Kerkorde GKN (1971) H1.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H1.I.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
2

1. De ambten, waaraan in opdracht van Christus het dienstwerk in de kerk is toevertrouwd, zijn die van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken.
2. Deze ambten zijn van elkander onderscheiden, niet in waardigheid of eer, maar in opdracht en werk.

Kerkorde GKN (1971) Art. 3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
3

1. Niemand zal in de kerk enig ambt vervullen zonder daartoe op wettige wijze geroepen en daarin bevestigd te zijn.
2. Voor de roeping tot enig ambt komen slechts in aanmerking belijdende leden, die voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen.
3. Indien tot het ambt van dienaar des Woords een vrouwelijk belijdend lid wordt geroepen, zal haar in de regel een bijzondere opdracht worden gegeven.

Zie artikel 19

Kerkorde GKN (1971) Art. 4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
4

1. De roeping tot het vervullen van een ambt wordt uitgebracht door de kerkeraad.
2. De kerkeraad brengt deze roeping uit in de regel op grond van een onder zijn leiding gehouden verkiezing door de gemeente. Deze verkiezing geschiedt uit een aantal door de kerkeraad voorgestelde candidaten, dat in de regel het dubbele is van het aantal te vervullen plaatsen. De kerkeraad kan echter ook in een vacature slechts één candidaat voorstellen; hij zal dan mededeling aan de gemeente doen van de redenen, die hem daartoe genoopt hebben.
3. De kerkeraad kan de leden der gemeente tevoren in de gelegenheid stellen de aandacht te vestigen op voor het ambt geschike personen.
4. De verkiezing geschiedt, na gebed, door de stemgerechtigde leden der gemeente overeenkomstig de door de kerkeraad vastgestelde regeling.
5. De kerkeraad zal de namen van de beroepen ambtsdragers op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente voordragen om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging. Indien geen bezwaren zijn ingekomen, of de kerkeraad de ingebrachte bezwaren niet genoegzaam gegrond acht, zal de bevestiging in een kerkdienst plaats hebben, met gebruikmaking van de daarvoor vastgestelde formulieren.

Kerkorde GKN (1971) H1.II.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Kerkorde GKN (1971) Art. 5

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
5

1. Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.
2. Hij die een zodanige opleiding ontvangen heeft, hetzij aan de Theologisch Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de faculteit der godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit, kan zich, onder overlegging van de benodigde getuigschriften, aanmelden bij de classis waaronder de kerk van zijn woonplaats ressorteert, om zich te onderwerpen aan het praeparatoir examen. Wanneer hij dit examen met goed gevolg heeft afgelegd, zal de classis hem als proponent beroepbaar stellen. Een en ander zal geschieden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
3. Ten aanzien van hem, die elders een theologische opleiding ontvangen heeft, zal de classis, bij welke hij zich aanmeldt, handelen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
4. Voor de uitzending als missionair dienaar des Woords is, naast de in lid 1 bedoelde opleiding, nog een bijzondere opleiding vereist aan het zendingsseminarie.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 5

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
5

Examens

A. De classis stelt als proponent beroepbaar en verleent de aanvrager hiervan acte, nadat aan het volgende is voldaan:

1. De aanvrager legt de volgende bescheiden over:
a. bewijs van met goed gevolg afgelegd candidaatsexamen, hetzij aan de Theologische Hogeschool, hetzij aan de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit;
b. een getuigschrift van de kerk of kerken tot welke hij gedurende de laatstverlopen twee jaren behoorde;
c. in geval van aan de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit ontvangen opleiding, getuigschrift van deze faculteit.

2. Een door de classis aangewezen commissie, bestaande uit twee predikanten en een ouderling, doet onderzoek naar de beweegredenen, die de aanvrager leidden om te staan naar het ambt van dienaar des Woords. Dit onderzoek vindt plaats, voordat de classis vergadert, en dient een bevredigend resultaat te hebben. Deze commissie gaat voorts na of de sub 1 bedoelde bescheiden in orde zijn en rapporteert over haar werkzaamheden aan de classis.

3. De classis doet, na gunstig advies van de commissie, onderzoek naar:
a. de geschiktheid voor de prediking, waartoe de aanvrager acht dagen tevoren bij de sub 2 bedoelde commissie een preek in drievoud moet inleveren, handelend over een tekst welke hem tenminste veertien dagen tevoren door de commissie werd opgegeven.
Er dient voor gezorgd te worden, dat een afschrift van de preek aan alle afgevaardigden naar de classicale vergadering wordt verzonden;
b. de vertrouwdheid met de leer en de belijdenis der kerk.

4. Na gebleken bevredigend resultaat van het onderzoek zal de aanvrager het ondertekeningsformulier van proponenten, nadat het hem is voorgelezen, ondertekenen. De classis zal hem hierna beroepbaar stellen.

