Wat betreft artikel 127a besluit de synode de ook door de deputaten geaccepteerde nieuwe lezing van de commissie goed te keuren, alleen met wijziging van het woord „genoemde” in „bedoelde”.

De vergadering gaat accoord met de door de deputaten en de commissie voorgestelde splitsing van artikel 128 in tweeën. Vervolgens worden de artikelen 128 en 128a aangenomen in de daarvoor door de deputaten gegeven redactie, die door de commissie werd overgenomen.

Bü de behandeling van artikel 129 maakt ouderling B. Geleynse bezwaar tegen de vervanging van het woord „opgenomen” door „gedetineerd” in lid 1. Besloten wordt hier te lezen „gedetineerd of opgenomen zijn”. Overigens worden de drie leden van dit artikel ongewijzigd vastgesteld.

Van artikel 130 wordt lid 1 aanvaard in de nieuwe lezing, die de deputaten hebben voorgesteld en waarmee ook de commissie zich verenigen kan. Bij lid 2 heeft ouderling T. Spaan voorgesteld in plaats van „zoveel mogelijk” te lezen „zo mogelijk” en nog beter komt het hem voor aan het slot aldus te lezen: „... te geven gebruik maken, indien en voorzover daartoe naar het oordeel van de kerkeraad gerede aanleiding bestaat”. Aangezien de rapporteur van de deputaten het van belang acht, dat aan dit amendement aandacht wordt besteed, besluit de synode over artikel 130, lid 2 nog geen beslissing te nemen en het ter fine van nader advies aan de deputaten en de commissie in handen te geven (zie verder art. 449 en 450).

Vervolgens wordt artikel 131 ongewijzigd aanvaard, terwijl de behandeling van artikel 132 wordt uitgesteld, totdat de diakenen zullen aanwezig zijn (zie daarvoor art. 419 en 420).

Acta GKN (1957) Art. 385

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 126-132

Art. 385. De synode besluit de artikelen 126-132 (met uitzondering van de artikelen 130 en 132) van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Hoofdstuk VI

BETREKKINGEN VAN DE KERK NAAR BUITEN

Artikel 126

1. Met kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering in het buitenland zal zoveel mogelijk door middel van correspondentie christelijke gemeenschap geoefend worden.
2. Daarbij zal onderscheid gemaakt worden tussen correspondentie in engere zin, die zich kenmerkt door uitwisseling van attestaties en wederkerige toelating van dienaren des Woords tot de bediening van het Woord en de sacramenten alsmede door het wederzijds zenden van afgevaardigden naar synoden, en correspondentie in ruimere zin, die zich beperkt tot het laatste.
3. Correspondentie in engere zin kan alleen aangegaan worden met kerken, die de gereformeerde belijdenis ook metterdaad handhaven.
4. De aanwijzing van de kerken, met welke correspondentie in engere of ruimere zin wordt aangegaan, geschiedt door de generale synode.
5. Voor de nadere uitoefening van deze correspondentie wijst de generale synode deputaten aan.

Artikel 127

Met kerken en groepen in Nederland van gereformeerde belijdenis zullen zoveel mogelijk betrekkingen worden onderhouden ter bevordering van het herstel der eenheid.

Artikel 127a

Met andere dan de in artikel 127 bedoelde kerken zal in het belang van een nauwere samenbinding zoveel als verantwoord is contact worden gezocht.

Artikel 128

In voorkomende gevallen zullen de kerken tot overheid en volk haar getuigenis doen uitgaan.

Artikel 128a

De kerken zullen de correspondentie met de Hoge Overheid onderhouden door middel van deputaten, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Artikel 129

1. De kerken zullen aan de Hoge Overheid haar medewerking verlenen ten behoeve van de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht alsmede van degenen die gedetineerd of opgenomen zijn in gevangenissen en andere dergelijke inrichtingen, in het bijzonder door dienaren des Woords af te staan ter benoeming als leger- en vlootpredikanten en als gestichtspredikanten in vaste en in tijdelijke dienst.
2. Het onderhouden van de daartoe nodige betrekkingen vertrouwt de generale synode toe aan hiertoe aangewezen deputaten, terwijl de positie van de in lid 1 bedoelde predikanten geregeld wordt overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten behoeve van de geestelijke verzorging van zee-, land- en luchtmacht en in het bijzonder van het onderhouden van het contact met de leger- en vlootpredikanten kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die overeenkomstig het in artikel 21 bepaalde geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Artikel 131

De kerken zullen de vrije jeugdorganisaties op gereformeerde grondslag, die de principiële vorming van de jeugd van de gemeente ten doel hebben, met raad en daad steunen.

Acta GKN (1957) Art. 386

Herziening van de kerkorde art. 133-136

Art. 386. Thans geeft de praeses in bespreking de artikelen 133-136 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

T.a.v. artikel 133 wordt besloten het onveranderd vast te stellen.

Met het voorstel van de deputaten en de commissie om lid 1 van artikel 134 tot een zelfstandig artikel te maken en lid 2 als artikel 136 aan het slot te plaatsen kan de synode zich verenigen.

Het voorstel van de commissie om aan het slot van artikel 134 in plaats van „en voor wat betreft de kerkeraad ...” te lezen „en dat slechts met goedvinden van de naaste meerdere vergadering” heeft niet de instemming van de deputaten. Na enige discussie besluit de synode het voorstel van de commissie niet te aanvaarden en het bedoelde slot geheel te laten vervallen.

Tenslotte wordt artikel 135 ongewijzigd vastgesteld en als artikel 136 aanvaard het oude lid 2 van artikel 134.

Nu de synode hiermee door de bespreking van de artikelen van de kerkorde. althans in eerste instantie, is heengekomen spreekt de praeses zijn blijdschap erover uit, dat dit omvangrijke en moeilijke werk grotendeels klaar is en dankt hij de vergadering voor haar medewerking, waardoor een vlotte behandeling werd mogelijk gemaakt.

Acta GKN (1957) Art. 387

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 133-136

Art. 387. De synode besluit de artikelen 133-136 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Hoofdstuk VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 133

1. Bij de vervulling van hun taak zullen de ambtsdragers zich verre houden van alle heerschappijvoering van de een over de ander en zullen zij alles heenleiden naar de onderwerping aan de heerschappij van de enige Meester, Christus.
2. Hetzelfde geldt van de ene kerk tegenover de andere.

Artikel 134

Van de bepalingen der kerkorde zal men niet afwijken dan alleen onder bijzondere omstandigheden.

Artikel 135

Indien en voorzover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven der kerk onmogelijk maken, staat het aan de daarvoor in aanmerking komende vergaderingen of deputaten vrij van de kerkorde af te wijken en de door de omstandigheden tijdelijk geboden maatregelen te nemen.

Artikel 136

Wijziging van de kerkorde kan alleen geschieden krachtens besluit van de generale synode.

Acta GKN (1957) 580429

Zitting van dinsdag 29 april 1958

Acta GKN (1957) Art. 418

Plaats diakenen op meerdere vergaderingen

Art. 418. Namens commissie II rapporteert dr K. Dijk over het vraagstuk van de plaats en taak van de diakenen in de meerdere vergaderingen, dat in enkele ingekomen stukken aan de synode is voorgelegd, t.w. in een schrijven van de kerk van Assen (O 21) en een schrijven van de classis Maastricht (O 40) alsmede in enkele andere stukken, afkomstig van de kerk van Heerlen en van de particuliere synoden van Noord-Brabant en Limburg, Gelderland en Zuid-Holland-Noord (bijlage XCI).

In de discussie wordt aanstonds de vraag aan de orde gesteld of deze zaak thans wel door de synode in behandeling kan worden genomen. Er wordt op gewezen, dat pas enkele jaren geleden de synode van Rotterdam, na kennisneming van een deputaten-rapport en tal van missiven uit de kerken hieromtrent uitvoerige uitspraken heeft gedaan, en dat de herziening van de kerkorde niet anders bedoelt dan een regeling van de bestaande toestand en daarom niet kan worden aangegrepen om vraagstukken, waarover in onze kerken nog steeds verschil van mening is, weer eens op het tapijt te brengen. De commissie had daarom een zo breed rapport niet behoeven op te stellen, en de synode zal wijs doen, althans op dit ogenblik, van de behandeling van dit vraagstuk af te zien.

De rapporteur der commissie merkt daartegenover op, dat de besluiten van de synode van Rotterdam in onze kerken geen bevrediging hebben gegeven, dat ook de synode zelf bij de verkiezing van leden van het moderamen zich aan deze besluiten niet gehouden heeft, en dat er in de laatste jaren in de taak van de diakenen zich zoveel gewijzigd heeft, dat het heus geen wonder is, dat een vraagstuk als dit zo spoedig op de synodetafel terugkeert. De synode mag een kwestie, die in onze kerken blijkt te leven niet onopgelost laten, ook al lopen de meningen daarover onder ons nog uiteen.

Ds H.W.H. van Andel dient het volgende voorstel in:

„De synode, kennis genomen hebbende van enkele ingekomen stukken, waarin wijzigingen in de kerkorde worden voorgesteld, die betrekking hebben op de plaats van de diakenen in de meerdere vergaderingen;
van oordeel, dat bij de herziening van de kerkorde deze zaak niet aan de orde kan komen, aangezien voorstellen tot het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen in de gang van het kerkelijk leven een afzonderlijke behandeling vereisen;
overwegende, dat de regeling, die voor enkele jaren door de synode van Rotterdam voor deze zaak werd getroffen, hoewel na breedvoerige overweging tot stand gekomen, toch niet geheel blijkt te bevredigen;
besluit:
1. thans op deze zaak niet in te gaan;
2. enkele deputaten te benoemen, aan wie de op deze zaak betrekking hebbende stukken met inbegrip van het ingediende commissierapport in handen worden gegeven, met de opdracht het vraagstuk van de plaats en taak der diakenen op de meerdere vergaderingen zowel van de principiële als van de praktische kant opnieuw te bezien en daarover op de volgende synode rapport uit te brengen.”

Over dit voorstel, dat als een voorstel van orde kan worden aangemerkt, wordt nu eerst gesproken. Verscheidene leden verklaren zich tegen dit voorstel en dringen er op aan de zaak niet uit te stellen en thans tot een bepaalde uitspraak te komen. Anderen wijzen erop, dat in de ingekomen stukken geen nieuwe argumenten zijn genoemd die op de synode van Rotterdam niet in behandeling zijn geweest en dat men de „onvolkomenheid” van de regeling van de synode van Rotterdam niet kan bewijzen met te herinneren aan het afwijken daarvan bij de verkiezing van het moderamen, aangezien uitdrukkelijk daarbij werd bepaald, dat daarmee niets geprejudieeerd werd.

Dr G.M. den Hartogh geeft het volgende advies, dat door ds D. Scheele wordt overgenomen en als voorstel wordt ingediend:

„De synode, overwegende, dat mee door de veranderde taak van het diakonaat en door de praktijk van het afgevaardigd-zijn van diakenen naar de meerdere vergaderingen, het gewenst is de ter zake binnengekomen stukken niet terzijde te leggen;
besluit:
a. aan de ingekomen verzoeken in dezen zin te voldoen, dat zij deze aangelegenheid, die eventueel een belangrijke wijziging inhoudt van enkele artikelen van de kerkorde, eerst voorlegt aan de kerken, zoals ook geschied is met de gehele herziene kerkorde, en derhalve de beslissing overlaat aan de eerstvolgende generale synode, nadat de kerken (en inzonderheid de particuliere synoden) gehoord zullen zijn;
b. hiervan kennis te geven aan de adressanten.”

