Kerkorde GKN (1971) H3.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H3.I.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

Kerkorde GKN (1971) Art. 67

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
67

Elke kerkeraad zal zorgen dat de gemeente, in het bijzonder op de dag des Heren, wordt samengeroepen tot de dienst des Woords, de dienst der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 67

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

bij Artikel
67

1. De synode besluit er bij de kerken op aan te dringen de groei naar eenheid met andere reformatorische kerken ter plaatse te bevorderen en in goede orde te doen verlopen onder begeleiding van een door de classis daartoe benoemd deputaatschap en in overeenstemming met de hierna volgende richtlijnen;

2. als algemene richtlijnen te stellen dat tot het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, waarin ook de sacramenten bediend mogen worden, op zulk een wijze dient te worden overgegaan,
a. dat de gemeente als gemeente in de gemeenschap en samenwerking met de andere kerk betrokken is en blijft en de innerlijke eenheid van de eigen gemeente niet door het samengaan met de andere kerk verbroken zal worden;
b. dat er, mede naar het oordeel van de classis, met de andere kerk de nodige overeenstemming bestaat ten aanzien van het geloof in Jezus Christus onze Heer, gelijk Hij in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de Kerk van alle eeuwen in onze belijdenisgeschriften wordt beleden;
c. dat er de nodige overeenstemming bestaat met betrekking tot het uitoefenen van het opzicht en de tucht in de gemeente van Christus, zoals dat in Schrift en belijdenis, met name rondom het gebruik van de sacramenten, wordt gevraagd;

3. kerkeraden en classes te verzoeken toe te zien dat de innerlijke eenheid van de gemeente niet bedreigd wordt door nalatigheid om als gemeenten de hier bedoelde samenwerking en gemeenschap met andere kerken te zoeken;

4. aan de kerken waar een samenwerking als hier bedoeld op gang is gekomen, de vrijheid te geven dat de dienaren des Woords van de betrokken kerken voorgaan in elkanders kerkdiensten, terwijl deze kerken, met wederzijds goedvinden, ook andere predikanten uit de betrokken kerkverbanden kunnen laten voorgaan;

5. aan de kerken die er toe wensen over te gaan in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met andere reformatorische kerken het avondmaal te bedienen in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden, etc., toestemming daartoe te verlenen met dien verstande dat er overeenstemming over de uitnodiging tot het avondmaal bereikt moet zijn.

Sneek 1969, art. 267

Kerkorde GKN (1971) Art. 68

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
68

1. De inrichting van de kerkdiensten zal worden vastgesteld door de kerkeraad.
2. In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan een orde van dienst, die door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (1971) Art. 69

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
69

1. De leiding van de kerkdiensten zal berusten bij de dienaar des Woords van de gemeente of bij een van haar dienaren, dan wel bij een andere, door de kerkeraad daartoe uitgenodigde bevoegde dienaar des Woords.
2. Indien een proponent voorgaat, zal de leiding bij hem berusten, met dien verstande dat hij zich onthouden zal van alle verrichtingen, welke een ambtelijk karakter dragen.
3. Hetzelfde geldt, indien een ander dan een dienaar des Woords of een proponent voorgaat, aan wie de classis, in een zeer bijzonder geval, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, daartoe de bevoegdheid heeft verleend.
4. In de overige gevallen zal de leiding berusten bij een ouderling der gemeente en zal een naar het oordeel van de kerkeraad geschikte preek worden gelezen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 69

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

bij Artikel
69

Predikanten en proponenten uit buitenlandse kerken die tijdelijk in Nederland vertoeven, mogen in een kerkdienst slechts voorgaan, indien zij in het bezit zijn van een door deputaten voor oecumenische aangelegenheden afgegeven schriftelijke verklaring. Deze verklaring wordt door hen steeds afgegeven, wanneer de desbetreffende predikanten of proponenten blijken te behoren tot een kerk waarmede correspondentie in engere zin wordt onderhouden. In geval zij behoren tot een kerk waarmede correspondentie in ruimere zin wordt onderhouden, gaan deputaten daartoe slechts over na een door hen ingesteld onderzoek naar hun bevoegdheid en kerkelijke integriteit. Deputaten zijn bevoegd bij wijze van uitzondering een dergelijke verklaring eveneens af te geven aan dergelijke predikanten, die niet behoren tot enige kerk waarmede dezerzijds correspondentie wordt onderhouden, wanener naar hun oordeel het belang van de kerk daarmee gediend zou zijn. Deputaten doen van een en ander mededeling door middel van kerkelijke bladen.

