Kerkorde Dordrecht (1574) Rutgers

|120|

 

De acta der Provinciale Synode te Dordrecht, 15-28 Juni 1574.

 

Van alle Nederlandsche Synoden der 16e eeuw. is het de Provinciale Synode van Holland en Zeeland, die in 1574 te Dordrecht gehouden is, over welke betrekkelijk de meeste aktestukken kunnen worden openbaar gemaakt. Zij is van die belangrijke Synoden de eenige, van welke de volledige acta nog over zijn; en dan niet in afschrift, maar in originali. En voorts zijn ook nog bewaard gebleven de oorspronkelijke geloofsbrieven, de instructiën van vier Classen of Kerken, en twee andere brieven. Dit alles is nog voorhanden in het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk. De authentieke notulen, met de 20 eigenhandige onderteekeningen van degenen die met keurstemmen de Synode bijwoonden, voor zooveel zij bij het sluiten der zittingen tegenwoordig waren, zijn ingebonden in een der 17 deelen met officieele stukken van de Dordtsche Synode van 1618 en 1619 (altijd samen bewaard in de zoogenoemde kist der autographa), thans op den Catalogus Nr. I, 17, en van dat nummer litt. M. En al de andere bovenbedoelde authentieke brieven enz. zijn met vele andere stukken samengebonden in den foliant, waarvan hiervoren reeds meermalen sprake was (zie boven blzz. 2, 8 en 47), op den Catalogus aangegeven als Nr. I, 3; in datzelfde nr. 3 vermeld als het derde nommer, litt a-t, en nog eenmaal litt. a-c, en in dien foliant te vinden blzz. 135-172 1).


1) In den gedrukten Catalogus van het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk worden, met betrekking tot de Dordtsche Synode van 1574, de ingekomen stukken (onder Nr. 1, 3, 3) vrij goed  ➝

|121|

Toch is bij de uitgave der Synodale acta van 1574 deze belangrijke verzameling nog door niemand gebruikt of geraadpleegd.


➝ opgegeven; en de verkeerde volgorde is niet aan den samensteller van den catalogus te wijten, maar aan dengene die die stukken reeds vóór minstens anderhalve eeuw ter inbinding bij een voegde. Maar alles behalve juist en nauwkeurig is de inhoudsopgave van den foliant, waarin de acta of notulen dier Synode zijn ingebonden. Dit deel (Nr. I, 17, M) is aldus gecatalogiseerd: „Authentike copieën van bekentenissen van Geisteranus en anderen en van de provinciale Synode van Dordrecht in 1574, van de Nationale Synoden in 1578 en 1581, benevens een originele brief van den Keurvorst van Brandenburg”. Inderdaad echter komt van deze opgave slechts de aanvang en het einde met den wezenlijken inhoud overeen, en is deze inhoud zelf veel belangrijker. Niet alleen vindt men in dit deel o.a. een afschrift van het belangrijke stuk (20 blzz. in Folio) dat de Zuid-Hollandsche Synode den 24 October 1618 aan de Staten van Holland zond, tot wederlegging van de bij deze ingeleverde Remonstrantie tegen de uitgeschreven Provinciale en Nationale Synoden; het origineel van de aanspraak en van het gebed waarmede Balthasar Lydius de Dordtsche Synode van 1618 geopend heeft; en de onderscheiden oordeelen of adviezen die in diezelfde Synode door de Nederlandsche godgeleerden en gedeputeerden provinciesgewijze en ook individueel over de exceptie der Remonstranten zijn uitgebracht; maar ook is hier nog bewaard, bij een authentiek afschrift van de Middelburgsche Kerkenordening van 1581, eene officieele, of althans half-officieele, door de vier leden van het moderamen eigenhandig geteekende, Latijnsche vertaling van diezelfde Kerkenordening. En voorts, ’t geen nog veel belangrijker is, zijn in ditzelfde deel mede ingebonden de acta der Dordtsche Synoden van 1574 en van 1578, geenszins in afschrift, hetzij dan al of niet authentiek, maar in originali, gelijk zij in die Synoden zelve zijn gesteld, en daarna eigenhandig geteekend zijn door die leden die nog bij de sluiting aanwezig waren.
Natuurlijk is dit laatste eene zaak, waaromtrent vergissing of dwaling niet mogelijk is. Wie onder een oud archiefstuk een groot aantal namen vindt, bijna alle van mannen die eene zeer karakteristieke handteekening hadden, ziet van zelf met een enkelen oogopslag, of het, al dan niet, eigenhandige onderteekeningen zijn, en dus ook, of hij met het oorspronkelijke stuk, dan wel met een afschrift, te doen heeft. Met betrekking tot de acta van 1574 zijn er zelfs nog meer aanwijzingen, die op zich zelve reeds voldoende zouden zijn; b.v. de omstandigheid, dat de schrijver herhaaldelijk zijn stijl verbeterd heeft, ➝

|122|

Er is van die acta nooit meer uitgegeven, dan de besluiten die de algemeene kerkenordening betreffen, met eenige besluiten