Allereerst komt nu in stemming het voorstel-Van Andel; dit wordt verworpen.

Daarna wordt over het voorstel-Den Hartogh opgemerkt, dat dit geen voorstel van orde is, maar een tegen-voorstel, reden waarom het niet in behandeling kan komen, zonder dat ook de voorstellen der commissie besproken zijn. De voorzitter acht het gewenst in dit stadium de discussie af te breken en op een later tijdstip van de dag voort te zetten (zie verder art. 421 en 422).

Acta GKN (1957) Art. 419

Herziening van de kerkorde art. 29, 83, 89 en 132

Art. 419. Nadat de intussen ter vergadering gekomen diakenen welkom zijn geheten, stelt de praeses aan de orde enkele artikelen van de voorlopig vastgestelde kerkorde, waarvan de behandeling is uitgesteld, totdat de diakenen zouden aanwezig zijn. Het zijn de artikelen 29, 83, 89 en 132. Over deze artikelen is door commissie II in haar rapport over de stukken E 1, O 1a, 2, 4-13, 15-20, 22-29, 31-38 en 41-43 (bijlage LXXVIIl a, b en c) afzonderlijk gerapporteerd. Als rapporteur der commissie treedt thans op mr P.F. Oosterhof.

Aangezien er over artikel 29 overeenstemming blijkt te zijn tussen de deputaten en de commissie en door de leden der synode geen amendementen zijn ingediend, wordt dit artikel zonder discussie aanvaard in de door de deputaten gewijzigde vorm.

Voor artikel 83 heeft de commissie, naar aanleiding van een door ouderling T. Spaan ingediend amendement, in haar aanvullend rapport een herziene redactie gegeven. Ds F.C. Zwaal acht de nieuwe formulering te strak, aangezien daarin geen ruimte is gelaten voor de praktijk van „het ene offer”, die in sommige kerken wordt gevolgd. Hij dient daarom met ds J.C. Hagen en de ouderlingen M. Spiering en T. Spaan het voorstel in om tussen „zullen” en „in elke kerkdienst” in te voegen de woorden „in de regel”. Dr G.M. den Hartogh adviseert om na „in elke kerkdienst” te lezen „op de een of andere wijze”; terwijl dr R. Schippers de vraag stelt of het woordje „ook” niet de verkeerde suggestie wekt, dat hulpverlening aan andere kerken geen dienst der barmhartigheid zou zijn. Ds P.D. Kuiper stelt voor aldus te redigeren: „zullen regelmatig in de kerkdiensten gaven worden ingezameld”.

De rapporteur verklaart zich bereid, ter tegemoetkoming aan bepaalde bezwaren het artikel in twee leden te splitsen. De amendementen-Zwaal c.s. en -Kuiper worden verworpen; het advies-Den Hartogh wordt niet overgenomen. Daarna wordt het artikel in de opnieuw door de commissie gewijzigde vorm aangenomen.

Ds F.C. Zwaal verzoekt aantekening in de acta, dat hij tegen lid 1 heeft gestemd.

Vervolgens wordt artikel 89 met de daarin door de commissie aangebrachte kleine wijziging, waarmee ook de deputaten blijken in te stemmen, goedgekeurd.

Tenslotte wordt artikel 132 ongewijzigd aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 420

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 29, 83, 89 en 132

Art. 420. De synode besluit de artikelen 29, 83, 89 en 132 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 29

1. De taak van de diakenen is aan de leden der gemeente, die in stoffelijke of maatschappelijke nood verkeren of daarin dreigen te geraken, de christelijke barmhartigheid te bewijzen, hen met raad en daad bij te staan en tevens aan anderen in dergelijke omstandigheden zo mogelijk deze barmhartigheid te bewijzen.
2. Zij zullen tot dat doel de gaven der gemeente inzamelen en beheren en voorts andere goede middelen zoeken en aanwenden.

Artikel 83

1. Voor de dienst der barmhartigheid zullen in elke kerkdienst gaven worden ingezameld.
2. De ingezamelde gaven kunnen worden besteed voor diakonale hulpverlening aan andere kerken, alsmede voor instellingen, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven.

Artikel 89

Indien degenen, die vertrekken naar een andere gemeente bijstand ontvangen van de diakenen, zullen dezen op vertrouwelijke wijze de diakenen van die gemeente daarover inlichten en, zo de omstandigheden daartoe nopen en het onderling overleg daartoe leidt, hetzij voorgoed hetzij voor een bepaalde periode verdere bijstand verlenen.

Artikel 132

De kerken kunnen aan maatschappelijke organisaties, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven, haar medewerking verlenen, en daartoe die organisaties met raad en daad bijstaan, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Acta GKN (1957) Art. 421

Plaats diakenen op meerdere vergaderingen

Art. 421. De bespreking van het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, over de stukken betrekking hebbend op de plaats en taak van de diakenen op de meerdere vergaderingen (O 21, 40 e.a.) (bijlage XCI) wordt voortgezet (zie art. 418).

De voorzitter merkt op, dat bij aanneming van het voorstel-Scheele (Den Hartogh) (zie daarvoor art. 418) het aan de orde zijnde vraagstuk zonder meer aan de kerken zal worden voorgelegd, terwijl de commissie het vraagstuk thans op de synode besproken wil zien en een voorlopige uitspraak van de synode daarover wil uitlokken. Nadat aan de vergadering de vraag is voorgelegd of zij thans al of niet de zaak in bespreking wil nemen, blijkt de meerderheid er vóór te zijn om het rapport en de voorstellen der commissie in behandeling te nemen.

Diverse vragen en bezwaren komen nu naar voren, namelijk: waar precies de grens ligt tussen de zaken, waaraan de diakenen wèl en niet zullen mogen meedoen; of de voorstellen der commissie niet allerlei praktische moeilijkheden zullen opleveren, o.a. door het te groot worden van de vergadering der synode; of het wel juist is te zeggen, dat de ontwikkeling van het diakonaat de medewerking der diakenen op de meerdere vergaderingen noodzakelijk maakt; of ook de financiële consequenties, die hieraan verbonden zullen zijn, zijn ingedacht; en dat het een uitdrukkelijk door de synode van Rotterdam afgewezen gedachte is, die thans door de commissie weer naar voren wordt gebracht.

De rapporteur van de commissie gaat op al deze punten uitvoerig in. Hij merkt op, dat ook in de kerkeraden de grens tussen „brede” en „smalle” zaken niet altijd nauwkeurig is aan te geven, dat de praktische en financiële consequenties nader zullen moeten worden bekeken in verband met heel de werkwijze van de synode, en dat in de enkele jaren, die sinds de synode van Rotterdam verliepen, het werk der diakenen naar alle kanten zoveel aanrakingspunten heeft verkregen dat een meespreken van de diakenen ook over niet-diakonale aangelegenheden daaruit vanzelf voortvloeit. Tenslotte wijst hij erop, dat de commissie niet meer wil, dan dat deze synode slechts een voorlopige uitspraak doet, die nog aan het oordeel van de kerken zal worden onderworpen, alvorens de volgende synode een definitieve beslissing zal nemen.

De praeses acht het gewenst, dat de vergadering, alvorens de voorgestelde conclusies te bezien, zich erover uitspreekt, of zij al of niet een beginseluitspraak over deze zaak zal doen. Met 26 stemmen vóór en 25 stemmen tegen wordt besloten, dat reeds deze synode zich in de geest, als door de commissie is voorgesteld, voorlopig zal uitspreken.

Thans komen de voorgestelde conclusies in behandeling.

Hetgeen is voorgesteld onder „kennis genomen hebbende” blijkt een wijziging te moeten ondergaan; doch overigens wordt het aangenomen. Ook „overwegende” sub a wordt aanvaard, terwijl besloten wordt in „overwegende” sub b het woord „noodzakelijk” door „wenselijk” te vervangen. Ook in „overwegende” sub c wordt een kleine verandering aangebracht,

Het voorstel-Scheele (Den Hartogh) (zie art. 418) behoeft bij „besluit” sub a niet meer aan de orde te komen, nu zoeven al is uitgesproken dat deze synode reeds een voorlopige beslissing ter zake zal nemen. Wel moet worden behandeld een amendement van ouderling T. Spaan, die voorstelt onder „besluit” sub a in de 3e regel te lezen: „maar ook in zaken, die de algemene leiding der kerken betreffen, behalve...” Dit amendement wordt door de commissie overgenomen en door de synode aangenomen. Nadat een amendement van ouderling J. Scholten om na het woord „tucht” de woorden „de belijdenis, de Woorddienst” te schrappen, is verworpen en een advies van dr D. Nauta om het woord „toezicht” in „opzicht” te wijzigen, is aanvaard, wordt „besluit” sub a aangenomen.

Bij „besluit” sub b stelt ds. D.A. Vogel voor, daarbij gesteund door ds. W. de Graaf en ouderling L. van ’t Sant, aan het slot toe te voegen: „en het in de vrijheid van de classes en de particuliere synoden te laten om in afwachting van deze definitieve beslissing te handelen als onder a bedoeld”. Dit amendement wordt verworpen. Vervolgens wordt „besluit” sub b in de door de commissie voorgestelde vorm aangenomen. Tenslotte wordt met. enige wijziging „besluit” sub c goedgekeurd.

De eindstemming heeft tot resultaat, dat het besluit als geheel met 30 stemmen voor en 21 stemmen tegen aangenomen wordt.

Acta GKN (1957) Art. 422

Plaats diakenen op meerdere vergaderingen

Art. 422. Het besluit der synode luidt nu aldus:

De generale synode,
kennis genomen hebbende van de verzoeken van de kerkeraden van Assen en Heerlen, van de classis Maastricht, van de particuliere synoden van Gelderland en Noord-Brabant en Limburg, en van de gedachte uit Zuid-Holland-Noord, alle betrekking hebbend op het vraagstuk van de plaats en taak van de diakenen in de meerdere vergaderingen;

overwegende,
a. dat in de kerkeraden aan de diakenen reeds een keurstem verleend wordt in tal van aangelegenheden, die te rekenen zijn tot de algemene leiding van het kerkelijk leven, en die ook op de meerdere vergaderingen aan de orde komen;
b. dat de ontwikkeling van het diakonaat en niet minder van de diakonale vraagstukken de medewerking van de diakenen op de meerdere vergaderingen ook voor andere zaken, dan thans geschiedt, wenselijk maakt;
c. dat noch aan de Heilige Schrift noch aan de belijdenis goede gronden te ontlenen zijn, om deze keurstem niet toe te laten in de meerdere vergaderingen ten opzichte van zaken, die tot deze algemene leiding behoren;

besluit:
a. in beginsel aan de genoemde verzoeken te voldoen, en uit te spreken, dat in de meerdere vergaderingen de diakenen niet alleen in de aangelegenheden van de dienst der barmhartigheid maar ook in zaken, die de algemene leiding der kerken betreffen, behalve die betrekking hebben op het opzicht, de tucht, de belijdenis, de Woorddienst, mede zullen beraadslagen en beslissen;
b. deze zaak echter, die een belangrijke verandering inhoudt van enkele artikelen van de kerkorde, eerst voor te leggen aan de kerken, zoals ook geschied is met de gehele herziene kerkorde, en na de kerken (en inzonderheid de particuliere synoden) gehoord te hebben de definitieve beslissing over te laten aan de e.v. generale synode; en
c. hiervan kennis te geven aan de kerkeraden, classes en particuliere synoden.