Groningen 1927, art. 164;
Amsterdam 1967, art. 354

In alles wat op oefenaars betrekking heeft, zal de classis beslissen.

Dordrecht 1893, art. 163

Bepalingen voor het verlenen van deze bevoegdheid

1. dat de aanvrage tot onderzoeking van een broeder om te worden toegelaten als oefenaar, steeds moet uitgaan van een bepaalde kerk, die zulk een onderzoek verlangt te haren behoeve, en wel bij de classis binnen welke deze kerk ressorteert;

2. dat de toelating door de classis telkens slechts voor ten hoogste een jaar wordt verleend en zonodig onder nog andere door haar te stellen voorwaarden;

3. dat de classis aan zulk een broeder ook de bevoegdheid kan geven om in een andere kerk binnen haar eigen ressort dit dit mocht begeren, op te treden;

4. dat, indien een kerk buiten de desbetreffende classis de dienst van zulk een broeder mocht begeren, dan de classis van deze kerk zal moeten beoordelen, of en op welke wijze zij de bedoelde broeder opnieuw zal onderzoeken; maar dat hij in geen geval bevoegdheid h eeft in enige kerk op te treden dan met toestemming van de classis, binnen welke zulk een kerk ressorteert;

5. dat zulk een broeder altijd moet worden beschouwd als een lid der gemeente, aan wie het enkel is vergund om als een broeder te midden van de andere broeders een stichtelijk woord te spreken in de kerk of kerken, waarin hem uitdrukkelijk die bevoegdheid is gegeven; en dat het daarom ongewenst is de benaming „lerend ouderling” voor hem te gebruiken;

6. dat bij het verlenen van de bedoelde bevoegdheid geen verwachtingen mogen worden gewekt, als zou hiermede een weg worden geopend tot het ambt van dienaar des Woords.

’s-Gravenhage 1914, art. 109;
Arnhem 1930, art. 91;
Amsterdam 1967, art. 99

Kerkorde GKN (1971) Art. 70

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel
70

1. Op de dag des Heren zal de gemeente tweemaal in kerkdiensten samenkomen en voorts ten minste eenmaal op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag en de Hemelvaartsdag.
2. De kerkeraad zal zoveel mogelijk zorg dragen, dat kerkdiensten worden gehouden op de Oudejaars- en de Nieuwjaarsdag en op de bid- en dankdagen voor gewas en arbeid.
3. Het wordt in de vrijheid van de kerken gelaten kerkdiensten te houden op de tweede feestdagen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 71

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

b. Dienst des Woords

Artikel
71

1. In de kerkdiensten zal het Woord worden bediend door de Heilige Schrift te verklaren en toe te passen.
2. Op de dag des Heren zal zoveel mogelijk in één van de kerkdiensten het Woord worden bediend door de ontvouwing van de christelijke leer, gelijk zij uit de Heilige Schrift is samengevat in de Heidelbergse Catechismus.
3. Op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag, het Paasfeest, de Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest zullen in de kerkdiensten in het bijzonder de grote heilsfeiten herdacht worden. Voorts zal daarmede in de Adventstijd en de lijdenstijd bij de tekstkeuze rekening worden gehouden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 72

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
72

1. De heilige doop zal door de dienaren des Woords aan de kinderen des verbonds in een kerkdienst bediend worden met gebruikmaking van een der daarvoor vastgestelde formulieren.
2. De kerkeraad zal er op toezien, dat de doop zo spoedig mogelijk wordt aangevraagd en bediend.
3. Wanneer geen der ouders gerechtigd is de doopvragen te beantwoorden, zal de kerkeraad in overleg met de ouders omzien naar een of meer doopgetuigen, die genoegzame waarborg kunnen geven voor een christelijke opvoeding.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 72

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

bij Artikel
72

Kinderen die door leden onzer kerken wettig zijn geadopteerd, hebben recht op de heilige doop en behoren daarom gedoopt te wezen.