➝ door eenige woorden door te halen, en dan op denzelfden regel verder te schrijven, met een eenigszins anderen zinsbouw het reeds doorgehaalde juister of nauwkeuriger uitdrukkende; ’t geen wel niet kan voorkomen bij iemand die eenvoudig afschrijft, maar juist zeer natuurlijk is bij iemand die korte aanteekeningen breeder uitwerkt, en die dit zóó spoedig doen moet, dat nog vóór het uiteengaan der vergadering de gemaakte notulen kunnen worden voorgelezen, goedgekeurd en door alle leden geteekend. Maar aan dergelijke aanwijzingen is in dit geval eigenlijk niet de minste behoefte: de eigenhandige onderteekeningen zijn een veelvoudig waarmerk, dat terstond in het oog valt en onmiskenbaar is.
De onjuiste opgave in den Catalogus kan dan ook alleen hieraan zijn toe te schrijven, dat de samensteller verzuimd heeft, het bedoelde stuk even in te zien. Trouwens, dat is in den bedoelden catalogus een maar al te gewoon verschijnsel. Er is zonder twijfel veel tijd en moeite aan ten koste gelegd, en er zijn veel bruikbare opgaven in te vinden; maar wie ooit iets te doen had met de daarin beschreven archiefstukken, weet toch ook, dat de beschrijving vaak zeer onvolledig en onnauwkeurig is, en dat hij in geen geval enkel daarop kan afgaan.
De vermelding van dit een en ander zou zeer zeker overbodig zijn geweest, indien niet onlangs beweerd was. met betrekking tot hetzelfde stuk als waarvan hier sprake is, dat het geen oorspronkelijk stuk, maar slechts een afschrift zou zijn. Uit die, vroeger blijkbaar nooit gebruikte, acta was het een en ander openbaar gemaakt door Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers (de Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke Kerken, 1e en 2e druk, 1886 en 1887), met bijvoeging, dat dit ontleend was aan de nog over zijnde authentieke acten der Dordtsche Synode van 1574. Maar ondanks en tegenover die verzekering is ten stelligste verklaard door Dr. H.G. Kleyn (Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente, Ed. 1888, blz. 84): „Hoe de schrijvers kunnen spreken van authentieke acten der Synode van 1574 is mij een raadsel, daar deze niet meer bestaan, maar wel eene copie daarvan te vinden is in de kist der autographa der Dordtsche Synode berustende in het Oud-Archief der Synode te ’s Gravenhage, geteekend M”. Door deze tegenspraak van een zoo bekwamen geschiedschrijver zouden vele lezers kunnen worden in de war gebracht, meenende dat het hier dus in ieder geval een betwistbaar feit geldt. Maar de zaak wordt opgehelderd, als men weet, dat de fout eigenlijk ➝

|123|

over particuliere vragen; en voorts zijn deze uitgegeven, niet naar de authentieke acta, maar naar een afschrift waarin de bedoelde besluiten waren bijeengevoegd; en dan niet naar een der nog voorhanden vrij goede afschriften, maar, althans gedeeltelijk, naar een verkorten en daardoor vaak onjuisten tekst.

