Kerkorde GKN (2001) Ubp.

Uitvoeringsbepalingen
bij de Kerkorde van de
Gereformeerde Kerken
in Nederland

Kerkorde GKN (2001) Ubp. H1

Uitvoeringsbepalingen bij hoofdstuk 1 van de Kerkorde

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 5.1

Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde

5.1 Kerkelijk examen. Beroepbaar stellen als proponent (art. 5 lid 2)

(Toelating tot het proponentschap van hen, die een theologische opleiding hebben ontvangen aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland of aan de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit.)

 

1. Degene die staat naar het ambt van dienaar des Woords dient zich na voltooiing van de in artikel 5, lid 1 en 2 K.O. bedoelde theologische opleiding schriftelijk te melden bij de in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde deputaten om zich te onderwerpen aan het kerkelijk examen. Hij zendt een afschrift van de aanmeldingsbrief aan de in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde classis.

2. Het staat betrokkene vrij om, zodra de datum van het doctoraal examen van de theologische opleiding definitief is vastgesteld, een voorlopige aanmelding te zenden aan deputaten en classis.

3. De classis overlegt direct na (voorlopige) aanmelding met deputaten over tijd en plaats van het examen, dat zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden.

4. Bij de (definitieve) aanmelding worden de volgende bescheiden aan de deputaten overgelegd:
a. een bewijs dat met goed gevolg het doctoraal examen is afgelegd, hetzij aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit; afgestudeerden van laatstgenoemde instelling dienen tevens een verklaring van de faculteit dat zij het op het predikantschap gerichte doctoraal examen hebben afgelegd te overleggen;
b. een verklaring van aanvankelijke geschiktheid voor het ambt van predikant;*)
c. een verklaring van het theologisch seminarium Hydepark inzake het met vrucht doorlopen van een leervicariaat/leerweken;
d. een getuigschrift betreffende de belijdenis en levenswandel van de kandidaat afgegeven door de kerk of kerken tot welke de betrokkene de laatstverlopen twee jaar behoorde.
*) Deze bepaling geldt voor studenten die na 1 september 1997 met de studie zijn begonnen.

5. Deputaten gaan na of de onder 4 bedoelde bescheiden in orde zijn. Vervolgens stellen zij een onderzoek in naar de voor het predikantschap vereiste gaven van vroomheid en ootmoed, van het vermogen om in loyaliteit aan de kerk en haar traditie een gemeente te dienen, en van wijsheid en integriteit.
Dit onderzoek dient binnen een maand na de aanmelding plaats te vinden, tenzij in overleg met de aanvrager een andere regeling wordt getroffen. Indien dit onderzoek bevredigend verloopt, geven deputaten direct daarna aan de kandidaat het Schriftgedeelte op voor de te maken preek.
Van de bevredigende afloop van het onderzoek geven deputaten kennis aan de in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde classis.

6. Deputaten stellen een onderzoek in naar de vertrouwdheid met de Heilige Schrift en het belijden van de kerk. Dit eerste deel van het examen wordt gehouden op een door de in artikel 5, lid 2 K.O. bedoelde classis vast te stellen tijd en plaats en is toegankelijk voor de afgevaardigden naar de classis. Voor dit onderzoek wordt tenminste een uur uitgetrokken.

7. Heeft ook dit onderzoek een bevredigend resultaat, dan vindt daarna op dezelfde dag het tweede deel van het examen plaats. De kandidaat heeft daartoe een op een kerkdienst afgestemde preek gemaakt over het door deputaten opgegeven Schriftgedeelte. Hij voegt als bijlagen daaraan toe een opgave van de gebruikte literatuur en een uitgewerkte orde van dienst.
Preek en bijlagen worden tenminste drie weken vóór de datum van het tweede deel van het examen bij deputaten ingeleverd, met zoveel afschriften daarvan als door de deputaten worden verlangd; de deputaten geven een schriftelijke beoordeling van de preek, die tevoren aan de kandidaat wordt toegezonden.
De deputaten dragen er zorg voor, dat tijdig aan alle afgevaardigden naar de classis waarin het tweede deel van het examen wordt afgenomen, een afschrift van de preek met de bijlagen wordt verzonden.