5. Indien de candidaat bij de beroepbaarstelling belangrijke redenen blijkt te hebben om voorlopig niet een eventuele beroeping in overweging te nemen, zal de classis hiervan bij de beroepbaarstelling uitdrukkelijk mededeling doen en hem voor één jaar preekconsent verlenen. Dit consent kan telkens met een gelijke termijn worden verlengd, na aanvraag die drie maanden vóór het verstrijken van de termijn bij de classis moet worden ingediend; deze aanvraag moet met redenen zijn omkleed en vergezeld gaan van een getuigschrift van de kerk of kerken, tot welke hij gedurende de bedoelde periode heeft behoord.

6. De classis kan een proponent, die een op hem uitgebracht beroep afgewezen heeft, ter verantwoording roepen over de vraag of het hem ernst is met het voornemen te staan naar het ambt van dienaar des Woords.

B. De classis, waartoe een kerk behoort, welke een beroep heeft uitgebracht op een proponent zal de approbatie voor zijn bevestiging in het ambt van dienaar des Woords verlenen en daarvan acte aan hem geven, nadat aan het volgende is voldaan:

1. De beroepen predikant legt de volgende bescheiden over:
a. de wettige beroepsbrief en annexe bepalingen voor salaris, emolumenten en emeritaatsrechten;
b. een verklaring dat het beroep is aangenomen;
c. een getuigschrift van de kerk of kerken, tot welke hij gedurende de laatste twee jaren behoorde;
d. de verklaring van de kerkeraad dat de naam van de beroepene gedurende twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente is voorgedragen zonder dat wettige bezwaren werden ingebracht;
e. de acte van de classis, welke hem het recht verleende om te proponeren.

2. De classis beoordeelt een preek van de proponent over een, door hemzelf gekozen, tekst. De proponent heeft veertien dagen van tevoren deze preek toegezonden aan de scriba van de classis, in een aantal dat door de scriba is opgegeven. Een door de classis ingestelde commissie tot regeling van de examens stelt een schriftelijke beoordeling van deze preek op.
De scriba zendt het benodigde aantal van de preek en de preekbeoordeling toe aan de kerken, de deputaten der particuliere synode en de examinatoren, ten minste drie dagen voordat de classis vergadert.
De classis beoordeelt deze preek in het bijzijn van de examinandus, die ook de preekbeoordeling van tevoren heeft ontvangen en aan wie het recht verleend mag worden om te repliceren. Daarna zal de classis in comité uitspreken, of zij bezwaar heeft het onderzoek voort te zetten. Na het toestemmend oordeel van de classis en de deputaten zal de candidaat peremptoir geëxamineerd worden.

3. Het peremptoir examen zal gaan over de volgende vakken:
Exegese van een gedeelte van het Oude Testament, dat hem tien dagen van tevoren is opgegeven, gedurende ten minste tien minuten.
Exegese van een gedeelte van het Nieuwe Testament, dat hem tien dagen van tevoren is opgegeven, gedurende ten minste tien minuten.
Kennis van de Heilige Schrift, gedurende ten minste tien minuten.
Dogmatiek, gedurende ten minste dertig minuten.
Ethiek, gedurende ten minste vijftien minuten.
Kerkgeschiedenis en kerkrecht, gedurende ten minste vijftien minuten.
Ambtelijke vakken, gedurende ten minste vijftien minuten.

4. Het peremptoir examen zal worden afgenomen ten overstaan van de classis en de deputaten der particuliere synode door examinatoren welke zullen worden aangewezen door de classis in overleg met die deputaten.
De classis bepaalt hoe lang aan de leden van de classis gelegenheid tot navraag zal worden gegeven, terwijl de tijd voor navraag door deputaten niet begrensd mag worden.
Nadat het examen is afgenomen zal in comité aan de examinatoren een waarderingsoordeel worden gevraagd, daarna zullen eerste de classis en tenslotte de deputaten zich uitspreken over de uitslag van het examen. Het examen moet voldoende zijn naar het overeenstemmend oordeel van classis en deputaten.

5. De beroepen proponent ondertekent het ondertekeningsformulier voor predikanten, nadat het hem is voorgelezen.

6. Hij verklaart zich bereid de pastorale begeleiding van een daartoe aangewezen mentor voro de tijd, door de generale synode bepaald, te aanvaarden.

Sneek 1969, art. 400

Het examen wordt kosteloos afgenomen, tenzij voor dit doel een buitengewone bijeenkomst van de classis blijkt vereist te zijn, in welk geval deze aan de aanvrager de kosten in rekening kan brengen tot een bedrag van ƒ 100,—.

Amsterdam 1967, art. 354

Voor het praeparatoir examen van degenen die niet aan de Theologische Hogeschool of de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit hun opleiding hebben ontvangen, zijn dezelfde regelen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aleer de classis, bij welke de aanvrager zich heeft gemeld, overgaat tot het afnemen van het praeparatoir examen, zij zorg draagt voor een bij hem in te stellen afzonderlijk onderzoek, dat in de plaats treedt van het candidaatsexamen aan een van de genoemde instellingen. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:

1. De classis richt zich tot de hoogleraren van de Theologische Hogeschool en die van de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit met het verzoek de aanvrager te examineren in de vakken van het candidaatsexamen, welke taak zij op verantwoording van de generale synode verrichten.