Groningen 1963, art. 79

Inzake de doop van kinderen van doopleden wordt uitgesproken, dat de kerkeraden naarstig zullen arbeiden opdat niet anders dan bij hoge uitzondering van doopgetuigen behoeft te worden gebruik gemaakt; maar dat, waar het niet komen tot belijdenis des geloofs van de ouders zulks nodig doet zijn, niet worde nagelaten doopgetuigen te zoeken, opdat het kind niet ongedoopt blijve.

Middelburg 1933, art. 99

Het wordt in de vrijheid van de kerken gelaten, of men de doop zal bedienen door besprenging, overgieting of onderdompeling.

Amsterdam 1967, art. 329

Kerkorde GKN (1971) Art. 73

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
73

Degenen, die niet als kind gedoopt zijn, zullen de heilige doop eerst ontvangen, nadat zij door beantwoording van de in het daarvoor vastgestelde formulier opgenomen vragen openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Kerkorde GKN (1971) Art. 74

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
74

Ten aanzien van degenen, die uit een andere dan een Gereformeerde kerk in de gemeente opgenomen worden, zal de doop slechts erkenning vinden, indien komt vast te staan, dat deze, in of vanwege een christelijke kerk of een kring van christenen, door een aldaar bevoegd geacht persoon, in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes bediend werd.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 74

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

bij Artikel
74

Inzake de doopleden uit andere kerkformaties wordt uitgesproken:

1. dat in het algemeen opneming van volwassen doopleden alleen in de weg van openbare belijdenis des geloofs mogelijk is;
2. dat dit zeker niet uitsluit dat de kerkeraad hen die daartoe nog niet terstond kunnen komen, tot het catechetisch onderwijs toelaat en hun ook overigens bijstand en leiding geeft;
3. dat in sommige gevallen onmiddellijk opneming ook zonder belijdenis des geloofs geoorloofd kan zijn, indien daarbij de verplichting om tot belijdenis des geloofs en de viering van het heilig avondmaal te komen ten volle wordt erkend.

Sneek 1939, art. 357

Zie Bijlage XII

Kerkorde GKN (1971) Art. 75

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
75

1. Toegang tot het heilig avondmaal wordt verkregen door het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.
2. Voordat iemand wordt toegelaten tot het afleggen van deze belijdenis des geloofs, zal de kerkeraad een onderzoek instellen naar zijn beweegredenen, alsook naar zijn leef en wandel.
3. Zij, die uit een andere gemeente overkomen, zullen tot het heilig avondmaal toegang verkregen op grond van een overgelegde attestatie, voorzover deze genoegzame waarborg biedt van een gezonde leer en een godvrezende wandel.
4. Zij, die uit een andere dan een Gereformeerde kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen tot het heilig avondmaal toegang verkrijgen, nadat zij op grond van een door de kerkeraad ingesteld onderzoek naar hun leer en wandel, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkeraad kan daarbij bepalen, dat vooraf door hen openbare belijdenis des geloofs moet worden afgelegd.
5. Geen toegang tot het heilig avondmaal wordt verkregen dan nadat de namen van hen, die daartoe het verlangen kenbaar hebben gemaakt, aan de gemeente ter goedkeuring zijn voorgedragen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 75

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

bij Artikel
75

De Gereformeerde Kerken hebben steeds geoordeeld, dat naar het voorbeeld der apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die ter goeder trouw in enig stuk der leer dwalen, mits dit niet enig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken, waarbij het natuurlijk vanzelf spreekt, dat zulke broeders, zolang zij in dat gevoelen volharden, in geen geval voor enig ambt in de kerk verkiesbaar zijn.

’s-Gravenhage 1914, art. 138

De kerkeraad kan in bijzondere omstandigheden ook leden van andere ter plaatse gevestigde kerkgenootschappen als gasten toelaten, mits zij hiertoe tijdig aan de kerkeraad hun begeerte te kennen hebben gegeven en de kerkeraad zich verzekerd heeft dat zij in hun kerk tot het avondmaal zijn toegelaten en zij in de grondstukken der christelijke religie met hem overeenstemmen en onberispelijk van levenswandel zijn, terwijl zij voorts bereid moeten zijn, zolang zij als gasten aan het avondmaal blijven deelnemen, zich aan het toezicht van de kerkeraad te onderwerpen.