Acta GKN (1957) Art. 425

Herziening van de kerkorde art. 47

Art. 425. De praeses merkt op, dat nu een besluit genomen is over de plaats en de taak van de diakenen op de meerdere vergaderingen (zie art. 422) ook een beslissing kan vallen over het nog aangehouden artikel 47 van de voorlopig vastgestelde kerkorde.

Daar het genomen besluit slechts een beginsel-uitspraak inhoudt, waarover nog het oordeel van de kerken zal worden gevraagd, wordt door de deputaten en commissie II voorgesteld het genoemde artikel op dit ogenblik nog ongewijzigd vast te stellen. Diaken W.C. van Essen stelt voor in het 2e lid na „genoemde zaken” in te voegen „alsmede ter verkiezing van de leden van het moderamen”. Dit amendement wordt verworpen. Daarna wordt artikel 47 ongewijzigd aanvaard.

Het luidt aldus:

 

Artikel 47

1. Voor zaken, die de dienst der barmhartigheid betreffen, alsmede voor de verkiezing van diakenen-afgevaardigden zullen naar de meerdere vergaderingen, naast dienaren des Woords en ouderlingen, ook diakenen afgevaardigd worden.
2. Aan deze diakenen zal ten aanzien van de genoemde zaken stemrecht worden verleend.

Acta GKN (1957) Art. 426

Lippische Landeskirche

Art. 426. Namens commissie VI rapporteert dr E.D. Kraan over een schrijven van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen, waarin verzocht wordt om candidaat A. Klaassen in de dienst van de Lippische Landeskirche te laten overgaan en met deze kerk correspondentie in ruimere zin aan te gaan (P 41) (bijlage XCIV).

Tijdens de discussie wordt gevraagd, wat de commissie bedoelt met de uitdrukking „bij wijze van uitlening”; welke procedure zal moeten worden gevolgd bij de terugkeer van een „uitgeleende” candidaat of predikant; of een dergelijk predikant, die voor een tijd aan de Lippische Landeskirche verbonden wordt, blijft vallen onder de regeling naar art. 13 K.O.; en of de commissie bij haar voorstel om met de genoemde kerk correspondentie in ruimere zin aan te gaan wel rekening heeft gehouden met de opdracht, die te dezer zake door de synode van Leeuwarden aan de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken gegeven is (zie acta Leeuwarden, art. 416, sub III). Anderzijds wordt ook instemming uitgesproken met de voorstellen der commissie, omdat het hier een kerk geldt, die probeert gereformeerd te worden en uit dien hoofde stellig onze hulp en steun zal moeten ontvangen.

Nadat de afgevaardigden uit Duitsland nog inlichtingen hebben gegeven over de uitvoerige besprekingen die namens haar met de Lippische Landeskirche gehouden zijn, en ds P.D. Kuiper verklaard heeft, dat de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken zich in geen enkel opzicht door de voorstellen der commissie gepasseerd gevoelen, worden de gemaakte opmerkingen door de rapporteur der commissie beantwoord. Hij wijst erop, dat „bij wijze van uitlening” betekent dat de betrokkene beschikbaar wordt gesteld om beroepen te worden; dat een predikant, die zich aan de Lippische Landeskirche verbonden heeft, geen rechten, voortvloeiende uit art. 13 meer kan laten gelden; en dat de eventuele terugkeer van zulk een predikant en de daarbij te volgen procedure aan de synode der Altreformierten Kirche moet worden overgelaten.

Hierna komen de voorgestelde conclusies in stemming. Ze worden met een paar kleine wijzigingen door de synode aanvaard.

Het genomen besluit luidt aldus:

De generale synode,

kennis genomen hebbende van het verzoek van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen
a. om candidaat A. Klaassen te Echtelerfeld in de dienst van de Lippische Landeskirche te laten overgaan;
b. om met laatstgenoemde kerk in correspondentie in ruimere zin te treden;

overwegende:
a. dat er redenen zijn om de correspondentie in ruimere zin aan de Lippische Landeskirche aan te bieden;
b. dat er geen bezwaren tegen behoeven te bestaan dat candidaat A. Klaassen te Echtelerfeld in dienst van de Lippische Landeskirche overgaat;

besluit:
1. door middel van de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken aan de Lippische Landeskirche correspondentie in ruimere zin aan te bieden en bij eventuele aanvaarding daarvan deze correspondentie te voeren zowel van synode tot synode als door middel van de synode van de Altreformierte Kirche en dit laatste in deze zin dat deze voor het deel der correspondentie, door haar gevoerd, regelmatig aan de generale synode ter goedkeuring van haar handelingen rapport uitbrengt;
2. dat er geen bezwaar bestaat dat candidaat A. Klaassen bij wijze van uitlening ter beroeping aan de Lippische Landeskirche wordt afgestaan, mits hij de volle vrijheid behoudt zijn ambt daar uit te oefenen overeenkomstig de opvattingen die hieromtrent in de Gereformeerde Kerken in Nederland en dienovereenkomstig in de Altreformierte Kirche in Niedersachsen bestaan;
3. dat ook andere candidaten of predikanten van de Altreformierte Kirche in Niedersachsen en van de Gereformeerde Kerken in Nederland op verzoek van de Lippische Landeskirche in gelijke zin ter beroeping kunnen worden afgestaan, mits dit geschiedt door tussenkomst van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen;
4. van dit besluit kennis te geven aan de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken, aan de synode van de Altreformierte Kirche in Niedersachsen en aan candidaat A. Klaassen te Echtelerfeld.

Acta GKN (1957) Art. 427

Afvaardiging van de Altreformierte Kirche op de generale synode

Art. 427. Namens commissie III rapporteert dr D. Nauta over een missive van de synode der Altreformierten Kirche in Niedersachsen, waarin zij zich uitspreekt over een op de synode van Leeuwarden (1955) door de deputaten voor de herziening van de kerkorde ingediend voorstel (zie acta Leeuwarden, art. 348, sub 9a) betreffende het aantal afgevaardigden dat de Altreformierte Kirche naar de generale synode zal mogen zenden (O 14) (bijlage XCV).

In een korte discussie wordt erop gewezen, dat de synode der Altreformierten Kirche slechts twee classes omvat en derhalve met een particuliere synode in Nederland moeilijk gelijk kan worden gesteld. Al wil de commissie echter op deze grond het aantal stemhebbende afgevaardigden verminderen, ze wil de mogelijkheid dat daarnaast enkele afgevaardigden met adviserende stem worden gezonden, open laten.

Hierna worden de voorstellen der commissie aangenomen.

Zij luiden aldus:

 

De synode,

kennis genomen hebbende van de missive van de „Synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen” van 13 juni 1957, waarin zij zich uitspreekt over het voorstel, dat gediend heeft op de generale synode van Leeuwarden (1955), acta art. 348 ad 9a, tot het aanbrengen van een wijziging in artikel 2 van de door de synode van Groningen (1927) vastgestelde regeling voor de nadere samenleving van de Oud-Gereformeerde Kerken in Bentheim en Oost-Friesland met de Gereformeerde Kerken in Nederland;

overwegende:
1. dat artikel 2 van de bedoelde regeling ook afgedacht van de overweging welke reeds voor de synode van Leeuwarden heeft gegolden, herziening behoeft, omdat daarin niets bepaald wordt over het eventueel afvaardigen van een diaken naar de generale synode;
2. dat de overweging, waarmede reeds de synode van Leeuwarden haar instemming betuigd heeft, door de synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen niet is bestreden, al heeft zij wel gewezen op het belang dat er voor haar mede is gemoeid, wanneer zij in staat wordt gesteld zoveel mogelijk door middel van afgevaardigden deel te nemen aan de beraadslagingen der generale synode;
3. dat aan het bezwaar van de synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen genoegzaam kan worden tegemoetgekomen door te bepalen, dat naast twee stemhebbende afgevaardigden nog een paar andere met adviserende stem zitting mogen ontvangen in de generale synode;

besluit:
1. in artikel 2 van de vermelde regeling een wijziging aan te brengen, zodat de tweede volzin van dit artikel aldus komt te luiden: „Deze algemene classis vaardigt één predikant, één ouderling en in voorkomende gevallen één diaken af naar de generale synode in Nederland, die daar evenals de afgevaardigden van de particuliere synoden in Nederland zitting en stem hebben, en heeft het recht om naast deze afgevaardigden nog een predikant en een ouderling af te vaardigen, die slechts een adviserende stem hebben”;
en 2. hiervan kennis te geven aan de synode der Altreformierten Kirchen in Niedersachsen.

In dit verband neemt de synode tevens het volgende besluit:

De synode besluit aan de deputaten voor de herziening van de kerkorde op te dragen de tekst van de regeling van de samenleving van de Oud-Gereformeerde Kerken in Bentheim en Oost-Friesland, vastgesteld door de generale synode van Groningen (1927), te herzien en in overeenstemming te brengen met de tegenwoordige toestand en met de huidige bepalingen, en van het resultaat van hun arbeid te rapporteren aan de volgende synode.

Acta GKN (1957) 580501

Zitting van donderdag 1 mei 1958

Acta GKN (1957) Art. 445

Herziening van de kerkorde art. 35, 42, 45 en 71

Art. 445. De praeses stelt thans aan de orde de nadere behandeling van een aantal artikelen van de kerkorde, die in vorige zittingen werden aangehouden, en waarover door de deputaten en de commissie nog een advies zou worden uitgebracht (O 1a enz.) (bijlage LXXVIII a, b en c).

Dit betreft allereerst de artikelen 35, 42, 45 en 71.

T.a.v. artikel 35 wordt voorgesteld het slot van lid 2 aldus te lezen: „met dien verstande, dat ze zich voor het overige te gedragen hebben naar de door de betreffende vergadering gegeven aanwijzingen” (zie art. 334 en 335).

Ds J. van Herksen stelt voor achter „voor het overige” nog in te voegen: „met name met het oog op het kerkverband”. Dit amendement wordt verworpen. Daarna wordt het voorstel van de deputaten en de commissie aangenomen.

De behandeling van artikel 42 moet nog worden uitgesteld, totdat het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, in zake de grotestadskerken aan de orde zal komen (zie daarvoor art. 458, 469, 470, 471, 473).

Vervolgens wordt voorgesteld in artikel 45, lid 1 te lezen: „.... met name in zaken, waarmee het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn”; en lid 2 van dit artikel aldus te laten luiden: „... waarmee het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen uitvoering geven, voordat aan de leden der gemeente, gedurende de tijd van één maand, de gelegenheid is gegeven, in appèl te gaan bij de meerdere vergadering”. De woorden „en zolang ...”, die aan het slot stonden, zouden hier dus vervallen.