8. De deputaten nemen het tweede deel van het examen af in een vergadering van de classis. Zij stellen gedurende een van tevoren vastgestelde tijd, welke minstens een half uur dient te bedragen, aan de kandidaat vragen naar aanleiding van de preek en eventueel van de bijlagen. Indien daartoe behoefte blijkt kan de classis gedurende maximaal een half uur de deputaten navraag laten doen wanneer preek en verantwoording daartoe aan de classis aanleiding geven.

9. Na afloop van het examen stellen deputaten na overleg met de classis en in afwezigheid van de kandidaat hun oordeel over het examen vast. Is dit oordeel gunstig dan zullen zij de classis voorstellen de kandidaat als proponent beroepbaar te stellen.

10. De classis zal de kandidaat beroepbaar stellen, tenzij artikel 13 van toepassing is.

11. Voordat de aanvrager als proponent beroepbaar wordt gesteld, zal hij het in artikel 26, lid 2 K.O. genoemde ondertekeningsformulier, nadat dit hem is voorgelezen, ondertekenen. Hij zal zich tevens bereid verklaren om, wanneer hij predikant zal zijn, de werkbegeleiding van een daartoe aangewezen mentor voor de tijd door de generale synode bepaald, te aanvaarden.

12. Vervolgens zal de classis de aanvrager als proponent beroepbaar stellen en hem daarvan acte verlenen. Deze beroepbaarstelling geeft de proponent de bevoegdheid om gedurende één jaar in de kerken te proponeren.

13. Indien deputaten niet tot een gunstig oordeel over het examen komen, of indien de classis overwegende bezwaren heeft tegen beroepbaarstelling van de kandidaat en deze bezwaren ook in nader overleg niet worden weggenomen, zal de classis in overleg met de deputaten beslissen wanneer een nieuw examen zal plaatsvinden. Deputaten stellen na overleg met de classis de inhoud van het nieuwe examen vast. De classis deelt de uitslag van het overleg aan de kandidaat mee.

14. Indien deputaten in appèl gaan tegen het besluit van de classis om niet beroepbaar te stellen, zal de particuliere synode, wanneer zij het besluit van de classis vernietigt, zelf overgaan tot beroepbaarstelling. De onder 15-17 genoemde werkzaamheden blijven bij de classis.

15. Indien de proponent verlenging van de in artikel 12 bedoelde bevoegdheid verlangt, kan hij dat drie maanden voor het verstrijken van die termijn verzoeken aan de classis, die hem die bevoegdheid verleende, zulks onder mededeling van de redenen voor zijn verzoek en onder overlegging van een getuigschrift betreffende zijn belijdenis en levenswandel van de kerk of kerken, tot welke hij sedert zijn kerkelijk examen of de laatste verlenging van zijn bevoegdheid heeft behoord. In overleg met deputaten kan de classis de bevoegdheid tot proponeren voor één jaar verlengen.

16. De classis zal een proponent, die geen op hem uitgebracht beroep aanneemt, ter verantwoording roepen met betrekking tot de vraag of het hem ernst is met zijn wens toegelaten te worden tot het ambt van dienaar des Woords en van diens antwoord deputaten op de hoogte stellen.
Achten classis en/of deputaten dit antwoord onbevredigend, dan kan de classis na overleg met deputaten besluiten, het proponentschap te beëindigen.

17. Indien de proponent bij de beroepbaarstelling belangrijke redenen blijkt te hebben om voorlopig niet een eventuele beroeping in overweging te nemen, zal de classis hiervan bij de beroepbaarstelling uitdrukkelijk mededeling doen en hem voor één jaar preekconsent verlenen, welk consent op gelijke wijze kan worden verlengd als aangegeven is onder 15.