2. De bedoelde hoogleraren voldoen in onderling overleg aan dit verzoek op zodanige tijd en plaats als zij goed zullen achten, doch in elk geval binnen drie maanden, echter alleen, indien de aanvrager binnen- of buitenlandse getuigschriften kan overleggen, dat hij een zodanige algemene ontwikkeling verworven heeft, als geëist mag worden tot het afleggen van academische examens.

3. De bedoelde hoogleraren verstrekken aan de aanvrager, bij gunstige uitslag, een getuigschrift, dat als bewijs aan de classis moet worden overgelegd.

Amsterdam 1892, art. 2;
Leeuwarden 1920, art. 29;
Amsterdam 1936, art. 270

De classis zal alvorens iemand beroepbaar te stellen, zich vergewissen, dat het inderdaad zijn bedoeling is terstond een eventueel beroep op te volgen. Indien hij evenwel ernstige en belangrijke redenen blijkt te hebben om voorlopig niet een eventuele beroeping in overweging te nemen, zal de classis hiervan aan de kerken mededeling doen.
Indien een proponent door het afwijzen van op hem uitgebrachte beroepingen duidelijk blijk geeft van het hem verleende recht om te staan naar het ambt van dienaar des Woords, in werkelijkheid geen gebruik te willen maken, zal de classis die hem beroepbaar gesteld heeft, hem daarover onderhouden, tenzij hij genoegzame redenen kan aanvoeren voor een dergelijke afwijzende houding.

’s-Gravenhage 1949, art. 329

Voor het preekconsent van proponenten is het volgende bepaald:

1. Het met goed gevolg afgelegd praeparatoir examen geeft de bevoegdheid om gedurende één jaar in de kerken te proponeren.

2. Indien hij verlenging van deze bevoegdheid verlangt, kan de proponent drie maanden vóór het verstrijken van de termijn zulks verzoeken aan de classis, die hem die bevoegdheid verleende, zulks onder mededeling van de gronden voor zijn verzoek en onder overlegging van een getuigschrift van de kerk of kerken, tot welke hij sedert zijn praeparatoir examen heeft behoord.
Wanneer er naar het oordeel van de classis geen bezwaren bestaan, wordt de bevoegdheid tot proponeren door haar voor een jaar verlengd.

3. Het staat aan het oordeel van de classis, of er reden is aan herhaalde aanvragen om verlenging van die bevoegdheid op overeenkomstige wijze te voldoen.

Groningen 1927, art. 112;
Amsterdam 1936, art. 269

Pastorale begeleiding

Voor allen die voor het eerst het ambt van dienaar des Woords gaan bekleden, is een pastorale begeleidign ingesteld gedurende één jaar. Deze begeleiding wordt uitgevoerd door predikanten-mentoren, die, op voordracht van de desbetreffende deputaten, voor de tijd van twee jaren worden benoemd door de particuliere synoden. Deze predikanten-mentoren die daartoe een op deze taak gerichte training ontvangen, worden voor hun arbeid afzonderlijk gehonoreerd.

Sneek 1969, art. 338

Kerkorde GKN (1971) Art. 6

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
6

1. Van de regel, dat een deugdelijke theologische opleiding vereist is, kan alleen worden afgeweken, indien op overtuigende wijze blijkt, die iemand in die mate de gaven bezit, welk voor een dienaar des Woords onmisbaar zijn, dat hij ondanks het gemis van een zodanige opleiding geacht kan worden in staat te zijn de gemeente met stichting te dienen. Onder deze gaven zijn in het bijzonder te verstaan de gave van godsvrucht, van ootmoed, van wijsheid en van geestelijk onderscheidingsvermogen, benevens het vermogen om op duidelijke en opbouwende wijze het evangelie te verkondigen.
2. Mede aan de hand van overgelegde getuigschriften van de kerkeraad van de gemeente, waartoe hij die zich heeft aangemeld behoort, en van de classis waaronder de desbetreffende kerk ressorteert, zal de particuliere synode op grondige wijze onderzoeken, of hij de genoemde gaven bezit; zij spreekt daarna uit, of hij zich zal mogen onderwerpen aan het praeparatoir examen, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 6

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
6

Met betrekking tot het praeparatoir examen gelden de volgende bepalingen:

1. Het onderzoek strekt zich uit over dezelfde onderwerpen welke genoemd worden voor het praeparatoir examen volgens artikel 5, met dien verstande dat het onderzoek naar de bekwaamheid in de uitlegging van de Heilige Schrift niet geschiedt volgens de grondtekst, maar volgens de Nederlandse vertaling.

2. Wanneer het examen met goed gevolg is afgelegd, zal de aanvrager gedurende een door de classis vast te stellen periode welke zo nodig verlengd kan worden, moeten oefenen in de kerken van de classis, waartoe deze een van de dienaren des Woords uit haar midden aanwijst om hem de nodige leiding te geven.