Leeuwarden 1920, art. 25;
Middelburg 1965, art. 396

Kerkorde GKN (1971) Art. 76

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

c. Dienst der sacramenten

Artikel
76

1. Het heilig avondmaal zal, met gebruikmaking van één der daarvoor vastgestelde formulieren, in alle geval eens in de twee of drie maanden in een kerkdienst worden bediend. Bij de wijze van bediening zal de kerkeraad, met inachtneming van hetgeen in Gods Woord is voorgeschreven, handelen naar wat hij oordeelt het meest stichtelijk te zijn.
2. Het zal in de vrijheid van de kerken staan in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden en dergelijke inrichtingen het heilig avondmaal in een afzonderlijke kerkdienst te doen bedienen voor hen, die tot die avondmaalsviering gerechtigd zijn of daartoe naar het oordeel van de kerkeraad als gasten kunnen worden toegelaten.

Kerkorde GKN (1971) Art. 77

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

d. Dienst der gebeden

Artikel
77

Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 78

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Kerkdiensten

e. Dienst der barmhartigheid

Artikel
78

1. Voor de dienst der barmhartigheid zullen naar vaste orde in de kerkdiensten gaven worden ingezameld.
2. De ingezamelde gaven kunnen worden bestemd voor diakonale hulpverlening aan andere kerken, alsmede voor instellingen, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven.

Kerkorde GKN (1971) H3.II.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Kerkorde GKN (1971) Art. 79

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
79

1. Aan de kinderen der gemeente en aan anderen die dit begeren, zal in de leer der kerk onderricht worden gegeven om hen voor te bereiden tot het doen van openbare belijdenis des geloofs en tot het vervullen van hun roeping ten opzichte van de kerk en van de wereld.
2. Dit onderricht betreft het verstaan van de Heilige Schrift, de belijdenis en de geschiedenis van de kerk, alsmede het hedendaagse kerkelijke leven, inzonderheid gelijk dit zich openbaart in het werk van evangelisatie en zending.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 79

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

bij Artikel
79

Door deputaten voor de geestelijke arbeid onder de schippers wordt jaarlijks de rooster vastgesteld voor het catechetisch onderwijs aan schipperskinderen, in dier voege dat de maanden juni, juli en augustus als vakantiemaanden gelden en dat in plaats van de zondagen die over de sacramenten handelen, de vragen en antwoorden van het Kort Begrip worden gesteld. De kerkeraden die bij dit onderwijs betrokken zijn, worden opgewekt alles aan te wenden wat de goede gang er van kan verzekeren of bevorderen.

’s-Gravenhage 1949, art. 440

Kerkorde GKN (1971) Art. 80

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
80

De catechese zal worden gegeven in opdracht en onder toezicht van de kerkeraad, in de regel door een dienaar des Woords.

Kerkorde GKN (1971) Art. 81

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Catechese

Artikel
81

1. De catechese wordt gegeven in direct aansluiting aan de Heilige Schrift; als voornaamste leerboek zal daarbij dienst doen de Heidelbergse Catechismus.
2. Voor het overige is de keuze van de leerboeken en de andere leermiddelen toevertrouwd aan de dienaar des Woords, die daarover met de kerkeraad overleg pleegt.

Kerkorde GKN (1971) H3.III.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Kerkorde GKN (1971) Art. 82

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
82

De dienaren des Woords en de ouderlingen zullen hun herderlijke zorg uitstrekken tot alle leden van de gemeente, door hen en in het bijzonder de zieken en bejaarden, die verhinderd zijn de kerkdiensten bij te wonen, en ook de afdwalenden, trouw te bezoeken; door hen op te wekken tot een leven in het geloof en hen in tegenspoed te troosten; en door hen te waarschuwen tegen valse leringen en dwalingen evenals tegen wereldse wandel en goddeloze praktijken.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 82

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

bij Artikel
82

Geestelijke verzorging van debielen en zwakzinnigen

1.a. Het is wenselijk, waar dienstig, te komen tot voor debielen en zwakzinnigen aangepaste catechisaties.
b. Voor bepaalde groepen van hen zijn aangepaste kerkdiensten aan te bevelen.
c. In kerken van inrichtingen waar de pastorale arbeid samen met andere kerken wordt verricht, zal men handelen naar de synodale uitspraken met betrekking tot de avondmaalsviering onder gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in inrichtingen.