Almere 1987, art. 79
Mijdrecht 1991, art. 185
Aalten 1993, art. 144
Haren 1995, art. 137 en 153
Enkhuizen 1999, art. 96

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 5.2

Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde

5.2 Kerkelijk examen voor elders opgeleiden (art. 5 lid 3)

(Toelating tot het proponentschap van hen, die elders een theologische opleiding ontvangen hebben)

 

1. Hij, die zijn theologische opleiding niet aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde kerken in Nederland of aan de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit doch aan een andere hogeschool of universiteit in binnen- of buitenland heeft ontvangen en toch staat naar het ambt van dienaar des Woords in de Gereformeerde kerken in Nederland, dient zich te melden bij de in artikel 5 lid 2 K.O. genoemde deputaten met het verzoek zich te mogen onderwerpen aan het kerkelijk examen.

2. Deputaten dragen dan zorg voor een bij de aanvrager in te stellen afzonderlijk onderzoek dat in de plaats treedt van het examen dat krachtens besluit van de generale synode toegang geeft tot het kerkelijk examen.
Dit onderzoek wordt als volgt geregeld:
a. deputaten richten zich tot de Theologische Universiteit en de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit met het verzoek de aanvrager te examineren in de vakken van het zoeven genoemde examen;
b. dit examen wordt afgenomen door een examencommissie van hetzij de Theologische Universiteit hetzij de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, of door een examencommissie van Universiteit en Faculteit tezamen, onder verantwoordelijkheid van de generale synode;
c. tegelijk met het verzoek tot examinatie worden aan de examencommissie overgelegd:
- binnen- of buitenlandse getuigschriften waaruit blijkt dat de aanvrager een zodanige ontwikkeling verworven heeft als geëist mag worden voor het afleggen van wetenschappelijke examens alsook
- getuigschriften waaruit blijkt dat de aanvrager aan enige universiteit in binnen- of buitenland een volledige theologische opleiding gericht op het predikantschap ontvangen heeft;
d. gehoord de aanvrager stelt de examencommissie aan de hand van laatstgenoemde getuigschriften vast:
- of, en zo ja in welke mate nog aanvullende studie nodig is en
- op of na welke datum het examen zal plaats vinden;
e. bij gunstige uitslag van het examen verstrekt de examencommissie de aanvrager een desbetreffend bewijsstuk.

3. Hierna meldt de aanvrager zich onder overlegging van dit bewijsstuk alsmede van een getuigschrift betreffende zijn belijdenis en levenswandel van de kerk of kerken tot welke hij gedurende laatstverlopen twee jaren behoorde wederom bij de onder 1 genoemde deputaten.

4. Voor het overige is op de aanvrager van toepassing het in uitvoeringsbepaling 5.1 bepaalde.

5. In afwijking van de bovenstaande regeling geldt het volgende voor diegenen, die vóór 1 januari 1978 reeds ingeschreven waren aan de Protestantse Theologische Faculteit te Brussel: zij kunnen staan naar het ambt van dienaar des Woords in de Gereformeerde Kerken in Nederland wanneer zij
a. lid zijn van een gereformeerde kerk in Nederland of van een gemeente van de Verenigde Protestantse Kerk in België, welke vóór 1 januari 1979 behoorde tot de Gereformeerde Kerken in Nederland;
b. hun studie aan de Protestantse Theologische Faculteit voltooid hebben;
c. vóór 1 januari 1985 en binnen twee jaar na de sub b bedoelde Studie met goed resultaat aan de Theologische Universiteit of de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit een meer op de Nederlandse kerkelijke achtergronden gerichte na-opleiding hebben gevolgd, ten bewijze waarvan hun een testimonium zal worden verstrekt en
d. met goed gevolg het kerkelijk examen hebben afgelegd, bij de aanvrage waarvan zij, behalve de hierboven onder 3 vermelde stukken, ook bedoeld testimonium dienen te overleggen.
Voor het overige is eveneens op hen van toepassing het in uitvoeringsbepalingen 5.1 bepaalde.