Over deze voorstellen ontstaat enige discussie. Evenals bij de eerste bespreking (zie art. 336) wordt er ook nu weer op gewezen, dat over het voorgestelde lid 2 van artikel 45 de kerkelijke vergaderingen niet hebben kunnen oordelen. Verder wordt enerzijds opgemerkt, dat de schrapping van het slot weinig verschil maakt, terwijl anderzijds voor behoud van de slotwoorden gepleit wordt. Ook wordt de gedachte geopperd om het gehele lid 2 te laten vervallen, daar het hierin bepaalde, hoewel niet in tegenspraak met de uitspraken van de synode van Rotterdam, toch wel van verdergaande strekking is. Ds P.N. Kruyswik stelt voor om na „meerdere vergadering” nog toe te voegen „en deze daarin heeft beslist”. Daar het niet mogelijk blijkt, nu reeds tot een beslissing te komen, wordt dit artikel opnieuw ter fine van advies aan de commissie in handen gegeven, terwijl eventuele andere voorstellen tot wijziging door de leden der vergadering bij de commissie nog kunnen worden ingediend (zie verder art. 473).

Tenslotte wordt, aangenomen het voorstel om lid 2 van artikel 71 aldus te lezen: „In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan de orde van dienst, welke door de generale synode is vastgesteld”.

Acta GKN (1957) Art. 446

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 35, 42, 45 en 71

Art. 446. De synode besluit de artikelen 36 en 71 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen, terwijl over de artikelen 42 en 45 nog een nadere beslissing zal worden genomen.

 

Artikel 35 (zie voor de volledige tekst art. 335).

Artikel 71

1. De inrichting van de kerkdiensten wordt vastgesteld door de kerkeraad.
2. In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan een orde van dienst, welke door de generale synode is vastgesteld.

Acta GKN (1957) Art. 447

Herziening van de kerkorde art. 80, 82, 94, 106 en 106a

Art. 447. Thans stelt de praeses aan de orde de nadere behandeling van de artikelen 80, 82, 94, 106 en 106a van de voorlopige kerkorde.

Allereerst stellen de deputaten en de commissie voor artikel 80, lid 4 aldus te lezen: „Degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen toegelaten worden, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun gezonde leer en godvrezende wandel en na goedkeuring van de gemeente, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat eerst openbare belijdenis des geloofs moet afgelegd worden.” Dit voorstel wordt door de synode aanvaard.

De redactie van artikel 82 willen de deputaten en de commissie nu aldus laten luiden: „Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.” Ook dit wordt goedgekeurd.

Verder wordt voorgesteld in artikel 94, lid 1 aldus te lezen: „... zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen ...”. De synode gaat hiermee accoord.

T.a.v. de artikelen 106 en 106a, waaromtrent reeds besloten werd ze tot één artikel samen te voegen (zie art. 363), wordt nu voorgesteld lid 1 te laten luiden als volgt: „1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods Naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.” Als lid 2 zou dan volgen het oude artikel 106. Ook hiermee gaat de vergadering accoord.

Acta GKN (1957) Art. 448

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 80, 82, 94, 106 en 106a

Art. 448. De synode besluit de artikelen 80, 82, 94, 106 en 106a van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 80

1. Tot het heilig avondmaal wordt toelating verkregen door het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.
2. Alvorens iemand toe te laten tot het afleggen van openbare belijdenis des geloofs zal de kerkeraad een onderzoek instellen naar de beweegreden voor het doen van belijdenis alsook naar de gezonde leer en de godvrezende wandel en voorts de namen van degenen, die toegang verlangen, aan de gemeente mededelen.
3. Degenen, die uit een andere gemeente overkomen, zullen tot het heilig avondmaal toegelaten worden op grond van een overgelegde attestatie, voorzover deze genoegzame waarborg biedt van een gezonde leer en godvrezende wandel.
4. Degenen, die uit een andere dan een gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen toegelaten worden, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun gezonde leer en godvrezende wandel en na goedkeuring van de gemeente, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat eerst openbare belijdenis des geloofs moet afgelegd worden.

Artikel 82

Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.

Artikel 94

1. In het belang van de arbeid der evangelisatie zal de generale synode een aantal deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen en het nodige te verrichten tot bevordering van de opleiding van krachten voor de arbeid der evangelisatie.
2. Ten behoeve van de in lid 1 bedoelde arbeid kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

 

Hoofdstuk V

HET VERMAAN EN DE TUCHT VAN DE KERK

I. Algemene Bepalingen

Artikel 106

1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods Naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.
2. Het vermaan en de tucht, welke door de dienaren des Woords en de ouderlingen geoefend worden, laten onaangetast de roeping, die op alle leden der gemeente rust om op elkander in broederlijke liefde acht te geven en zo nodig elkander te vermanen en zulk een vermaan ter harte te nemen.

Acta GKN (1957) Art. 449

Herziening van de kerkorde art. 117, 130 en „censura morum”

Art. 449. Thans komen in nadere bespreking de artikelen 117 en 130, alsmede een memorie van ds. A. Mout inzake de censura morum (zie artikel 334 slot).

Het amendement van ds J.C. Hagen en ds F.C. Zwaal, dat op lid 1 van artikel 117 is ingediend, werd door de deputaten en de commissie overwogen, en is aanleiding, dat thans wordt voorgesteld om op artikel 117 een afzonderlijk artikel 117a te laten volgen, waarin over het eigenwillig neerleggen van het ambt gesproken wordt. Dit nieuwe artikel zou dan aldus moeten luiden: „Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, vervallen verklaren van alle aan dat ambt verbonden rechten. Voorts zal de kerkeraad over hen de vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.” Na een korte discussie, waarin dr D. Nauta adviseert de laatste woorden vanaf „tenzij” weg te laten, wordt artikel 117a conform het voorstel der commissie vastgesteld. Ook lid 1 van artikel 117, waarover nog geen besluit was genomen (zie art. 365), wordt nu goedgekeurd met de kleine wijziging, die de commissie daarin in haar rapport had voorgesteld.

T.a.v. lid 2 van artikel 130 wordt voorgesteld het woordje „ook” te laten vervallen en het slot ervan aldus te lezen „in de christelijke godsdienst te doen geven, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zoveel mogelijk gebruik maken.” De synode aanvaardt dit.

Ook komt nog in behandeling een memorie van ds A. Mout, waarin deze erop aandringt dat een bepaling in de kerkorde zal worden opgenomen, dat censura morum zal worden gehouden in een samenkomst van de kerkeraad, voorafgaande aan de viering van het heilig avondmaal, en in verband daarmee een voorstel doet om in artikel 41 alsnog een nieuw lid 2 op te nemen, aldus luidende: „De kerkeraad zal in de samenkomst, voorafgaande aan het heilig avondmaal aan de orde stellen hetgeen in art. 37, lid 2 bepaald is” (Zie art. 334 slot en art. 337).

Er volgt een bespreking, waarin blijkt, dat de commissie het de synode ontraadt het amendement-Mout te aanvaarden. Ook verschillende leden der synode zijn van mening, dat de tijd, waarop de censura morum gehouden wordt, aan de plaatselijke kerken kan worden overgelaten. Ds W. de Graaf stelt voor in lid 2 van artikel 37 de woorden toe te voegen: „In het bijzonder zal deze gelegenheid worden gegeven in de samenkomst, die onmiddellijk aan de viering van het heilig avondmaal voorafgaat.” Ds Mout merkt op, dat de plaats, waar de door hem bedoelde bepaling wordt opgenomen, alsmede de formulering ervan voor hem bijkomstig is, als maar ergens een bepaling in deze zin komt te staan. Op advies van dr D. Nauta vraagt de praeses de synode zich erover uit te spreken of zij in principe voor de gedachte van ds Mout gevoelt. De meerderheid spreekt zich daarna ten gunste van deze gedachte uit. Verder wordt besloten, dat de commissie nu in overleg met ds Mout nog een nader voorstel zal doen betreffende de redactie en de plaats van de op te nemen bepaling (zie verder art. 473).

Acta GKN (1957) Art. 450

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 117, 117a en 130

Art. 450. De synode besluit de artikelen 117, 117a en 130 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 117

1. Wanneer ambtsdragers in strijd handelen met hun ondertekening van de belijdenis, of zich schuldig maken aan een schromelijk veronachtzamen of misbruiken van hun ambt, of op andere wijze in ernstige mate afwijken van de gezonde leer of de godvrezende wandel, zullen zij in hun diensten geschorst of terstond uit hun ambt ontzet worden.
2. Het oordeel, of de ontzetting uit het ambt terstond zal geschieden alsook of na de voorafgegane schorsing deze ontzetting zal volgen, staat bij de bevoegde vergadering, als bedoeld in de artikelen 119 en 123.

Artikel 117a

Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, vervallen verklaren van alle aan dat ambt verbonden rechten. Voorts zal de kerkeraad over hen de vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.

Artikel 130

1. De kerken zullen erop toezien, dat de kinderen der gemeente zoveel mogelijk onderwezen worden op christelijke scholen.
2. De kerken zullen van alle gelegenheden om op andere scholen onderwijs in de christelijke godsdienst te doen geven, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zoveel mogelijk gebruik maken.

Acta GKN (1957) Art. 451

Bepalingen voor de zending

Art. 451. Eveneens komen nog in behandeling de voorstellen, voorkomende in het rapport van commissie II over de herziening van de kerkorde, rapporteur ds M. Kamper, betreffende de regelingen voor de zending.

Allereerst wordt voorgesteld in de instructie voor de deputaten van de generale synode, bedoeld in artikel 13, lid 2 (zie acta Leeuwarden 1955/56, art. 429), sub 3e aan het einde van de eerste zin na het woord „elenctiek” toe te voegen: “, waarbij rekening gehouden wordt met de bestemming van de aanstaande missionaire dienaar des Woords”; wordt goedgevonden. Voorts worden aangenomen de beide andere voorstellen, die hierbij door de commissie worden gedaan, namelijk om te bepalen, dat de regeling van het in artikel 13 van de kerkorde bedoelde examen, voor wat betreft aanstaande missionaire dienaren des Woords voor de zending onder de Joden zal ingaan met 1 juli 1958; en dat één van de drie deputaten, bedoeld in artikel 13 van de kerkorde voortaan iemand zal dienen te zijn, die geacht mag worden deskundig te zijn op het gebied van de zending onder de Joden.

Overeenkomstig het advies van de commissie besluit de synode verder om op de suggestie van de classis Appingedam om in de nadere bepalingen voor de deputaten van de generale synode voor de zending (behorende bij artikel 102 van de kerkorde) sub 5e de woorden „na overleg” te veranderen in ,,in overleg”, niet in te gaan.

Ook de voorstellen van de commissie, die betrekking hebben op de bepalingen inzake de opleiding aan het zendingsseminarie (behorende bij artikel 102 (oud 103) van de kerkorde; zie acta Leeuwarden 1955/56, art. 466) worden alle door de synode aangenomen. Derhalve wordt besloten:

a. om overal waar in deze bepalingen het woord „vooropleiding” voorkomt, het te vervangen door „opleiding”;
b. deze bepalingen, in verband met het genomen besluit om artikel 102 en 103 van de voorlopige vastgestelde kerkorde tot één artikel samen te voegen  (zie art. 356), thans te laten vallen onder artikel  102, lid 2 en 3;
c. in de eerste bepaling achter het woord „curatorium” een punt te plaatsen, en de resterende woorden te vervangen door de volgende nieuwe zin: „De leden van dit curatorium worden voor de kleinst mogelijke meerderheid genomen uit de generale deputaten voor de zending, terwijl één lid moet behoren tot de deputaten voor de zending onder de Joden”;
d. in de tweede bepaling de tweede volzin te doen luiden: „Als rector wordt aangewezen de hoogleraar, aan wie aan de Theologische Hogeschool het onderwijs in de zendingsvakken is opgedragen”;
e. in de vierde bepaling de tweede volzin aldus te lezen: „Nadat zij met gunstige afloop de cursus gevolgd hebben, zullen zij zoveel mogelijk in staat gesteld worden op het zendingsterrein, waar ze hun taak zullen vinden, nog gedurende een periode van drie tot zes maanden hun verdere opleiding te ontvangen”.