2.a. De bediening van de doop aan debiele of zwakzinnige kinderen is aan dezelfde voorwaarden gebonden, die in het algemeen gelden bij de doop van kinderen.
b. Ook debielen en zwakzinnigen behoren tot het gebruik van de sacramenten te worden toegelaten, indien het blijkt dat zij op hun niveau de Here Jezus als hun Zaligmaker hebben leren erkennen en de betekenis van het gebruik der sacramenten verstaan.
c. Bij een aanvraag om toelating tot de sacramenten van dezulken verdient het voor kerkeraden aanbeveling zich te doen voorlichten door degenen die belast zijn met de verzorging en begeleiding van de desbetreffende personen.
d. Er kunnen zich situaties voordoen waarin om redenen van pastorale aard de deelneming aan het avondmaal moet worden onthouden.

Sneek 1969, art. 230

Kerkorde GKN (1971) Art. 83

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
83

1. De kerkeraden zullen aan hen, die uit de gemeente vertrekken, op hun verzoek een getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel medegeven, met dien verstande dat, indien zij voorwerp van vermaan of tucht zijn, daarvan in de attestatie mededeling wordt gedaan. Van die afgifte zullen zij bericht zenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Van degenen, die zonder attestatie aan te vragen vertrokken zijn, zullen zij eveneens opgave verstrekken.
2. Indien zij, die uit de gemeente vertrekken, nog geen openbare belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zullen de kerkeraden een doopattest toezenden aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe de vertrekkenden in het vervolg zullen behoren. Daarbij zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopleden.
3. Attestaties en doopattesten zullen, namens de kerkeraad, door twee van zijn leden ondertekend worden.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 83

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

bij Artikel
83

Aan schippers kan, met het oog op hun trekkend bestaan, een bewijs van lidmaatschap worden verstrekt, op grond waarvan zij ter plaatse waar zij daartoe het verlangen te kennen geven, toegang kunnen verkrijgen tot het heilig avondmaal.
De kerkeraden worden opgewekt aan schippers onder de leden der gemeente ieder kalenderjaar zulk een bewijs te verstrekken en jaarlijks een ambtelijk bezoek te brengen aan de schippers, ook die tijdelijk ter plaatse blijken te vertoeven en van dit ambtelijk bezoek aantekening te doen op dat bewijs van lidmaatschap alsook een rapport te zenden aan de kerkeraad van hun domicilie.

Dordrecht 1893, art. 189;
’s-Gravenhage 1949, art. 440;
Amsterdam 1967, art. 354

Bij opname van leden in verzorgingstehuizen, bejaardencentra en dergelijke alsook in verpleeginrichtingen behoort het kerkelijk domicilie van dezulken te worden verlegd naar de kerk waaronder de plaats van vestiging ressorteert. De kerk van herkomst kan van geval tot geval nagaan, of, en zo ja, op welke wijze het vroeger bestaande contact nog moet blijven voortbestaan en onderhouden.

Sneek 1969, art. 360

Kerkeraden kunnen aan degenen die naar kerken in het buitenland vertrekken, ten allen tijde een attestatie verstrekken, die dan behoort ingediend te worden bij de kerk in het desbetreffende land, waarmede de Gereformeerde Kerken in Nederland in correspondentie staan dan wel welke in belijdenis en kerkregering aan haar het naast verwant is.
Ten aanzien van attestaties, door kerken in het buitenland afgegeven, zullen de kerkeraden in het aanvaarden ervan op overeenkomstige wijze te werk gaan.
Formulieren voor dit doel, in de Nederlandse zowel als in de Engelse taal opgesteld, zijn verkrijgbaar bij het Algemeen Bureau te Utrecht.
Het is van belang dat door de kerkeraden van het vertrek van gemeenteleden naar het buitenland, onder opgave van de nodige bijzonderheden omtrent henzelf alsook omtrent de datum van vertrek en die van vermoedelijke aankomst en omtrent de plaats van aankomst en het adres in de nieuwe woonplaats, zo spoedig mogelijk aan het Algemeen Bureau te Utrecht bericht wordt gedaan, opdat dit tijdig de desbetreffende kerk in het buitenland ter zake kan verwittigen.