Zwolle 1997, art. 178 en 303
Bentheim 1981, art. 249
Almere 1987, art. 79
Emmen 1989, art. 76

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 5.3

Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde

5.3 Regeling voor hen die hun opleiding ontvingen aan een rijksuniversiteit of de universiteit van Amsterdam

 

Van degenen die hun opleiding tot predikant ontvangen aan een Rijksuniversiteit of aan de Universiteit van Amsterdam en predikant willen worden in de Gereformeerde Kerken in Nederland dient de opleiding de volgende elementen te bevatten:

1. Inzake kerkrecht, dogmatische discussies en kerkgeschiedenis in/van de GKN: vier weken studie aangaande de (geschiedenis van) de kerkorde GKN, enkele belangrijke GKN-documenten, o.a. m.b.t. Schriftgezag en Verzoening en hoofdlijnen van de geschiedenis van de GKN vanaf begin 20e eeuw.
Omtrent het met goed gevolg afgelegd hebben van een toets in dezen dient door de betreffende kerkelijke opleiding een schriftelijke verklaring bij de doctoraalbul te worden gevoegd.
2. Inzake praktijkstages: geen aanvullingen.
3. Inzake Seminarie: vier weken stage op Hydepark voor rekening van de GKN.
4. Inzake vooropleiding en instroom: geen nadere regeling.

Gezamenlijke vergadering van de (generale) synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, gehouden op 28 en 29 januari 1994 te Lunteren; zie ook:

Aalten 1993, art. 72

Regeling afgifte geschiktheidsverklaring voor gereformeerde theologiestudenten
Zie voor de regeling afgifte geschiktheidsverklaring gereformeerde theologiestudenten ubp 20.1

Werkbegeleiding: Ubp 7.2
Predikanten uit ander kerkverband: Ubp 7.3 en 7.4

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 6.1

Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde

 

De generale synoden van Zwolle 1977 en Delft 1979 stelden richtlijnen en instructies vast bij artikel 6 K.O., welke hieronder zijn opgenomen.
Ten behoeve van hen, die dienaar des Woords willen worden op grond van artikel 6 K.O., volgt eerst een samenvatting van de procedure, die in de bepalingen 6.1, 6.2 en 6.3 is aangegeven.
- Advies vragen aan (generale) deputaten ad Art. 6 K.O.
- Getuigschrift vragen bij kerkenraad en classis (zie bepalingen 6.1 en 6.3).
- Met die getuigschriften een verzoek tot onderzoek indienen bij de deputaten voor het kerkelijk examen van de particuliere synode (6.1 en 6.3)
- Onderzoek door generale deputaten ad Artikel 6 K.O., op verzoek van de particulier synodale deputaten (6.2).
- Na gunstige uitslag van vorenbedoeld onderzoek: onderzoek door de particulier-synodale deputaten. Bij positieve uitslag van dit onderzoek ontvangt betrokkene een verklaring (6.1 en 6.3).
- Met die verklaring — eventueel na nadere studie — kan betrokkene kerkelijk examen aanvragen bij de particulier synodale deputaten (6.1 sub 8).
- Na dat examen volgt begeleiding door een classicale commissie, waarna de classis beroepbaar kan stellen (6.1 sub 9 en 10).

6.1 Kerkelijk examen zonder de vereiste opleiding, Beroepbaar stellen.

(Toelating tot het proponentschap van hen, die de in artikel 6 K.O. bedoelde gaven bezitten.)

 

A. Het onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 van de kerkorde bedoelde gaven geschiedt voor een deel door de deputaten ad artikel 6 van de generale synode (hierna te noemen: generale deputaten) en voor een ander deel door de particuliere synode, met dien verstande dat het onderzoek door de generale deputaten steeds aan dat door de particuliere synode dient vooraf te gaan en dit laatste alleen mag worden ingesteld na gebleken gunstig resultaat van het eerste.
De particuliere synode zal haar deel van het onderzoek doen verrichten door haar deputaten voor het kerkelijk examen (hierna te noemen: particulier-synodale deputaten).

B. Bij het onderzoek zullen de volgende bepalingen in acht worden genomen:

1. Wie overweegt zich aan het onderzoek te onderwerpen begint met generale deputaten ad Artikel 6 K.O. informatie en advies te vragen.
Deputaten zullen hem als onderdeel hiervan een standaardbrief met een pastoraal karakter doen toekomen.