Tenslotte wordt er namens de commissie op gewezen, dat zij van mening is, dat nog niet alle artikelen van de oude zendingsorde zijn vervangen; daarom stelt zij voor, dat aan de nieuw te benoemen deputaten voor de herziening van de kerkorde zal worden opgedragen na te gaan welke eventuele aanvulling van de bepalingen voor de zending nog nodig is.

Het voorstel, dat de commissie aan het einde van dit gedeelte van haar rapport doet, wordt daarna door de synode aangenomen.

De synode besluit:
1. dank te zeggen aan de door de synode van Leeuwarden 1955/56 benoemde deputaten voor de herziening van de kerkorde voor hun arbeid met betrekking tot de zendingsbepalingen;
2. aan de door deze synode benoemde deputaten voor de herziening van de kerkorde op te dragen:
a. in samenwerking met de generale deputaten voor de zending na te gaan, welke van de in art. 465, I A b van de acta van de synode van Leeuwarden 1955/56 bedoelde bepalingen, op welker naleving bij de benoeming van allen, die in dienst van de zending uitgezonden worden, de generale deputaten voor de zending toezicht moeten houden, en welke bepalingen, die verband houden met art. 122 van de voorlopig vastgestelde kerkorde, nog onder de zendingsbepalingen, die de zendingsorde ten dele zullen vervangen, moeten worden opgenomen, en
b. voorstellen dienaangaande voor te leggen aan de volgende generale synode.

Acta GKN (1957) 580502

Zitting van vrijdag 2 mei 1958

Acta GKN (1957) Art. 458

Grotestadsprobleem

Art. 458. Namens commissie II rapporteert dr K. Dijk over het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde inzake de grotestadskerken (O 3) en een schrijven van ds W.F.C. van Helsdingen over een oplossing van het grotestadsprobleem, zoals deze z.i. zal moeten worden gezocht (O 34) (bijlage CIV a en b).

De rapporteur deelt mede, dat nog een tweetal brieven is ingekomen resp. van de kerken van Amsterdam en Amsterdam-Zuid (P 2 en P 3), waarmee echter de commissie bij het opstellen van haar rapport geen rekening meer heeft kunnen houden. De commissie stelt voor, deze brieven in handen te stellen van de te benoemen deputaten, indien namelijk haar desbetreffend voorstel door de synode zal worden aangenomen.

Aangezien het commissierapport op vele punten afwijkt van het deputaten-rapport, komen ook in de discussie tegengestelde gedachten naar voren. Enerzijds worden tegen het commissierapport ernstige bezwaren ingebracht; men acht de voorstellen ervan te strak geformuleerd; men is van oordeel dat daarin te weinig rekening gehouden wordt met de grote moeilijkheden, waarin sommige kerken zich bevinden, alsmede met het historisch gewordene; men wijst erop, dat de commissie het grotestadsprobleem te veel in algemene zin heeft beschouwd, terwijl de deputaten slechts tot opdracht hadden zich te bezinnen op de situatie in enkele kerken; en men pleit voor het geven van zoveel mogelijk vrijheid, al zal deze binnen de grenzen van een bepaald kader moeten blijven. Daartegenover wordt ook het commissierapport gesteund en het deputatenrapport bestreden: o.m. wordt daarbij opgemerkt, dat in kerken waar kerksplitsing werd toegepast een afdoende oplossing werd verkregen, doch in kerken, waar men dit niet deed de moeilijkheden bleven voortduren; dat de bezwaren, die tegen kerksplitsing blijken te bestaan, niet onoverkomelijk zijn, vooral niet wanneer men het „rondpreken” laat doorgaan en de grenzen der deelkerken nog niet onmiddellijk definitief vaststelt; dat de „gedeelde verantwoordelijkheid”, zoals die door de deputaten wordt voorgesteld, een vreemde figuur in ons kerkelijk leven zal worden en ook allerlei praktische moeilijkheden mee zal brengen; en dat de massaliteit van de grote stad alleen werkelijk doorbroken wordt door de stichting van volledig zelfstandige deelkerken, die slechts enkele zaken in een commissie van gedelegeerden gemeenschappelijk blijven  regelen.

Ook de beide rapporteurs voeren het woord. De rapporteur van de deputaten, dr D. Nauta, wijst er daarbij op, dat het commissierapport te negatief is, en de grotestadskerken, die reeds herhaaldelijk haar moeilijkheden aan de synode hebben voorgelegd, in de mist laten zitten. De rapporteur van de commissie daarentegen betoogt, dat er wel degelijk allerlei positieve elementen in de voorstellen der commissie te vinden zijn en dat er alle reden is om op deze synode nog geen definitieve besluiten te  nemen, daar ook tal van andere middel-grote kerken met soortgelijke problemen worstelen, welke problemen door een daarvoor in te stellen deputaatschap eerst nog nader onder het oog zullen moeten worden gezien.

De praeses is van mening, dat het bij zo tegengestelde voorstellen voor de synode moeilijk zal zijn om tot een beslissing te komen. Hij dringt daarom op een nader overleg tussen de deputaten en de commissie aan.

Nu komt echter de vraag naar voren of er voor een dergelijk overleg wel een voldoende basis aanwezig is. De synode zal toch in ieder geval voor dit overleg een richtlijn moeten aangeven. Na enige discussie kunnen zowel de beide rapporteurs als de leden der synode zich verenigen met de gedachte, dat getracht zal worden aan de grotestadskerken, die in een nood-situatie verkeren, een voorlopig advies te geven door het maken van enkele interimbepalingen, terwijl dan op de volgende synode een meer definitieve regeling zou kunnen worden vastgesteld, nadat daarover eventueel te benoemen deputaten een rapport zullen hebben uitgebracht.

Besloten wordt aan de deputaten en de commissie op te dragen zich in de aangegeven zin over deze zaak nader te beraden en daarna zo mogelijk een gemeenschappelijk voorstel aan de synode voor te leggen (zie verder art. 469, 470 en 471).

Acta GKN (1957) 580506

Zitting van dinsdag 6 mei 1958

Acta GKN (1957) Art. 462

Kerkelijke stichtingen

Art. 462. Namens commissie II rapporteert ds mr W.S. de Vries over de „Memorie over de kerkelijke stichtingen”, behorende bij het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde (O 43) (bijlage CV. a en b).

In een uitvoerige discussie komen verschillende vragen en bezwaren naar voren. Gevraagd wordt of bestaande stichtingen, die voordat de thans gegeven richtlijnen bekend waren in het leven werden geroepen, nu niet in grote moeilijkheden worden gebracht, alsmede of allerlei in de richtlijnen gebruikte uitdrukkingen (zoals „tenzij” en „bezwaarlijk anders” in 2a, „ten dele tot de taak van de kerk behoort” in 2 b, en „het welzijn van de kerk” in 2 e) wel duidelijk en scherp genoeg geformuleerd zijn. Verder wordt erop gewezen, dat de kerk hier de grenzen van haar taak in het oog zal moeten houden, en dat men eigenlijk bezig is naar een vierkante cirkel te zoeken, wanneer men enerzijds stelt, dat de kerk zich van arbeid, die niet rechtstreeks tot haar taak behoort, moet distanciëren, doch anderzijds aan diezelfde kerk in allerlei beslissingen, die een stichting te nemen heeft, het laatste woord wil geven. Naar het oordeel van sommigen grijpt de kerk met haar veto-recht te diep in de gedragingen van de stichting in en zullen daaruit alle mogelijke conflicten kunnen voortkomen. Ook acht met het gevaarlijk dat de stichting een legitieme figuur in ons kerkelijk leven zou gaan worden en pleit men ervoor het oprichten van stichtingen vooral niet te bevorderen, maar veeleer af te remmen. Het laatste zou o.m. kunnen geschieden doordat in elke provincie deputaten worden aangewezen, die de kerken bij aangelegenheden als deze van advies dienen. Tenslotte werd erop aangedrongen het veto-recht in geen geval eenvormig te regelen en aan de voorgestelde conclusies een praeambule te laten voorafgaan, waarin iets gezegd wordt over de beperktheid van de roeping der kerk.

Mr Schenkeveld, deputaat voor de herziening van de kerkorde, gaat op al deze vragen en bezwaren in. Hij betoogt, dat de kwestie van de kerkelijke stichtingen buitengewoon moeilijk is, doch dat er gelukkig over deze materie tussen de deputaten en de commissie overeenstemming werd bereikt. Volgens hem is er hier van het zoeken naar een vierkante cirkel geen sprake, doch is het een logische zaak, dat de kerk bij het deelnemen aan het werk van een bepaalde stichting, het recht heeft om op essentiële punten haar veto te laten horen. Hoezeer hij het ook eens is met de gedachte dat het aantal stichtingen niet te groot zal moeten worden, toch acht hij het benoemen van deputaten voor deze zaak in elke provincie niet aanbevelenswaardig. Verder geeft hij een uitvoerige toelichting op de voorgestelde richtlijnen, waarbij hij er in het bijzonder de aandacht op vestigt dat deze richtlijnen soepel zijn gesteld.

Voor een korte comité-zitting moet op dit tijdstip de bespreking even worden afgebroken (zie verder art. 465, 466).

Acta GKN (1957) Art. 465

Kerkelijke stichtingen

Art. 465. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteur ds mr W. S. de Vries, over de „Memorie over de kerkelijke stichtingen”, ingediend door de deputaten voor de herziening van de kerkorde (O 43) (bijlage CV a en b) wordt voortgezet (zie art. 462).

Ook de rapporteur der commissie beantwoordt thans de verschillende sprekers, die het woord voerden en wijst er daarbij vooral op, dat de zaak van de kerkelijke stichtingen nog in wording is, zodat de thans voorgestelde richtlijnen nog niet als definitief beschouwd moeten worden.

Dr R. Schippers adviseert in richtlijn c te laten vervallen de woorden: „geen voorste] aangenomen” en achter de woorden „het welzijn van de kerk geschaad zou worden” in te voegen de woorden: „althans, indien dit oordeel betrekking heeft op (voorstellen,) besluiten en handelingen, die geacht kunnen worden te liggen op het terrein, waar de kerk een ambtelijk-kerkelijke roeping heeft”.

Ds M.J.C. Bosscha en ouderling O. Dijkstra stellen voor in richtlijn c. in plaats van „of haar vertegenwoordigers” te lezen „of haar vertegenwoordiging”.

Dr H.N. Ridderbos adviseert de conclusies te voorzien van een preambule, waarin duidelijk blijkt, dat de synode in geen geval bedoelt het oprichten van stichtingen te animeren.