Groningen 1927, art. 161;
Amsterdam 1967, art. 354

Het wordt van belang geacht dat bij het afgeven van attestaties op de attestatie zelf, hetzij op een afzonderlijk erbij gevoegde kaart, aangetekend worden alle gegevens, die voor het bijhouden van de kerkelijke stand van dienst kunnen zijn, zoals naam (in geval van een doopattest ook de namen der ouders), geboortedatum, datum van doopbediening, van aflegging van de belijdenis des geloofs en van huwelijksbevestiging, alsmede het volledige adres.

Utrecht 1943, art. 92;
Apeldoorn 1961, art. 30;
Sneek 1969, art. 57

Elders kerken

Het elders kerken of kerkelijk meeleven met een andere kerk is in de regel voldoende motief voor kerkelijk vermaan. De vraag, of er bepaalde tuchtmaatregelen worden toegepast, is afhankelijk van bijkomende factoren, met name van de motieven waardoor iemand tot het volgen van de bedoelde handelingen wordt bewogen. Maar ten aanzien van degenen die, ondanks herhaald vermaan, in feite de gemeenschap met de Gereformeerde Kerken geheel verbreken door zich bij een andere kerk te voegen, — ook al hebben zij dienomtrent noch mondeling noch schriftelijk enige mededeling gedaan —, kan een kerkeraad niet anders dan constateren dat zij zich aan de gemeenschap der kerk onttrokken hebben.

Sneek 1969, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 84

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
84

1. De namen van hen, die gedoopt zijn, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, die na afsnijding weder in de gemeente zijn opgenomen, die met attestatie of doopattest uit een andere gemeente zijn overgekomen, alsook van hen, die uit een andere dan een Gereformeerde kerk in de gemeente zijn opgenomen, zullen met nadere bijzonderheden in daarvoor aangelegde registers zorgvuldig worden opgetekend.
2. Hetzelfde zal worden gedaan met de namen van hen, die met attestatie of doopattest vertrokken zijn, die zijn overleden, die afgesneden zijn en die zich hebben onttrokken.

Kerkorde GKN (1971) Art. 85

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
85

Indien zij, die naar een andere gemeente vertrekken, bijstand ontvangen van de diakenen, zullen dezen op vertrouwelijke wijze de diakenen van die gemeente daarover inlichten en, zo de omstandigheden daartoe nopen en het onderling overleg daartoe leidt, hetzij voorgoed, hetzij voor een bepaalde periode, verdere bijstand verleden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 86

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
86

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de leden der gemeente hun huwelijk aangaan met inachtneming van de geboden Gods en het ten overstaan van de overheid voltrokken huwelijk in een kerkdienst laten bevestigen, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 86

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

bij Artikel
86

Huwelijken tussen doopleden en gemengde huwelijken, waarbij de niet-gereformeerde partij er in bewilligt, dat kinderen uit het huwelijk geboren in de Gereformeerde kerk gedoopt en in de gereformeerde leer opgevoed zullen worden, kunnen worden bevestigd, tenzij de kerkeraad op goede gronden de overtuiging heeft dat een der huwenden moet worden gerekend tot de ongelovige en goddeloze mensen.

Utrecht 1943, art. 211, 254

De afkondiging van een huwelijk waarvan de beide partijen tot twee kerken behoren, geschiede in beide kerken; de kerkeraad aan welke de bevestiging is gevraagd, zal hiertoe niet overgaan zonder er zich van te hebben vergewist dat ook bij de andere kerkeraad geen bezwaar bestaat. In geval ondanks ingebrachte bezwaren de kerkeraad toch tot bevestiging besluit, kan de bezwaarde kerkeraad de zaak aan de classis voorleggen.