 

Ten aanzien van deze Synode, evenals ten aanzien van de andere Nederlandsche Synoden der 16e eeuw, is men eerst in den aanvang der 17e eeuw tot de openbaarmaking van acten of besluiten gekomen. Het is toen een Roomsche schrijver geweest, die daarvoor het eerst de hand aan het werk heeft geslagen, nl. de reeds vroeger (hiervoren blz. 116) genoemde C. Schultingius Steinwichius, in zijn mede reeds aangehaald werk Hierarchica Anacrisis enz. Voor de Synode van 1574, evenals voor die van 1578 en 1581, had hij, ter openbaarmaking en beoordeeling der besluiten die van algemeene strekking waren, goede afschriften daarvan ter zijner beschikking, volgens zijn eigen getuigenis (a.w. 3e stuk, blz. 62b) hem verschaft door den geleerden Amersfoortschen priester Jacobus Hezius, en door den bekwamen maar telkens afvalligen predikant Jan Haren, die, in den tijd dat hij voor de tweede maal Gereformeerd was, als een kerkelijk leider van naam en invloed natuurlijk goed op de hoogte was van de kerkelijke zaken. En niet slechts had deze uitgever een goeden Hollandschen tekst, maar hij heeft ook, bij de vertaling in het Latijn, dien tekst


➝ te zoeken is in den Catalogus, en dat de geheele tegenspraak slechts gebouwd kan zijn op de daarin voorkomende verkeerde opgave, zonder dat er om gedacht werd, het stuk zelf eerst eens in te zien.
Mocht iemand dit al te vreemd vinden en dus over de zaak nog maar eenigszins twijfelen, dan kan inzage van het stuk zelf, in het Oud-Archief, allen twijfel aanstonds wegnemen. Of wel, daar een bezoek van het Oud-Archief niet voor ieder even gemakkelijk is, hij kan zich wenden tot den bij uitnemendheid deskundigen Amsterdamschen bibliothecaris, Dr. H.C. Rogge, die na inzage van het bedoelde stuk zich gaarne bereid heeft verklaard te getuigen, dat de twintig onderteekeningen inderdaad buiten allen twijfel eigenhandig gesteld zijn.

|124|

doorgaans zeer goed weêrgegeven; alleen hier en daar met eenige bekorting. Van de Synode van 1574 had hij echter blijkbaar niet meer, dan de besluiten die op de kerkenordening betrekking hebben, zonder de besluiten over particuliere vragen. Zy zijn opgenomen in zijn genoemd werk, in het 3e stuk, blzz. 13a tot 18a; en zij worden gedeeltelijk herhaald in de kritiek van die Synode, te vinden in hetzelfde 3e stuk, blzz. 166a tot 211b, alwaar die besluiten artikelsgewjjze behandeld worden blzz. 166a tot 186a.

In het Hollandsch, en dus in de oorspronkelijke taal, is de eerste uitgave die van 1612, in de Kercken-ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher Kercken (blzz. 13-30); welke uitgave echter, evenals de volgende drukken van ditzelfde boekje (de 5e druk werd in 1730 door G. Nauta bezorgd, en is daarna, in 1771, toegevoegd aan den 2en druk van het Compendium der Kerkelijke Wetten van Vriesland) en in overeenstemming met zijn titel, zich bepaald heeft tot de besluiten die op de kerkenordening betrekking hebben, zonder bijvoeging van besluiten over particuliere zaken. Intusschen is reeds spoedig na die eerste uitgave ook iets openbaar gemaakt van de laatstbedoelde besluiten, nl. door P. Bor Cz., die in zijne Historie der Nederlandtsche Oorlogen (1e dl., blzz. 544b-548a, in de uitgave van 1679; in de eerste uitgave, voor dit gedeelte uit het jaar 1621, is het Boek VII, fol. 50-53) de besluiten over de kerkenordening opnam, en daaraan de antwoorden op particuliere vragen, ten getale van 23, toevoegde Evenwel was het dien geschiedschrijver blijkbaar slechts te doen om den zakelijken inhoud; en daarom gaf hij alle die besluiten slechts in een eenigszins verkorten vorm. Als een trouw berichtgever heeft hij zelf zijne lezers duidelijk genoeg daarmede in kennis gesteld, door uitdrukkelijk te zeggen aan het hoofd dezer mededeelingen: „daer werden onder henluiden besloten 91 articulen beroerende de Kerk-ordeninge en anders, daer van het sommier hier volgt”. Maar desniettegenstaande hebben alle latere uitgevers, voor zooveel zij de besluiten over particuliere zaken mede opnamen, te dien aanzien het „sommier” van Bor eenvoudiglijk overgenomen, blijkbaar in de meening, dat hier

|125|

wel in ieder opzicht de beste redactie zou te vinden zijn. Zoo b.v. het Kerkelijk Handboekje in zijne achtereenvolgende drukken (1732 enz.); het Kerkelijk Placaatboek (3e dl., Ed. 1792, blzz. 426-445); en C. Hooijer, Oude Kerkordeningen (Ed. 1865, blzz. 97-112). In alle deze uitgaven staat wel de Kerkenordening naar de reeds in 1612 openbaar gemaakte volledige redactie; maar ten aanzien van de antwoorden op particuliere vragen geven allen zonder onderscheid slechts een afdruk van hetgeen door Bor was bericht.