Laatstgenoemd advies wordt door de commissie overgenomen en als voorstel ingediend, doch na enige discussie door de vergadering verworpen.

Hierna komen op voorstel van de praeses allereerst de voorgestelde richtlijnen in behandeling. De richtlijnen a en b worden met een kleine wijziging aangenomen. Bij richtlijn c worden de beide adviezen van dr R. Schippers, die door ds E.N. van Loo worden overgenomen en als amendementen ingediend, verworpen, hoewel het eerste advies ook door de deputaten en de commissie was overgenomen. Ook het amendement-Bosscha-Dijkstra wordt niet aanvaard. Daarna wordt richtlijn c in de door de commissie voorgestelde vorm aangenomen. Dr R. Schippers vraagt hierop aantekening in de acta, dat hij tegen het gehele besluit is, omdat de synode zijn eerste advies, om de woorden „geen voorstel aangenomen” te laten vervallen, niet heeft aangenomen. De praeses acht het niet uitgesloten, dat bij de stemming over dit advies een misverstand in het spel is geweest, en wil hierover het oordeel van het moderamen vragen (zie verder hieronder).

Vervolgens wordt richtlijn d goedgekeurd, terwijl de synode eveneens accoord blijkt te gaan met de algemene bepaling, die de commissie voorstelt in hoofdstuk IV van de herziene kerkorde onder het hoofd: „VI. Stichtingen” als artikel 105a op te nemen.

Ook hetgeen overigens nog onder „van oordeel” en onder „besluit” sub 3 wordt voorgesteld wordt door de vergadering aanvaard.

De praeses komt later nog terug op de stemming, die gehouden werd over het Ie amendement-Van Loo (Schippers). Hij deelt mee, dat het moderamen voorstelt aan de vergadering te vragen of het aan allen geheel duidelijk is geweest, dat dit amendement door de deputaten en de commissie werd overgenomen; en indien blijken mocht, dat dit niet het geval is geweest, over dit amendement opnieuw te stemmen. De vergadering keurt dit goed. Nadat enkele leden verklaard hebben inderdaad niet begrepen te hebben, dat het advies van dr Schippers behalve door ds Van Loo ook door de deputaten en de commissie was overgenomen, wordt over dit advies opnieuw gestemd en wordt het met 25 tegen 20 stemmen aangenomen.

Tenslotte wordt bij eindstemming het gehele besluit door de synode goedgekeurd. Dr H.N. Ridderbos verzoekt hierbij aantekening in de acta, dat hij als praeadviserend lid tegen heeft gestemd, omdat naar zijn mening dit besluit te weinig rekening houdt met het gevaar, dat de kerken de grenzen van haar roeping overschrijden.

De praeses richt zich thans nog met een enkel woord van dank tot de deputaten en de commissie, die er in slagen mochten deze moeilijke en veeleisende arbeid in onderling overleg tot een goed einde te brengen.

Acta GKN (1957) Art. 466

Kerkelijke stichtingen. Besluit

Art. 466. Het besluit der synode luidt nu aldus:

De generale synode,
van oordeel,
1. dat het thans nog niet mogelijk is in de kerkorde de zaak van de stichtingen op afdoende wijze te regelen;
2. dat het anderzijds stellig gewenst is reeds nu voor het oprichten van of het deelnemen aan stichtingen door vergaderingen van de kerk enkele richtlijnen te geven;

besluit:
1. als algemene bepaling in Hoofdstuk IV van de kerkorde op te nemen:

„VI. Stichtingen.
Artikel 105a. Bij het in leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen zullen de vergaderingen der kerk zich gedragen naar de daarvoor door de generale synode gegeven richtlijnen”;

2. voor het in leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen door vergaderingen van de kerk de volgende richtlijnen vast te stellen:
a. Tot het verrichten van arbeid, welk geacht moet worden geheel tot de taak van de kerk te behoren, zullen de vergaderingen van de kerk geen stichtingen in het leven roepen, tenzij ten behoeve van bepaalde belangen, voorzover het mocht blijken, dat die bezwaarlijk anders dan door een stichting goed kunnen worden behartigd.
(Hierbij wordt o.a. gedacht aan de stichting „Stichting Landelijke Samenwerking").
b. Tot het verrichten van arbeid, welke geacht kan worden althans ten dele tot de taak van de kerk te behoren of ten behoeve van bepaalde belangen, welker behartiging ten dele tot de taak van de kerk behoort, kan een vergadering van de kerk zelfstandig of in samenwerking met andere vergaderingen van de kerk dan wel met derden een stichting in het leven roepen of aan een reeds door derden opgerichte stichting deelnemen.
c. De samenwerking met derden tot het oprichten van of het deelnemen aan een stichting zal slechts geschieden, indien en zolang dit bevorderlijk is voor het welzijn van de kerk. In de statuten van een dergelijke stichting behoort de bepaling voor te komen, dat door haar bestuur geen besluit uitgevoerd en geen handeling verricht kan worden, waardoor naar het oordeel van de vergadering van de kerk of haar vertegenwoordigers het welzijn van de kerk geschaad zou worden. Indien het niet mogelijk blijkt een bepaling als in de laatste volzin bedoeld in de statuten opgenomen te krijgen, zal het alleen dan aan een vergadering van de kerk geoorloofd zijn aan het oprichten van of deelnemen aan de desbetreffende stichting mee te werken, indien er overigens voldoende gronden zijn voor de overtuiging, dat door het niet-meewerken het welzijn van de kerk zou worden geschaad.
d. Door de vergaderingen van de kerk zullen een of meer deputaten worden aangewezen, die als haar vertegenwoordigers in het bestuur van de stichting zitting zullen hebben of die op de handelingen van dit bestuur toezicht zullen houden. Daarbij zullen deze vergaderingen zich het recht voorbehouden het ontslag van haar deputaten geheel afhankelijk te stellen van wat door haar wordt aangemerkt als het welzijn van de kerk”;

3. uit te spreken:
a. dat zij niet geacht wil worden een oordeel te geven over het al of niet „kerkelijke” in de zin van de wet, van stichtingen, die reeds vóór de vaststelling van deze richtlijnen waren opgericht;
b. dat zij er echter wel bij de vergaderingen van de kerk op aandringt te overwegen, in hoeverre het mogelijk is de statuten van reeds bestaande stichtingen, waaraan zij deelnemen, alsnog met deze richtlijnen in overeenstemming te brengen, en indien dit mogelijk blijkt, er naar te streven dat ook te doen;
c. dat, hoewel het burgerrechtelijk mogelijk is, dat diakonieën zelfstandig stichtingen in het leven roepen of daaraan deelnemen, het uit kerkrechtelijk oogpunt niet juist is van deze gelegenheid gebruik te maken, omdat diakonieën niet zijn vergaderingen van de kerk in de zin van de kerkorde, zodat, wanneer een diakonie een stichting wil oprichten of daaraan gaan deelnemen, de kerkeraad, als vertegenwoordigend de kerk, dit dient te doen ten behoeve van haar diakonie;

4. haar hartelijke dank te betuigen aan de deputaten voor de herziening van de kerkorde voor de in deze zaak van de stichtingen niet alleen belangrijke, maar ook zo moeizame arbeid, door hen voor onze kerken verricht.

Acta GKN (1957) Art. 469

Grotestadsprobleem

Art. 469. De behandeling van het rapport van commissie II, rapporteur dr K. Dijk, over het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde inzake de grotestadskerken (O 3) en een op dezelfde zaak betrekking hebbend schrijven van ds. W.F.C. van Helsdingen (O 34) (bijlage CIV a en b) wordt voortgezet (zie art. 458).

De rapporteur der commissie deelt mede, dat het overleg tussen de deputaten en de commissie tot overeenstemming heeft geleid en dat in verband daarmee thans gewijzigde conclusies aan de synode worden voorgelegd, waarin enerzijds aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam een voorlopig antwoord wordt gegeven en anderzijds tot een nadere bestudering van het grotestadsvraagstuk besloten wordt.

Een korte discussie volgt, waarin teleurstelling wordt uitgesproken over het uitstel, dat hiermee aan deze zaak gegeven wordt; gevraagd wordt wat nu precies aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam zal worden toegestaan; en de opmerking gemaakt wordt, dat moeilijk kan worden toegestaan van de kerkorde af te wijken zolang deze nog niet is vastgesteld. Ook dient ds P.N. Kruyswyk, daarin gesteund door ds D. Scheele, ds P.D. Kuiper, ds H.W. Engelkes en ouderling S. Melse het voorstel in om aan het slot van sub 2 te lezen: „van de taak van de kerkeraad door deze onontwijkbaar wordt geacht” en besluit sub 3b aldus te formuleren: „overleg te plegen met die kerken, welke daarom verzoeken”.

De beide rapporteurs antwoorden. Zij wijzen erop, dat het moeilijk was voor de kerken van Amsterdam en Rotterdam enkele interim-bepalingen te maken, en dat het daarom beter geoordeeld werd binnen een bepaalde grens aan deze kerken een zekere vrijheid te geven. Het voorstel-Kruyswijk c.s. achten zij niet aanbevelenswaardig, terwijl zij, wat betreft artikel 42 van de herziene kerkorde, meedelen, dat het de bedoeling van de commissie is lid 2 daarin te laten vervallen. Hierover echter zal nog een voorstel aan de synode worden gedaan (zie art. 473).

De praeses geeft nu de voorgestelde gewijzigde conclusies in behandeling.

Met een kleine aanvulling wordt allereerst aangenomen hetgeen staat onder „kennis genomen hebbende” en „erkennende”. Ook de punten a, b en c onder „overwegende” worden daarna, met schrapping van het woord „voorshands” in b, goedgekeurd. Nadat in „besluit” sub 1 een kleine wijziging is gebracht, gaat de synode ermee accoord. Over „besluit” sub 2 ontstaat enige discussie. Gevraagd wordt of van de vrijheid, die hier aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam wordt gegeven, ook andere kerken gebruik zullen mogen maken. Verder is een advies van dr Nauta om in plaats van „bevoegdheden van de kerkeraad” te lezen „bevoegdheden door de kerkeraad” voor ds Kruyswijk c.s. aanleiding om het eerste deel van hun amendement in te trekken. Hierna wordt „besluit” sub 2 met de kleine door dr. Nauta geadviseerde wijziging goedgekeurd. Bij het aan de orde komen van „besluit” sub 3e adviseert dr R. Schippers te lezen: „van de kerksplitsing in het algemeen en dat van de grote stadskerken in het bijzonder”; de commissie neemt dit over en de synode aanvaardt dit. Het amendement-Kruyswijk c.s., bij „besluit” 3b ingediend, wordt verworpen. Vervolgens worden de punten 3b en 3c aangenomen, terwijl tenslotte ook de voorstellen 4 en 5 onder „besluit” de instemming der synode verkrijgen.

Bij eindstemming wordt het gehele voorstel met de daarin gekomen wijzigingen door de vergadering goedgekeurd.