3. Eerst wanneer die periode van oefening tot genoegzame tevredenheid van de classis is verlopen, zal deze hem op de gewone wijze beroepbaar stellen.

Dordrecht 1893, art. 175;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 7

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
7

1. De beroeping van een dienaar des Woords zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de beroepbaarheid van degenen, die andere dan de Gereformeerde Kerken in Nederland gedien hebben, alsmede van de bepaling inzake het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature. In geheel vacante kerken zal de beroeping niet geschieden zonder het raadplegen van de consulent.
2. Ingeval de beroepene reeds als dienaar des Woords een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden, dan nadat de classis, waaronder de vacante kerk ressorteert, op grond van het overgelegde wettige getuigenis van zijn vertrek uit de kerk en de classis, waaraan hij tevoren was verbonden, en van de overgelegde goede kerkelijke attestatie van zijn leer en leven, haar approbatie verleend heeft.
3. Ingeval de beroepene tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan heeft, zal de approbatie van de classis niet worden verleend an na een met goed gevolg ingesteld onderzoek naar zijn leer en leven, welk onderzoek zal geschieden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent het peremptoir examen. De classis zal geen beslissing nemen dan met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, althans van hun meerderheid. De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 7

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
7

Omtrent de beroepbaarheid van predikanten uit andere kerken zowel in als buiten Nederland is het volgende bepaald:

1. Zij moeten overleggen een getuigschrift aangaande belijdenis en wandel van de kerk of kerken, tot wlke zij gedurende de laatstverlopen twee jaren behoorden, of bij gebreke daarvan een verklaring welke naar het oordeel van de classis genoegzaam bewijskrachtig is.

2. Zij moeten overleggen een bewijs aangaande hun beroeping tot de dienst des Woords in de kerk welke zij gediend hebben, alsmede desgevraagd getuigschriften waaruit blijkt dat zij een zodanige algemene ontwikkeling verworven hebben als geëist mag worden tot het afleggen van academische examens, alsook een zodanige theologische kennis als verwacht wordt van degenen, die in de Gereformeerde Kerken in Nederland aan eht praeparatoir en peremptoir examen worden onderworpen.

3. Zij moeten zich onderwerpen aan een door de classis met bijstand van de deputaten der particuliere synode in te stellen colloquium aangaande de leer, waarbij het onderzoek inzonderheid zal gaan over de kennis van de gereformeerde leer en kerkregering, met dien verstande dat indien iemand reeds eerder door de Gereformeerde Kerken in Nederland was toegelaten, volstaan kan worden met een eenvoudig onderzoek, of hij aan die leer getrouw is gebleven.

Dordrecht 1893, art. 165;
Groningen 1927, art. 161;
Amsterdam 1967, art. 354

Ingeval een predikant, die vroeger aan een gereformeerde kerk was verbonden, daarna evenwel de band emt de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft verbroken, naderhand weer verlangt beroepbaar te worden gesteld, zal de classis geen beslissing mogen nemen zonder het advies van de deputaten der particuliere synode en zonder ook het oordeel van de kerkeraad van de kerk waaraan hij indertijd was verbonden, te hebben ingewonnen.

Groningen 1899, art. 153;
Amsterdam 1967, art 354

Het voor de tweede maal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature zal niet zonder toestemming der classis mogen geschieden.

Dordrecht 1893, art. 164

Inzake de datum van ontslag geldt de volgende bepaling:
a. dat deze datum in de regel zal worden gesteld op de zaterdag, volgende op de dag waarop de beroepen dienaar des Woords afscheid zal hebben gepreekt; en dat indien hiervan wordt afgeweken, de datum met onderling goedvinden van beide kerken wordt vastgesteld;
b. dat in het getuigenis van het vertrek van de beroepen dienaar des Woords de overeengekomen datum zal worden vermeld;
c. dat van de overeengekomen datum af de beroepen dienaar des Woords geheel zal komen voor rekening van de kerk die hem beroepen heeft.

Amsterdam 1938, art. 71

Er wordt bij de kerken op aangedrongen:
a. haar beroepingswerk zo te regelen, dat — gewichtige uitzonderingen daargelaten, waarover de classis zal hebben te oordelen — geen beroep wordt uitgebracht op dienaren des Woords, die nog geen vier jaren in een gemeente hebben gestaan;
b. zoveel mogelijk te vermijden, dat een beroep wordt uitgebracht op een dienaar des Woords, die over een ander beroep dat hij ontvangen heeft, nog niet beslist heeft.