2. Indien betrokkene na lezing en overweging van deze brief besluit zich aan het onderzoek te onderwerpen, wendt hij zich met een daartoe strekkend verzoek tot de particulier-synodale deputaten van de particuliere synode binnen het ressort waarin hij woont.
Hij zal dat verzoek vergezeld doen gaan van getuigschriften van de kerkenraad van de kerk waarvan hij belijdend lid is en van de classis waaronder deze kerk ressorteert, in welke getuigschriften verklaard wordt dat hij op grond van bepaalde, te vermelden motieven voor het onderzoek in aanmerking komt. De kerkenraad en de classis zullen geen handeling verrichten of goedkeuren, waardoor op enigerlei wijze wordt vooruitgegrepen op de beslissing waartoe het in te stellen onderzoek zal leiden.

3. Vervolgens verzoeken de particulier-synodale deputaten aan generale deputaten bij de betrokkene dat deel van het onderzoek in te stellen, dat dezen is opgedragen. Aan dit verzoek zal binnen een redelijke termijn worden voldaan.
Generale deputaten stellen particulier-synodale deputaten en betrokkene in kennis van de uitslag van hun deel van het onderzoek. Tegen een afwijzende beslissing van deputaten, die met algemene stemmen is genomen, kan de betrokkene geen bezwaar maken bij de generale synode. Tegen een afwijzende beslissing van deputaten, die bij meerderheidsbesluit tot stand kwam, kan de betrokkene bezwaar aantekenen bij de generale synode, die, gehoord de daartoe aangewezen commissie ter zake, een commissie kan instellen welke een eindbeslissing neemt.

4. Bij een gunstige uitslag gaan particulier-synodale deputaten over tot hun deel van het onderzoek dat met name ook betrekking zal hebben op beweegredenen die betrokkene geleid hebben tot de begeerte dienaar des Woords te worden.
Bovendien stellen zij zich op de hoogte van de mate van de bij betrokkene aanwezige kennis op het gebied van de uitleg der Heilige Schrift, de dogmatiek, de ethiek, de kerkgeschiedenis, het kerkrecht en de ambtelijke vakken. Het constateren van zekere tekorten in deze kennis vormt als zodanig geen genoegzame grond voor een afwijzende beslissing.

5. Bij een gunstige uitslag van het gehele onderzoek verstrekken particulier-synodale deputaten de betrokkene een desbetreffende verklaring. Hiermee wordt voor hem in beginsel de weg geopend naar het kerkelijk examen.

6. Tegen een afwijzende beslissing van particulier-synodale deputaten kan de betrokkene bezwaar maken bij de particuliere synode. In geval de particuliere synode zich met het oordeel van haar deputaten verenigt, staat hem de weg open van appèl op de generale synode. Het is niet geoorloofd, dat de betrokkene, na te zijn afgewezen, zich opnieuw tot dezelfde particulier-synodale deputaten of die van een andere particuliere synode wendt met het verzoek hem te (doen) onderzoeken op de aanwezigheid van de in artikel 6 van de kerkorde bedoelde gaven.

7. Indien particulier-synodale deputaten op grond van het in lid 4 genoemde onderzoek naar de aanwezige kennis van oordeel zijn dat nadere studie nog noodzakelijk is, zal de betrokkene zich naar dit oordeel voegen.
De nadere studie zal geschieden aan de hand van een door deze deputaten vast te stellen, op de betrokkene afgestemd studieprogram. Deze deputaten zullen de betrokkene bij zijn studie ook zo veel mogelijk met raad en daad ter zijde staan. Zij zullen zich in een afsluitende toetsing van de resultaten van de studie op de hoogte stellen.

8. Na ontvangst van de onder 5 genoemde verklaring dan wel, in het onder 7 bedoelde geval, na voltooiing van de nadere studie, kan de betrokkene zich onder overlegging van (een) getuigschrift(en) betreffende zijn belijdenis en levenswandel van de kerk of kerken tot welke hij gedurende laatstverlopen twee jaren behoorde tot de particulier-synodale deputaten wenden met het verzoek zich te mogen onderwerpen aan het kerkelijk examen.
Deputaten onderzoeken dan of dit (deze) getuigschrift(en) in orde is (zijn).