Utrecht 1943, art. 211

Zie Bijlage XIII en XXIII,5

Kerkorde GKN (1971) Art. 87

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
87

De kerkeraden zullen er toe medewerken, dat de leden der gemeente, die gestorven zijn, op christelijke wijze begraven worden.

Zie Bijlage XXIII,4

Kerkorde GKN (1971) Art. 88

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Herderlijke zorg

Artikel
88

De generale synode zal, voor zoveel dat naar haar oordeel nodig is, de arbeid onder schippers, zeevarenden, militairen, verstrooiden in het buitenland, hen die in ziekenhuizen verpleegd worden, doofstommen en anderen, die door de mindere vergaderingen niet of niet genoegzaam bearbeid kunnen worden, aan afzonderlijke deputaten en dienaren des Woords toevertrouwen.

Kerkorde GKN (1971) H3.IV.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Kerkorde GKN (1971) Art. 89

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
89

1. De kerken zullen zich door middel van de arbeid der evangelisatie richten tot hen, die vervreemd zijn van het evangelie, om hen zo mogelijk te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk.
2. Deze arbeid geschiedt onder leiding van de kerkeraad, die de leden der gemeente ook zal opwekken Jezus Christus in het midden der wereld met woord en daad te belijden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 90

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
90

1. Ten behoeve van de arbeid der evangelisatie zal de generale synode deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen en het nodige te verrichten tot bevordering van de opleiding van krachten voor die arbeid.
2. Voor deze arbeid kan de generale synode één of meer dienaren des Woords benoemen, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Zie Bijlage XIV

Kerkorde GKN (1971) Art. 91

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
91

Voor bepaalde takken van de arbeid der evangelisatie kan de generale synode deputaten benoemen ten dienste van die kerken, welke daarvoor in aanmerking komen, en zo nodig de kerken opwekken dit werk naar vermogen te steunen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 92

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
92

Samenwerking in de arbeid der evangelisatie met andere dan Gereformeerde kerken en personen zal uitsluitend plaats vinden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 92

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

bij Artikel
92

Samenwerking, die beperkt blijft tot bepaalde acties met een publiek karakter, zoals straatprediking en zaaiweek, of waarvoor in geval van langer voortgezette actie de goedkeuring van de classis is verkregen, ontmoet geen bezwaar. Zij zal echter alleen aangegaan worden met degenen die Jezus Christus openlijk belijden en duidelijk verkondigen als te zijn de Zoon van God en de enige Zaligmaker van zondaren en die bereid zijn zich te onthouden van bestrijding van de gereformeerde belijdenis.

’s-Gravenhage 1949, art. 252;
Rotterdam 1952, art. 299

Kerkorde GKN (1971) Art. 93

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
93

1. De kerken zullen zich richten tot de Joden in en zo mogelijk ook buiten Nederland om hen uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.
2. Dit werk zal ter hand genomen worden door de daarvoor in aanmerking komende kerken, die dat, met steun van de overige kerken, verrichten in overleg met de door de generale synode benoemde deputaten voor de verkondiging van het evangelie onder Israël en overeenkomstig de door haar vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 94

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
94

1. De kerken zullen zich richten tot de niet-gekerstende volken, om hun in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus het evangelie te verkondigen en om degenen, die tot het geloof gekomen zijn en de heilige doop ontvangen hebben, bijeen te brengen in zelfstandige gemeenten.
2. Zolang dit nodig blijkt, zullen de kerken naar vermogen aan deze zelfstandige gemeenten hulp bewijzen bij het inrichten en opbouwen van een eigen kerkelijk leven.

