Jansen, Joh. (1976) Art. 11

 

Art. XI. Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode.

 

Onderhoud en ontslag des Dienaars.

Artt. 10 en 11 behooren bij elkaar. Art. 10 zegt welke verplichting de band aan zijn kerk (zie artt. 3-9) voor den dienaar meebrengt nl. dat hij zijn gemeente niet eigenmachtig en eigenwillig mag verlaten. Art. 11 voegt er nu aan toe, welke verplichting er wederkeerig voor zijn gemeente uit volgt, en wel:

1. De verplichting tot onderhoud van den dienaar: Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen. Deze verplichting vloeit voort uit de roeping van de zijde der kerk. Immers de kerk roept hem om haar met al zijn gaven en krachten, tijd en vermogens te dienen, zoodat hij niet voor zich zelf kan zorgen en ook geen burgerlijke functie kan waarnemen, omdat dit aan zijn ambtelijken dienst te veel schade zou doen. In de 16e eeuw kwam het wel voor, dat een dienaar of zijn vrouw er iets bij deden om hun inkomen te vermeerderen

|50|

(bijv. advocaat, notaris, arts, winkel). De kerken keurden dat echter af. Niet uit een doopersch beginsel van mijding, alsof een dienaar er te geestelijk voor is, want Paulus heeft ook wel een tijdlang als tentenmaker in zijn onderhoud voorzien. Maar wel omdat de ambtelijke dienst al onze liefde, Joh. 21: 15-17; 2 Cor. 5: 14; al onzen tijd, Joh. 9: 4; al onze gewilligheid, 2 Cor. 9: 16-17; al onze volharding, 2 Tim. 4: 1-6; en onze algeheele afzondering tot en onze toewijding aan het werk der bediening vraagt, Rom. 1: 1; Hand. 15: 26.

Deze verplichting is aanstonds door de kerken uitgesproken. Aanvankelijk was het de nood die er toe drong, want door de breuke met Rome verloren zij alle goederen. Het convent te Wezel, 1568, adviseerde dan ook overal commissies te vormen van „mannen van beproefd geloof en levenswandel, die de bezoldiging der dienaren en wat voorts tot het gebruik van den dienst (des Woords) noodig zal zijn, verzamelen zullen.” Zie ook acta van Embden, artt. 36 en 40. Maar nadat zij sinds 1572 al meer de vrijheid verkregen en de overheid op vele plaatsen met de reformatie meeging, hebben zij toch deze verplichting, dat de kerken zelf voor het onderhoud der dienaren te zorgen hebben, als een beginsel gehandhaafd. Wel kwamen zij in de practijk telkens tot de Staten om de traktementen uit de kerkelijke en geestelijke goederen te ontvangen, maar zij meenden daartoe het recht te hebben, omdat de Gereformeerde kerken geen nieuwe, maar de voortzetting van de oude apostolische, door de Roomsche bijgeloovigheid verbasterde kerken, waren en dus op de aloude kerke-goederen, die met de reformatie op vele plaatsen onder beheer der overheid gekomen waren, rechtmatig aanspraak konden maken. Eerst in de laatste eeuw is bij de Gereformeerde kerken het besef levendig geworden, dat de kerken dit beginsel ook zelf moeten uitvoeren.

Deze verplichting legt Gods Woord dan ook aan de kerken op. Dit blijkt kortelijk uit de volgende bepalingen: a. dat de dienaren des Evangelies onderhouden moeten worden door degenen, onder wie zij arbeiden. Matth. 10: 10 en Luk. 10:7, „want de arbeider is zijn voedsel (of gelijk Luk. 10: 7 zegt: zijn loon) waardig”, gelijk de Heiland zelf onderhouden werd door degenen die Hem dienden van hun goederen; b. dat zij, volgens de ordinantie van Christus, die in het natuurrecht, 1 Cor. 9: 7; in de wet van Mozes vss. 8-10; in het geestelijk recht, vss. 10-12; en in de zorg voor de priesters in het O.T.

|51|

vs. 13 gegrond is, van het Evangelie moeten leven: „Alzoo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”; c. dat de nalatigheid inzake deze verplichting ernstig berispt en een bespotting van God genoemd wordt, die door Hem bestraft zal worden, Gal. 6: 6-8.