9. Het in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde kerkelijk examen wordt door aanvrager afgelegd in de classis, waaronder de kerk van zijn woonplaats ressorteert, met inachtneming van de in Uitvoeringsbepaling 5.1, lid 6. e.v. getroffen regelingen, (waarbij de classis van de woonplaats op treedt als de in lid 6. bedoelde classis). Nadat hij het kerkelijk examen met goed gevolg heeft afgelegd, zal aanvrager gedurende een bij het examen door particulier-synodale deputaten vast te stellen periode welke zonodig op voorstel van de betrokken classis kan worden verlengd in de kerken van deze classis voorgaan in kerkdiensten.
Hij zal daarbij worden begeleid door een door de classis in te stellen begeleidingscommissie.

10. Pas wanneer die periode van oefenen tot genoegzame tevredenheid van de begeleidingscommissie verlopen is zal de classis, ten overstaan waarvan hij het kerkelijk examen aflegde, hem op de gewone wijze beroepbaar stellen.

Maastricht 1975, art. 335
Zwolle 1977, art. 196
Delft 1979, art. 175
Emmen 1989, art. 242
Mijdrecht 1991, art. 161 en 47 (BM)

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 6.2

Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde

6.2 Instructie voor de deputaten ad artikel 6 K.O. van de generale synode

 

Algemene opdracht:
Het geven van informatie en advies over het onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 van de kerkorde bedoelde gaven aan diegenen die staan naar het ambt van dienaar des Woords en niet in de gelegenheid zijn (geweest) een deugdelijke theologische opleiding te volgen.
Het instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van deze gaven bij zulke personen.

 

Taken van deputaten:
1. Bij degenen die zich tot deputaten wenden om informatie en advies nagaan of zij doelstelling en procedure van artikel 6 K.O. hebben begrepen; aansluitend zenden ze betrokkenen een standaardbrief met een pastoraal karakter toe.

2. Tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 K.O. bedoelde gaven dienen deputaten vast te stellen of betrokkene boven alle billijke twijfel verheven en op overtuigende wijze beschikt over zodanige gaven, welke hem ook zonder de in artikel 5 K.O. genoemde opleiding geschikt doen zijn voor het ambt van dienaar des Woords.
(Werd en wordt bij deze gaven gedacht aan die van vroomheid, van bescheidenheid, van wijsheid en van geestelijk onderscheidingsvermogen, men kan in dezen ook spreken van kritisch en onderscheidend inzicht, invoelend vermogen, vindingrijkheid en oorspronkelijkheid, echtheid en betrokkenheid en het duidelijk en helder kunnen verwoorden).

3. Deputaten geven van de uitslag van hun onderzoek kennis aan betrokkene en aan de deputaten voor het kerkelijk examen van de particuliere synode, op wier verzoek het onderzoek plaats had. Zij delen daarbij tevens mee, of hun beslissing met algemene stemmen werd genomen dan wel met meerderheid van stemmen.

4. In hun rapportage aan de generale synode leggen deputaten verantwoording af van de door hen gevolgde methode van onderzoek.

 

Overige aanwijzingen:
a. Het in te stellen onderzoek heeft plaats op verzoek van de deputaten voor het kerkelijk examen van de particuliere synode, binnen het ressort waarvan degene, die zich heeft aangemeld, woont.

b. De vaststelling van de manier, waarop deputaten ad artikel 6 K.O. hun onderzoek verrichten, is aan hen voorbehouden.

c. Van het deputaatschap ad artikel 6 K.O. dienen althans enigen deel uit te maken, die deskundig zijn op het gebied van de theologie en enigen, die deskundig zijn op het gebied van de gedragswetenschappen.