Kerkorde GKN (1971) Art. 95

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
95

1. Om de zendingsopdracht van Christus uit te voeren, zullen de kerken zoveel mogelijk samenwerken, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen. De wijze, waarop de kerken overigens deze samenwerking inrichten, behoefte de goedkeuring van de generale synode.
2. De toewijzing van de verschillende zendingsterreinen geschiedt door de generale synode, zoveel mogelijk in overeenstemming met de door de kerken kenbaar gemaakte wensen.
3. De beroeping van een missionaire dienaar des Woords zal geschieden door de kerk, die daartoe door de voor een bepaald zendingsterrein samenwerkende kerken is aangewezen, evenwel niet zonder overleg met deze kerken.
4. Voor het uitvoeren van de zendingsopdracht kunnen ook missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak te werk worden gesteld.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 96

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
96

Wanneer zich op een zendingsterrein kerken gevormd hebben, zal, indien deze kerken dit wensen, de arbeid der zending in nauwe samenwerking met haar worden voortgezet. De samenwerkende kerken zullen, volgens een in overleg tot stand gebrachte overeenkomst, welke de goedkeuring van de generale synode behoeft, voor de verkondiging van het evangelie op dat terrein gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 97

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
97

1. De kerken, aan welke de verschillende zendingsterreinen zijn toevertrouwd, kunnen ter bespreking en afdoening van zaken, waarbij zij gezamenlijk betrokken zijn, een raad van samenwerking instellen overeenkomstig een door haar op te maken accoord, welk accoord de goedkeuring van de generale synode behoeft.
2. In deze raad zullen ten minste twee van de deputaten der generale synode voor de zending met adviserende stem zitting hebben.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 98

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Evangelisatie en zending

Artikel
98

1. Voor de behartiging van de algemene zaken zal de generale synode een aantal deputaten voor de zending benoemen, en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden.
2. De taak van deze deputaten omvat naast de behartiging van andere zaken van algemene aard, die door de generale synode in de desbetreffende bepalingen zijn vastgesteld, het in stand houden en leiden van een zendingscentrum met een daaraan verbonden seminarie.
3. Voor de arbeid aan dit zendingscentrum en seminarie kunnen door de generale synode een of meer dienaren des Woords worden benoemd, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) H3.V.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Kerkorde GKN (1971) Art. 99

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
99

1. De kerkeraad zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden der kerk.
2. De kerkeraad kan deze taak toevertrouwen aan een commissie van beheer, die aan hem verantwoording schuldig is.
3. De kerk wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de kerkeraad.
4. De kerk kan ook vertegenwoordigd worden door één of meer leden van de in lid 2 bedoelde commissie dan wel door één of meer andere personen, door de kerkeraad daartoe aangewezen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 100

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
100

1. De in een meerdere vergadering bijeenkomende kerken vormen een lichaam dat rechtspersoonlijkheid heeft.
2. De rechtspersoon wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd, hetzij door de praeses en de scriba van de vergadering, hetzij door de praeses en scriba van de door de vergadering ter zake benoemde deputaten.
3. De rechtspersoon kan ook vertegenwoordigd worden door één of meer andere personen, door de vergadering of de deputaten daartoe aangewezen.
4. Iedere meerdere vergadering zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden welke aan de kerken binnen haar ressort gemeen zijn.

Kerkorde GKN (1971) Art. 101

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
101

1. Het in artikel 98, lid 2, genoemde zendingscentrum heeft rechtspersoonlijkheid.
2. Deze rechtspersoon wordt bestuurd door de in artikel 98, lid 1, bedoelde deputaten, zulks met inachtneming van de bepalingen en opdrachten, door de generale synode vastgesteld en gegeven.
3. De rechtspersoon wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de praeses en de scriba van de deputaten, dan wel door één of meer andere personen, door de deputaten daartoe aangewezen.
4. De generale synode kan een besluit of handeling van de deputaten nietig verklaren, indien het besluit of de handeling in strijd is met de in lid 2 bedoelde bepalingen of opdrachten. Bij het desbetreffende besluit zal de synode de gevolgen daarvan regelen.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 102

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging

Artikel
102

1. De generale synode kan het in artikel 101, lid 1, bepaalde van toepassing verklaren op andere door de kerken in het leven geroepen instellingen.
2. In dat geval is het verder in artikel 101 bepaalde van overeenkomstige toepassing, tenzij de synode dienomtrent anders besluit.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde besluiten zullen een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (1971) H3.VI.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Stichtingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 103

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Stichtingen

Artikel
103

Bij het in het leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen zullen de vergaderingen van de kerk zich gedragen naar de daarvoor door de generale synode gegeven richtlijnen.

Zie Bijlage XVI