Deze verplichting rust op de gemeente, maar moet door den kerkeraad, die haar representeert, uitgevoerd worden. Is zij er niet van overtuigd, dan moet hij haar uit de Schrift hare roeping duidelijk maken. Een vast bedrag geeft art. 11 uit den aard der zaak niet aan. Het spreekt alleen van „behoorlijk onderhoud” (Latijn: stipendia justa d.i. het loon waarop zij recht hebben). Het onderhoud is geen liefdegave, maar verschuldigd loon. Jezus zeide zelf: „de arbeider is zijn loon waardig” Luk. 10: 7. Maar het bedrag is in verschillende kerken en tijden onderscheiden. In de dagen der vervolging waren de kerken arm en konden zij maar een klein traktement geven. Dat is thans anders. De meeste kerken kunnen hare dienaren nu wel een ruim bestaan verzekeren. Ook de positie van den dienaar zelf heeft invloed. In de Roomsche kerken hebben alle dienaren vanwege het coelibaat een klein gezin en ongeveer dezelfde eischen. Maar in de Gereformeerde kerken maakt het groot verschil of een dienaar gehuwd is of niet; en, zoo ja, of hij een klein of een groot gezin heeft. In den regel wordt daarop te weinig gelet en toch is het naar Gods woord, dat een dienaar met zijn gezin van het Evangelie moet kunnen leven. Kleine en zwakke kerken moeten krachtens den eisch van het kerkverband door de sterke worden gesteund. Evenmin bepaalt art. 11 hoe de kerkeraden aan het bedrag moeten komen. In vele kerken wordt het samengebracht uit kerkcollecten, contributies en zitplaatsengelden. Dit alles is aan de vrijheid der kerken overgelaten. Kerkcollecten zijn niet af te keuren als in de afkondiging maar uitkomt, dat ze zijn ter voldoening aan de verplichtingen jegens den kerkedienst, terwijl die voor de armen strekken om mede te deelen tot de behoeften der heiligen. Het stelsel van hoofdelijken omslag, waarbij de kerkeraad regelt, wat de leden ongeveer behooren bij te dragen, is aan te bevelen, als de leden dan maar vrij gelaten worden hun aandeel vrijwillig te bepalen. Het stelsel van zitplaatsen verhuren, zooals dat in vele kerken bij opbod plaats heeft, is af te keuren en tegen de Schrift, Jak. 2: 1-5. Wel wordt het bezwaar eenigszins weggenomen, wanneer rijken en armen overal door de geheele kerk heen kunnen zitten en een zeker bedrag

|52|

voor hunne zitplaatsen vrijwillig willen bijdragen. Evenmin is het stelsel van vrije zitplaatsen aan te bevelen, want de kerk is geen gehoor- of concertzaal, waar de menschen kunnen plaats nemen, waar zij willen. Het meest zuivere is het stelsel der gezinsbanken, zoodat de ouders met hun kinderen krachtens den eisch van het genadeverbond bij elkander zitten in dezelfde bank.

2. De verplichting om hen niet eigenmachtig uit hun dienst te ontslaan (in de oude redactie stond: „niet verlaten” d.i. niet laten varen, verstooten, ontslaan) zonder kennis en approbatie van de Classe en van de Deputaten der Particuliere synode.