Zwolle 1977 art. 273
Almere 1987, art. 39 (BM)
Emmen 1989, art. 242
Mijdrecht 1991, art. 47 (BM)

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 6.3

Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde

6.3 Geadviseerde instructie voor de particulier-synodale deputaten ad art. 6 K.O.

 

1. Deputaten voor het kerkelijk examen zijn het adres waar iemand die zich aan het in artikel 6 bedoelde onderzoek wil onderwerpen, zich behoort te melden. Degene die het onderzoek aanvraagt, dient getuigschriften van de kerk waarvan hij of zij belijdend lid is, alsmede van de classis waaronder deze kerk ressorteert, bij zijn of haar verzoek te voegen. In deze getuigschriften dient duidelijk en gemotiveerd te worden vermeld, dat en waarom naar het oordeel van de kerkenraad en de classis de betrokkene in aanmerking komt voor een onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 bedoelde gaven.

2. Deputaten overtuigen zich van de deugdelijkheid van genoemde getuigschriften.

3. Deputaten verzoeken generale deputaten dat deel van het onderzoek in te stellen dat dezen is opgedragen.

4. Indien het oordeel van generale deputaten gunstig is, gaan deputaten over tot hun deel van het onderzoek.
Zij stellen allereerst een onderzoek in naar de beweegredenen die betrokkene hebben geleid tot het verlangen predikant te worden.
Vervolgens stellen zij zich op de hoogte — echter niet door middel van een geprogrammeerd examen — van de mate van de bij de betrokkene aanwezige theologische kennis.
Het constateren van zekere tekorten in deze kennis vormt als zodanig geen genoegzame grond van een afwijzende beslissing (vgl. hieronder 6).

5. Deputaten geven na het door hen ingestelde onderzoek aan de betrokkene kennis van de uitslag. Is deze gunstig, dan verstrekken zij hem of haar een desbetreffende verklaring. Tegen een afwijzende beslissing kan de betrokkene bezwaar maken bij de particuliere synode.

6. Indien deputaten bij een gunstige beslissing van oordeel zijn dat de betrokkene ter voorbereiding op het kerkelijk examen nog nadere studie moet verrichten, stellen zij daartoe een op de betrokkene afgestemd studieprogram vast. Zij zullen hem of haar bij zijn studie met raad en daad terzijde staan.

Delft 1979, art. 175

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.1

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.1 Beroepingswerk (algemeen)

 

Er wordt bij de kerken op aangedrongen:
a. haar beroepingswerk zo te regelen, dat gewichtige uitzonderingen daargelaten, waarover de classis zal hebben te oordelen geen beroep wordt uitgebracht op dienaren des Woords, die nog geen vier jaren in een gemeente hebben gestaan;
b. zoveel mogelijk te vermijden, dat een beroep wordt uitgebracht op een dienaar des Woords, die over een ander beroep dat hij ontvangen heeft, nog niet beslist heeft.

Groningen 1963, art. 321

Het voor de tweede maal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature zal niet zonder toestemming der classis mogen geschieden.

Dordrecht 1893, art. 164

Inzake de datum van ontslag gelden de volgende bepalingen:
a. deze datum zal in de regel worden gesteld op de zaterdag, volgende op de dag waarop de beroepen dienaar des Woords afscheid zal hebben gepreekt; en indien hiervan wordt afgeweken, wordt de datum met onderling goedvinden van beide kerken vastgesteld;
b. in het getuigenis van het vertrek van de beroepen dienaar des Woords zal de overeengekomen datum worden vermeld;
c. van de overeengekomen datum af zal de beroepen dienaar des Woords geheel voor rekening komen van de kerk die hem beroepen heeft;
d. de datum van ontslag zal vallen na de approbatie van het beroep door de classis waartoe de kerk behoort waarheen de predikant vertrekt; deze classis heeft bij die approbatie ook te oordelen over eventuele bezwaren die uit de nieuwe gemeente naar voren zijn gebracht.
De approbatie door de gemeente hoort derhalve aan die der classis vooraf te gaan; ook bij een eventueel appèl van bezwaarden zal de classis als regel toestemming geven tot de bevestiging over te gaan. (zie art. 31.6 K.O.).

Amsterdam 1908, art. 71
Aalten 1993, art. 144

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.2

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.2 Werkbegeleiding predikanten

 

Voor allen, die voor het eerst het ambt van dienaar des Woords gaan bekleden, is een werkbegeleiding ingesteld voor de duur van een half jaar. Deze begeleiding wordt uitgevoerd door predikanten-mentores, die aangewezen worden door de desbetreffende deputaten der generale synode. Deze mentores ontvangen een op die taak gerichte training.