Groningen 1963, art. 321;
Amsterdam 1967, art. 354

Zie ook bij artikel 5

Kerkorde GKN (1971) Art. 8

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
8

1. Proponenten en dienaren des Woords, die beroepen worden als missionair dienaar des Woords, zullen moeten overleggen een getuigschrift van het zendingsseminarie, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent hun opleiding.
2. Vrijstelling van het overleggen van dat getuigschrift kan alleen verleend worden met bewilliging van de generale synode of van haar deputaten, die met de behartiging van de algemene zaken der zending belast zijn.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 9

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
9

1. De taak van de dienaar des Woords is de bediening van het Woord aan de gemeente en al naar de gelegenheid eveneens de verkondiging van het evangelie aan hen, die vervreemd zijn van het evangelie, aan de Joden en aan de niet-gekerstende volken; de bediening van de sacramenten; het uitspreken van de zegen; de leiding van alle overige ambtelijke werkzaamheden in de kerkdiensten, als in het bijzonder het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, het doen van bekendmakingen inzake vermaan en tucht, het bevestigen van ambtsdragers, het bevestigen van huwelijken; en het catechetisch onderricht.
2. Voorts is het zijn taak, tezamen met de ouderlingen, over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen ook op andere wijze dan door de openbare verkondiging van het evangelie voor Christus te winnen.
3. De kerkeraad kan aan een dienaar des Woords een bijzondere opdracht geven en op grond daarvan hem van ene deel van de in lid 1 en 2 bedoelde werkzaamheden vrijstellen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 10

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
10

Het zal geen dienaar des Woords vrijstaan binnen het ressort van enige kerk zonder bewilliging van haar kerkeraad voor te gaan in een samenkomst, welke geacht moet worden in enigerlei vorm het karakter van een kerkdienst te dragen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 11

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
11

1. Zolang een dienaar des Woords aan zijn gemeente verbonden is, zal deze in het onderhoud van hem en zijn gezin voorzien en zich van deze plicht niet ontslagen mogen rekenen, indien hij wegens ziekte of om een andere reden zijn werk tijdelijk niet kan verrichten.
2. Indien anderen dan de kerkeraad van de gemeente, waaraan een dienaar des Woords verbonden is, mede de verantwoordelijkheid dragen voor de werkzaamheden, welke hem opgedragen zijn, kan met zijn bewilliging, geheel of gedeeltelijk, op een andere dan de in lid 1 bedoelde wijze in het onderhoud van hem en zijn gezin worden voorzien.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 11

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
11

Bij de kerkeraden wordt er op aangedrongen het traktement, indien de plaatselijke omstandigheden dit toelaten, te bepalen boven het minimum en te komen tot een regeling die ten minste overeenkomt met de salarisschaal voor de leraren bij het middelbaar onderwijs.
Voorts die van kleine kerken aan te raden zo enigszins mogelijk te komen tot combinatie met andere kerken of tot een regeling, waarbij hun predikant voor een gedeelte van zijn tijd wordt afgestaan aan een naburige gemeente of voor een bijzondere taak in dienst van de kerken.
Bij de classicale vergaderingen wordt er op aangedrongen zich er van te verzekeren dat de kerken de richtlijnen naleven.

Rotterdam 1952, art. 313, 458;
Groningen 1963, art. 208, 482;
Middelburg 1965, art. 88;
Amsterdam 1967, art. 345;
Sneek 1969, art. 386, sub 10

Zie Bijlage I

Kerkorde GKN (1971) Art. 12

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
12

1. Indien een dienaar des Woords zijn gemeente niet langer met stichting kan dienen en er toch geen reden bestaat tot het oefenen van kerkelijke tucht, zal de kerkeraad hem van zijn dienst in de gemeente niet kunnen ontslaan zonder goedkeuring van de classis, die daarbij met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten handelt.
2. De classis kan, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, een beperkende bepaling vaststellen inzake het vervullen van tot zijn ambt behorende werkzaamheden, indien de dienaar des Woords naar haar oordeel de kerken niet met stichting zal kunnen dienen. Het opnemen van een dergelijke bepaling zal evenwel een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.
3. Zolang de dienaar des Woords niet elders beroepen is, blijft de kerkeraad die hem ontsloeg, binnen de door de generale synode bepaalde grenzen, verantwoordelijk voor de voorziening in het onderhoud van hem en zijn gezin.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 12

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
12

Overwogen worde alvorens tot ontslag te besluiten, een oplossing der gerezen moeilijkheden te bereiken door aan de desbetreffende dienaar des Woords gedurende enige tijd gehele of gedeeltelijke vrijstelling van werkzaamheden te geven, al of niet in de vorm van ziekteverlof.

Sneek 1969, art. 386

Door de kerkeraad zal van een zodanig ontslag uit de dienst in de gemeente mededeling worden gedaan aan de kerkeraden der andere kerken om op deze wijze de mogelijkheid te openen dat op de ontslagen dienaar des Woords een beroep wordt uitgebracht.

Middelburg 1965, art. 179;
Amsterdam 1967, art. 354

Zie Bijlage II

Kerkorde GKN (1971) Art. 13

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
13

1. Indien de kerkeraad en de classis, met medewerking en goedvinden van de deputaten van de particuliere synode, oordelen, dat een dienaar des Woords, zonder dat er goede grond is voor het verlenen van emeritaat of voor het oefenen van kerkelijke tucht, de bekwaamheid mist om enige gemeente met stichting te dienen, zal een volledig ontslag uit de dienst slechts kunnen volgen, wanneer de particuliere synode met een meerderheid van tenminste twee derden der uitgebrachte stemmen dat oordeel bevestigd en, in geval van appèl, de generale synode deze beslissing bekrachtigd heeft.
2. Ten behoeve van het onderhoud van hem die ontslagen is, en van zijn gezin zal, ook hangende het appèl, de kerkeraad hem een uitkering doen overeenkomstig een regeling, die bij de in lid 1 bedoelde beslissing wordt vastgesteld.

