Acta Dordrecht (1574) 26-6

XXVI Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-a

De Dienaer van Gheertruijdenberghe is verschenen voor den Sijnodo, ende is hem aengheseijt datmen op sijn leer ende leuen niet te segghen en heeft, daeromme men hem wt dier plaetse nemen wil, Dan ouermidts hij niet eruaren en is in der regieringhe der Kercke, dat de broeders voor goet aensien dat hij van dier plaetse in eene andere versettet worde, ende sijne ghewoonlicke belooninghe hebbe ter tijdt toe dat hij voorsien sal wesen met eenen anderen dienste, daer inne de Classe van Dordrecht sorghe draghen zal.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-b

De broeders hebben voor goet inghesien dat ter gheleghener tijdt een wt het midden van hun tot Woerden trecke, om te besien ofmen met den Predicante aldaer, bij occasie, mochte te woorde comen, ende hem in sijner grouer leere bijden gouuerneur der stadt ende anderen beschamen ende ouerwinnen, ende alsoo met der tijdt een reformatie daer aenstellen. Hier toe is benaemt onsen broeder Arnoldus Dienaer der Kercke tot Delft, Dan hij heeft sijne onbequamicheijt gheallegeert, Ende en is noch niet eighentlicks van deser saecke gheresolueert ende besloten.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-c

Op desen dach hebben de broeders d’ Articulen in desen Sijnodo besloten wt den monde des Scribae oordentlicke beghinnen wt te schrijuen.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-d

Op de vraghe van die van Vlissinghen, of een ionghghesel die teghen den danck sijner ouderen sijn trouw eener maghet ghegheuen heeft ende dese door t’ beuel sijner ouderen verlaten hebbende, sich aen een ander die eens Papen dochter is wettelicke verbonden, ende na dese belofte (gheduijrende den tijdt der wtroepinghe) bij d’ eerste gheslapen heeft, ende bouen desen vanden Prouisoor der eerste toeghewesen is, nu met een derder (dewijle de tweede namelick des Papen dochter int recht vrij van hem ghesproocken sijnde met een ander ghehowt is) trouwen mach? Is gheantwoort, Dewijle des Papen dochter vrij ghekent is vanden rechteren, hoe wel Papistisch, soo is het huwelick datse namaels begaen heeft wettelick. Want hoewel men hier wel mocht vraghen, ofse recht gheoordeelt hebben of niet, Soo wordt nochtans een wtghesproocken vonnisse eens rechters daer van gheen appel en valt voor recht ghehouden. Ende hoewel de rechters niet wettelick sijn, soo worden sij nochtans als wettelick gheleden, ende haer vonnisse moet stat grijpen. Aende eerste dien hij teghen den wil sijner ouderen belooft heeft, ende die hij onteert heeft, en is hij niet verbonden, insonderheijt dewijle sijn ouderen noch daer teghen spreecken. Ende hier teghen en strijdt de wet Godts Ex. 22, 16 en Deut. 22, 29, niet, want aldaer wordt ghesproocken van manspersoonen die haer eighen voocht sijn, ende niet van soodanen die onder de macht harer ouderen staen. Hier wt volcht, Dewijle de Ouerheijt desen man tot behoorlicker tijdt niet ghestraft en heeft, ende noch duldet, Dat hij der derder, die hij met verwillinghe sijner Ouderen belooft verbonden sij, ende soo d’ Ouerheijt sulx beueelt, trouwen mach.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-e

Op de begheerte vande Consistorie van Gorichom datmen Heinricho sijne sonde vergheuen, ende in den dienst neuen den anderen Dienaer een tijdt langh lijde, Is gheantwoort door de ghemeijne omstemminghe der broederen, dat se gantschelick bedacht sijn Heinrichum inden Dienst niet te lijden, maer metten eersten afsetten. Doch aenghesien den teghenwoordighen staet der stadt Gorichom, ende dat de broeders tijdt behoeuen om sich te bereiden, Dat Heinrichus noch een dach 10 of 12 of 14 daer blijuen sal, ende sich veerdich maecken om te vertrecken, soo haest als den anderen Dienaer ghecomen sal wesen.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-f

Der Classe van Delft is opgheleijt van den Sijnodo de Kercke van Gorichom voor eenen tijdt langh met eenen Dienaer te versien t’ sij met Hadriano Ianss. of met Regnero, den welcke die van Gorichom met namen begheert hebben.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-g

Int afschrijuen der Articulen hebben de broeders van het speelen der Orghelen inden Kercken besloten, dat het onbetamelick is, ende hebben hier van ghemaeckt een Artikel die de lste int ghetal is, Aengaende t’ speelen der orghelen etc. 1)


1) Deze alinea staat in het handschrift op den kant, met dezelfde hand als de notulen. Het hier bedoelde besluit, waaraan in de kerkenordening het cijfer l d.i. 50 gegeven werd, luidt in zijn geheel aldus (volgens de eerste uitgave der Kerkenordening in 1612, en ook volgens alle de handschriften, behoudens kleine wijzigingen en verschil in spelling): Aengaende het speelen der Orghelen in den Kercken houdtmen dat het gantsch behoort afgheset te worden, volghende de leere Pauli 1 Cor. 14, 19. Ende hoe wel men het alsnoch in sommigen deser Kercken alleen int eijnde der predicatiën ghebruijckt opt scheijden vanden volcke, soo dienet nochtans meest om te doen vergheten, watmen te voren ghehoort heeft, ende is te hesorghen dat het hiernae tot superstitie ghebruijckt sal worden, ghelijck het nu tot lichtuaerdicheijt dient; twelck soo het afgeschaft ware, men soude den aelmosen bequamelicker aen de deuren int uijtgaan des volx versameien dan datmen sulcx int midden der predicatie tot groote hindernisse des diensts Gods doen moet.