Toch ontbrak het niet aan gelegenheid, om ook deze besluiten volledig te kennen; niet alleen uit de authentieke acta, maar ook uit afschriften der Kerkenordening die de bedoelde besluiten mede bevatten. Blijkbaar is bij de uitgave nooit een enkel van de nog voorhanden afschriften vergeleken; anders zou wel zijn opgemerkt, dat die allen vollediger zijn. Zoo b.v. de drie afschriften, die in het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk te vinden zijn; het eene in het Boek van Cabeljau (Catalogus Nr. I, 2, 4, 6, blzz. 137-179), en de andere twee in den reeds meermalen genoemden foliant met oude Synodale stukken (Catalogus Nr. I, 3, 3, blzz. 43-90 en blzz. 91-133); welke drie afschriften, behoudens de spelling en enkele weinig belangrijke varianten en schrijffouten, geheel eensluidend zijn, en ook goed overeenkomen met de authentieke acta waarvan zij een uittreksel zijn.

Ten einde in een paar voorbeelden te doen zien, dat men inderdaad niet genoeg heeft aan de door alle uitgevers gevolgde verkorte redactie van Bor, volgen hier eenige antwoorden op particuliere vragen, volgens die redactie en volgens den wezenlijken tekst.

Vraag en antwoord nr. 1 staat in alle uitgaven aldus: „Of ’t niet goet en ware, datmen opten Catechismum Homilias schreef. Daer op geantwoord is: Datmen dat sal laten blyven.” Maar volgens de oorspronkelijke acta, en ook volgens alle afschriften, is de volledige redactie: „Op de vraghe van die van Walcheren, Of het niet goet en ware, datmen goede Homilias op den Catechismum maeckte, R. is gheantwoort datmen dit sal laten blijuen, maer dat het goet ware dat de Dienaers oordentlick by ghebuerte

|126|

in Classicis conuentibus een vraghe ofte twee wt den Catechismo cortelicken wtleijden, op datse alsoo malcanderen oeffenen ende scherpen mochten, ende den Catechismum oordentlicke grondelick ende stichtelick voor der Ghemejjnte leerden verclaren”.

Vraag en antwoord nr. 6 wordt in alle uitgaven aldus uitgedrukt: „Of een Dienaer des Woords laten mach te besoecken die aende Peste cranck leggen, om dat hy van ’t volck uyt deser oorsaecke geschout wert. Antwoorde: Datse ghehouden zyn, geroepen zynde te gaen, ende ongeroepen zynde, wetende datmen haer van doen heeft, oock te gaen.” Maar de oorspronkelijke acta, evenals ook alle afschriften, formuleeren dit aldus: „Op de derde vraghe van die vanden Briel, Of een Dienaer des Woordts die aende peste cranck legghen laten mach te besoecken om dieswille dat hij vanden volcke gheschuwet wordt, Is gheantwoort, Nademael Godt de crancken beuolen heeft te visiteeren ende gheen onderscheijt van crancheijt ghemaeckt en heeft, datse schuldich sijn tot sulcke menschen gheroepen sijnde te gaen, niet beroepen sijnde ende wetende datmen haerder van doen heeft, oock te gaen, doch dat de Dienaers hier inne niet stoutelick ende onuoorsichtelick en handelen, ende soo sij mercken datse meer breecken dan timmeren, dan sal de Consistorie hier van kennisse draghen ende oordeelen.”

Vraag en antwoord nr. 9 luidt volgens alle uitgaven: „Ofmen de kinderen der afgesneden mach doopen. Antwoorde: Jae.” Maar volgens de oorspronkelijke acta en alle afschriften: „Op de vraghe van die van Dordrecht, ofmen de kinder der afghesneden vander Ghemeijnte doopen mach, R. Ja, met conditie datmen de gheuaders vaster inde belofte van die kinder ghetrouwelick te onderwijsen, verbinde.”