Kerkorde GKN (1971) Art. 14

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
14

Het zal een dienaar des Woords niet vrijstaan zijn ambt neer te leggen. Hij kan slechts van zijn ambt worden ontheven, om zich tot een andere staat des levens te begeven, indien de kerkeraad en de classis, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, oordelen dat daarvoor bijzondere en gewichtige redenen zijn.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 14

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
14

Aan iemand die moedwillig zijn ambt neerlegde zonder bewilliging en tegen het advies van kerkeraad en classis, mag niet anders dan om zeer bijzondere redenen weer de weg tot het ambt worden geopend. Deze bijzondere redenen moeten dan niet worden gezocht in de desbetreffende persoon en diens veranderde gezindheid, maar in een op goede gronden uit de kerken opkomende aandrang, die ook de instemming ontvangt van de bedoelde kerkeraad en classis.

Arnhem 1930, art. 164;
Middelburg 1933, art. 268;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 15

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
15

Een dienaar des Woords, die, met bewilliging van de kerkeraad, met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, arbeid aanvaardt, die wel een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar die voor hem een verhindering is om zijn taak in de gemeente te blijven verrichten, zal toch de eer en de naam van een dienaar behouden en ten aanzien van zijn ambtelijke positie aan de gemeente, welke hij het laatst diende, verbonden blijven.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 15

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
15

Dit artikel is van toepassing verklaard op een dienaar des Woords, die in een volledige dagtaak als godsdienstleraar aan middelbare of andere scholen benoemd wordt. Hij kan dan ook beroepen worden door de gemeente waar zich de betreffende school bevindt, terwijl eveneens een proponent die als zodanig benoemd wordt, door een dergelijke gemeente kan worden beroepen.

Sneek 1969, art. 325

Kerkorde GKN (1971) Art. 16

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
16

Een dienaar des Woords, die door de generale synode of in overeenstemming met door haar goedgekeurde bepalingen geroepen wordt tot arbeid in opdracht van of ten behoeve van de gezamenlijke kerken, die wel een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het evangelie in rechtstreeks verband staat, maar die voor hem een verhindering is om zijn taak in de gemeente te blijven verrichten, zal geacht worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken en de eer en de naam van een dienaar behouden.

Zie Bijlage III

Kerkorde GKN (1971) Art. 17

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
17

1. Indien een dienaar des Woords tenminste veertig jaar zijn ambt vervuld heeft dan wel de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt heeft, of door ziekte of invaliditeit niet in staat is zijn taak te blijven verrichten, en wanneer hij of zijn kerkeraad een aanvraag tot emeritaat bij de classis indient, zal hij, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, door de classis met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten emeritus worden verklaard en de eer en de naam van een dienaar behouden.
2. De classis kan, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, aan de emeritaatsverlening van een dienaar des Woords een beperkende bepaling verbinden inzake het vervullen van tot dit ambt behorende werkzaamheden, indien hij, naar haar oordeel, de kerken niet met stichting zal kunnen dienen. Het opnemen van een dergelijke bepaling zal evenwel een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.
3. De gemeente, waaraan de dienaar des Woords verbonden is, zal, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, in het onderhoud blijven voorzien en, na zijn overlijden, in dat van de door hem nagelaten weduwe en wezen.
4. Het in lid 3 bepaalde geldt eveneens voor het onderhoud van de weduwe en wezen van een dienaar des Woords, die voor het verkrijgen van zijn emeritaat is overleden.
5. Van het in lid 1 bepaalde, dat een dienaar des Woords minstens veertig jaar zijn ambt vervuld dan wel de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt moet hebben, kan voor een missionaire dienaar des Woords worden afgeweken.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 17

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
17

Instructie voor de deputaten van de particuliere synode (artikel 56).

Deputaten moeten zich overtuigen:
a. dat er een aanvraag is om emertitaat;
b. dat indien de aanvraag uitgaat van de dienaar des Woords er eveneens een verklaring is van de kerkeraad dat deze daarin bewilligt;
c. dat de in de aanvraag genoemde reden voldoet aan het ter zake in artikel 17 bepaalde, en dat indien ziekte of invaliditeit de reden is, deze blijkt uit een verklaring van twee bevoegde deskundigen, van wie althans één werd aangewezen door de kerkeraad;
d. dat de classis de aanvrage gewettigd acht, eventueel nadat zij bij verschil tussen de overgelegde verklaringen of onduidelijkheid hierin het oordeel van een derde deskundige heeft ingeroepen;
e. dat de classis zich heeft vergewist dat de kerkeraad behoorlijke toezegging heeft gedaan in zake het onderhoud van de emeritus te verklaren dienaar des Woords en diens gezin, en dat daarbij gehandeld is in overeenstemming met de bepalingen vna de generale synode; en
f. dat van een en ander een behoorlijk ondertekend stuk is opgemaakt, waarvan gewaarmerkte afschriften aan kerk en dienaar des Woords zijn verstrekt.