Sneek 1969, art. 338
Dordrecht 1971, art. 86

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.3

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.3 Het beroepen van een predikant uit een ander kerkverband

 

Omtrent de beroepbaarheid van predikanten uit andere kerken zowel in als buiten Nederland is het volgende bepaald:

1. Zij moeten overleggen een getuigschrift aangaande belijdenis en wandel van de kerk of kerken, tot welke zij gedurende de laatstverlopen twee jaren behoorden, of bij gebreke daarvan een verklaring welke naar het oordeel van de classis genoegzaam bewijskrachtig is.

2. Zij moeten overleggen een bewijs aangaande hun beroeping tot de dienst des Woords in de kerk welke zij gediend hebben, alsmede desgevraagd getuigschriften waaruit blijkt dat zij een zodanige algemene ontwikkeling verworven hebben als geëist mag worden tot het afleggen van academische examens, alsook een zodanige theologische kennis als verwacht wordt van degenen, die in de Gereformeerde Kerken in Nederland aan het kerkelijk examen worden onderwerpen.

3. Zij moeten zich onderwerpen aan een door de classis met bijstand van de deputaten ad art. 56, lid 2 K.O. der particuliere synode in te stellen colloquium aangaande de leer, waarbij het onderzoek inzonderheid zal gaan over de kennis van de gereformeerde leer en kerkregering, met dien verstande dat indien iemand reeds eerder door de Gereformeerde Kerken in Nederland was toegelaten, volstaan kan worden met een eenvoudig onderzoek, of hij aan die leer getrouw is gebleven.

Zie ook Ubp 5.2, 11.3 en 127.3

Dordrecht 1893, art. 165
Groningen 1927, art. 161

Ingeval een predikant, die vroeger aan een gereformeerde kerk was verbonden, daarna evenwel de band met de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft verbroken, naderhand weer verlangt beroepbaar te worden gesteld, zal de classis geen beslissing mogen nemen zonder het advies van de deputaten der particuliere synode en zonder ook het oordeel van de kerkenraad van de kerk waaraan hij indertijd was verbonden, te hebben ingewonnen.

Groningen 1899, art. 153

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.4

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.4 Beroepbaar stellen predikanten uit buitenland

 

Indien studenten of predikanten, uit het buitenland komend, minder dan twee jaar lid zijn van één van de gereformeerde kerken dient door de classis vóór het colloquium voorafgaand aan de beroepbaarstelling, dan wel door deputaten ad artikel 56.2 K.O. vóór het kerkelijk examen, aan deputaten Oecumene te worden gevraagd inlichtingen te verschaffen over de aard van de kerken van waaruit de betrokkene komt en zo mogelijk ook over de voorgeschiedenis van betrokkene. Deputaten Oecumene geven deze inlichtingen zo spoedig mogelijk, met inachtneming van de volgende bepalingen:

1. Informatie over een desbetreffende kerk zal aldaar schriftelijk worden ingewonnen, tenzij de aard van die kerk als voldoende bekend mag worden beschouwd.

2. Informatie over de betrokken gegadigde dient door deputaten Oecumene bij diens kerkenraad of classis te worden opgevraagd.

3. Indien deputaten van oordeel zijn dat een gesprek tussen hen en betrokkene noodzakelijk is, treden zij in overleg met de deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde.

4. Indien deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde instemmen met dit oordeel zullen twee vertegenwoordigers van deputaten Oecumene een gesprek voeren in bijzijn van één of meer deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde.

5. Op grond van de ontvangen informatie brengen deputaten Oecumene advies uit aan de desbetreffende deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde.

6. Deputaten Oecumene zullen er naar streven aan de desbetreffende instanties hun inlichtingen te verschaffen binnen één maand na de aanvrage. Waar zij van schriftelijke informatie afhankelijk zijn, zal de termijn zo nodig tot zes weken worden verlengd.

Gouda 1985, art. 120 en 217