En (om nog iets te noemen) vraag en antwoord nr. 12 is in alle uitgaven op deze wijze geredigeerd: „Of een lidtmaet der Ghemeenten, willende trouwen een persoon die Papist, Doops, oft Werelts ghesint is, vanden Dienaer ghetrout sal moghen werden oft niet. Antwoorde: Men sal sulcke te vooren vermanen. Doch soose evenwel willen trouwen, men salse trouwen, dewyl het trouwen polityck is.” Maar in de oorspronkelijke acta en in alle afschriften is de redactie: „Op de vraghe van

|127|

die vanden Briel, of een lidtmaet der Ghemeijnte, willende trouwen een persoon die Papist, Doops ofte werlts ghesint is, vanden Dienaer ghetrowt sal mueghen worden, of niet, R. Datmen hem te voren vermanen ende waarschouwen sal, ende soo hij niet teghenstaende de vermaninghe euen wel ghetrowt wil wesen, datmense trouwen sal de wijle het openbaer trouwen Politisch is. Watmen nu doen sal met dien die de vermaninghen weijgheren aen te nemen, ia noch teghen de Dienaers quaet spreecken, is gheantwoort, dat de Consistorie met dien sal handelen na d’ omstandicheijt der saecke, t’ sij met schuldtbekenninghe voor de Consist. of opentlick, Of voor een tijdt vanden Nachtmael af te houden, of met den trappen der Excommunicatie voort te varen, na hare discretie.”

Met betrekking tot de besluiten, die op de Kerkenordening betrekking hebben, valt nog op te merken, dat de inhoudsopgaven die in alle uitgaven bij een vijftiental artikelen gesteld zijn, soms op den kant en soms boven het artikel, in twee der genoemde afschriften in ’t geheel niet voorkomen, en in het derde wel gevonden worden, maar in kleiner aantal en dan soms bij andere artikelen. Blijkbaar hebben die opschriften of bijschriften geenerlei officieel karakter, en zijn zij dus bij de uitgave altijd weg te laten.

 

In de volgende bladzijden worden de acta der Provinciale Synode te Dordrecht van 1574 nu geheel afgedrukt volgens het boven vermelde autographon. Daardoor komen de reeds sedert lang bekende besluiten, die op de kerkenordening en op eenige particuliere zaken betrekking hebben, hier natuurlijk niet achter elkander te staan, en ook geenszins in dezelfde volgorde als in alle uitgaven, en ook in alle afschriften, daaraan is toegekend. Immers die besluiten zijn op verschillende tijden genomen, naargelang de zaak, die het gold, aan de orde kwam; en gedurig kwamen er zaken van anderen aard tusschenin. Toch heeft de bekende volgorde dier besluiten ook een officieel karakter; want, blijkens de bijvoeging bij den laatsten volzin der acta en ook blijkens de cijfers die in het oorspronkelijke stuk op den kant zijn geplaatst, heeft men nog gedurende de zittingen der Synode

|128|

die besluiten eerst uitgezocht, vervolgens naar hun inhoud gerangschikt en eindelijk van een cijfer voorzien. In de hier volgende uitgave zijn die cijfers natuurlijk mede opgenomen. En om nu het opzoeken van eenig artikel gemakkelijk te maken, is aan de acta eene tabel toegevoegd, waarin naar de cijfers der artikelen aangewezen wordt, op welke bladzijde ieder artikel te vinden is. Voor zooveel het zaken geldt, die ook door eenige der nog voorhanden instructiën waren aan de orde gesteld, wordt in diezelfde tabel mede aangegeven, op welke bladzijde het bedoelde punt der instructiën voorkomt.

Als bijlage wordt aan de acta hier toegevoegd een letterlijke afdruk van de bij deze Synode ingekomen stukken, voor zoover die zijn bewaard gebleven in den vroeger vermelden foliant van het Oud-Archief; natuurlijk met verbetering van de verkeerde volgorde, waarin zij aldaar door den binder zijn bijeengevoegd. Zij zijn van drieërlei aard (te vinden in den genoemden foliant op de bij ieder stuk aangegeven bladzijde):

A. Brieven in zake de afvaardiging van gedeputeerden; en wel:

1°. Uit de Classe van Delft: a. van de Classe, d.d. 10 Juni (blz. 161), een geloofsbrief voor de predikanten Petrus Carpentarius (Schiedam), Hubertus (verstrooide Kerk van Schipluiden), Aegidius (Rotterdam) en Arnholdus (Delft); b. van den Kerkeraad van Naaldwijk, d.d. 11 Juni (blz. 169), een geloofsbrief voor den ouderling Mathijs Jacopss en den predikant Franciscus Vrancken; c. van den Kerkeraad van ’s Gravenhage, d.d. 12 Juni (blz. 165), een geloofsbrief voor den ouderling Johan Ernst van Vassen; d. van den Kerkeraad van Delft, d.d. 13 Juni (blz. 163), een geloofsbrief voor den diaken Burchardt Jansz; e. van den Kerkeraad van Schiedam, d.d. 13 Juni (blz. 157), een geloofsbrief voor den door de Classe aangewezen predikant Petrus Carpentarius, en verontschuldiging over het niet zenden van een ouderling of diaken.