Arnhem 1902, art. 144

Zie Bijlage IV

Kerkorde GKN (1971) Art. 18

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
18

Een emeritus-verklaarde dienaar des Woords kan, met bewilliging van de kerkeraad der gemeente, waaraan hij verbonden is en met goedkeuring van de classis, waartoe de desbetreffende kerk behoort, voor een bepaalde periode worden geroepen tot het verrichten van ambtelijke arbeid in bepaalde hiervoor in aanmerking komende kerken, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen. Hij zal dan geacht worden in die kerk het ambt van dienaar des Woords te vervullen.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 18

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
18

Bepalingen:

1. Voor het beroepen van een emeritus-predikant in tijdelijke dienst komen alleen in aanmerking kerken welker zielental niet meer dan omstreeks 300 bedraagt, zulks met goedvinden van de classis waartoe de betreffende kerk behoort. Deze classis kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van die voorwaarde.

2. Bij het beroepen van een emeritus-predikant zal door de desbetreffende kerk de periode moeten worden genoemd, gedurende welke zijn dienstvervulling wordt verwacht. Deze periode mag zich uitstrekken over ten hoogste twee jaren. Daarna moet over eventuele verlenging telkens opnieuw een overeenkomstige beslissing vallen.

3. De kerkeraad van de gemeente waaraan de emeritus-predikant die beroepen wordt in tijdelijke dienst, verbonden is, zal aan zijn bewilliging geen voorwaarden mogen verbinden, welke in strijd komen met de kerkorde en met andere bepalingen van de generale synode. Met name zal de desbetreffende emeritus-predikant zijn rechten behouden op de volledige uitkering van zijn emeritaatsgelden.

Amsterdam 1967, art. 33

De synode acht het onjuist dat nu deze algemene regeling bestaat voor kleine vakante kerken, zodanige kerken nog op andere wijze een emeritus-predikant aan zich zouden trachten te verbinden voor het vervullen van een volledige ambtelijke opdracht in vaste dienst.

Amsterdam 1967, art. 33

Kerkorde GKN (1971) Art. 19

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel
19

1. Wanneer een vrouwelijke dienaar des Woords in het huwelijk treedt en wanneer een gehuwde vrouw zich aanmeldt voor het proponentschap, zal met haar gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
2. Overigens zijn alle bepalingen met betrekking tot de dienaren des Woords van overeenkomstige toepassing op een vrouwelijke dienaar des Woords, tenzij anders bepaald wordt.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 19

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

bij Artikel
19

Bepalingen:

1. Indien een vrouwelijke dienaar des Woords het voornemen heeft in het huwelijk te treden en zij geen gebruik wil maken van de mogelijkheid om naar artikel 14 der kerkorde van haar ambt te worden ontheven, zal zij van dat voornemen tijdig kennis geven aan de kerkeraad, opdat deze over de uit dat huwelijk voortvloeiende nieuwe situatie zich nader beraden en met haar in overleg treden kan.

2. Indien het overleg resulteert in de gemeenschappelijke overtuiging dat haar gehuwd-zijn geen belemmering behoeft te vormen voor de vervulling van de desbetreffende kerkelijke opdracht, kan deze worden bestendigd of naar behoefte worden gewijzigd, zulks met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

3. Bij het nemen van de onder 2 bedoelde beslissing kan de kerkeraad daaraan de voorwaarde verbinden dat een nieuw overleg noodzakelijk zal zijn, indien in een later stadium het gehuwd-zijn naar zijn oordeel wel een belemmering gaat vormen voor de vervulling van de desbetreffende kerkelijke opdracht.

4. Indien de kerkeraad overwegende bezwaren blijkt te hebben tegen bestendiging dan wel tegen wijziging van de desbetreffende kerkelijke opdracht, zal haar ontslag worden verleend uit de dienst, met behoud evenwel van de eer en de naam van een dienaar, zulks met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

5. Met betrekking tot een gehuwde vrouw die zich aanmeldt voor het proponentschap, is het onder 2, 3 en 4 bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Sneek 1969, art. 198

Kerkorde GKN (1971) H1.III.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Kerkorde GKN (1971) Art. 20

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
20

1. Voor de opleiding tot de dienst des Woords onderhouden de kerken gezamenlijk een Theologische Hogeschool.
2. Voor de verzorging van deze Hogeschool zal de generale synode een aantal deputaten benoemen en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden. Zij worden curatoren genoemd.
3. Alles wat betrekking heeft op de inrichting en leiding van deze Hogeschool, wordt geregeld in een afzonderlijk reglement en in de overige door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Zie Bijlage V

Kerkorde GKN (1971) Art. 21

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
21

Het verband met de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit wordt door deputaten van de generale synode onderhouden volgens de overeenkomst, aangegaan met de Vereniging voor wetenschappelijk Onderwijs op gereformeerde grondslag, in welke overeenkomst de wederzijdse rechten en verplichtingen omschreven zijn.