Acta GKN (1957) Art. 470

Grotestadsprobleem. Besluit

Art. 470. Het besluit van de synode luidt nu aldus:

De generale synode,

kennis genomen hebbende van
a. het rapport van de deputaten voor de herziening van de kerkorde, inzake de grotestadskerken naar aanleiding van bij de synode van Leeuwarden ingekomen verzoeken van de kerken van Amsterdam en Rotterdam;
b. de aan haar gerichte missiven van de kerkeraden van Amsterdam en Amsterdam-Zuid;
c. de brief van ds W.F.C. van Helsdingen te Voorschoten, met verschillende voorstellen betreffende deze materie;

erkennende de noodzakelijkheid om
a. de kerken van Amsterdam en Rotterdam van antwoord te dienen inzake de moeilijkheden, die deze grotestadskerken met het onderhavige vraagstuk hebben; en
b. los van wat de sub a genoemde kerken gevraagd hebben, in het algemeen een weg te zoeken, waarin het probleem van de grote kerken zou kunnen worden opgelost;

overwegende,
a. dat naar haar oordeel de beste weg tot deze oplossing zou zijn, dat de ene grote kerk zich splitst in zelfstandige kleinere kerken, die eventueel met elkander verband kunnen houden over bijzonder-gemeenschappelijke belangen;
b. dat echter sommige grote kerken te kennen hebben gegeven, dat zij nog niet tot zulk een splitsing kunnen overgaan; en
c. dat behalve in de hierboven vermelde twee, nog in vele andere kerken dit vraagstuk aan de orde is, en bovendien aan deze zaak verschillende kanten zijn;

besluit:
1. de grote kerken erop te wijzen, dat de splitsing in een groter of kleiner aantal de beste weg is om uit de moeilijkheden van de massaliteit uit te komen;
2. aan de kerken van Amsterdam en Rotterdam, onder verwijzing naar het besluit genoemd onder 3, te berichten, dat zij de vrijheid hebben voorlopig af te wijken van het bepaalde in artikel 42 van de herziene kerkorde, met dien verstande echter dat aan de door haar op te stellen regeling geen definitief karakter wordt gegeven, en dat het in handen leggen van bevoegdheden door de kerkeraad aan commissies of wjjkraden niet verder gaat dan vanwege de plaatselijke situatie met het oog op een verantwoorde nakoming van de taak van de kerkeraad onontwijkbaar moet worden geacht;
3. vijf deputaten te benoemen, met drie secundi (zie art. 284, sub J 5), aan wie opgedragen wordt:
a. het vraagstuk van de kerksplitsing in het algemeen en dat van de grotestadskerken in het bijzonder van alle zijden te bezien;
b. overleg te plegen met die kerken, welke hiervoor in aanmerking komen, zowel naar het oordeel van de deputaten als op eigen verzoek; en
c. aan de generale synode van 1959 rapport uit te brengen en voorstellen te doen (zie art. 285), welk rapport uiterlijk 1 juni 1959 aan de kerken moet zijn toegezonden;
4. hiervan mededeling te doen aan de kerkeraden van Amsterdam, Rotterdam, ’s-Gravenhage-West en Amsterdam-Zuid, en aan ds W.F.C. van Helsdingen; en
5. de deputaten hartelijk te danken voor de door hen verrichte arbeid en voor de waardevolle gegevens aan de synode verstrekt.

In bovenstaand besluit ligt opgesloten, dat het door de deputaten voor de herziening van de kerkorde voorgestelde nieuwe artikel 39a door de synode niet wordt aanvaard.

Acta GKN (1957) Art. 471

Kerk van Den Haag-West

Art. 471. Namens commissie II rapporteert ouderling W. Hildering over een tweetal brieven resp. van de classis ’s-Gravenhage (P 29) en van de kerk van ’s-Gravenhage-West (P 43), beide betrekking hebbend op de door laatstgenoemde kerk ingestelde classis minor, waarover thans het oordeel der synode wordt gevraagd (bijlage CVI).

De rapporteur der commissie deelt mee, dat de commissie haar voorstel aan de synode, onder „besluit” als volgt wil wijzigen:
a. afkeuring uit te spreken over de door de kerk van ’s-Gravenhage-West ingevoerde classis-minor;
b. aan de kerk van ’s-Gravenhage-West onder verwijzing naar het genomen besluit, genoemd onder 3 in het rapport van commissie II inzake de grotestadskerken (acta, art. 470) te berichten, dat zij vrijheid heeft voorlopig af te wijken van het bepaalde in artikel 42 der herziene kerkorde, met dien verstande echter dat aan de door haar op te stellen regeling geen definitief karakter wordt gegeven, en dat het in handen leggen van bevoegdheden door de kerkeraad aan commissies of wijkraden niet verder gaat dan vanwege de plaatselijke situatie met het oog op een verantwoorde nakoming van de taak van de kerkeraad onontwijkbaar moet worden geacht;
c. deze stukken in handen te stellen van te benoemen deputaten;
d. aan adressanten hiervan kennis te geven.”

Hierover ontstaat enige discussie, waarin geïnformeerd wordt of de kerk van ’s-Gravenhage-West door de commissie gehoord is; en door ouderling T. Spaan wordt voorgesteld om onder a in plaats van het door de commissie voorgestelde, waarin van „afkeuring” gesproken wordt, te lezen: „instemming te betuigen met het oordeel van de classis ’s-Gravenhage over de door de kerk van ’s-Gravenhage-West ingevoerde classis minor”. Aangezien echter blijkt, dat de classis ’s-Gravenhage zich ervan onthouden heeft een oordeel uit te spreken, wordt het wenselijk geacht een andere formulering te zoeken, waarin eveneens het woord „afkeuring” vermeden wordt. Deze formulering wordt door de voorzitter van commissie II, ds M. Kamper, aan de hand gedaan en door de synode aanvaard.

Opnieuw wordt nog de vraag gesteld (zie art. 469) hoe nu andere kerken, die zich niet tot de synode hebben gewend, moeten handelen. Op deze vraag kan alleen geantwoord worden, dat de synode in de gegeven situatie moeilijk algemene regels kan stellen en zich uitsluitend moet bepalen tot de gevallen, die haar zijn voorgelegd.

 

Het besluit der synode luidt aldus:

De synode,

kennis genomen hebbende van de inhoud van de ingekomen brieven van de classis ’s-Gravenhage en de kerk van ’s-Gravenhage-West over de door de kerk van ’s-Gravenhage-West ingevoerde zgn. „classis minor”;

overwegende, dat de problemen van de grotestadskerken reeds haar aandacht hadden;

besluit:
a. aan de kerk van ’s-Gravenhage-West te berichten, dat zij, evenals de kerken van Amsterdam en Rotterdam, de vrijheid heeft voorlopig af te wijken van het bepaalde in artikel 42 van de herziene kerkorde (zie art. 470, sub 2);
b. deze kerk er verder op te wijzen, dat de door haar ingeslagen weg van de „classis minor” daarmee echter niet in overeenstemming kan worden geacht;
c. van dit besluit kennis te geven aan de classis ’s-Gravenhage, en
d. de stukken in handen te stellen van de deputaten voor de bestudering van het grotestadsvraagstuk.

Acta GKN (1957) 580507

Zitting van woensdag 7 mei 1958

Acta GKN (1957) Art. 473

Herziening van de kerkorde

Art. 473. Allereerst wordt aan de orde gesteld de nadere behandeling van enkele artikelen van de kerkorde, die in vorige zittingen werden aangehouden, en waarover door de deputaten en de commissie nog een advies zou worden uitgebracht (O 1a enz.) (bijlage LXXVIII a, b en c). Dit betreft de artikelen 41, 42 en 45, terwijl ook nog gesproken moet worden over het door commissie II in haar rapport ingediende voorstel om in de volgorde der artikelen een wijziging te brengen (zie art. 323).

Wat dit laatste betreft, wordt namens de commissie meegedeeld, dat zij het door haar ingediende voorstel thans terugneemt. De synode besluit in verband daarmee, de volgorde der artikelen, die in de voorlopig vastgestelde kerkorde voorkomt, te handhaven.

De rapporteur der commissie deelt mede, dat behalve het reeds ingediende amendement-Mout (zie art. 449) voor de formulering van een nieuw 2e lid in artikel 41 nog enkele voorstellen zijn ingekomen resp. van ds J.C. Hagen, ds W. de Graaf en ouderling W. Hildering. De commissie heeft zich in hoofdzaak bij het amendement-Hildering aangesloten en stelt nu voor aan het reeds vastgestelde lid 2 van artikel 41 (zie art. 337) het cijfer 3 te geven en het nieuwe lid 2 van dit artikel aldus te formuleren:

„41, 2. De kerkeraad zal tenminste eens in de drie maanden in een samenkomst, voorafgaande aan het heilig avondmaal, en met het oog op de viering daarvan, aan zijn leden de gelegenheid geven elkander onderling te vermanen in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambt.”

Tijdens een korte discussie wordt nog voorgesteld door ds E.N. van Loo om de woorden „met het oog op de viering daarvan” te laten vervallen, en door ouderling J. Scholten om het woord „desgewenst” in te voegen. Deze voorstellen worden echter verworpen, terwijl daarna het voorstel der commissie wordt aangenomen.

T.a.v. artikel 42 heeft de commissie, na de beslissing van de synode over het grotestadsprobleem (zie de artikelen 458, 469, 470 en 471), besloten haar voorstel om aan dit artikel een nieuw 2e lid toe te voegen, terug te nemen. De synode besluit dienovereenkomstig artikel 42 slechts uit één lid te doen bestaan en aanvaardt dit in de door de deputaten en de commissie reeds eerder voorgestelde redactie.

Wèl stelt de commissie thans voor op artikel 42 een nieuw artikel 42a te doen volgen, aldus luidende: „Kerkeraden van grote kerken kunnen met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen een van het in de vorige artikelen over de kerkeraad bepaalde afwijkende regeling treffen.” Verschillende bezwaren worden tegen dit voorstel ingebracht. Sommigen willen dit artikel geheel achterwege laten, anderen stellen enkele wijzigingen erin voor. Na enig overleg oordeelt de synode het het best, dat in de herziene kerkorde na artikel 42 een kleine open ruimte zal worden gelaten, waarin te zijner tijd een eventueel door een volgende synode vast te stellen artikel, dat op de grotestadskerken betrekking heeft, een plaats zal kunnen krijgen.

Verder komt nog in behandeling artikel 45. Lid 1 van dit artikel wordt nu aangenomen met de kleine wijziging, die de commissie reeds eerder heeft voorgesteld (zie art. 445). Bij lid 2 heeft ds J.C. Hagen, daarin gesteund door ds P.N. Kruyswijk en ds H.W.H. van Andel, het amendement ingediend om aan het slot te lezen: „in appèl te gaan bij de classis en zolang deze geen uitspraak heeft gedaan”. Ouderling T. Spaan heeft voorgesteld dit 2e lid te lezen in vrijwel dezelfde vorm, waarin het door de commissie in haar eerste rapport werd geformuleerd, terwijl ds A. Mout voorstelt om bij artikel 45, nadat het zal zijn aangenomen in de herziene kerkorde tussen haakjes het volgende te vermelden: „(Dit artikel wordt met bijzondere nadruk ter beoordeling voorgelegd aan de kerkelijke vergaderingen, m.n. aan de particuliere synoden)".