2°. Uit de Classe van Dordrecht: a. van den Kerkeraad van Gouda, d.d. 10 Juni (blz. 167), een geloofsbrief voor den predikant Jan Henricksen en den ouderling Wilhem Thomessenn; b. van den Kerkeraad van Leerdam, d.d. 15 Juni (blz. 153), eene verontschuldiging over het niet komen van den door de

|129|

Classe aangewezen predikant Joest de Jonge; c. van den Kerkeraad van Gorinchem, d.d. 16 Juni (blz. 141), eene verontschuldiging over het niet komen van den ter Synode geroepen predikant Henricus Rolandus; d. van den Magistraat van Gorinchem, d.d. 16 Juni (blz. 143), van dezelfde strekking; e. van den Kerkeraad van Gorinchem, d.d. 26 Juni (blz. 145), een geloofsbrief voor den ouderling Wit Jansen en den diaken Wynant Gerritsoon, om in zake den predikant Henricus Rolandus met de Synode te handelen.

3°. Uit de Classe van Voorne, Putten en Overflakkee 1): van de Classe, d.d. 13 Juni (blz. 171), een geloofsbrief voor den predikant Gerardus Gallinaceus en den ouderling Jan Commersz.

4°. Uit de Classe van Zierikzee: van de Classe, d.d. 8 Juni (blz. 149), een geloofsbrief voor den predikant Gerardus Culenburgus en den ouderling Cyprianus Morrhius.

5°. Uit de Classe van Walcheren: a. van den Kerkeraad van Veere, d.d. 9 Juni (blz. 155), een geloofsbrief voor den predikant Joannes Miggrodius; b. van den Kerkeraad van Middelburg d.d. 10 Juni (blz. 159), een geloofsbrief voor den predikant Gaspar van der Heyden; c. van den Kerkeraad van Middelburg, d.d. 13 Juni (blz. 151), een geloofsbrief voor den ouderling Jan de Hoorne; d. van den Magistraat en den Kerkeraad van Vlissingen, d.d. 15 Juni (blz. 135), een geloofsbrief voor den predikant Joannes Gerobulus.

6°. Uit Noord-Holland: van de broederen aldaar, d.d. 9 Juni (blz. 147), eene verontschuldiging over het niet komen van de gedeputeerde predikanten Andreas Theodorici, Richardus Nicolai en Anthonius Nicolaus.

B. Instructiën voor de ter Synode gedeputeerden; en wel:

1°. Uit de Classe van Voorne, Putten en Overflakkee: a. van de Classe (blzz. 181-188), in 38 artikelen; b. van de Kerk van den Briel (blzz. 190-194), in 15 artikelen.

2°. Uit de Classe van Zierikzee: van de Classe (blzz. 173 vg.), in 11 artikelen.


1) Deze Classe wordt in de acta de Classe van den Briel genoemd.

|130|

3°. Uit de Classe van Walcheren: van de Glasse (blzz. 175-179), in 16 artikelen.

C. Stukken over allerlei andere zaken; en wel:

1°. Een brief van Godfried van Wingen (Londen), d.d. 2 Juni (blz. 137), met aanbieding van een catechismus en kerkenordening.

2°. Een brief van den Kerkeraad van Gouda, d.d. 24 Juni (blz. 139), met verzoek van medewerking tot verkrijging van nog een predikantstractement, ten behoeve der beroeping van Hubertus Francisci.

Deze 23 stukken van het Oud-Archief zijn alle zonder onderscheid oorspronkelijke bescheiden, die op de Synode zelve gediend hebben; als zoodanig gewaarmerkt, voor ver het grootste gedeelte door de onderteekeningen die alle eigenhandig zijn, en voor het overige door een opgedrukt of ingedrukt of aangehecht zegel, terwijl enkele stukken zoowel van eene onderteekening als van een zegel voorzien zijn.

F.L.R.