In welk geval is zulk een ontslag mogelijk? Er is in de latere jaren op verschillende synoden (Groningen, 1899, art. 121; Utrecht, 1905, art. 89; Amsterdam, 1914, art. 139) over de strekking en toepassing van dit ontslag uit den dienst gehandeld. Het komt kort samengevat, hierop neer: 1e Art. 11 mag niet worden toegepast: a. in geval van onzuiverheid in leer of leven, welke onder de tucht. artt. 79 en 80 K.O., vallen en censurabel zijn; b. in geval kerkeraad en gemeente den dienaar wegens onwettige reden kwijt willen zijn, bijv. wanneer de schuld van de wanverhouding bij kerkeraad en gemeente ligt, want een predikant mag niet de dupe worden van lage bedoelingen, om een dienaar af te danken; c. in geval een predikant tot geestelijk verzorger in een onzer Christelijke gestichten van barmhartigheid wordt benoemd, want zoo iemand ontvangt geen ontslag naar art. 11, maar een soort emeritaat naar analogie van art. 13, met behoud van radicaal, maar zonder recht op emeritaatsgeld. 2e Maar art. 11 is voor een eigensoortig geval, waarin veelal door de schuld van beide zijden, de verhouding zóó gespannen is, dat de gemeente hem het toegezegde onderhoud niet meer geeft en hij er niet meer met zegen kan werken, ’t zij dan omdat hij wel de gaven heeft om een gemeente een tijd lang, maar niet om ze vele jaren met stichting te dienen, ’t zij dan omdat de karakters niet bij elkander passen, terwijl toch geen van beide partijen zich aan een censurabele zonde schuldig maakt, zoodat het niet onder de artt. 79 en 80 K.O. valt. In de 16e en 17e eeuw verplaatste de classe zulk een dienaar dan wel naar een andere kerk, zoodat volgens de oude redactie het slot van het art. dán ook luidde: „dewelke zal oordeelen of de voorschreven dienaars te verzetten zijn of niet.” Was een of andere kerk haar dienaar moe of kon zij hem niet meer betalen, dan vroeg zij aan de classe om hem te verplaatsen. Omdat deze

|53|

maatregel echter niet Gereformeerd, maar Roomsch is, zijn deze woorden in 1905 terecht geschrapt. Toch kan de classe in zulke gevallen wel iets doen. Zij kan aan de andere classen mededeelen, dat er inzake N.N. geen genoegzame redenen voor afzetting waren, en dat hij na oprechte schuldbelijdenis geacht kan worden wel in een andere, maar niet in zijn eigen gemeente meer met zegen te kunnen dienen; en daarom de aandacht der kerken op hem vestigt en hem bij haar aanbeveelt. Het ware te wenschen, dat dit meer geschiedde. De positie van zulk een ontslagen dienaar is deze, dat hij niet uit het ambt wordt ontzet, maar slechts van de werkzaamheden in die gemeente wordt ontslagen, zoodat hij ambtstitel of radicaal blijft behouden, voor andere kerken beroepbaar wordt verklaard, op verzoek in andere kerken Woord en Sacramenten mag bedienen, maar zoolang bij geen beroep ontvangt, de ontslagen-dienaar der gemeente, welke hij diende, blijft.

3. Wijl zulk een ontslag abnormaal is, geldt ook voor de financieele verplichtingen een abnormale regeling; het gewone traktement kan niet doorgaan, omdat hij den gewonen dienst niet meer verricht; emeritaatsgeld kan hij niet erlangen, omdat hij niet emeritus verklaard is, zoodat in den regel aan zoo iemand, zoolang hij geen gemeente weer heeft, een zeker „wachtgeld” wordt toegekend, waarbij dan met de positie van de vrouw en de minderjarige kinderen, ingeval van overlijden des dienaars, binnen den termijn van het wachtgeld gerekend werd, al kan de weduwe met de kinderen in eigenlijken zin geen aanspraak op emeritaatsgelden maken.

4. Dat van zulk een ontslag met opgave van redenen aan alle Classen der Gereformeerde kerken kennis gegeven moet worden, liefst in gesloten couvert.

Bij wie berust de beslissing? De kerkeraad onslaat, maar mag dat niet doen zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode, en wel om drie redenen: 1e omdat de dienaar dan verzekerd is, dat hem geen onrechtvaardig ontslag gegeven wordt; 2e omdat de classe en de deputaten der part. synode ook behulpzaam zijn bij het peremptoir-examen en bij de toelating tot het ambt en nu ook bij het ontslag moeten erkend worden; 3e omdat er een meerdere macht moet zijn, die het ontslag moet goedkeuren, wijl de kerkeraad zelf partij is, zoodat er gevaar is, dat hij niet onbevangen oordeelt.