Zie Bijlage VI

Kerkorde GKN (1971) Art. 22

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel
22

1. Om in de behoefte aan dienaren des Woords te voorzien, zullen de kerken, voor zoveel nodig, aan daarvoor in aanmerking komende studenten en dienaren des Woords financiële steun verlenen, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
2. Voor de behartiging van deze zaak zal de generale synode een aantal deputaten benoemen en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden.

Zie Bijlage VII

Kerkorde GKN (1971) H1.IV.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Kerkorde GKN (1971) Art. 23

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
23

1. De ouderlingen en diakenen zullen gedurende een door de kerkeraad vast te stellen periode zitting hebben. De kerkeraad kan deze periode voor eenmaal met één jaar verlengen; hij zal dan mededeling aan de gemeente doen van de redenen, die hem daartoe genoopt hebben.
2. In de regel zal ieder jaar een deel van hen aftreden. De aftredenden zullen niet terstond herkiesbaar zijn, tenzij naar het oordeel van de kerkeraad het welzijn van de gemeente het raadzaam maakt een of meer hunner opnieuw aan de gemeente ter verkiezing voor te stellen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 24

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
24

De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen voor Christus te winnen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 25

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel
25

1. De taak van de diakenen is, aan de leden der gemeente, die in stoffelijk of in ander opzicht medeleven of hulp behoeven, de christelijke barmhartigheid te bewijzen door hen met raad en daad bij te staan, en ook aan anderen, zowel in eigen omgeving als elders in de wereld, naar vermogen deze barmhartigheid te bewijzen.
2. Zij zullen tot dat doel de gaven der gemeente inzamelen en beheren en daartoe eveneens andere goede middelen zoeken en aanwenden; ook zullen zij de leden der gemeente opwekken zich persoonlijk te beijveren in het bewijzen van de christelijke barmhartigheid.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 25

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

bij Artikel
25

Werelddiakonaat

De synode besluit:

1. in samenwerking met de leden-kerken van de Raad van Kerken in Nederland te bevorderen dat — naar eis van het Evangelie — mede door een verandering van mentaliteit en levensstijl van de christenen, de steeds dieper wordende kloof tussen de zgn. rijke en arme landen overbrugd wordt;

2.a. in het verband van de Raad van Kerken in Nederland en zo nodig zelfstandig er aan mede te werken dat het inzicht in de eisen van de sociale gerechtigheid naar bijbelse maatstaf wordt verdiept en de consequenties daarvan worden voorgelegd aan de overheden, de politieke partijen en de maatschappelijke organisaties zowel in nationaal als in internationaal verband; en de zorg voro deze zaak op te dragen aan de generale deputaten voor de zending en die voor de algemene diaconale arbeid;
b. in verband met de politieke aspecten van deze vraagstukken de gemeenteleden op te wekken zich van hun politieke verantwoordelijkheid ten aanzien van het ontwikkelingsvraagstuk bewust te zijn;

3. de kerken op te wekken krachtig te streven naar ten minste een verdubbeling van de huidige inkomsten voor het werelddiaconaat om hierdoor onder meer mogelijk te maken:
a. de financiering van de voorlichting; en
b. de financiering van speciale projecten, gericht op structuurveranderingen in de ontwikkelingslanden, zulks in samenwerking met de Wereldraad van Kerken en in de geest van de besluiten van de Assemblee van Uppsala (1968) en de voorstellen van de Consultatie van Montreux (1970).

Sneek 1969, art. 398

Zie Bijlage VIII en XXIII,2

Kerkorde GKN (1971) H1.V.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De ondertekening van de belijdenis

Kerkorde GKN (1971) Art. 26

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De ondertekening van de belijdenis

Artikel
26

1. De ouderlingen en de diakenen zullen in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, ten bewijze van hun volledige instemming met de belijdenis van de kerken de drie formulieren van enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen.
2. Degenen, die met goed gevolg het praeparatoir examen hebben afgelegd, zullen in de bijeenkomst van de classis, welke dat examen afgenomen heeft, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.
3. De dienaren des Woords zullen van diezelfde instemming blijk geven niet aleen door in de eerste bijeenkomst van de kerkeraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, de formulieren van enigheid te ondertekenen, maar bovendien door in de eerste bijeenkomst van de desbetreffende classis een afzonderlijk formulier te ondertekenen, dat door de generale synode is vastgesteld. Degenen, die tevoren niet in het ambt van dienaar des Woord gestaan hebben, zullen hetzelfde doen in de bijeenkomst van de classis, waarin zij het peremptoir examen met goed gevolg hebben afgelegd.
4. De hoogleraren in de theologie en de overige in artikel 16 bedoelde dienaren des Woords zullen, bij de aanvaarding van hun taak, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Zie Bijlage IX