Namens de commissie wordt meegedeeld, dat zij zich bij het amendement-Spaan wil aansluiten en dus ook tot haar eerste voorstel terugkeert. Het amendement-Kruyswijk-Hagen-Van Andel wordt hierop ingetrokken. Het voorstel-Mout wordt door verschillende leden aanbevolen en door de vergadering aanvaard. Nadat op voorstel van ds M. Kamper in het voorstel van de commissie en ouderling T. Spaan de woorden „bij de meerdere vergadering” zijn geschrapt en de woorden „een ingesteld appèl” zijn veranderd in „het ingesteld appèl” wordt artikel 45, lid 2 in de nu voorgestelde vorm door de synode goedgekeurd.

Acta GKN (1957) Art. 474

Herziening van de kerkorde. Besluit over art. 41, 42 en 45

Art. 474. De synode besluit de artikelen 41, 42 en 45 van de herziene kerkorde als volgt vast te stellen:

 

Artikel 41

1. De kerkeraad zal in de regel tenminste éénmaal per maand samenkomen.
2. Hij zal tenminste eens in de drie maanden in een samenkomst, voorafgaande aan het heilig avondmaal, en met het oog op de viering daarvan, aan zijn leden de gelegenheid geven elkander onderling te vermanen in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambt.
3. Hij bepaalt in zijn regeling van werkzaamheden de wijze van samenroeping van een buitengewone bijeenkomst.

Artikel 42

Het staat aan een kerkeraad vrij de voorbereiding of afdoening van bepaalde zaken in handen te leggen van commissies of van wijkraden; hij zal er echter op toezien, dat aan dergelijke colleges niet het gezag wordt toegekend, hetwelk aan de gehele kerkeraad toekomt.
(Tussen dit en het volgend artikel wordt ruimte gelaten voor een eventueel door een volgende synode vast te stellen artikel, betrekking hebbend op de grotestadskerken).

Artikel 45

1. In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht en de tucht over de gemeente, met name in zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben.
2. Aan een besluit van de kerkeraad over een zaak of zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen uitvoering geven, voordat aan de leden der gemeente gedurende de tijd van één maand de gelegenheid is gegeven in appèl te gaan en zolang niet in laatste instantie over het ingestelde appèl uitspraak is gedaan.
(Dit artikel wordt met bijzondere nadruk ter beoordeling voorgelegd aan de kerkelijke vergaderingen, m.n. aan de particuliere synoden).

Acta GKN (1957) Art. 475

Herziening van de kerkorde. Slotconclusies

Art. 475. De praeses geeft thans in bespreking de slotconclusies, die in het rapport van commissie II, rapporteur ds M. Kamper, sub D „Slotgedeelte en conclusies” worden voorgesteld (zie bijlage LXXVIII b).

Ouderling T. Spaan stelt een kleine aanvulling voor in conclusie 6, waartegen de commissie geen bezwaar blijkt te hebben. Verder wordt gevraagd of het wel mogelijk is de herziene kerkorde met ingang van 1 januari 1959 van kracht te doen worden, terwijl vermoedelijk de taalkundige revisie en de vaststelling van de eindredactie niet tijdig vóór genoemde datum gereed zullen zijn. In verband hiermee besluit de synode wèl voor het geldig worden van de herziene kerkorde aan de datum van 1 januari 1959 vast te houden en daartoe omstreeks oktober 1958 een exemplaar van de kerkorde, zoals deze in de acta zal worden opgenomen, aan alle kerken toe te zenden, maar daarbij uitdrukkelijk mee te delen, dat de tekst der artikelen nog een taalkundige revisie zal moeten ondergaan, en de definitieve vaststelling van de eindredactie derhalve pas later zal kunnen geschieden.

Thans komen de voorgestelde conclusies stuk voor stuk in behandeling.

Hetgeen is geplaatst onder „kennis genomen hebbende” en „overwegende” wordt met een kleine aanvulling goedgekeurd.

Ten aanzien van wat staat onder „besluit” wordt besloten de punten 1 en 2 te aanvaarden, punt 3 te laten vervallen, de punten 4, 5 en 6 (met de in 6 aangebrachte aanvulling) aan te nemen, en punt 7 goed te keuren. Over punt 8 ontstaat enige discussie. De synode blijkt van oordeel te zijn, dat in 8a inplaats van „niet meer gebruikt zullen worden de naamsvalsuitgangen” moet gelezen worden „met de nieuwe spelling rekening zal worden gehouden”. Verder wordt bij 8b, sub bb de vraag besproken of de deputaten, alleen in gevallen waarin zij het nodig achten, zich met deskundigen in verbinding zullen stellen, dan wel of ze heel de kerkorde aan het oordeel van deskundigen zullen moeten onderwerpen. De synode kiest voor het eerste en besluit daarom op voorstel van ouderling J. Scholten in 8b, sub bb de woorden „zo nodig” in te voegen. Overigens blijkt de vergadering tegen hetgeen onder 8b is voorgesteld geen bezwaren te hebben, terwijl daarna ook de punten 9, 10 en 11 worden aanvaard, met dien verstande, dat wegens het vervallen van punt 8, vanaf punt 4 de nummering zal worden gewijzigd.

Tenslotte wordt nog besloten met de toezending van de kerkorde aan de kerken bedoeld in artikel 252 B 2e van de acta van de synode van Rotterdam 1952/53 (zie besluit sub 10 (oud 11)) te wachten totdat de eindredactie definitief zal zijn vastgesteld.

Alvorens tot de eindstemming wordt overgegaan vraagt en verkrijgt ds J. van Herksen van de praeses verlof de volgende verklaring af te leggen, waarvan de vergadering goedkeurt, dat ze zal worden opgenomen in de acta: ,,Ds J. van Herksen, hoewel zijn stem gevend aan het geheel der herziene kerkorde, omdat hij deze in geest en hoofdzaak, in opzet en bedoeling in overeenstemming acht met de beginselen, die aan de D.K.O. ten grondslag liggen, voelt zich toch gedrongen uit te spreken, dat hij zijn bezwaren, welke hij in de vorm van onderscheidene amendementen tegen de formulering van bepaalde artikelen naar voren bracht, met name tegen de nu voorgeslagen formulering van artikel 45 en die van artikel 121, behoudt en verzoekt hiervan aantekening in de acta.”

Hierna wordt over de herziene kerkorde de eindstemming gehouden waarbij deze met algemene stemmen van alle leden en praeadviserende leden der synode wordt aanvaard.

De praeses spreekt zijn grote blijdschap en dankbaarheid erover uit, dat na een arbeid van 9 jaar dit resultaat mocht worden bereikt. Hij herinnert eraan, dat de herziening van de kerkorde noodzakelijk werd in verband met de voortgaande ontwikkeling van het kerkelijk leven, doch stelt daarbij met nadruk vast, dat de beginselen, die aan de kerkorde ten grondslag liggen en waarvan in het verleden de grote kracht gebleken is, dezelfde zijn gebleven. Door de deputaten en de leden van de synodale commissie is aan het grote werk, dat nu vrijwel gereed gekomen is, enorm veel tijd en kracht besteed. Het zal ook voor hen een grote voldoening zijn, dat thans dit eenstemmig besluit door de synode genomen werd. Moge de zegenrijke werking van dit besluit in de toekomst blijken!

Acta GKN (1957) Art. 476

Herziening van de kerkorde. Besluit over de slotconclusies

Art. 476. Het besluit der synode luidt nu aldus:

De synode,

kennis genomen hebbende
a. van het rapport van deputaten voor de herziening van de kerkorde (O 1a);
b. van de missiven van de particuliere synoden, die haar toegezonden werden in antwoord op het verzoek van de synode van Leeuwarden 1955/56 (acta, art. 247, 4°);
c. van de missiven van andere kerkelijke vergaderingen en van leden der der kerken met betrekking tot de herziening der kerkorde;

overwegende
1. dat de door de synode van ’s-Gravenhage 1949/50 (zie acta, art. 341) ter hand genomen generale herziening van de kerkorde tot een afsluiting is gekomen;
2. dat tot het vaststellen en invoeren van de herziene kerkorde kan worden overgegaan, omdat
a. de kerken voldoende in de gelegenheid gesteld zijn kennis te nemen van en haar oordeel uit te spreken over de inhoud van de herziene kerkorde;
b. geen enkele van de particuliere synoden bezwaren heeft ingebracht tegen de invoering van deze herziene kerkorde, en
c. de bezwaren, die door enkele kerkelijke vergaderingen en door leden der kerken daartegen aangevoerd werden, niet gegrond zijn gebleken;
3. dat evenwel voordat overgegaan kan worden tot een officiële uitgave van de herziene kerkorde nog allerlei voorbereidende arbeid dient te geschieden;

besluit:
1. de deputaten voor de herziening van de kerkorde haar bijzondere dank te betuigen voor de vele en belangrijke arbeid door hen verricht;
2. haar dankbaarheid uit te spreken daarvoor, dat zovele kerkelijke vergaderingen hebben gehoor gegeven aan het verzoek van de synode van Leeuwarden 1955/56 (acta, art. 247, 3° en 4°);
3. zo spoedig mogelijk aan alle kerkelijke vergaderingen toe te zenden een exemplaar van de herziene kerkorde;
4. de kerkorde, voorzover ze thans vastgesteld is, van kracht te doen worden met ingang van 1 januari 1959;
5. aan deputaten benoemd voor de herziening van de kerkorde (zie art. 284, sub B4) op te dragen:
a. voort te gaan met het treffen van voorbereidingen voor een officiële uitgave van de herziene kerkorde met synodale bepalingen, en daarbij
aa. na te gaan, welke reeds vastgestelde of nog vast te stellen bepalingen in de officiële uitgave van de kerkorde dienen te worden opgenomen;
bb. te overwegen, of in de in deze uitgave op te nemen richtlijnen voor de tucht over doopleden de door de classis Rotterdam in een schrijven aan de synode van Leeuwarden 1955/56 (N 2) bedoelde correcties ook dienen te worden aangebracht;
cc. zich te bezinnen over de vorm en de financiering van een dergelijke uitgave;
dd. het verder daarvoor nodige overleg te plegen;
b. daarover rapport uit te brengen en voorstellen te doen aan de volgende synode;
6. aan deputaten vrijheid te verlenen, zo nodig, wijzigingen van redactionele aard aan te brengen in de herziene kerkorde;
7. wat betreft bezwaren en voorstellen van taalkundige en stilistische aard,
a. uit te spreken, dat in de uitgave van de herziene kerkorde met de nieuwe spelling rekening zal worden gehouden;
b. aan deputaten voor de herziening van de kerkorde op te dragen:
aa. de herziene kerkorde nog eens uit taalkundig oogpunt te bezien;
bb. daartoe zo nodig zich in verbinding te stellen met enkele leden der kerken, die geacht kunnen worden in taalkundig opzicht deskundig te zijn;
cc. daarover te rapporteren op de volgende synode;
8. van deze besluiten mededeling te doen onder toezending van het rapport aan allen, die zich met betrekking tot de herziening van de kerkorde tot haar richtten;
9. het „rapport over de meer principiële vragen, die bij de herziening van de kerkorde ter sprake gebracht zijn” en dit rapport met de besluiten ter beschikking te stellen van de kerkelijke vergaderingen, en
10. aan de kerken bedoeld in art. 252 B 2° van de acta van de synode van Rotterdam 1952/53 een schrijven te richten over de totstandkoming van de herziening van de kerkorde met toezending van een exemplaar van de thans vastgestelde kerkorde.