Kerkorde GKN (1892) IV.

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Kerkorde GKN (1892) Art. 71

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXI.

Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het Burgerlijke gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de Burgerlijke straf, de Kerkelijke Censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de Gemeente Christi weg te nemen.

Kerkorde GKN (1892) Art. 72

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXII.

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der Leer, of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, en geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welke Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

Kerkorde GKN (1892) Art. 73

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXIII.

De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

Kerkorde GKN (1892) Art. 74

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXIV.

Zoo iemand van eene heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangegeven worden.

Kerkorde GKN (1892) Art. 75

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXV.

Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der Kerkelijke vermaningen in ’t openbaar gekomen zijn, zal de verzoening — wanneer men zekere teekenen van boetvaardigheid ziet — openbaarlijk geschieden, door het oordeel des Kerkeraads; en ten platten Lande, of in mindere steden, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken, in zulke forme en manier als tot stichting van een iedere Kerk bekwaam zal geoordeeld worden.

Kerkorde GKN (1892) Art. 76

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXVI.

Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderszins eene grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

Kerkorde GKN (1892) Art. 77

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXVII.

Aleer men tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der Gemeente openlijk te kennen geven, de zonden verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen, in ’t bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de Gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem — tenzij dat hij zich bekeere — van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan ’t oordeel des Kerkeraads staan.

Kerkorde GKN (1892) Art. 78

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXVIII.

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de Gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve voor de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der Gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden Avondmale — zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie — openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het formulier daarvan zijnde.

Kerkorde GKN (1892) Art. 79

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXIX.

Wanneer de Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegene Gemeente van hunnen dienst afgezet, maar de Dienaars opgeschorst worden. Maar of zij geheel van den Dienst af te zetten zijn, zal aan ’t oordeel der Classe staan.

Kerkorde GKN (1892) Art. 80

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXX.

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den Dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns Dienstes of indringing in eens anderen Dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin: kortelijk alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen Lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

Kerkorde GKN (1892) Art. 81

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXXI.

De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen zullen onder elkander de Christelijke Censuur oefenen, en malkanderen van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen.

Kerkorde GKN (1892) Art. 82

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXXII.

Dengenen, die uit de Gemeenten vertrekken, zal eene Attestatie of getuigenis huns wandels bij advies des Kerkeraads medegegeven worden, onder het Zegel der Kerk, of, waar geen Zegel is, van twee onderteekend.

Kerkorde GKN (1892) Art. 83

Van de Censuur en Kerkelijke vermaning.

Artikel
LXXXIII.

Voorts zal den Armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, van de Diakenen bijstand gedaan worden, naar discretie, mits aanteekenende op den rug van hunne Attestatie de plaatsen waar zij henen willen, en de hulpe die men hun zal gedaan hebben.